id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.010 Arrest- Rolnummer: 10/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-01-31 Raadplegingen: 701 - laatst gezien 2026-06-17 07:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1)- Geen schending (artikelen 18 en 28 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018, in zoverre zij niet toelaten om, voor het bepalen van het aantal kinderen dat vereist is voor de toekenning van de bijslag voor grote gezinnen, de last in aanmerking te nemen die daadwerkelijk door elk van de ouders wordt gedragen voor de huisvesting en de opvoeding van hun kinderen uit een vorige relatie, wanneer die kinderen alternerend door de ouders worden gehuisvest) - Schending (ontbreken van een decretale bepaling die toelaat, voor het bepalen van het aantal kinderen dat vereist is voor de toekenning van de bijslag voor grote gezinnen, de last in aanmerking te nemen die daadwerkelijk door elk van de ouders wordt gedragen voor de huisvesting en de opvoeding van hun kinderen uit een vorige relatie, wanneer die kinderen alternerend door de ouders worden gehuisvest) 2) Schending (artikelen 18 en 28 van hetzelfde decreet, in zoverre zij de toekenning van de bijslag voor grote gezinnen doen afhangen van het geslacht van de ouder die de bijslagtrekkende is van een kind dat alternerend is gehuisvest, en die daarnaast nog twee kinderen heeft met een partner met wie hij een nieuw samengesteld gezin vormt) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 18 en 28 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 « betreffende de gezinsbijslagen », gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociale zekerheid - Duitstalige Gemeenschap - Kinderbijslag - Bijslag voor grote gezinnen - Nieuw samengestelde gezinnen - Gescheiden ouders die het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen - 1. Niet bijslagtrekkende ouder - Het niet in aanmerking nemen van kinderen uit een vorig huwelijk - 2. Geslacht van de bijslagtrekkende ouder Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 10/2023 van 19 januari 2023 Rolnummer : 7766 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 18 en 28 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 « betreffende de gezinsbijslagen », gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 21 februari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 maart 2022, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 18 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 24 [lees : 23] april 2018 betreffende de gezinsbijslagen, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 28 van hetzelfde decreet, de artikelen 10, 11, 22bis en 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen, doordat het enerzijds nieuw samengestelde gezinnen van drie kinderen, van wie één kind alternerend gehuisvest wordt, en anderzijds traditionele gezinnen met drie kinderen verschillend behandelt, in zoverre in het geval van een nieuw samengesteld gezin de aanwezigheid, voor een halve dag, van het alternerend gehuisveste kind niet in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van de bijslag voor grote gezinnen ? 2. Schenden de artikelen 18 en 28 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 24 [lees : 23] april 2018 betreffende de gezinsbijslagen de artikelen 10, 11, 22bis en 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen, doordat zij enerzijds nieuw samengestelde gezinnen van drie kinderen, van wie één kind alternerend gehuisvest wordt, en 2 anderzijds traditionele gezinnen verschillend behandelen, in zoverre zij in bepaalde gevallen verhinderen dat in een dergelijk nieuw samengesteld gezin één enkele bijslagtrekkende voor alle kinderen wordt aangewezen ? 3. Schendt artikel 28, § 1, inzonderheid het 3° ervan, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 24 [lees : 23] april 2018 de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen, in zoverre het de vaders verschillend behandelt ten opzichte van de moeders, doordat het, wanneer ouders van verschillend geslacht dezelfde woonplaats hebben als het kind, steeds aan de moeder de voorrang geeft bij het bepalen van de bijslagtrekkende, zonder enige mogelijkheid van overdracht ten gunste van de vader ? ». De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Zians, Mr. A. Haas, Mr. R. Palm, Mr. F. Maraite en Mr. D. Hannen, advocaten bij de balie te Eupen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 12 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Regering van de Duitstalige Gemeenschap binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 26 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil S.H. en N.B., appellanten voor het verwijzende rechtscollege, en hun drie kinderen vormen een nieuw samengesteld gezin. Het oudste kind (geboren op 13 juni 2010) is de zoon van S.H. en diens voormalige partner. Hij woont de helft van de tijd bij zijn vader en N.B. en de helft van de tijd bij zijn moeder in het kader van een co-ouderschapsregeling. De twee jongsten (geboren op respectievelijk 25 mei 2017 en 27 september 2018), zijn de gezamenlijke dochters van de appellanten voor het verwijzende rechtscollege. De drie kinderen zijn kinderbijslaggerechtigden. S.H. ontvangt kinderbijslag voor zijn zoon. N.B. ontvangt kinderbijslag voor de twee jongsten. De moeder van het oudste kind, die nog twee andere kinderen heeft, ontvangt geen kinderbijslag in België maar wel in het Groothertogdom Luxemburg. S.H. en N.B. betwistten voor de Arbeidsrechtbank te Eupen het feit dat zij niet in aanmerking komen voor de verhoogde toeslag voor elk derde of volgende kind, nu de artikelen 17 en 18 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 « betreffende de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 23 april 2018) die verhoogde toeslag toekent voor elk derde of volgende kind dat in aanmerking komt voor de basiskinderbijslag die aan « dezelfde bijslagtrekkende » wordt betaald, terwijl N.B. de bijslagtrekkende is voor de twee jongsten en S.H. voor het oudste kind. Volgens hen is die regeling discriminerend. Zij verzochten de Arbeidsrechtbank in hoofdorde om de Duitstalige Gemeenschap te veroordelen tot de toekenning van de verhoogde kinderbijslag en in ondergeschikte orde om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 3 Nadat de Arbeidsrechtbank te Eupen hun zowel in hoofd- als ondergeschikte orde geformuleerde verzoek ongegrond verklaarde, stelde het echtpaar S.H.-N.B. tegen die beslissing hoger beroep in bij het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat S.H. en N.B. niet in aanmerking kunnen komen voor de verhoogde kinderbijslag omdat de basiskinderbijslag voor de drie kinderen niet aan dezelfde bijslagtrekkende wordt uitgekeerd. Hij wijst erop dat het Hof reeds in 2008 en 2017 vergelijkbare bepalingen ongrondwettig heeft bevonden. Dat verschil in behandeling zou weliswaar kunnen worden verholpen indien S.H. ook als bijslagtrekkende van de kinderbijslag voor de twee jongste kinderen zou worden aangewezen, maar volgens het verwijzende rechtscollege laat het decreet van 23 april 2018 dat niet toe. Het verwijzende rechtscollege stelt eveneens vast dat de situatie er anders zou uitzien indien een alternerend verblijvend kind bij zijn moeder zou zijn gedomicilieerd en zij nog minstens twee andere kinderen zou hebben met een andere partner. In een dergelijk geval zou de moeder in feite de bijslagtrekkende zijn van het alternerend verblijvend kind, in welk geval de basiskinderbijslag aan « dezelfde » bijslagtrekkende zou worden uitgekeerd en de moeder van het oudste kind wel recht zou hebben op de verhoogde kinderbijslag. Volgens het verwijzende rechtscollege zou dit een vorm van indirecte discriminatie op grond van geslacht kunnen zijn, aangezien mannen in dezelfde hypothese, in tegenstelling tot vrouwen, geen bijslagtrekkenden kunnen zijn voor hun kinderen van verschillende partners. Daarop stelt het verwijzende rechtscollege de bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap is allereerst van mening dat N.B. geen belang heeft bij de prejudiciële vraag, aangezien zij niet de moeder is van het oudste kind. Alleen S.H., die de vader is van het oudste kind, heeft een wettig belang. A.2. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap betwist voorts dat er sprake is van een niet-redelijk verantwoord verschil in behandeling. Ten eerste is de situatie van het gezin van de appellanten voor het verwijzende rechtscollege, waarbij het oudste kind slechts een week om de twee weken bij S.H. verblijft, niet vergelijkbaar met die van een gezin waarbij de drie kinderen permanent onder hetzelfde dak wonen. Een tweede verschil vloeit voort uit het feit dat de onderhoudsuitkeringen of de beschikbaarheid van extra inkomsten (in het geval van de moeder van het oudste kind) in aanmerking moeten worden genomen. Ten derde kan, zoals ook benadrukt door de eerste rechter, een wettelijke regeling onmogelijk alle mogelijke levenssituaties omvatten. Het loutere feit dat de in het geding zijnde regeling niet op elke individuele levenssituatie van toepassing is, is niet discriminerend. A.3. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap wijst er verder op dat het Hof in het door S.H. en N.B. voor het verwijzende rechtscollege aangehaalde arrest nr. 118/2017 van 12 oktober 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.118) een vergelijkbare lacune heeft vastgesteld, maar daarbij heeft aangegeven dat het aan de wetgever toekomt om die lacune te verhelpen. Bijgevolg kan het door S.H. en N.B. ingestelde hoger beroep niet tot een voor hen gunstig resultaat leiden, zelfs indien het Hof een ontoelaatbare gelijke behandeling zou vaststellen. Overigens heeft het Arbeidshof te Luik zich in een recent arrest met betrekking tot een soortgelijke situatie in dezelfde zin uitgesproken. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap wijst er in dat verband op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in een advies van 8 december 2017, en dus na het voormelde arrest nr. 118/2017, over het ontwerp van de in het geding zijnde regeling heeft opgemerkt dat die regeling voldoende rekening houdt met de verschillende situaties van gezinnen en kinderen. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap benadrukt dat de Raad van State zijn standpunt heeft herhaald in een recent advies over een voorstel van decreet van de Duitstalige Gemeenschap tot wijziging van het decreet betreffende de gezinsbijslagen. Dat voorstel strekt ertoe de bijslag voor grote gezinnen ook toe te kennen aan elk kind dat het derde kind of daaropvolgende kind is in een « nieuw samengesteld gezin ». In dat advies stelt de Raad van State uitdrukkelijk dat de decreetgever ervoor kan kiezen in het licht van de vooropgestelde doelstellingen de bijslag voor grote gezinnen te koppelen aan het aantal kinderen dat het recht op kinderbijslag opent dat aan eenzelfde bijslagtrekkende wordt uitbetaald, maar dat hij er eveneens voor kan kiezen de bijslag te koppelen aan het aantal kinderen dat het recht op kinderbijslag opent dat binnen eenzelfde gezin aan twee (of meer) bijslagtrekkenden 4 wordt uitbetaald. Het feit dat de decreetgever ook een andere regeling kan aannemen, betekent dus geenszins dat de vorige regeling ongrondwettig is. Het ligt in de aard der dingen dat wetten en decreten mettertijd worden gewijzigd, en de nieuwe voorschriften gelden meestal alleen voor toekomstige situaties. A.4. Het feit dat de andere gemeenschappen mogelijkerwijs andere regelingen hebben aangenomen, leidt volgens de Regering van de Duitstalige Gemeenschap niet tot een andere conclusie. Zij verwijst in dat verband naar de vaste overweging van het Hof, recent herhaald in het arrest nr. 195/2019 van 5 december 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.195), waarin de Waalse kinderbijslagregeling aan de orde was, naar luid waarvan een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, het mogelijke gevolg is van een onderscheiden beleid, dat is toegelaten door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.5. Ten slotte, in verband met artikel 22bis van de Grondwet, merkt de Regering van de Duitstalige Gemeenschap op dat niet alle in die bepaling vermelde rechten van het kind directe werking hebben, aangezien het vijfde lid van die bepaling het aan de wetgever overlaat die rechten vast te stellen, met inbegrip van de procedurele aanspraken op kinderbijslag in een nieuw samengesteld gezin. A.6. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap besluit dat de eerste prejudiciële vraag zonder voorwerp is, aangezien de beoogde situaties niet identiek zijn. Bovendien zou het gelijktrekken van de twee situaties kunnen leiden tot een nieuw verschil in behandeling dat als discriminerend zou kunnen worden beschouwd, bijvoorbeeld in het geval dat er in een van de twee nieuw samengestelde gezinnen niet ten minste drie kinderen zouden zijn. In dat geval zou het « klassieke » gezin met drie kinderen worden benadeeld. Dat voorbeeld alleen al bewijst volgens de Regering van de Duitstalige Gemeenschap dat het niet mogelijk is alle mogelijke complexiteiten van het sociale leven in de wetgeving op te nemen. Onder verwijzing naar twee verklaringen die de bevoegde minister in het Parlement heeft gegeven, merkt zij op dat in het geval van nieuw samengestelde gezinnen de vraag rijst hoe ver de juridische weergave van de feitelijke individuele situaties van de gezinnen moet reiken om een evenwichtige regeling te krijgen. Zowel de afdeling wetgeving van de Raad van State als de Arbeidsrechtbank te Eupen hebben in dit verband geoordeeld dat het basisdecreet reeds voldoende rekening houdt met verschillende levenssituaties. Ook de tweede prejudiciële vraag is volgens de Regering van de Duitstalige Gemeenschap zonder voorwerp. Als er al een hogere toelage zou moeten worden betaald, dan is het van weinig belang te bepalen aan welke ouder dat bedrag zou worden betaald. In die hypothese zou het immers aan de ouders staan onderling een verdeelregeling voor dat bedrag overeen te komen. Het feit dat dat bedrag aan slechts één ouder wordt betaald, is neutraal en vloeit voort uit de noodzaak dat de overheid moet weten aan wie de betaling moet worden gedaan. Gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, inzonderheid op de praktische problemen waartoe de vaststelling van een discriminatie zou leiden, is de derde prejudiciële vraag niet relevant. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en hun context B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 18 en 28, § 1, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 « betreffende de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 23 april 2018). Dat decreet strekt ertoe, met ingang van 1 januari 2019, voor de Duitstalige Gemeenschap, een nieuwe rechtsbasis voor de gezinsbijslagen te scheppen. Het voormelde decreet voorziet in verschillende geldelijke uitkeringen : de kinderbijslag, de geboortepremie en de adoptiepremie. Volgens artikel 1 van het voormelde decreet hebben 5 die uitkeringen tot doel « alle kinderen ontwikkelings- en ontplooiingskansen te bieden, de financiële belasting voor een gezin door de onderhoudskosten voor één of meer kinderen gedeeltelijk te compenseren en kinderarmoede te bestrijden ». B.1.2. De in het geding zijnde bepalingen maken deel uit van hoofdstuk 2 van het decreet van 23 april 2018, dat de kinderbijslag regelt. Het decreet van 23 april 2018 voorziet voor elk kind wiens woonplaats is gevestigd in het Duitse taalgebied in een basisbedrag van 157 euro per maand (artikel 8) en een jaarlijkse bijslag van 52 euro (artikel 15), ongeacht de plaats van het kind in het gezin en ongeacht zijn leeftijd (Parl. St., Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, 2017-2018, nr. 222/1, p. 4). Daarnaast is er een bijslag voor grote gezinnen (artikelen 17 en 18 van het voormelde decreet), waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben. B.2.1. Artikel 17 van het decreet van 23 april 2018 bepaalt : « De Regering kent een bijslag voor grote gezinnen toe die 135 euro per maand bedraagt ». Artikel 18 van het voormelde decreet bevat de toekenningsvoorwaarden voor die bijslag : « De bijslag voor grote gezinnen wordt aan elk kind toegekend, op voorwaarde dat het gaat om een derde kind of elk daarop volgend kind dat het recht op de basiskinderbijslag opent dat aan dezelfde bijslagtrekkende betaald wordt. […] ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Gezinnen met veel kinderen hebben te maken met extra kosten, bijvoorbeeld op het gebied van huisvestingsbehoeften of mobiliteit. Bovendien is bewezen dat gezinnen met drie of meer kinderen een groter risico lopen om in armoede te vervallen dan gezinnen met één of twee kinderen. Om deze redenen wordt voor het derde en elk volgend kind een supplement ingevoerd » (Parl. St., Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, 2017-2018, nr. 222/1, p. 4, en nr. 222/6, p. 6). 6 Uit artikel 18 volgt dat een gezin slechts aanspraak kan maken op de bijslag voor grote gezinnen wanneer aan « dezelfde bijslagtrekkende » de basiskinderbijslag wordt betaald voor drie of meer kinderen. Dit artikel sluit dus uit dat het voor de toekenning van de bijslag voor grote gezinnen vereiste aantal van ten minste drie kinderen wordt bereikt door alle kinderen van hetzelfde gezin te tellen die onder verschillende bijslagtrekkenden vallen. B.2.2. Artikel 28, § 1, van het decreet van 23 april 2018 definieert het begrip « bijslagtrekkende ». Het bepaalt : « De volgende personen gelden als bijslagtrekkende van de kinderbijslag, in deze volgorde : 1° de persoon die door de bevoegde rechtbank krachtens artikel 55 bepaald werd; 2° de ouder die dezelfde woonplaats heeft als het kind; 3° de moeder, wanneer ouders van verschillend geslacht dezelfde woonplaats hebben als het kind; 4° de oudste ouder wanneer ouders van hetzelfde geslacht dezelfde woonplaats hebben als het kind; 5° de persoon die het kind werkelijk opvoedt, wanneer geen van de ouders dezelfde woonplaats heeft als het kind; 6° de vrouw wanneer het in het geval vermeld in 5° om twee personen van verschillend geslacht gaat; 7° de oudste persoon wanneer het in het geval vermeld in 5° om twee personen van hetzelfde geslacht gaat of om meer dan twee personen gaat. De personen die meer dan de helft van de onderhoudskosten voor het kind betalen, worden beschouwd als de personen die het kind werkelijk opvoeden in de zin van het eerste lid, 5°, 6° en 7°. Tot bewijs van het tegendeel geldt dat het gaat om de meerderjarige personen die dezelfde woonplaats hebben als het kind. De Regering bepaalt hoe het tegendeel wordt bewezen ». Artikel 55 van het voormelde decreet bepaalt : « Zo het belang van het kind dit vereist, kan het meerderjarige kind, elke ouder, de adoptant, de pleegvoogd, de toeziende voogd, de curator, de bewindvoerder of de sociaal 7 verzekerde, naargelang het geval, overeenkomstig artikel 572bis, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, verzet aantekenen tegen de uitbetaling aan de bijslagtrekkende vermeld in artikel 28 ». Artikel 572bis, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 95 van het decreet van 23 april 2018, bepaalt : « Onverminderd de bijzondere bevoegdheden die zijn toegekend aan de vrederechter, de jeugdrechtbank, in het kader van de jeugdbeschermingsmaatregelen en de bijzondere wetgevingen, neemt de familierechtbank kennis van : […] 8° geschillen met betrekking tot het aanwijzen van de bijslagtrekkende(
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.