← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.005 Arrest- Rolnummer: 5/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-01-24 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-06-18 23:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Geen schending (artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State) 2. Schending (artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017, in zoverre die bepaling geen regeling bevat op grond waarvan belanghebbenden die geen partij waren in de procedure voor de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit bij het Marktenhof een beroep kunnen instellen tegen de beslissing van de Geschillenkamer) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit », gesteld door de Raad van State. Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Marktenhof - Mogelijkheid voor een derde-belanghebbende om een beroep in te stellen tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 5/2023 van 12 januari 2023 Rolnummer : 7807 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters Y. Kherbache, T. Detienne, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 253.657 van 5 mei 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 mei 2022, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 ‘ tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 78, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming, in zoverre die wettelijke bepalingen zo worden gelezen dat de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, geen rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over een beroep tot nietigverklaring dat door een derde-belanghebbende wordt ingesteld tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Informex », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. O. Sasserath en Mr. R. Robijns, advocaten bij de balie te Brussel; 2 - de Gegevensbeschermingsautoriteit, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets en Mr. E. Cloots, advocaten bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. S. De Meue, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 26 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 november 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 november 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op de toegang van bepaalde verzekeringsondernemingen tot de persoonsgegevens opgenomen in de Kruispuntbank van de voertuigen. Die toegang geschiedt via een informatieplatform beheerd door de nv « Informex ». Bij haar beslissing nr. 34/2020 van 23 juni 2020 heeft de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit daaromtrent beslist : « - dat het gebruik van persoonsgegevens verkregen via de Kruispuntbank van de voertuigen door klanten van de NV Informex, met name verzekeringsmaatschappijen, met oog op het opstellen van gepersonaliseerde prijsopgaven een schending inhoudt van artikelen 5.1

  1. b)en 6.1 AVG alsook artikel 25 van het Koninklijk besluit van 8 juli 2013 ter uitvoering van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen. De Geschillenkamer gelast de verweerder bijgevolg op grond van artikel 58.2,
  2. d)AVG en artikel 100, § 1, 9° WOG, in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke van voornoemde persoonsgegevens, de verwerking in overeenstemming te brengen binnen de zes maanden na de kennisgeving van deze beslissing en de Geschillenkamer hierover binnen dezelfde termijn te informeren; - op grond van artikel 100, § 1, 5° WOG een berisping te formuleren ten aanzien van de verweerder wegens schending van artikelen 12, 13 en 14 AVG; en - op grond van artikel 58.2,
  3. d)AVG en artikel 100, § 1, 9° WOG de verweerder te gelasten de informatie die zij omtrent haar verwerkingen verstrekt, in overeenstemming te brengen met artikelen 12 tot en met 14 AVG binnen de drie maanden na de kennisgeving van deze beslissing en de Geschillenkamer hierover binnen dezelfde termijn te informeren ». De verweerder bedoeld in die beslissing is de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die blijkens dezelfde beslissing « verwerkingsverantwoordelijke is van de persoonsgegevens opgenomen in de Kruispuntbank van de voertuigen ». Op 22 juli 2020 heeft de nv « Informex » een beroep bij het Marktenhof ingesteld tegen die beslissing van de Geschillenkamer. Bij een arrest van 28 oktober 2020 heeft het Marktenhof dat beroep afgewezen als onontvankelijk, in essentie omdat de beslissing van 23 juni 2020 werd genomen ten aanzien van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en niet ten aanzien van de nv « Informex », die geen partij was in de procedure voor de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Volgens het Marktenhof kent 3 artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » (hierna : de wet van 3 december 2017) uitsluitend aan de partijen bij de Geschillenkamer het recht toe om het in die bepaling bedoelde beroep in te stellen. Op 20 augustus 2020 heeft de nv « Informex » eveneens een beroep tot nietigverklaring van de beslissing van 23 juni 2020 ingesteld bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die laatste stelt vast dat het Marktenhof het beroep van de nv « Informex » tegen diezelfde beslissing heeft afgewezen, en stelt daarom de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.1. Volgens de Ministerraad dient de draagwijdte van de prejudiciële vraag te worden beperkt tot artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Voor de oplossing van het bodemgeschil dient enkel te worden nagegaan of het grondwettig is dat de Raad van State geen kennis kan nemen van een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, die een administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°. Het is derhalve niet noodzakelijk dat eveneens uitspraak wordt gedaan over de bevoegdheid van het Marktenhof overeenkomstig artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017. In tegenstelling tot wat de Gegevensbeschermingsautoriteit aanvoert, kan de Geschillenkamer overigens niet als een orgaan van de Kamer van volksvertegenwoordigers worden beschouwd in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals ook wordt bevestigd in de verwijzingsbeslissing. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege in het bodemgeschil nog een cassatieberoep kan instellen tegen het arrest van het Marktenhof. Een uitbreiding van de draagwijdte van de prejudiciële vraag tot artikel 108, § 1, zou erop neerkomen dat het prejudiciële contentieux voor het Hof wordt aangewend als een oneigenlijk rechtsmiddel tegen dat arrest. Minstens zou een dergelijke uitbreiding vooruitlopen op een eventuele procedure voor het Hof van Cassatie. Eveneens volgens de Ministerraad steunt het standpunt van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege op een onjuiste lezing van de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De bevoegdheid van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring van akten en reglementen van administratieve overheden heeft een residuair karakter. Het was de bedoeling van de wetgever om het contentieux inzake de beslissingen van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit in het geheel toe te wijzen aan het Marktenhof, zodat zulke geschillen hoe dan ook niet kunnen vallen onder de residuaire bevoegdheid van de Raad van State. In zoverre naast het Marktenhof ook de Raad van State gedeeltelijk bevoegd zou zijn om zich over zulke beslissingen uit te spreken, bestaat er een risico op tegenstrijdige uitspraken. A.1.2. De Ministerraad is van mening dat er geen sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 78, lid 1, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Die laatste bepaling vereist enkel dat een persoon een doeltreffende voorziening in rechte kan instellen « tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit ». Daaruit volgt niet dat een dergelijke voorziening ook dient open te staan voor een persoon die geen partij was in de procedure voor de Geschillenkamer, zoals de verzoekende partij in het bodemgeschil, die immers geen juridisch bindende gevolgen ondervindt van de beslissing van de Geschillenkamer. Bovendien dient de in artikel 78, lid 1, van de AVG bedoelde voorziening in rechte niet noodzakelijk te bestaan in een annulatieberoep bij de Raad van State. De Ministerraad wijst eveneens erop dat een derde-belanghebbende wel degelijk over een doeltreffende voorziening in rechte beschikt, aangezien hij een vordering kan instellen bij de hoven en rechtbanken teneinde zijn subjectieve rechten te vrijwaren. Subsidiair verzoekt de Ministerraad het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de interpretatie van artikel 78, lid 1, van de AVG. 4 A.1.3. Volgens de Ministerraad is er evenmin sprake van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid welke categorieën van personen het Hof met elkaar dient te vergelijken. In zoverre de prejudiciële vraag de vergelijking betreft tussen, enerzijds, derde-belanghebbenden en, anderzijds, de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer, merkt de Ministerraad op dat artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die categorieën van personen op dezelfde wijze behandelt. Voor geen van beide categorieën van personen staat immers een beroep open bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, tegen beslissingen van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Een eventueel verschil in behandeling vloeit niet voort uit artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar uit artikel 108 van de wet van 3 december 2017, zoals geïnterpreteerd door het Marktenhof, waarvan het Hof de grondwettigheid te dezen niet dient na te gaan. Voor het overige verzet geen enkele rechtsregel zich ertegen dat een ander rechtscollege dan de Raad van State wordt belast met geschillen van objectief contentieux. De keuze om in dat verband specifieke bevoegdheden toe te kennen aan het Marktenhof is daarenboven redelijk verantwoord, zoals ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 december 2016 « tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1986/001, pp. 13-18). A.1.4. In zoverre het Hof zou vaststellen dat artikel 108 van de wet van 3 december 2017, in de aan het Hof voorgelegde interpretatie, ongrondwettig is, zet de Ministerraad uiteen dat die bepaling ook voor een andere, grondwetsconforme interpretatie vatbaar is. Die bepaling betreft immers enkel de kennisgeving van de beslissing van de Geschillenkamer aan de partijen in de administratieve geschillenfase. Zij beperkt de bevoegdheid van het Marktenhof niet tot beroepen ingesteld door zulke partijen. Evenmin blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 2017 dat het de bedoeling was van de wetgever om een restrictieve invulling te geven aan de beroepsmogelijkheid bij het Marktenhof. A.2.1. De Gegevensbeschermingsautoriteit wijst in de eerste plaats erop dat noch het Marktenhof, noch de Raad van State rechtsmacht hebben om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, ingesteld door een derde die geen partij was in de procedure voor de Geschillenkamer. De Gegevensbeschermingsautoriteit sluit zich aan bij de interpretatie dat artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 uitsluitend een beroepsmogelijkheid toekent aan de partijen in de administratieve geschillenfase. Voorts dient de Gegevensbeschermingsautoriteit te worden beschouwd als een orgaan van een wetgevende vergadering in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat bij de Raad van State slechts beroepen kunnen worden ingesteld tegen beslissingen van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit die betrekking hebben op overheidsopdrachten en leden van het personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. Die bepaling bevat dus evenmin een wettelijke grondslag voor een beroep ingesteld door een derde-belanghebbende tegen een beslissing van de Geschillenkamer. A.2.2. De Gegevensbeschermingsautoriteit vervolgt dat bij de beoordeling van de prejudiciële vraag de artikelen 10 en 11 van de Grondwet noodzakelijkerwijze dienen te worden gelezen in samenhang met artikel 78, lid 1, van de AVG, gelet op de voorrang van het recht van de Europese Unie en de rechtstreekse werking van die laatste bepaling. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State roept bovendien geen verschil in behandeling in het leven tussen de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer en de derde- belanghebbenden. Bijgevolg is een toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie als dusdanig niet aan de orde. A.2.3. Volgens de Gegevensbeschermingsautoriteit is artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 78, lid 1, van de AVG. Noch uit die bepaling, noch uit de overwegingen bij de AVG kan worden afgeleid dat derde- belanghebbenden het recht moeten hebben om beslissingen van een toezichthoudende autoriteit aan te vechten. Artikel 78, lid 1, kent immers enkel aan de adressaten van een beslissing van de Geschillenkamer, namelijk de verwerkingsverantwoordelijke en de klager, het recht toe om die beslissing in rechte te betwisten. Ten overvloede merkt de Gegevensbeschermingsautoriteit op dat het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State ook geen onevenredige gevolgen heeft voor de derde-belanghebbenden. Zij beschikken immers over de mogelijkheid om bij de hoven en rechtbanken een burgerlijke vordering in te stellen, indien zij van mening zijn dat de beslissing van de Geschillenkamer hun subjectieve rechten schendt. A.2.4. De Gegevensbeschermingsautoriteit benadrukt dat de onderhavige prejudiciële vraag niet kan worden vergeleken met de prejudiciële vraag die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 74/2020 van 28 mei 5 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.074). Dat arrest had betrekking op een beroep tot nietigverklaring ingesteld door de adressaat van de aangevochten beslissing, en niet door een derde-belanghebbende. Bovendien diende het Hof in dat arrest geen rekening te houden met de AVG, aangezien die verordening niet van toepassing was op het bodemgeschil. A.2.5. Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat artikel 78, lid 1, van de AVG niet voldoende duidelijk is, verzoekt de Gegevensbeschermingsautoriteit om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de interpretatie ervan. A.2.6. Mocht het Hof besluiten dat een van de in het geding zijnde bepalingen een ongrondwettige lacune bevat, dan is de Gegevensbeschermingsautoriteit in ondergeschikte orde van mening dat het uitsluitend aan de wetgever toekomt die lacune op te vullen. In een dergelijk geval zouden er immers meerdere mogelijkheden zijn om de ongrondwettige situatie te verhelpen. Zo zou de wetgever ervoor kunnen kiezen het beroep bij het Marktenhof waarin artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 voorziet, uit te breiden tot de personen die geen partij waren in de procedure voor de Geschillenkamer. Daarbij zouden verschillende beleidskeuzes moeten worden gemaakt, met betrekking tot onder meer de termijn, het belang en de vormvereisten. De wetgever zou eveneens een mogelijkheid kunnen creëren voor derde-belanghebbenden om een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen. A.3.1. Wat betreft de ontvankelijkheid en de draagwijdte van de prejudiciële vraag, zet de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege uiteen dat zij over een objectief beroep bij hetzij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, hetzij het Marktenhof moet beschikken. Het Hof dient bijgevolg zowel artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 te beoordelen. De bevoegdheden van de beide rechtscolleges kunnen niet los van elkaar worden gezien. A.3.2. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege zet in hoofdorde uiteen dat, indien de aan het Hof voorgelegde interpretatie van artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 wordt aangenomen, artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre uit die bepaling volgt dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, niet bevoegd is om zich uit te spreken over een beroep ingesteld door een derde-belanghebbende tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. In de regel is de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, immers het bevoegde rechtscollege voor beroepen tegen akten van administratieve overheden, die kunnen worden ingesteld door elke persoon met een belang. Volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is het zonder redelijke verantwoording dat een dergelijk beroep niet kan worden ingesteld tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, die eveneens dient te worden beschouwd als een administratieve overheid. In tegenstelling tot wat de Gegevensbeschermingsautoriteit betoogt, is het voormelde arrest van het Hof nr. 74/2020 wel degelijk relevant voor de onderhavige zaak, aangezien daaruit volgt dat een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, dient open te staan voor iedereen die wordt benadeeld door een beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De aan het Hof voorgelegde interpretatie leidt bovendien ook tot een discriminatie tussen, enerzijds, de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer, die een beroep kunnen instellen bij het Marktenhof, en, anderzijds, derde-belanghebbenden, die over geen enkele beroepsmogelijkheid beschikken. Overigens kiest de Geschillenkamer zelf wie als partij bij de administratieve geschillenfase wordt betrokken. Het kan niet worden aanvaard dat zij daardoor zelf zou kunnen bepalen wie al dan niet over een mogelijkheid beschikt om een beroep in te stellen tegen haar beslissingen. A.3.3. De omstandigheid dat, indien zowel de Raad van State als het Marktenhof zich konden uitspreken over beslissingen van de Geschillenkamer, een risico zou bestaan op tegenstrijdige uitspraken, kan volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet rechtvaardigen dat aan een derde-belanghebbende de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd. Voorts is het niet van belang dat een derde-belanghebbende een vordering kan instellen bij de burgerlijke rechter. Een dergelijke vordering, die gericht is op het vrijwaren van subjectieve rechten, kan niet worden vergeleken met een beroep tot nietigverklaring in het kader van een objectief contentieux. Een vonnis van de burgerlijke rechter heeft slechts uitwerking inter partes, terwijl de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit in de praktijk gevolgen heeft voor een groot aantal personen, die niet allemaal in de procedure voor de burgerlijke rechter kunnen worden betrokken. In geval van een veroordeling van de verwerkingsverantwoordelijke door de burgerlijke rechter, zonder vernietiging van de beslissing van de Geschillenkamer, zouden er daarnaast tegenstrijdige beslissingen bestaan. De omstandigheid dat een rechtsonderhorige zich tot de burgerlijke rechter kan wenden, kan bijgevolg niet volstaan om die rechtsonderhorige een objectief beroep te ontzeggen. 6 A.3.4. Volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is het gebrek aan beroepsmogelijkheid niet alleen in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar ook met artikel 78, lid 1, van de AVG. Die laatste bepaling vereist een doeltreffend rechtsmiddel tegen een administratieve rechtshandeling van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit voor iedereen die daarvan rechtsgevolgen ondervindt, ongeacht of het gaat om een partij in de administratieve geschillenfase. De in het geding zijnde bepalingen schenden daarnaast ook de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. A.3.5. In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017, in de aan het Hof voorgelegde interpretatie, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en evenmin met artikel 78, lid 1, van de AVG, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. In zoverre een derde-belanghebbende niet over de mogelijkheid beschikt om een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, dient hij toegang tot het Marktenhof te hebben. A.3.6. Tot slot is de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege het niet eens met het standpunt van de Gegevensbeschermingsautoriteit dat, in zoverre het Hof een ongrondwettige lacune zou vaststellen, het uitsluitend aan de wetgever staat die lacune op te vullen. De wetgever heeft immers reeds ervoor gekozen het Marktenhof bevoegd te maken voor objectieve geschillen over de beslissingen van de Geschillenkamer, en de bestaande procedurele regeling kan eveneens worden toegepast ten aanzien van derde-belanghebbenden. Zo zou het logisch zijn om ten aanzien van derde-belanghebbenden te voorzien in een beroepstermijn van dertig dagen vanaf de bekendmaking, naar analogie met de regeling die van toepassing is op de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid, voor een derde-belanghebbende, om een beroep in te stellen tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. B.2.1. Artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), bepaalt : « Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot 7 overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten en reglementen ». B.2.2. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State werd herhaaldelijk gewijzigd, meer bepaald ingevolge verschillende arresten van het Hof (arresten nrs. 33/94 van 26 april 1994 (ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.033), 31/96 van 15 mei 1996 (ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.031), 54/2002 van 13 maart 2002 (ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.054), 89/2004 van 19 mei 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.089), 93/2004 van 26 mei 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.093), 79/2010 van 1 juli 2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.079), 36/2011 van 10 maart 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.036) en 161/2011 van 20 oktober 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.161)). De wetgever heeft, zonder aan het begrip « administratieve overheid » zelf te raken, de bevoegdheid van de Raad van State geleidelijk uitgebreid tot administratieve akten die uitgaan van overheden die geen deel uitmaken van de uitvoerende macht en de organen die daarvan afhangen. Die uitbreiding betreft onder meer de akten en reglementen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van haar organen, voor zover die betrekking hebben op overheidsopdrachten en leden van het personeel. B.3.1. Artikel 108 van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » (hierna : de wet van 3 december 2017) bepaalt : « § 1. De geschillenkamer stelt de partijen in kennis van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof. Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de geschillenkamer bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt is de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep. De beslissing tot verwijdering van gegevens overeenkomstig artikel 100, § 1, 10°, is niet uitvoerbaar bij voorraad. 8 § 2. Tegen de beslissingen van de geschillenkamer op grond van de artikelen 71 en 90 staat beroep open bij het Marktenhof die de zaak behandelt zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek ». B.3.2. Het Marktenhof is een sectie van het Hof van Beroep te Brussel, bestaande uit de kamers voor marktzaken (artikel 101, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Het houdt steeds zitting met drie raadsheren (artikel 109bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek). De raadsheren die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof, dienen te beschikken over ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht (artikel 207, § 3, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek). B.3.3. Luidens de memorie van toelichting van de wet van 3 december 2017 houdt het voormelde artikel 108 in dat « na kennisgeving van de beslissing een beroep kan worden ingesteld bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2648/001, p. 53). Het verslag namens de commissie voor de Justitie vermeldt met betrekking tot diezelfde bepaling : « Dit artikel regelt de kennisgeving van de beslissing van de geschillenkamer, de uitvoerbaarheid ervan en wijst de bevoegde beroepsrechtbank aan (i.e. het Marktenhof) » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2648/006, p. 36). In dat verslag is eveneens te lezen : « Voor het overige meldt de staatssecretaris dat er tegen de beslissingen van de geschillenkamer een rechterlijk beroep openstaat bij het Marktenhof dat oordeelt met volle rechtsmacht » (ibid., p. 5). « De staatssecretaris stipt aan dat er bewust voor gekozen is om het Marktenhof aan te wijzen als bevoegd rechtscollege voor de behandeling van beroepen tegen de beslissingen van de geschillenkamer. Hij legt uit dat de betrokken partijen in de meerderheid van de gevallen economische actoren (bedrijven en ondernemingen) zijn en dat dit Hof veel ervaring en deskundigheid heeft opgebouwd om met deze partijen te werken. De staatssecretaris zegt ook open te staan voor suggesties voor alternatieven » (ibid., p. 18). Er werden meerdere amendementen ingediend die ertoe strekten een ander rechtscollege bevoegd te maken voor beroepen tegen beslissingen van de Geschillenkamer, namelijk de 9 rechtbank van eerste aanleg of het Hof van Beroep te Brussel (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2648/003, pp. 17-18; ibid., DOC 54-2648/004, pp. 4-5; ibid., DOC 54-2648/005, pp. 18-21). Geen van die amendementen werd aangenomen. Ten gronde B.4.1. Het Hof dient zich uit te spreken over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit en, anderzijds, « derde-belanghebbenden », wat de mogelijkheid betreft om een beroep in te stellen tegen een beslissing van de Geschillenkamer. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat onder « derde-belanghebbende » dient te worden verstaan de persoon die geen partij was in de procedure voor de Geschillenkamer en die derhalve ook niet de adressaat is van de door de Geschillenkamer genomen beslissing, maar niettemin nadelige gevolgen ondervindt van die beslissing en in die mate doet blijken van een belang bij de vernietiging ervan. Volgens het verwijzende rechtscollege leiden artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 ertoe dat een derde-belanghebbende noch bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, noch bij het Marktenhof een beroep kan instellen tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. In de aan het Hof voorgelegde interpretatie volgt meer bepaald uit artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 dat een beroep bij het Marktenhof enkel openstaat voor de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer. Die interpretatie steunt op de tekst van het eerste lid van die bepaling, volgens hetwelk de Geschillenkamer « de partijen in kennis [stelt] van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof ». Evenmin kan volgens het verwijzende rechtscollege een derde-belanghebbende een annulatieberoep instellen op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aangezien het de bedoeling van de wetgever was om het Marktenhof exclusief bevoegd te maken voor beroepen gericht tegen beslissingen van de Geschillenkamer. B.4.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof dat verschil in behandeling te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 78, 10 lid 1, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). B.5. Volgens de Ministerraad en de Gegevensbeschermingsautoriteit is de prejudiciële vraag slechts ontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij voeren aan dat het niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil om eveneens de grondwettigheid te beoordelen van artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017, aangezien die bepaling de procedure voor het Marktenhof betreft en niet die bij het verwijzende rechtscollege. Zelfs al zou het Hof de ongrondwettigheid vaststellen van artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017, dan nog zou het verwijzende rechtscollege zich zonder rechtsmacht dienen te verklaren. Die exceptie houdt verband met de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen en met hun onderlinge samenhang. Het onderzoek ervan valt samen met dat van de grond van de zaak. B.6. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen, in de aan het Hof voorgelegde interpretatie, niet bestaanbaar zijn met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Het staat evenwel niet aan een partij voor het verwijzende rechtscollege om het onderwerp en de omvang van de prejudiciële vraag te bepalen. B.7.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 11 B.7.2. Artikel 78, lid 1, van de AVG bepaalt : « Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen ». B.8.1. Zoals het Hof onder meer heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 74/2020 van 28 mei 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.074), behoort het tot de basisbeginselen van de democratische opbouw van de Staat dat de wetgevende vergaderingen bij de uitoefening van hun opdracht over de ruimste onafhankelijkheid beschikken. Daaruit volgt dat een wetgevende vergadering de haar toevertrouwde aangelegenheden zelf dient te kunnen regelen en haar bevoegdheden op autonome wijze dient te kunnen uitoefenen. Dat beginsel brengt met zich mee dat, wanneer wetgevende vergaderingen of een van hun organen handelingen verrichten die verbonden zijn met hun politiek of wetgevend optreden, die handelingen aan rechterlijk toezicht kunnen worden onttrokken. De noodzaak om die onafhankelijkheid te vrijwaren, rechtvaardigt evenwel niet dat elk beroep wordt uitgesloten tegen beslissingen van een orgaan van de Kamer van volksvertegenwoordigers, wanneer dat orgaan een bevoegdheid uitoefent die niet verbonden is met het politiek of wetgevend optreden van de Kamer van volksvertegenwoordigers. B.8.2. Te dezen is het niet noodzakelijk te bepalen of de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit dient te worden beschouwd als een overheid die deel uitmaakt van de uitvoerende macht, zoals wordt aangenomen door het verwijzende rechtscollege, de Ministerraad en de verzoekende partij in het bodemgeschil, dan wel als een orgaan verbonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, zoals de Gegevensbeschermingsautoriteit aanvoert. Het volstaat immers vast te stellen dat de wetgever in artikel 108 van de wet van 3 december 2017 erin heeft voorzien dat tegen de beslissingen van de Geschillenkamer een jurisdictioneel beroep kan worden ingesteld. B.9.1. Wanneer de wetgever in een beroepsmogelijkheid voorziet, mag hij die mogelijkheid niet zonder redelijke verantwoording aan een bepaalde categorie van rechtzoekenden ontzeggen. 12 B.9.2. Uit de in B.3.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever bewust ervoor heeft gekozen het Marktenhof, en dus niet de Raad van State, aan te wijzen als het rechtscollege dat exclusief bevoegd is om in het kader van een objectief contentieux en met volle rechtsmacht te oordelen over de geschillen inzake de beslissingen van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Verschillende voorstellen om een ander rechtscollege bevoegd te maken werden verworpen. Die keuze is ingegeven door de vaststelling dat de betrokkenen meestal economische actoren zijn, alsook door de ervaring en deskundigheid van het Marktenhof. De wetgever beoogde bijgevolg om, ten aanzien van de beslissingen van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, een specifieke beroepsmogelijkheid te creëren bij een gespecialiseerd rechtscollege. B.9.3. Het is niet pertinent ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen dat het objectief beroep waarin aldus is voorzien tegen de beslissingen van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt ontzegd aan rechtzoekenden die een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijden als gevolg van een dergelijke beslissing, ook al waren zij niet als partijen betrokken in de administratieve geschillenfase die tot die beslissing heeft geleid. Het door het invoeren van dat beroep beschermde belang is even reëel en even wettig voor zulke rechtzoekenden als voor de adressaten van de beslissing van de Geschillenkamer, in zoverre zij allen doen blijken van een belang bij de vernietiging daarvan. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 2017 kan overigens niet worden afgeleid dat de wetgever daadwerkelijk de bedoeling had om derde-belanghebbenden uit te sluiten van het beroep bij het Marktenhof, laat staan dat daarin wordt verduidelijkt welke redenen een dergelijke uitsluiting zouden verantwoorden. B.10.1. Uit het bovenstaande volgt dat het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.10.2. De combinatie van die bepalingen met artikel 78, lid 1, van de AVG kan niet leiden tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid. De door de Ministerraad en de Gegevensbeschermingsautoriteit gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dient daarom niet te worden gesteld. 13 B.11.1. De vastgestelde ongrondwettigheid vloeit niet voort uit artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar uit artikel 108 van de wet van 3 december 2017, in zoverre die bepaling geen regeling bevat op grond waarvan belanghebbenden die geen partij waren in de procedure voor de Geschillenkamer een beroep kunnen instellen bij het Marktenhof. Zoals is vermeld in B.9.2, beoogde de wetgever immers de objectieve geschillen inzake de beslissingen van de Geschillenkamer exclusief toe te kennen aan het Marktenhof. Het staat aan de wetgever die lacune in artikel 108 van de wet van 3 december 2017 op te vullen, waarbij hij onder meer zal moeten voorzien in een specifieke termijnregeling ten aanzien van derde-belanghebbenden, die door de Geschillenkamer niet op individuele wijze in kennis kunnen worden gesteld van de beslissing, alsook van de mogelijkheid om daartegen een beroep aan te tekenen bij het Marktenhof. B.11.2. Teneinde aan die derde-belanghebbenden het recht op een daadwerkelijk beroep bij het bevoegde rechtscollege te waarborgen, dienen zij in afwachting van een wetgevend optreden, naar analogie met de bestaande regeling van artikel 108, § 1, eerste lid, van de wet van 3 december 2017, over een termijn van dertig dagen te beschikken om een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer in te stellen bij het Marktenhof, die ingaat op de dag waarop zij kunnen worden geacht kennis te hebben gekregen van die beslissing en ten vroegste op de dag waarop dit arrest wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. 2. Artikel 108, § 1, van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling geen regeling bevat op grond waarvan belanghebbenden die geen partij waren in de procedure voor de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit bij het Marktenhof een beroep kunnen instellen tegen de beslissing van de Geschillenkamer. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 januari 2023. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.005 Gerelateerde publicatie(
  4. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.033 ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.031 ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.054 ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.089 ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.093 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.079 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.036 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.161 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.074 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.