id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.013 Arrest- Rolnummer: 13/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 1379 - laatst gezien 2026-06-18 20:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in zoverre het voorziet in een termijn van acht dagen om verzet aan te tekenen tegen het arrest van het hof van beroep dat bij verstek is gewezen en waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken, te rekenen vanaf de bekendmaking van het arrest in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Publiek recht - Nationaliteit - Verlies van de Belgische nationaliteit - Vervallenverklaring - Beslissing gewezen bij verstek - Verzet - Termijn van verzet Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 13/2023 van 26 januari 2023 Rolnummer : 7745 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 23 december 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 februari 2022, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 13, 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het de termijn om verzet aan te tekenen tegen een arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit bij verstek wordt uitgesproken, beperkt tot acht dagen, vanaf de betekening of de bekendmaking, terwijl de betrokkene beschikt over een termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met toepassing van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, om verzet aan te tekenen tegen het correctionele vonnis waarbij zijn veroordeling bij verstek is uitgesproken wegens feiten die hebben verantwoord dat hij door het hof van beroep van zijn Belgische nationaliteit vervallen werd verklaard met toepassing van artikel 23 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit ? »; 2. « Schendt artikel 23, § 5, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het de termijn om verzet aan te tekenen tegen een arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit bij verstek wordt uitgesproken, beperkt tot acht dagen, 2 vanaf de betekening of de bekendmaking, terwijl de termijn om verzet aan te tekenen in burgerlijke zaken, volgens artikel 1048, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en behoudens uitzondering, één maand vanaf de betekening van de bij verstek uitgesproken beslissing bedraagt ? »; 3. « Schendt artikel 23, § 5, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het niet de mogelijkheid biedt om de termijn van acht dagen om verzet aan te tekenen tegen een arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit bij verstek wordt uitgesproken, te verlengen, terwijl de in artikel 1048, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde termijn om verzet aan te tekenen in burgerlijke zaken, volgens artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt verlengd tot de vijftiende dag van het nieuwe gerechtelijke jaar indien hij een aanvang neemt en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie ? »; 4. « Schendt artikel 23, § 5, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het niet de mogelijkheid biedt om de termijn van acht dagen om verzet aan te tekenen tegen een arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit bij verstek wordt uitgesproken, te verlengen, terwijl de in artikel 1048, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde termijn om verzet aan te tekenen in burgerlijke zaken, volgens artikel 1048, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt verlengd overeenkomstig artikel 55 van hetzelfde Wetboek, wanneer de niet-verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - G.A., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Cohen, advocaat bij de balie te Brussel, en door Mr. L. Laperche, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 7 december 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 21 december 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 21 december 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een vonnis dat op 29 juli 2015 bij verstek is gewezen, heeft de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel G.A. veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, wegens deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. Het Hof van Beroep te Brussel, waarbij de zaak door het openbaar ministerie aanhangig is gemaakt, heeft op grond van de overwegingen die in het vonnis van 29 juli 2015 in aanmerking zijn genomen, geoordeeld dat G.A. ernstig was tekortgeschoten in zijn verplichtingen als Belgische burger en heeft hem van de Belgische nationaliteit vervallen verklaard op grond van artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Bij een exploot dat op 11 augustus 2020 aan de procureur-generaal is betekend, heeft G.A. verzet aangetekend tegen het arrest van het Hof van Beroep. Voor het Hof van Beroep te Brussel voert de procureur- generaal aan dat het verzet onontvankelijk is, aangezien het niet werd aangetekend binnen de in artikel 23, § 5, tweede lid, van het voormelde Wetboek bedoelde termijn, die acht dagen bedraagt vanaf de bekendmaking van het vonnis bij uittreksel in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad, in casu 30 juli 2020. Het Hof van Beroep te Brussel merkt op dat de toepassing van die strikte verzetstermijn van acht dagen die niet kan worden verlengd, noch wegens de afstand, noch wanneer hij tijdens de gerechtelijke vakantie een aanvang neemt en verstrijkt, te dezen een paradoxale situatie doet ontstaan. De vervallenverklaring van de nationaliteit werd immers gemotiveerd op basis van het voormelde vonnis van 29 juli 2015, waartegen G.A. evenwel verzet heeft aangetekend . De Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel heeft dat verzet ontvankelijk verklaard, om reden dat de termijn van vijftien dagen waarover G.A. krachtens artikel 187 van het Wetboek van strafvordering beschikte om verzet aan te tekenen, moest worden verlengd met 80 dagen krachtens artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien G.A. buiten Europa verblijft. Daaruit vloeit voort dat de overwegingen op grond waarvan G.A. van de Belgische nationaliteit vervallen werd verklaard, zouden kunnen worden herzien door de correctionele rechtbank, zonder dat zulks een weerslag kan hebben op het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 19 december 2019, dat definitief is geworden. In die context stelt het Hof van Beroep te Brussel het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1. G.A. voert aan dat de termijn om verzet aan te tekenen tegen het arrest van het Hof van Beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken en de termijn om verzet aan te tekenen tegen het correctionele vonnis waarop die vervallenverklaring van de nationaliteit is gebaseerd, betrekking hebben op vergelijkbare situaties. De kortere verzetstermijn in het eerste geval is niet redelijk verantwoord en heeft onevenredige gevolgen voor de betrokkene. De toepassing van die termijn doet een paradoxale situatie ontstaan, aangezien het vonnis waarop de vervallenverklaring van de nationaliteit is gebaseerd, niet definitief is en het voorwerp van nieuwe debatten zal uitmaken, terwijl het arrest waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken - dat net op die strafrechtelijke veroordeling is gebaseerd -, definitief is geworden. G.A. doet gelden dat het strafvonnis, krachtens het in artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering vastgelegde beginsel « le pénal tient le civil en état », ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke vordering gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die gemeenschappelijk zijn aan beide vorderingen. Het betreft een regel van openbare orde die de burgerlijke rechter dwingt om de uitspraak aan te houden, in afwachting van de beslissing van het strafgerecht, om te vermijden dat een rechtzoekende wordt geconfronteerd met twee gerechtelijke uitspraken die elkaar tegenspreken. Te dezen komt de in het geding zijnde bepaling echter niet tegemoet aan die bezorgdheid. Volgens G.A. tast de in het geding zijnde bepaling de kern van het recht op toegang tot een rechter aan, aangezien zij de niet-verschenen partijen die in het buitenland verblijven, bijna geen enkele kans laten om op 4 ontvankelijke wijze verzet aan te tekenen. Binnen de termijn van acht dagen moet de niet-verschenen partij niet alleen kennisnemen van het arrest dat in haar afwezigheid is uitgesproken, maar moet zij ook een advocaat en een gerechtsdeurwaarder contacteren om over te gaan tot de dagvaarding in verzet. Dat is des te problematischer wanneer zij geen bekend adres in België heeft. In een dergelijk geval wordt het arrest betekend aan het parket en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in twee bladen. De niet-verschenen partij die in het buitenland verblijft, wordt evenwel niet verondersteld de Belgische pers, noch het Belgisch Staatsblad te lezen. G.A. merkt bovendien op dat in de bekendmaking niet de middelen en termijnen van beroep tegen die beslissing werden vermeld en verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 23/2022 van 10 februari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.023). A.2. De Ministerraad merkt op dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op de samenhang, in de aan het verwijzend rechtscollege voorgelegde zaak, tussen twee verzetstermijnen die van toepassing zijn op twee verschillende beslissingen. De paradoxale situatie die in het verwijzingsarrest ter sprake wordt gebracht, kan enkel bestaan indien de verzetstermijnen parallel lopen, hetgeen te dezen het geval is, volgens het verwijzende rechtscollege. Indien dat niet het geval zou zijn, zou het feit dat die termijnen verschillend of identiek zijn, mogelijk geen enkel effect kunnen hebben op die paradoxale situatie. De Ministerraad vraagt zich dan ook af of de formulering van de prejudiciële vraag pertinent is. De Ministerraad merkt op dat de in artikel 23 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde vervallenverklaring van de nationaliteit geen verband houdt met een strafrechtelijke veroordeling. Het verdwijnen van de veroordeling heeft niet noodzakelijk een weerslag op de vervallenverklaring van de nationaliteit, en het houdt evenmin noodzakelijkerwijs in dat de feiten die aan de oorsprong van die veroordeling liggen, niet zouden zijn aangetoond. Te dezen echter, in zoverre de door het openbaar ministerie ingestelde vordering tot vervallenverklaring zou zijn gebaseerd op de veroordeling van de betrokkene, kan het lot ervan een invloed hebben op het debat over de vervallenverklaring van de nationaliteit. De Ministerraad beklemtoont vervolgens dat artikel 23 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de verwijzende rechter niet verhindert om de regel « le criminel tient le civil en état » toe te passen en de uitspraak aan te houden totdat de correctionele rechtbank zelf uitspraak heeft gedaan, hetgeen het mogelijk maakt om de in het verwijzingsarrest vermelde paradoxale situatie te vermijden. De Ministerraad merkt ten slotte op dat artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek het hoe dan ook mogelijk maakt om een verzoek tot herroeping van het gewijsde in te dienen teneinde de herroeping te verkrijgen van een beslissing die berust op een vonnis of een arrest in strafzaken dat naderhand is vernietigd. A.3. G.A. merkt op dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 18bis van de wet van 30 juli 1934 « betreffende de vervallenverklaring van den staat van Belg », dat aan de oorsprong van de in het geding zijnde bepaling ligt, de zorg van de wetgever blijkt om de snelheid van de procedure te verzoenen met de inachtneming van de rechten van de verdediging. De toepasselijke procedure inzake vervallenverklaring van de nationaliteit was nagenoeg dezelfde als de toepasselijke procedure in burgerlijke zaken (termijn van acht dagen en geen verlenging van de termijn om redenen van afstand), waarbij de rechten van de verdediging evenwel werden versterkt door de bekendmaking van het arrest in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. De verzetsprocedure die van toepassing is inzake vervallenverklaring van de nationaliteit, is sindsdien niet gewijzigd, terwijl de gemeenrechtelijke regels inzake verzet wel zijn geëvolueerd : de termijnen waarover een partij beschikt die geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, werden verlengd, naargelang van de verblijfplaats in het buitenland; de termijnen voor hoger beroep en verzet worden voortaan geschorst tijdens de gerechtelijke vakantie; de termijn om verzet aan te tekenen is verhoogd van 8 naar 30 dagen. G.A. voert aan dat het adagium « le criminel tient le civil en état » de in het verwijzingsarrest vermelde paradoxale situatie niet kan verhinderen. Te dezen zouden de door de correctionele rechter beslechte punten nuttig zijn om ten gronde te onderzoeken of G.A. daadwerkelijk ernstig is tekortgeschoten in zijn verplichtingen als Belgisch burger. Indien het voor het Hof van Beroep aangetekende verzet onontvankelijk is, kan de verwijzende rechter het adagium evenwel niet toepassen. Aangezien de regels voor het verjaren van de vordering van openbare orde zijn, dient hij de vordering onontvankelijk te verklaren. G.A. betwijfelt of het indienen van een verzoek tot herroeping van gewijsde mogelijk is inzake vervallenverklaring van de nationaliteit, rekening houdend met het autonome karakter van die procedure. Het verzoek tot herroeping van het gewijsde is hoe dan ook een buitengewoon rechtsmiddel, dat aan veel striktere procedureregels is onderworpen dan die welke van toepassing zijn op het verzet. De verplichting om een dergelijk 5 rechtsmiddel aan te wenden brengt een onevenredige beperking van het recht op toegang tot een rechter met zich mee. Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag A.4.1. G.A. suggereert om de tweede prejudiciële vraag te herformuleren, zodat zij betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het recht op toegang tot een rechter. Voor het overige neemt G.A. in essentie de argumentatie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag over. Het verzet is daarenboven het enige mogelijke rechtsmiddel, aangezien de procedure tot vervallenverklaring van de nationaliteit niet in een dubbele aanleg voorziet. A.4.2. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, beklemtoont G.A. dat artikel 1253quater,
- c)en d), van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst, werd toegevoegd bij de wet van 26 juni 2001, ingevolge het arrest van het Hof nr. 13/2001 van 14 februari 2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.013). Het in het geding zijnde verschil in behandeling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet om dezelfde redenen als die welke in dat arrest zijn vermeld. A.5. De Ministerraad voert aan dat de toepassing van verschillende procedureregels op personen die zich in verschillende situaties bevinden, op zich niet discriminerend is. Volgens de Ministerraad bestond het doel van de wetgever erin een snelle verzetsprocedure in te voeren. Die maatregel is verantwoord en evenredig. De procedure tot vervallenverklaring van de nationaliteit is een zeer specifieke procedure, in het kader waarvan de debatten zich beperken tot gerichte vragen. De Ministerraad merkt op dat de gemeenrechtelijke verzetstermijn in burgerlijke zaken, samenvalt met de termijn voor hoger beroep. Te dezen is er geen sprake van hoger beroep, aangezien de door het hof van beroep uitgesproken vervallenverklaring van de nationaliteit niet vatbaar is voor hoger beroep. De Ministerraad is van mening dat de in artikel 23 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde regeling van het verzet in haar geheel moet worden beoordeeld. De termijn is weliswaar korter dan in het gemeen recht, maar het aanvangspunt is niet hetzelfde : hij loopt enkel vanaf de betekening indien die betekening aan de persoon is gedaan. De niet-verschenen partij is aldus zeker dat zij onmiddellijk zal worden bereikt door die betekening, waarborg die het gemeen recht niet noodzakelijkerwijs biedt. Wanneer de betekening, zoals te dezen, niet aan de persoon is gedaan, is het de bekendmaking in twee bladen die die termijn van verzet doet ingaan. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat de betekening te dezen heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020 en dat de bekendmaking die de termijn heeft doen ingaan, heeft plaatsgevonden op 30 juli 2020. Indien de verwijzende rechter het gemeen recht had toegepast, zou de termijn van één maand zijn verstreken op 9 april 2020. De toepassing van het gemeen recht zou met andere woorden duidelijk minder gunstig zijn geweest voor de betrokkene dan die van de in het geding zijnde bepaling. A.6. G.A. antwoordt dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 1934 « betreffende de vervallenverklaring van den staat van Belg » blijkt dat de keuze van de wetgever voor een termijn van acht dagen in die aangelegenheid er niet toe strekte de procedure sneller te maken. Het was enkel de bedoeling om de regeling over te nemen die in het gemeen recht van toepassing was wanneer een beslissing bij verstek was gewezen bij nalatigheid om te concluderen, en om de termijn te doen ingaan zodra de betrokkene daadwerkelijk kennis had van het vonnis, gezien de ernst van de gevolgen die een vervallenverklaring van de nationaliteit met zich meebrengt. Het was de bedoeling om ervoor te zorgen dat de verzetstermijn een aanvang kon nemen zonder dat de tenuitvoerlegging van het arrest tot vervallenverklaring van de nationaliteit moest worden afgewacht. De termijn van 30 dagen die van toepassing is in het gemeen recht van het verzet, is relatief recent; de wetgever heeft nagelaten om artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit dienovereenkomstig aan te passen. G.A. voert aan dat de debatten, in de procedure tot vervallenverklaring van de nationaliteit, zich niet beperken tot enkele zeer gerichte vragen. De bevoegde rechter moet in het bijzonder de beslissing om een persoon van zijn nationaliteit vervallen te verklaren met redenen omkleden, met name ten aanzien van de gevolgen die dat met zich meebrengt voor het verlies van het burgerschap van de Europese Unie (Cass., 24 april 2019, P.19.0166.F, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.4). De gerechtelijke debatten hebben trouwens voornamelijk betrekking op de vraag of een dergelijke vervallenverklaring een evenredig karakter heeft ten aanzien van de rechten en vrijheden van de betrokken persoon. 6 G.A. erkent dat de termijn om verzet aan te tekenen tegen een vonnis dat door een rechtscollege van eerste aanleg is gewezen, 30 dagen bedraagt, net zoals het hoger beroep. Verzet tegen een arrest van een hof van beroep, dat niet vatbaar is voor hoger beroep, is echter wel mogelijk volgens dezelfde procedureregels. G.A. voert aan dat door het feit dat de verzetstermijn een aanvang neemt vanaf de betekening aan de persoon of vanaf de bekendmaking van het arrest, het oorspronkelijke doel van de wetgever in acht wordt genomen en het recht op toegang tot een rechter concreet en daadwerkelijk wordt gewaarborgd. Het zou absurd zijn om een dergelijke termijn te doen ingaan vanaf de betekening aan het parket - hetgeen de wetgever nooit heeft gewild voor een uitzonderlijke procedure als de vervallenverklaring van de nationaliteit. A.7. De Ministerraad antwoordt dat de suggestie om de tweede prejudiciële vraag te herformuleren moet worden verworpen, aangezien de partijen niet over die mogelijkheid beschikken. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.8. G.A. voert aan dat artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek ertoe strekt het de partij die in het buitenland verblijft, mogelijk te maken een advocaat te raadplegen en alle stappen op het Belgische grondgebied te ondernemen, ten aanzien van een beslissing die door een Belgisch rechtscollege is uitgesproken. Rekening houdend met de ernst van de beslissing tot vervallenverklaring van de nationaliteit voor de betrokkene en met de bijzonder korte verzetstermijn, zijn, om dezelfde redenen als die welke hiervoor zijn vermeld, de gevolgen van de uitsluiting van het voordeel van die bepaling onevenredig gelet op het recht op toegang tot een rechter. A.9. De Ministerraad meent dat de vierde prejudiciële vraag niet pertinent is, gelet op de feiten van de zaak en dat zij bijgevolg geen antwoord behoeft. Te dezen zou de toepassing van het gemeen recht niet hebben geleid tot de toepassing van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit de motieven van het verwijzingsarrest blijkt immers dat het bij verstek gewezen arrest waartegen G.A. verzet heeft aangetekend, werd betekend aan het parket, bij gebrek aan een bekende woon- of verblijfplaats in België of in het buitenland, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek wordt enkel toegepast wanneer bekend is waar de persoon aan wie wordt betekend zich bevindt - buiten België -, aangezien de verlenging van de termijn waarin die bepaling voorziet, verschilt naargelang het land waar die persoon verblijft. A.10. G.A. antwoordt dat de regelmatigheid van de betekening aan het parket wordt betwist voor de verwijzende rechter. Alvorens zich uit te spreken over de regelmatigheid van die betekening, heeft de verwijzende rechter er de voorkeur aan gegeven om de grondwettigheid van de in artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde verzetstermijn na te gaan. De prejudiciële vraag is bijgevolg nuttig voor de oplossing van het geschil. G.A. voert vervolgens aan dat de eiser in verzet, teneinde een verlenging van de termijn om redenen van afstand te genieten, enkel moet bewijzen dat hij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft. Het is niet omdat het parket de verblijfplaats in het buitenland van de eiser in verzet niet kent, dat die zich niet op het voordeel van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek zou kunnen beroepen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1. Artikel 23 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt : 7 « § 1. De Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder of een adoptant die Belg was op de dag van hun geboorte en de Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van de artikelen 11 en 11bis, kunnen van de Belgische nationaliteit vervallen worden verklaard : […] 2° indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgische burger. […] § 2. De vervallenverklaring wordt gevorderd door het openbaar ministerie. De ten laste gelegde tekortkomingen worden in het dagvaardingsexploot nauwkeurig omschreven. § 3. De vordering tot vervallenverklaring wordt vervolgd voor het hof van beroep van de hoofdverblijfplaats in België van de verweerder of, bij gebreke daarvan, voor het hof van beroep te Brussel. […] § 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt het na zijn betekening, tenzij deze aan de persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen acht dagen te rekenen vanaf de betekening aan de persoon of vanaf de bekendmaking, zonder verlenging van die termijn wegens de afstand. […] ». Uit de in het geding zijnde paragraaf 5 van die bepaling vloeit voort dat de persoon die van zijn Belgische nationaliteit vervallen wordt verklaard op grond van paragraaf 1, over een termijn van acht dagen beschikt, te rekenen vanaf de betekening aan de persoon of vanaf de bekendmaking van het arrest in twee in de provincie uitgegeven bladen en in het Belgisch Staatsblad, om verzet aan te tekenen tegen dat bij verstek gewezen arrest. B.2.1. Artikel 23 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit vindt zijn oorsprong in artikel 18bis van de wet van 30 juli 1934 « betreffende de vervallenverklaring van den staat van Belg ». In de memorie van toelichting bij die wet wordt vermeld : « In de §§ 2 tot 6 van het ontwerp worden de afwijkingen van de gewone regels van de burgerlijke rechtsvordering bepaald, die nuttig en rechtvaardig voorkwamen, ten einde aan die 8 rechtsvordering, binnen de perken van de rechten der verdediging, den spoed bij te zetten die onontbeerlijk is in deze zaken, waar, zoals de Memorie van Toelichting tot de wet van 15 mei 1922 zegde, uit de langdurigheid der gedingen een toestand van ongerustheid ontstaat die moet vermeden worden. (Pasinomie, blz. 114) De door het Openbaar Ministerie ingestelde rechtsvordering wordt rechtstreeks voor het Hof van Beroep gebracht van de woonplaats of de verblijfplaats van den verweerder, en indien hij in België geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, voor het Hof van Beroep te Brussel. Die bepaling is onontbeerlijk, terwijl het hier zaken geldt waar de tusschenkomst van twee graden van rechtsmacht aanleiding geven zou tot vertragingen en getalm die niet aannemelijk zijn. Het hooge gezag, de onbetwiste onafhankelijkheid van de Hoven van Beroep, is de meest doeltreffende waarborg voor een rustige en onpartijdige rechtsbedeeling. In de gewone rechtspleging, moet het verzet tegen een beslissing bij verstek, om ontvankelijk te zijn, gedaan worden binnen acht dagen na de beteekening aan pleitbezorger, indien het een verstek bij nalatigheid om te concludeeren geldt; het kan gedaan worden tot bij de tenuitvoerlegging van de beslissing, in geval van verstek bij nalatigheid om te verschijnen. In de zaken waarom het hier gaat, is er geen andere tenuitvoerlegging mogelijk zoolang de beslissing niet volstrekt definitief is, dan de vervolging tot invordering van de gerechtskosten. Die tenuitvoerlegging eischen om de termijnen van verzet te doen loopen, is een moeilijkheid doen [ontstaan] en aan het Openbaar Ministerie een rechtspleging opleggen, waarvan het nut waarlijk niet duidelijk uitkomt. Het ontwerp doet in elk geval den termijn van verzet loopen te rekenen van de beteekening aan den persoon of aan de woonplaats. De verlenging van den termijn van verzet wegens den afstand tusschen den zetel van de rechtbank die de beslissing gewezen heeft en de woonplaats van den verzetdoener is in de gewone rechtspleging niet aangenomen. Er bestaan nog minder redenen om die verlenging hier te aanvaarden. […] » (Parl. St., Kamer, 1933-1934, nr. 197, pp. 3-4). In de commissie werd de ontworpen bepaling gewijzigd bij amendement, teneinde de waarborgen te versterken voor de persoon die bij verstek van zijn nationaliteit vervallen werd verklaard : « De Commissie heeft eenige wijzigingen goedgekeurd aan de rechtspleging welke door het ontwerp voorgesteld wordt. Zij is het met de Regeering hierover eens, dat processen van dezen aard vlug moeten afgewikkeld worden. Het algemeen belang verzet er zich tegen dat de slechte Belg, die een geschil van politieken aard doorheen den rompslomp van de rechtspleging zou sleuren, een staat van onrust in leven kunne houden, welke door hem verwekt werd. […] 9 Wat het verhaal bij verstek betreft, was de Commissie van oordeel dat de waarborgen aan den gedagvaarde gegeven niet volstonden. Er moet voor gezorgd worden dat de beslissing bij verstek gewezen, in zoover zulks mogelijk is, ter kennis kome van den van nationaliteit vervallenverklaarde, opdat deze zijn verhaal kunne nemen. […] Anderzijds, eischt artikel VI der wet van 1922 de bekendmaking van de beslissing, bij verstek gewezen, in twee bladen uit de provincie en in den Moniteur belge; het verzet zou ontvankelijk zijn tot het verstrijken van de acht dagen na deze bekendmaking. De Commissie stelt voor deze bepaling opnieuw in te lasschen » (Parl. St., Kamer, 1933-1934, nr. 256, pp. 3-4). B.2.2. De wet van 28 juni 1984 « betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit » heeft geen aanzienlijke wijziging aangebracht in de in het geding zijnde paragraaf (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/1, p. 25). Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.3. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof vragen over de bestaanbaarheid van artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en, wat betreft de eerste prejudiciële vraag, met artikel 13 van de Grondwet. B.4. De aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak betreft een persoon die bij verstek is veroordeeld door de correctionele rechtbank voor een misdrijf inzake terrorisme. Op vordering van het openbaar ministerie, op grond van de vaststellingen in dat vonnis , heeft het Hof van Beroep, bij een arrest dat eveneens bij verstek is gewezen, geoordeeld dat de betrokkene ernstig was tekortgeschoten in zijn verplichtingen als Belgische burger en heeft het hem van zijn Belgische nationaliteit vervallen verklaard, op grond van artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. De betrokkene heeft verzet aangetekend tegen die twee beslissingen, die aan verschillende regels zijn onderworpen wat betreft de wijze 10 waarop hij die rechtsmiddelen kan aanwenden. Het verzet tegen het vonnis van de correctionele rechtbank werd ontvankelijk verklaard, zodat de veroordeling voor niet-bestaande wordt gehouden en de correctionele rechtbank een andere beslissing kan nemen dan die waarop de vervallenverklaring van de nationaliteit was gebaseerd. Het verzet tegen het arrest van het Hof van Beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit werd uitgesproken dient daarentegen onontvankelijk te worden verklaard, aangezien het werd aangetekend na het verstrijken van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde termijn. B.5.1. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof om de termijn om verzet aan te tekenen tegen een arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit bij verstek wordt uitgesproken wegens feiten waarvoor de betrokkene bij verstek werd veroordeeld door de correctionele rechtbank, die acht dagen bedraagt te rekenen vanaf de betekening of vanaf de bekendmaking, te vergelijken met de termijn om verzet aan te tekenen tegen dat vonnis van de correctionele rechtbank, die vijftien dagen bedraagt en die kan worden verlengd krachtens artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek indien de niet-verschenen partij in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft (eerste prejudiciële vraag). Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat het verwijzende rechtscollege het Hof in het bijzonder een vraag stelt over de paradoxale situatie die zou voortvloeien uit het naast elkaar bestaan van die twee verschillende termijnen, namelijk dat de overwegingen op grond waarvan de betrokkene van de Belgische nationaliteit vervallen werd verklaard, zouden kunnen worden herzien door de correctionele rechtbank zonder dat zulks een weerslag kan hebben op de vervallenverklaring van de nationaliteit, die definitief is geworden. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof eveneens om artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit te vergelijken met de regels die van toepassing zijn in het gemeen recht van de burgerlijke procedure, in zoverre die voorzien in een verzetstermijn van één maand vanaf de betekening van de bij verstek uitgesproken beslissing (tweede prejudiciële vraag) en in zoverre zij erin voorzien dat die termijn wordt verlengd tot de vijftiende dag van het nieuwe gerechtelijke jaar, indien de termijn een aanvang neemt en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie (derde prejudiciële vraag), of indien de niet-verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft (vierde prejudiciële vraag). Gelet op de samenhang ervan, onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen samen. 11 B.5.2. Met betrekking tot de suggestie van de eiser in verzet voor het verwijzende rechtscollege om de tweede prejudiciële vraag te herformuleren zodat de toetsing van de in het geding zijnde bepaling betrekking heeft op de bestaanbaarheid ervan met het recht op toegang tot de rechter, dient te worden opgemerkt dat het niet aan de partijen staat om de inhoud van een prejudiciële vraag te wijzigen. Bijgevolg beperkt het Hof zijn onderzoek tot de vraag zoals zij door het verwijzende rechtscollege is gesteld. B.5.3. Daarenboven beperkt het Hof zijn onderzoek tot de situatie van de persoon die van zijn Belgische nationaliteit vervallen is verklaard bij een bij verstek gewezen arrest van het hof van beroep, aan wiens persoon het arrest niet werd betekend en die om verzet aan te tekenen over acht dagen beschikt te rekenen vanaf de bekendmaking van het arrest in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. B.6.1. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde bepaling het verwijzende rechtscollege niet verhindert om de regel « le criminel tient le civil en état » toe te passen en, bijgevolg, de uitspraak aan te houden totdat de correctionele rechtbank zich heeft uitgesproken over het verzet dat bij die rechtbank is aangetekend door de eiser in verzet voor het verwijzende rechtscollege. Dat zou het mogelijk maken om de in het verwijzingsarrest aangehaalde en in B.5.1 vermelde paradoxale situatie te vermijden. B.6.2. Het verwijzende rechtscollege zou enkel de uitspraak kunnen aanhouden totdat de strafrechter zich definitief heeft uitgesproken over het beroep dat bij hem is ingesteld - gesteld dat zulks mogelijk is, hetgeen verder wordt onderzocht, in B.14 - voor zover de zaak op geldige wijze bij het verwijzende rechtscollege aanhangig is gemaakt, hetgeen net het probleem is dat in de prejudiciële vragen wordt opgeworpen. De antwoorden op de prejudiciële vragen zijn dus nuttig om de zaak ten gronde op te lossen. B.7. De prejudiciële vragen nopen het Hof tot het vergelijken van de regels met betrekking tot de termijnen om verzet aan te tekenen tegen een rechterlijke beslissing in het kader van verschillende procedures. B.8. Krachtens de in het geding zijnde bepaling beschikt de persoon die van zijn Belgische nationaliteit vervallen wordt verklaard op grond van artikel 23, § 1, van het Wetboek van de 12 Belgische nationaliteit over acht dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van het arrest in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad, indien het arrest niet aan zijn persoon werd betekend, om verzet aan te tekenen tegen dat bij verstek gewezen arrest. B.9. Wanneer in strafzaken de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon is gedaan, kan hij die bij verstek is veroordeeld, wat de veroordelingen tot een straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen (artikel 187, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering). Wanneer de persoon die bij verstek is veroordeeld, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft, kan die termijn worden verlengd, overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 « tot wijziging van de termijnen van rechtspleging, en van de wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken en in fiscale zaken te beteekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben ». Die verlenging bedraagt 15 dagen wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk verblijft, 30 dagen wanneer zij in een ander land van Europa verblijft en 80 dagen wanneer zij in een ander werelddeel verblijft. B.10. In burgerlijke zaken bedraagt de termijn om verzet aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan. Wanneer de niet-verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, wordt de verzetstermijn verlengd overeenkomstig het voormelde artikel 55 van hetzelfde Wetboek (artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek). Daarenboven, indien de verzetstermijn binnen de gerechtelijke vakantie een aanvang neemt en verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuwe gerechtelijke jaar (artikel 50, tweede lid, van hetzelfde Wetboek). B.11.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.11.2. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn 13 indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.12.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Artikel 13 van de Grondwet waarborgt een recht op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan de vereisten van een eerlijk proces, dat met name wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.12.2. Het recht op toegang tot een rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn. Die voorwaarden strekken ertoe een goede rechtsbedeling te waarborgen en de risico’s van rechtsonzekerheid te weren. Zij mogen echter niet ertoe leiden dat de rechtzoekende wordt verhinderd een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden, noch dat het recht op toegang tot de rechter op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern van dat recht wordt aangetast. Die voorwaarden dienen een wettig doel na te streven en er dient een redelijk verband van evenredigheid te bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.12.3. Daarenboven is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat het recht op een rechterlijke instantie het recht inhoudt om een adequate kennisgeving van de rechterlijke beslissingen te ontvangen, in het bijzonder in de gevallen waarin binnen een bepaalde termijn beroep moet worden ingesteld (EHRM, 31 augustus 2021, Üçdağ t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2021:0831JUD00é1419, § 38). Het vorderingsrecht of het recht van beroep moet worden uitgeoefend vanaf het ogenblik dat de betrokkenen de rechterlijke beslissingen die hun een last opleggen of afbreuk zouden kunnen doen aan hun rechten of rechtmatige belangen, daadwerkelijk kunnen kennen (ibid., § 39; zie ook EHRM, 26 januari 2017, Ivanova en Ivashova t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD000079714, §§ 43 en 45). 14 B.13. Zoals zij bij artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt geregeld, heeft de vervallenverklaring van de nationaliteit betrekking op de Belgen die hun nationaliteit noch door een ouder of een adoptant die Belg was op het ogenblik van hun geboorte, noch door de toepassing van de artikelen 11 en 11bis van het Wetboek hebben verkregen en die de verplichtingen die iedere Belgische burger heeft, niet in acht nemen. Die Belgen worden uitgesloten van de nationale gemeenschap wanneer zij door hun gedrag tonen dat zij de fundamentele regels van het samenleven niet aanvaarden en dat zij ernstig afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van hun medeburgers. De maatregel strekt ertoe een einde te maken aan de aldus teweeggebrachte verstoring van de openbare orde en de maatschappij te beschermen. Die uitzonderingsmaatregel, die door het openbaar ministerie voor het hof van beroep wordt gevorderd, betreft een ernstige tekortkoming aan de verplichtingen die iedere Belgische burger heeft, waarbij dat ruime begrip het mogelijk maakt feiten te beogen die geen door een Belgische rechter uitgesproken vonnis vereisen en die zich evenmin beperken tot strafrechtelijke veroordelingen. Daarenboven, zoals het Hof bij zijn arresten nrs. 122/2015 van 17 september 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.122) en 16/2018 van 7 februari 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.016) heeft geoordeeld, betreft het een maatregel van burgerlijke aard. B.14. In de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak berust de vervallenverklaring van de nationaliteit van de betrokkene op ernstige tekortkomingen aan de verplichtingen die iedere Belgische burger heeft, die overeenstemmen met feiten waarvoor de dader strafrechtelijk werd veroordeeld, en was die veroordeling niet definitief op het ogenblik dat het Hof van Beroep de vervallenverklaring van de nationaliteit heeft uitgesproken. Zoals in B.13 is vermeld, is de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit op grond van artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit een maatregel van burgerlijke aard waartoe kan worden besloten door het hof van beroep, los van elke strafrechtelijke vervolging. Het gaat niet om een straf, maar om een maatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en een einde te maken aan de verstoring van de openbare orde die is teweeggebracht door diegene die ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen als Belgisch burger. 15 Opdat het doel van de wetgever kan worden bereikt, dient de maatregel van vervallenverklaring van de nationaliteit te kunnen worden genomen los van eventuele strafrechtelijke vervolgingen die wegens dezelfde feiten tegen de betrokken persoon worden ingesteld of zouden worden ingesteld en, a fortiori, zonder dat de uitkomst van die vervolgingen moet worden afgewacht. Daaruit volgt dat het adagium « le criminel tient le civil en état », dat is geconcretiseerd in artikel 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en berust op het gezag van gewijsde dat is verbonden aan de definitieve beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter met betrekking tot de punten die gemeenschappelijk zijn aan de burgerlijke vordering en de strafvordering, moeilijk verenigbaar lijkt te zijn met de procedure van de vervallenverklaring van de nationaliteit op grond van artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Dat belet het hof van beroep niet om in bepaalde gevallen de uitspraak aan te houden in afwachting van het strafrechtelijk vonnis, in het belang van een goede rechtsbedeling. Het is juist dat zulks tot gevolg kan hebben dat de correctionele rechtbank, zoals in de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak, een nieuwe beslissing kan nemen die verschilt van die welke het hof van beroep ertoe heeft gebracht de vervallenverklaring van de nationaliteit vervolgens uit te spreken, zonder dat zulks een weerslag kan hebben op de vervallenverklaring van de nationaliteit, die definitief is geworden indien de betrokkene geen verzet heeft aangetekend tegen het arrest van het hof van beroep binnen de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde termijn. Rekening houdend met de verschillende onderwerpen van beide procedures, kan een dergelijke mogelijkheid op zich niet worden bekritiseerd, voor zover de termijn om verzet aan te tekenen tegen het arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken, toereikend is om de betrokkene in staat te stellen dat rechtsmiddel op nuttige wijze aan te wenden en, zodoende, zijn argumenten te doen gelden tegen de ernstige tekortkomingen aan de verplichtingen die iedere Belgische burger heeft en die hem door het openbaar ministerie worden verweten. Om te bepalen of het rechtsmiddel een daadwerkelijk rechtsmiddel is, dient rekening te worden gehouden met de wijze van kennisgeving van het arrest alsook met het aanvangspunt en de duur van de termijn. B.15. Uit de in B.2.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een snelle procedure inzake vervallenverklaring van de nationaliteit wou invoeren, rekening 16 houdend met de politieke gevolgen die inherent zijn aan een dergelijk contentieux, en mits de rechten van de verdediging in acht worden genomen (Parl. St., Kamer, 1933-1934, nr. 197, pp. 3-4; nr. 256, pp. 3-4). In de memorie van toelichting bij de wet van 30 juli 1934, die aan de oorsprong ligt van de in het geding zijnde bepaling, wordt vermeld dat « het […] een ongelukkig vaststaand feit [is], dat tegenwoordig voor de verbrokkeling van ’s lands grondgebied ten bate van vreemde Staten voornamelijk propaganda gemaakt wordt door personen - trouwens gering in aantal - die den staat van Belg bezitten en zich in dienst stellen van vreemde organismen » (Parl. St., Kamer, 1933-1934, nr. 197, p. 1). In de Kamercommissie werd bevestigd dat « het algemeen belang [zich ertegen] verzet […] dat de slechte Belg, die een geschil van politieken aard doorheen den rompslomp van de rechtspleging zou sleuren, een staat van onrust in leven kunne houden, welke door hem verwekt werd » (Parl. St., Kamer, 1933-1934, nr. 256, p. 3). Het voormelde doel is legitiem. Er dient evenwel te worden onderzocht of de in het geding zijnde bepaling, in de huidige omstandigheden, pertinent is en evenredig met dat doel. B.16. Sedert de invoering van de vervallenverklaring van de nationaliteit in het Belgische recht in 1934 is de politieke context sterk geëvolueerd, inzonderheid de Europese integratie. De bedreigingen voor de Belgische Staat, hebben andere vormen dan die uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en het versnellen van de procedure tot vervallenverklaring van de nationaliteit lijkt thans minder pertinent met het oog op de handhaving van de openbare orde en de onschendbaarheid van het grondgebied. B.17. Er moet daarenboven worden opgemerkt dat de verzetstermijn van acht dagen waarover de persoon beschikt die van zijn Belgische nationaliteit vervallen is verklaard bij een door het hof van beroep bij verstek gewezen arrest, zeer kort is. Die termijn vangt aan vanaf de bekendmaking van het arrest waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad, wanneer het arrest niet aan de persoon werd betekend. Het valt te betwijfelen of een dergelijke bekendmaking een adequate wijze van kennisgeving van het bij verstek uitgesproken arrest uitmaakt wanneer dat niet aan de persoon kon worden betekend. Van een individu kan niet redelijkerwijs worden verwacht dat hij dagelijks het Belgisch Staatsblad leest om te vernemen of hij van zijn Belgische nationaliteit vervallen werd verklaard. Daarenboven biedt de vereiste 17 van een uitsluitend provinciale bekendmaking thans nauwelijks meer waarborgen dat de informatie de betrokkene tijdig zal bereiken. Daaruit vloeit voort dat niets waarborgt dat de betrokken persoon tegelijk kennis kan nemen van het arrest en stappen kan ondernemen om een beroep binnen een dergelijke termijn in te stellen. De combinatie van de korte duur van de beroepstermijn en het aanvangspunt ervan maakt het verzet tegen het arrest waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken, nagenoeg onwerkzaam. Een dergelijke beperking is des te onevenrediger daar de persoon die van de Belgische nationaliteit vervallen is verklaard, geen dubbele aanleg geniet. B.18. De mogelijkheid voor de betrokken persoon om, op grond van artikel 1133, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, een verzoek tot herroeping van het gewijsde in te dienen, teneinde de herroeping te verkrijgen van het arrest van het hof van beroep waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken in zoverre het zou berusten op een vonnis in strafzaken dat naderhand vernietigd is, gesteld dat het ter zake toelaatbaar is, kan het onevenredige karakter van de in het geding zijnde bepaling niet afzwakken. De artikelen 1132 tot 1139 van het Gerechtelijk Wetboek regelen immers, volgens relatief strikte voorwaarden, een procedure die het mogelijk maakt om de herroeping van een in kracht van gewijsde gegane burgerrechtelijke beslissing te verkrijgen, en dat buitengewoon rechtsmiddel kan niet in de plaats komen van het verzet in burgerlijke zaken, dat een gewoon rechtsmiddel is dat het mogelijk maakt om de herroeping van een bij verstek gewezen beslissing te verkrijgen. Daarenboven vormt het verzoek tot herroeping van het gewijsde geen beletsel voor de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (artikel 1137 van het Gerechtelijk Wetboek), zodat het niet eraan in de weg staat dat de betrokken persoon daadwerkelijk van zijn Belgische nationaliteit vervallen wordt verklaard, met alle nadelige en in voorkomend geval onomkeerbare gevolgen die een dergelijke vervallenverklaring inhoudt. B.19. Artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit is niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet in zoverre het voorziet in een termijn van acht dagen om verzet aan te tekenen tegen het arrest van het hof van beroep dat bij verstek is gewezen en waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken, te rekenen vanaf de bekendmaking van het arrest in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet in zoverre het voorziet in een termijn van acht dagen om verzet aan te tekenen tegen het arrest van het hof van beroep dat bij verstek is gewezen en waarbij de vervallenverklaring van de nationaliteit wordt uitgesproken, te rekenen vanaf de bekendmaking van het arrest in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 januari 2023. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.013 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.4 ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.013 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.122 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.016 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.023 ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD000079714 ECLI:CE:ECHR:2021:0831JUD00 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div