id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.008 Arrest- Rolnummer: 8/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-01-31 Raadplegingen: 752 - laatst gezien 2026-06-18 03:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996, in de interpretatie volgens welke het de strafgerechten niet toelaat de forfaitaire schadevergoeding waarin het voorziet toe te kennen aan de slachtoffers van een daad van geweld op het werk) - Geen schending (dezelfde bepaling, in de interpretatie volgens welke zij de strafgerechten toelaat de forfaitaire schadevergoeding waarin zij voorziet toe te kennen aan de slachtoffers van een daad van geweld op het werk) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Arbeidsrecht - Welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - Slachtoffer van een gewelddaad op het werk - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank - Keuze tussen het integrale herstel van de geleden schade of het forfaitaire herstel - Keuze die niet bestaat voor een strafgerecht Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 8/2023 van 19 januari 2023 Rolnummers : 7736 en 7740 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter T. Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, E. Bribosia en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter T. Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest van 22 april 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 januari 2022, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers (bij de uitvoering van hun werk) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het het slachtoffer van een gewelddaad op het werk toelaat alleen voor de arbeidsgerechten een keuze te maken tussen het integrale herstel van zijn schade of het forfaitaire herstel van diezelfde schade, terwijl datzelfde slachtoffer van identieke feiten niet meer over die keuze zou beschikken indien, voor een strafgerecht, vervolging wordt ingesteld tegen de dader van die tenlastelegging ? ». b. Bij arrest van 25 november 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2022, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers (bij de uitvoering van hun werk) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het het slachtoffer van een gewelddaad op het 2 werk toelaat alleen voor de arbeidsgerechten een keuze te maken tussen het integrale herstel van zijn schade of het forfaitaire herstel van diezelfde schade, terwijl datzelfde slachtoffer van identieke feiten, dat zich burgerlijke partij stelt naar aanleiding van een voor een strafgerecht ingestelde vervolging, niet meer over die keuze zou beschikken tegen de dader die aan die tenlastelegging schuldig is bevonden ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7736 en 7740 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - A.K., V.D. en C.T., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. O. Moureau en Mr. M. Duchesne, advocaten bij de balie Luik-Hoei (in de zaak nr. 7736); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Deckers en Mr. C. Minne, advocaten bij de balie Luik-Hoei (in beide zaken). De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 26 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 november 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 9 november 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 7 december 2022. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2022 : - zijn verschenen : . Mr. V. Danau, advocaat bij de balie Luik-Hoei, loco Mr. H. Deckers, en Mr. L. Mesdom, advocaat bij de balie Luik-Hoei, loco Mr. C. Minne, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Zaak nr. 7736 P.G. wordt ervan beschuldigd de controle van de sociale inspectie in zijn horecazaak te hebben belemmerd, tijdens die controle een gewelddaad op het werk te hebben gepleegd ten aanzien van de sociale inspectrices A.K., V.D. en C.T., niet de nodige maatregelen te hebben genomen opdat het afschrift van de arbeidsovereenkomst van een deeltijdse werkneemster zich bevindt op een gemakkelijk toegankelijke plaats en, daarmee samenhangend, A.K., V.D. en C.T. verbaal te hebben bedreigd met « een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf of een gevangenisstraf van minstens drie maanden staat » en, ten slotte, de sociale inspectrices V.D., A.K. en C.T., namelijk « personen met een openbaar karakter », te hebben beledigd. A.K., V.D. en C.T. hebben zich burgerlijke partij gesteld teneinde het herstel te vorderen van de schade die zij hebben geleden, met name de schade ten gevolge van de gewelddaad op het werk waarvan zij het slachtoffer zijn geweest. Zij vorderen op grond van artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk » (hierna : de wet van 4 augustus 1996) een vergoeding gelijk aan zes maanden brutoloon of, in ondergeschikte orde, gelijk aan drie maanden brutoloon. Bij een vonnis van 14 januari 2019 wordt P.G. door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, veroordeeld voor de tenlasteleggingen te zijnen aanzien. Op burgerlijk gebied weigert de Rechtbank artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 toe te passen. Zij weigert aldus een forfaitaire vergoeding toe te kennen aan A.K., V.D. en C.T. als herstel van de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de gewelddaad op het werk. De Rechtbank kent hun evenwel een vergoeding toe die zij ex aequo et bono begroot. In hoger beroep bevestigt het Hof van Beroep te Luik de schuld van P.G. en veroordeelt het hem tot strafrechtelijke straffen. Op burgerlijk vlak stelt het Hof van Beroep vast dat een strafgerecht niet bevoegd is om een forfaitaire vergoeding toe te kennen aan het slachtoffer van een gewelddaad op het werk op grond van artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996, maar beslist het de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen alvorens ten gronde uitspraak te doen. Zaak nr. 7740 Y.Z. en C.B. worden ervan beschuldigd Y.Z. op bedrieglijke wijze te hebben onderworpen aan de wetgeving inzake de sociale zekerheid der werknemers en gegevens betreffende een werkneemster niet te hebben meegedeeld aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen. Y.Z. en A.Z. worden daarnaast ervan beschuldigd een gewelddaad op het werk te hebben gepleegd ten aanzien van een sociaal inspecteur en een politieagent, en een controle van de sociale inspectie te hebben belemmerd. De Belgische Staat, sociaal inspecteur A.L. en hoofdinspectrice van politie J.M. hebben zich burgerlijke partij gesteld teneinde het herstel te vorderen van de schade ten gevolge van de gewelddaad op het werk. A.L. steunt zijn vordering op artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996, teneinde een vergoeding te verkrijgen gelijk aan zes maanden brutoloon. In ondergeschikte orde verzoekt hij dat aan het Hof een prejudiciële vraag wordt gesteld. Bij een vonnis van 13 januari 2020 worden Y.Z., C.B. en A.Z. door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, veroordeeld voor de tenlasteleggingen te hunnen aanzien. Op burgerlijk gebied weigert de Rechtbank artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 toe te passen en weigert zij bijgevolg een forfaitaire vergoeding toe te kennen aan A.L. voor het herstel van zijn schade. De Rechtbank kent hem evenwel een vergoeding van 1 euro provisioneel toe, waarbij zij haar uitspraak voor het overige aanhoudt. Aan J.M. kent de Rechtbank een vergoeding toe die zij ex aequo et bono begroot. In hoger beroep bevestigt het Hof van Beroep te Luik het bestreden vonnis, maar beslist het, op burgerlijk gebied, aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen alvorens uitspraak ten gronde te doen. 4 III. In rechte -A- A.1.1. In de zaak nr. 7736 herinneren A.K., V.D. en C.T. eraan dat het Hof moet nagaan of er een discriminatie bestaat die voortvloeit uit de verschillende behandeling van identieke situaties, wanneer de in het geding zijnde bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat het slachtoffer van een gewelddaad op het werk enkel voor de arbeidsgerechten kan kiezen tussen het integrale herstel van zijn nadeel en een forfaitair herstel ervan. A.1.2. A.K., V.D. en C.T. lichten toe dat artikel 32decies van de wet van 4 augustus 1996 werd gewijzigd bij een wet van 28 maart 2014, teneinde, voor het slachtoffer van gewelddaden op het werk, de mogelijkheid te bieden voor de rechter een forfaitaire vergoeding voor het herstel van de geleden schade te vorderen. De invoering van die mogelijkheid om te kiezen voor een forfaitaire vergoeding beantwoordt aan een tweevoudige doelstelling. Enerzijds heeft de wetgever de bewijslast met betrekking tot de schade van het slachtoffer van een gewelddaad op het werk willen verlichten. Anderzijds heeft hij de bedragen willen preciseren waartoe de pleger van de gewelddaad op het werk zou worden veroordeeld, in de hoop dat zulks voor hem een ontradend effect zou hebben. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat het de bedoeling was van de wetgever om het principe vast te leggen dat de arbeidsrechtbank bevoegd is wanneer een vordering tot schadevergoeding voor het herstel van onrechtmatige gedragingen wordt ingesteld. A.1.3. A.K., V.D. en C.T. voeren aan dat de slachtoffers van gewelddaden op het werk die een vordering tot schadevergoeding instellen voor de arbeidsgerechten, enerzijds, en de slachtoffers van gewelddaden op het werk die zich burgerlijke partij stellen in het kader van een strafprocedure, zich in vergelijkbare situaties bevinden. Het betreft immers dezelfde slachtoffers van dezelfde gewelddaden op het werk die de vergoeding van hun schade nastreven. A.1.4. Volgens A.K., V.D. en C.T. doet de interpretatie van de verwijzende rechter een verschil in behandeling ontstaan tussen de slachtoffers van gewelddaden op het werk. Terwijl de eerstgenoemden kunnen kiezen voor een forfaitaire vergoeding van hun schade, waardoor zij ervan vrijgesteld zijn het bewijs van die schade te leveren, beschikken de laatstgenoemden niet over die keuze en moeten zij bijgevolg hun werkelijke schade bewijzen. Het criterium van onderscheid is de aard van het rechtscollege dat van de vordering tot schadevergoeding kennis neemt. A.1.5. A.K., V.D. en C.T. zijn van mening dat dat verschil in behandeling niet objectief verantwoord is. De doelstellingen die de wetgever met de wijziging van de in het geding zijnde bepaling in 2014 heeft nagestreefd zijn relevant in de twee vergeleken situaties. Bovendien is de intentie van de wetgever om een ontradend effect te creëren voor de pleger van de gewelddaad des te relevanter in het kader van een strafprocedure. Het lijkt overigens niet de wil van de wetgever te zijn geweest om aan de arbeidsgerechten de exclusieve bevoegdheid toe te kennen om kennis te nemen van vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers van gewelddaden op het werk. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers niet dat de wetgever afwijkingen van die principiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten zou hebben uitgesloten. De interpretatie volgens welke de arbeidsgerechten exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van de vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers van gewelddaden op het werk brengt een onevenredige beperking van de rechten van het slachtoffer met zich mee. Volgens die interpretatie zou het slachtoffer van een gewelddaad op het werk dat zich burgerlijke partij heeft gesteld voor een strafgerecht, immers verplicht zijn om zijn werkelijke schade te bewijzen, hetgeen moeilijk is. In de praktijk leidt zulks vaak tot een vergoeding ex aequo et bono van het slachtoffer, wat dat laatste geen voldoening schenkt. Bovendien, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, sluit het slachtoffer zichzelf uit van het strafproces aangezien het ertoe verplicht is in rechte te treden voor het arbeidsgerecht om een forfaitaire vergoeding van zijn schade te vorderen, voor feiten die identiek zijn aan die welke aan de strafrechter zijn voorgelegd. De beslissing over de strafvordering kan echter een invloed hebben op de beslissing van het arbeidsgerecht. Het criterium van onderscheid is bijgevolg niet relevant en de in het geding zijnde maatregel heeft onevenredige gevolgen. A.1.6. A.K., V.D. en C.T. besluiten dat de prejudiciële vraag in de zaak nr. 7736 bevestigend dient te worden beantwoord. 5 A.2.1. In de zaken nrs. 7736 en 7740 herinnert de Ministerraad aan de ontstaansgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling. Artikel 32decies van de wet van 4 augustus 1996 werd ingevoerd bij een wet van 11 juni 2002. Vervolgens werd het een eerste keer gewijzigd bij een wet van 6 februari 2007. De wetgever wenste de principiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank te behouden. De wetgever heeft het slachtoffer van gewelddaden op het werk evenwel niet de mogelijkheid willen ontnemen om een schadevergoeding te vorderen voor de strafgerechten. De in het geding zijnde bepaling werd vervolgens een tweede keer gewijzigd, bij een wet van 28 maart 2014. Het is toen dat de wetgever een keuze heeft ingevoerd met betrekking tot de vergoeding van het slachtoffer van een gewelddaad op het werk, waarbij dat slachtoffer de schade kan bewijzen die het werkelijk heeft geleden, dan wel een forfaitaire vergoeding kan vorderen die overeenstemt met drie maanden brutoloon, of zelfs zes maanden brutoloon in sommige gevallen. A.2.2. De Ministerraad merkt op dat de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij de wet van 28 maart 2014 niet tot doel had de toegewezen bevoegdheden van de rechtscolleges om kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding te wijzigen. De wetgever had niet de bedoeling om de kwestie van de schadevergoeding die een slachtoffer van een gewelddaad op het werk kan vorderen, uitsluitend toe te vertrouwen aan de arbeidsrechtbank. De correctionele rechtbank is eveneens bevoegd om kennis te nemen van een dergelijke vordering, wanneer de eiser zich burgerlijke partij heeft gesteld in het kader van een strafvervolging. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt overigens dat de in het geding zijnde bepaling zo kan worden geïnterpreteerd dat zij het strafgerecht toelaat zich bevoegd te verklaren, teneinde aan het slachtoffer een forfaitaire vergoeding toe te kennen. Bijgevolg bestaat geen enkel onverantwoord verschil in behandeling. Ongeacht of het slachtoffer van een gewelddaad op het werk zijn vordering heeft ingesteld bij de arbeidsrechtbank of bij de strafrechter, kan dat slachtoffer van de dader van de feiten ofwel een forfaitaire vergoeding, ofwel de vergoeding van de daadwerkelijk geleden schade eisen. Die interpretatie is des te meer verantwoord daar de wetgever, door het bedrag te preciseren waartoe de dader van de feiten zou kunnen worden veroordeeld, die dader heeft willen ontmoedigen een gewelddaad op het werk te plegen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wil van de wetgever erin bestond aan de slachtoffers van een gewelddaad op het werk de mogelijkheid te bieden om op forfaitaire wijze te worden vergoed, zonder onderscheid naar gelang van het rechtscollege waartoe zij zich hebben gewend. A.2.3. De Ministerraad besluit dat moet worden aangenomen dat het slachtoffer van een gewelddaad op het werk de forfaitaire vergoeding van zijn schade kan vorderen, ook al wordt de vordering ingesteld voor het strafgerecht, en hij stelt bijgevolg een grondwetsconforme interpretatie van de in het geding zijnde bepaling voor. A.3.1. In zijn memorie van antwoord in de zaken nrs. 7736 en 7740 merkt de Ministerraad op dat A.K., V.D. en C.T. terecht opmerken dat de wetgever niet de intentie had aan de arbeidsgerechten de exclusieve bevoegdheid toe te kennen om kennis te nemen van vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers van gewelddaden op het werk. A.K., V.D. en C.T. voeren eveneens terecht aan dat de wetgever de strafgerechten niet de bevoegdheid heeft willen ontnemen om kennis te nemen van de vorderingen tot schadevergoeding die uitgaan van die slachtoffers. A.3.2. Na te hebben herinnerd aan de argumentatie in zijn memorie, is de Ministerraad van mening dat A.K., V.D. en C.T. niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat tussen de slachtoffers van gewelddaden op het werk een verschil in behandeling zou bestaan, naargelang zij hun vordering tot schadevergoeding instellen voor de arbeidsgerechten dan wel voor de strafgerechten. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. Artikel 32decies, § 1/1, van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk » (hierna : de wet van 4 augustus 1996) bepaalt : 6 « Al wie een belang kan aantonen kan voor de arbeidsrechtbank een vordering tot schadevergoeding instellen. Tot herstel van de materiële en morele schade wegens geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk is de dader van de feiten een schadevergoeding verschuldigd die, naar keuze van het slachtoffer, gelijk is aan : 1° hetzij de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In dit geval moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen; 2° hetzij een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor drie maanden. In de volgende gevallen wordt het bedrag verhoogd tot het brutoloon voor zes maanden :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.