← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.016

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.016 Arrest- Rolnummer: 16/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-15 Raadplegingen: 513 - laatst gezien 2026-06-18 03:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 2.3 van de wet van 13 mei 2020 « tot schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald bij of in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid », gesteld door de Raad van State. Gezondheidscrisis COVID-19 - Politie - Tuchtstatuut - Opschorting van de termijnen die van toepassing zijn voor de hogere tuchtoverheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 16/2023 van 2 februari 2023 Rolnummer : 7754 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2.3 van de wet van 13 mei 2020 « tot schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald bij of in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 252.979 van 14 februari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 februari 2022, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2.3 van de wet van 13 mei 2020 ‘ tot schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald bij of in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de in de artikelen 38quater en 38sexies van de voormelde wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen schorst, die van toepassing zijn op de vervolging van personeelsleden wanneer zij voor de hogere tuchtoverheid worden vervolgd, en niet de in de 2 artikelen 35 en 37 van diezelfde wet bedoelde termijnen, die van toepassing zijn op dezelfde personeelsleden wanneer zij voor de gewone tuchtoverheid worden vervolgd ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - D.M.; - de politiezone Brussel-West (vertegenwoordigd door haar politiecollege), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Van De Gejuchte, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 23 november 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 december 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 29 april 2020 stelt de korpschef van de politiezone Brussel-West een inleidend verslag op aan het eind waarvan hij overweegt om politie-inspecteur D.M. de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Op 27 mei 2020 dient D.M. een verweerschrift in. Op 8 juli 2020 legt de korpschef hem een blaam op. D.M. stelt voor de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen die beslissing. In zijn beroep doet hij gelden dat de beslissing waarbij hem een blaam wordt opgelegd, werd genomen buiten de termijn die is bedoeld in artikel 37 van de wet van 13 mei 1999 « houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten » (hierna : de wet van 13 mei 1999). De politiezone Brussel-West merkt op dat artikel 2.3, van de wet van 13 mei 2020 « tot schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald bij of in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 13 mei 2020) de termijnen die zijn bedoeld in de artikelen 38quater en 38sexies van de wet van 13 mei 1999, die betrekking hebben op de procedure voor de hogere tuchtoverheid, tijdelijk heeft geschorst, maar niet de termijnen die zijn bedoeld in de artikelen 35 en 37 van dezelfde wet, die betrekking hebben op de procedure voor de gewone tuchtoverheid. Zij verzoekt de Raad van State om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de grondwettigheid van dat verschil in behandeling. De Raad van State stelt vast dat de in artikel 37 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijn te dezen niet in acht werd genomen, maar dat die termijn in acht zou zijn genomen indien de in artikel 35 van dezelfde wet bedoelde termijn was geschorst bij de wet van 13 mei

  1. Hij is vervolgens van oordeel dat er te dezen geen klaarblijkelijke ontstentenis van ongrondwettigheid is die hem ervan zou vrijstellen aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Hij stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vraag A.1.
  2. D.M., verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, vraagt dat het onderzoek van de prejudiciële vraag wordt beperkt tot de situatie van de ambtenaren van het basis- en middenkader van een meergemeentepolitiezone, aangezien dat de situatie is die voor het verwijzende rechtscollege in het geding is. Hij merkt op dat de gewone tuchtoverheid in die situatie de korpschef is en de hogere tuchtoverheid het politiecollege. Volgens hem is een dergelijke beperking van het onderzoek van de prejudiciële vraag om twee redenen verantwoord. Enerzijds is de in het geding zijnde bepaling niet meer van toepassing op de nieuwe tuchtprocedures en werd bij de Raad van State geen enkel beroep ingesteld dat soortgelijk is aan het beroep dat D.M. heeft ingesteld, zodat de prejudiciële vraag enkel betrekking kan hebben op het geschil waarbij D.M. partij is. Anderzijds zijn de in de artikelen 19 en 20 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde tuchtoverheden dermate verscheiden dat het niet mogelijk is een pertinente vergelijking te maken tussen de gewone tuchtoverheden en de hogere tuchtoverheden. A.1.
  3. De politiezone Brussel-West, tegenpartij voor het verwijzende rechtscollege, antwoordt dat het door D.M. geformuleerde verzoek niet moet worden ingewilligd, aangezien de partijen noch een prejudiciële vraag mogen herformuleren, noch mogen vragen om de draagwijdte ervan te beperken. Ten gronde A.2.
  4. De politiezone Brussel-West doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens haar wordt het verschil in behandeling tussen de procedure voor de gewone tuchtoverheid en de procedure voor de hogere tuchtoverheid niet verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling. Zij merkt op dat de straf die na afloop van die twee procedures wordt opgelegd, hetzelfde gewicht kan hebben, aangezien een lichte tuchtstraf in beide gevallen kan worden opgelegd. Volgens haar is de hoogte van de straf dus geen criterium waarop de wetgever zich heeft gebaseerd. Zij voegt eraan toe dat beide procedures soortgelijk zijn met betrekking tot de rechten van de verdediging van het betrokken personeelslid, de administratieve behandeling van het dossier en het nemen van een beslissing. Bovendien beklemtoont zij dat zowel de gewone tuchtoverheid als de hogere tuchtoverheid, naargelang van het geval, een individueel orgaan of een collegiaal orgaan kunnen zijn. Ten slotte voert zij aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling des te minder begrijpelijk is wanneer rekening wordt gehouden met de termijnen die zijn vervat in andere wetten die eveneens bij de wet van 13 mei 2020 zijn geschorst. A.2.
  5. De Ministerraad doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Allereerst is hij van mening dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het feit dat het betrokken personeelslid wordt vervolgd voor de gewone tuchtoverheid of voor de hogere tuchtoverheid. Vervolgens zet hij uiteen dat met de in het geding zijnde maatregel een legitiem doel wordt nagestreefd, namelijk het vermijden van de moeilijkheden en de vertragingen die worden veroorzaakt door de maatregelen ter bestrijding van de COVID-19-pandemie, teneinde de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren en het mogelijk te maken dat de bestuurden hun rechten behoorlijk uitoefenen. Ten slotte doet hij gelden dat de in het geding zijnde maatregel adequaat en evenredig is. Allereerst beklemtoont hij dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een echt opportuniteitsonderzoek heeft verricht om te bepalen welke termijnen moesten worden geschorst. Hij merkt vervolgens op dat de gewone tuchtoverheid, in tegenstelling tot de hogere tuchtoverheid, een rechtstreekse band met het betrokken personeelslid heeft. Volgens hem werd die band noch verbroken, noch overdreven moeilijk gemaakt door de maatregelen ter bestrijding van de COVID-19-pandemie. Hij brengt in herinnering dat de politiediensten hun activiteiten zijn blijven uitoefenen tijdens de periode waarop die maatregelen betrekking hebben. Daarenboven, ook al zou de gewone tuchtoverheid zich in bepaalde gevallen in de onmogelijkheid hebben bevonden om een beslissing te nemen binnen de toegekende termijn, toch kon de hogere tuchtoverheid volgens hem haar evocatierecht dan uitoefenen met toepassing van artikel 18 van de wet van 13 mei
  6. Hij stelt echter vast dat niet in een dergelijke evocatiemogelijkheid wordt voorzien voor de procedures die voor de hogere tuchtoverheid verlopen. Bovendien beklemtoont hij dat de hogere tuchtoverheid alle tuchtstraffen kan uitspreken, ook de zwaarste. Volgens hem volgt daaruit dat de tuchtvergrijpen die onder de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid vallen, betrekking hebben 4 op feiten die een zwaardere straf met zich mee kunnen brengen of op feiten ten aanzien waarvan de gewone tuchtoverheid zich in de materiële onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn. Nog steeds volgens hem is het geenszins onevenredig te hebben willen vermijden dat dergelijke feiten, in voorkomend geval, niet kunnen worden bestraft. Ten slotte brengt hij in herinnering dat de wetgever, in het bijzonder in het kader van een noodsituatie, optreedt bij wege van algemene en abstracte bepalingen, en dat hij geen rekening kan houden met elke bijzondere situatie. A.2.
  7. D.M. doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Allereerst beklemtoont hij dat de gewone tuchtoverheid, wat hem betreft, de korpschef is en de hogere tuchtoverheid het politiecollege is, dat uit verschillende burgemeesters bestaat. Volgens hem bevinden die twee tuchtoverheden zich in situaties die niet vergelijkbaar zijn. Hij beklemtoont dat, wegens de pandemie, de vergaderingen van de politiecolleges dreigden te moeten worden verschoven, hetgeen de verlenging van de termijnen verantwoordde. Hij zet uiteen dat het daarentegen niet verantwoord was de termijnen die van toepassing zijn op de gewone tuchtoverheid te verlengen, aangezien de korpschef de betrokken beslissingen alleen neemt. Vervolgens doet hij gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling hoe dan ook redelijk verantwoord is. Volgens hem heeft de wetgever enkel de termijnen willen schorsen die als problematisch werden beschouwd en heeft hij enkel de procedures willen beogen waarvoor er met betrekking tot de pandemie een risico bestond dat de termijnen werden overschreden. Hij beklemtoont dat de op de gewone tuchtoverheid toepasselijke termijn, in zijn concrete geval, niet problematisch was en niet dreigde te worden overschreden wegens de pandemie, aangezien die overheid enkel uit de korpschef bestond. A.3.
  8. De politiezone Brussel-West antwoordt allereerst dat artikel 2.3, van de wet van 13 mei 2020 ook de in artikel 38quater van de wet van 13 mei 1999 vastgestelde termijn schorst waarbinnen het betrokken personeelslid zijn verweerschrift moet indienen. Volgens haar verschilt de situatie van een personeelslid in dat opzicht echter niet naargelang het voor de gewone tuchtoverheid of voor de hogere tuchtoverheid wordt vervolgd. Zij merkt vervolgens op dat uit de parlementaire voorbereiding niet blijkt dat de aan de hogere tuchtoverheid toegekende termijn problematischer zou zijn dan de aan de gewone tuchtoverheid toegekende termijn. Daarenboven doet zij gelden dat de drie elementen waarop de Ministerraad de aandacht heeft gevestigd, het verschil in behandeling niet verantwoorden. Ten eerste is zij van mening dat het al dan niet rechtstreekse karakter van de band tussen het personeelslid en de tuchtoverheid geen pertinent criterium is. Volgens haar werd de aard van die band immers niet beïnvloed door de maatregelen ter bestrijding van de pandemie. Nog steeds volgens haar staat het bovendien niet vast dat de band met de hogere tuchtoverheid werd verbroken of ernstig in het gedrang werd gebracht. Ten tweede doet zij gelden dat het evocatierecht waarover de hogere tuchtoverheid beschikt, het verschil in behandeling niet verantwoordt. Volgens haar houdt de uitoefening van dat recht immers geen verband met de noodzaak om de termijn voor het nemen van een beslissing te schorsen. Nog steeds volgens haar blijkt bovendien uit het feit dat dat evocatierecht kan worden uitgeoefend wanneer de gewone tuchtoverheid zich in de materiële onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn, dat het de gewone tuchtoverheid is die met een probleem inzake termijnen kan worden geconfronteerd. Ten derde doet zij gelden dat het criterium van de hoogte van de straf het verschil in behandeling evenmin kan verantwoorden, aangezien uit de parlementaire voorbereiding niet blijkt dat de wetgever de voorrang zou hebben willen geven aan de tuchtprocedures die tot zware straffen kunnen leiden en dat de wetgever geenszins ertoe gehouden was tussen de ene of de andere tuchtprocedure te kiezen. Ten slotte brengt zij in herinnering dat het al dan niet collegiale karakter van de tuchtoverheid geen aanvaardbaar criterium is. Zij voegt eraan toe dat niet vaststaat dat de maatregelen die tijdens de gezondheidscrisis zijn genomen, meer moeilijkheden zouden hebben veroorzaakt voor de hogere tuchtoverheden dan voor de gewone tuchtoverheden. Zij beklemtoont in dat verband dat het politiecollege van de politiezone Brussel-West elektronische vergaderingen kan houden, met toepassing van een reglement dat krachtens artikel 28, derde lid, van de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus » is genomen. A.3.
  9. Wat betreft de vergelijking die de politiezone Brussel-West maakt met de termijnen die zijn vervat in andere wetten die ook bij de wet van 13 mei 2020 zijn geschorst, antwoordt de Ministerraad,

(1)in hoofdorde, dat dat argument geenszins wordt gestaafd en moet worden geweerd krachtens het adagium obscuri libelli,
(2)in ondergeschikte orde, dat de prejudiciële vraag geen betrekking heeft op die vergelijking,
(3)in uiterst ondergeschikte orde, dat die vergelijking niet pertinent is en dat het aan de wetgever stond uit opportuniteitsoverwegingen te bepalen welke termijnen moesten worden geschorst en,
(4)ten overvloede, dat het niet onredelijk was om de verschillende in de wet van 13 mei 2020 bedoelde termijnen te schorsen en de in de artikelen 35 en 37 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen niet te schorsen. 5 A.3.
  1. D.M. antwoordt allereerst dat de politiezone Brussel-West geen gewag maakt van een verschil in behandeling tussen twee personen. Hij beklemtoont immers dat, wat betreft de situatie van een ambtenaar van het basiskader van een meergemeentepolitiezone, de gewone tuchtoverheid en de hogere tuchtoverheid twee organen van dezelfde rechtspersoon, namelijk de politiezone, zijn. Daarenboven voegt hij eraan toe dat de mogelijkheid om lichte tuchtstraffen op te leggen voldoende was gewaarborgd bij de in het geding zijnde bepaling, aangezien de hogere tuchtoverheid, voor welke de termijnen werden verlengd, een tuchtprocedure kon starten om een lichte tuchtstraf op te leggen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
  2. De wet van 13 mei 1999 « houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten » (hierna : de wet van 13 mei 1999) maakt een onderscheid tussen de lichte tuchtstraffen (artikel 4) en de zware tuchtstraffen (artikel 5). Zij maakt eveneens een onderscheid tussen de gewone tuchtoverheden, die de lichte tuchtstraffen kunnen opleggen, en de hogere tuchtoverheden, die de lichte tuchtstraffen en de zware tuchtstraffen kunnen opleggen. De artikelen 17 en 18 van de wet van 13 mei 1999 bepalen : « Art.
  3. De tuchtoverheden zijn enerzijds de gewone tuchtoverheden en anderzijds de hogere tuchtoverheden. De gewone tuchtoverheid legt de lichte tuchtstraffen op. De hogere tuchtoverheid kan de lichte en de zware tuchtstraffen opleggen. Art.
  4. Zolang er nog geen uitspraak van de gewone tuchtoverheid is, kan de hogere tuchtoverheid een zaak evoceren en voortzetten. Het evocatierecht bedoeld in het eerste lid, met redenen omkleed door de hogere tuchtoverheid, mag slechts worden uitgeoefend voor zover : 1° de gewone tuchtoverheid zich kennelijk in de materiële onmogelijkheid bevindt om een beslissing uit te spreken binnen een redelijke termijn; 2° duidelijk blijkt dat, door hun aard en hun ernst, de constitutieve elementen van de zaak een tuchtvergrijp kunnen inhouden dat aanleiding kan geven tot een zware tuchtstraf ». 6 B.1.
  5. De artikelen 32 tot 37 van de wet van 13 mei 1999, die deel uitmaken van een onderafdeling met als opschrift « De procedure voor de gewone tuchtoverheid », bepalen : « Art.
  6. De gewone tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf, dan stelt zij dat vast. Die beslissing wordt formeel gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de betrokkene door betekening tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking kunnen komen voor een lichte tuchtstraf, dan leidt zij een tuchtprocedure in. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, dan verzendt zij het inleidend verslag met alle stukken van het dossier naar de hogere tuchtoverheid. Tegelijkertijd deelt ze haar de redenen mee waarom zij meent dat de feiten van aard zijn om te worden gestraft met een zware tuchtsanctie. Art.
  7. De gewone tuchtoverheid die oordeelt dat de feiten in aanmerking komen voor een lichte tuchtstraf, brengt het inleidend verslag ter kennis van betrokkene, hetzij door afgifte ervan tegen ontvangstbewijs, hetzij bij een ter post aangetekende brief. Het inleidend verslag vermeldt : 1° al de ten laste gelegde feiten; 2° het feit dat een tuchtdossier is aangelegd, dat een lichte tuchtstraf wordt overwogen en welke straf de tuchtoverheid voornemens is op te leggen; 3° het recht van de betrokkene om zich te laten vertegenwoordigen of bijstaan overeenkomstig artikel 29; 4° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien; 5° het recht van de betrokkene om het horen van getuigen te vragen of stukken in te dienen; 6° dat een verweerschrift kan worden neergelegd. Art.
  8. Op zijn verzoek ontvangt het personeelslid een kosteloze kopie van het tuchtdossier. Art.
  9. Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de ontvangst van het inleidend verslag. Eens die termijn verstreken is, wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen voeren. 7 Art.
  10. De gewone tuchtoverheid hoort steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. De getuigenverklaringen ingewonnen na raadpleging van het tuchtdossier door het betrokken personeelslid, worden aan hem overgezonden. Hij beschikt over een termijn bepaald door de tuchtoverheid en die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die verklaringen, om, in voorkomend geval, een aanvullend verweerschrift in te dienen. Art.
  11. Op grond van het volledige dossier en het verweer, deelt de gewone tuchtoverheid, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid de uitspraak mee. De uitspraak kan ofwel zijn dat zij beslist heeft geen tuchtstraf op te leggen, ofwel dat zij beslist heeft de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen op te leggen. De uitspraak wordt uiterlijk vijftien dagen na het einde van de in artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen, meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Indien geen uitspraak wordt gedaan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval, verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 36 toe te passen dan wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd. De in het eerste lid bedoelde beslissingen van de gewone tuchtoverheid worden formeel gemotiveerd en onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de hogere tuchtoverheid ». Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 mei 1999 blijkt dat de wetgever heeft willen voorzien in « een snellere procedure […] dan thans het geval is[,] zeker voor de lichte tuchtstraffen », met « korte, dwingende termijnen » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, pp. 3 en 15). B.1.
  12. De artikelen 38 tot 38sexies van de wet van 13 mei 1999, die deel uitmaken van een onderafdeling met als opschrift « De procedure voor de hogere tuchtoverheid », bepalen : « Art.
  13. De hogere tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, of die een zaak evoceert, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Wanneer de hogere tuchtoverheid zich rechtstreeks belast met de feiten of de zaak evoceert, stelt zij de gewone tuchtoverheid daarvan in kennis. Deze kennisgeving brengt onttrekking van de zaak mee voor de gewone tuchtoverheid. Werd haar reeds een inleidend verslag toegestuurd, dan stelt zij eventueel een bijkomend onderzoek in en vult zij het inleidend verslag [zo nodig] aan. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf, dan stelt zij dat vast. Die beslissing wordt formeel gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de betrokkene. 8 Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een lichte tuchtstraf, dan handelt zij of haar afgevaardigde, voor zover als nog nodig zoals de gewone tuchtoverheid. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, dan zet zij een tuchtprocedure in. Art. 38bis. De hogere tuchtoverheid die oordeelt dat de feiten kunnen leiden tot een zware tuchtstraf brengt het inleidend verslag ter kennis van betrokkene, hetzij door de overhandiging van bedoeld verslag tegen een ontvangstbewijs, hetzij door een ter Post aangetekend schrijven. Het inleidend verslag vermeldt : 1° alle ten laste gelegde feiten; 2° het feit dat een tuchtdossier wordt samengesteld, dat een zware tuchtstraf wordt overwogen en welke straf de tuchtoverheid overweegt; 3° het recht voor de betrokkene om zich te laten vertegenwoordigen of bijstaan overeenkomstig artikel 29; 4° de plaats waar en de termijn binnen welke het tuchtdossier mag geraadpleegd worden; 5° het recht voor betrokkene om een getuigenverhoor te vragen of stukken neer te leggen; 6° dat een verweer kan ingediend worden. Art. 38ter. Op zijn verzoek ontvangt het personeelslid een gratis kopie van het tuchtdossier of van de aanvullende aan het dossier toegevoegde stukken. Art. 38quater. Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Na deze termijn wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen indienen. Art. 38quinquies. De hogere tuchtoverheid hoort steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. De getuigenverklaringen die verzameld worden nadat het betrokken personeelslid het tuchtdossier heeft geraadpleegd, worden hem medegedeeld. Hij beschikt over een termijn bepaald door de tuchtoverheid en die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die verklaringen om, [zo nodig], een aanvullend verweer in te dienen. Art. 38sexies. Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, 9 uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen, of, bij ontstentenis, ten vroegste de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren. Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd ». B.
  14. Bij het in het geding zijnde artikel 2.3, van de wet van 13 mei 2020 « tot schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald bij of in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 13 mei 2020) worden de in de artikelen 38quater en 38sexies van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen tijdelijk geschorst. Het bepaalt : « Op voorwaarde dat ze nog niet verstreken zijn op de datum van bekendmaking van deze wet, worden de volgende verval- en procedurele termijnen geschorst tijdens de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020, einddatum die door de Koning aangepast kan worden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en die verval- en procedurele termijnen worden van rechtswege verlengd met vijftien dagen na afloop van deze eventueel verlengde periode : […]
  15. In de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten worden de termijnen geschorst als bedoeld in : 10 - artikel 38quater, - artikel 38sexies ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 mei 2020 wordt vermeld : « Het wetsvoorstel voorziet in de opschorting van procedurele termijnen van verschillende [reglementeringen]. De huidige en toekomstige maatregelen die genomen worden om de verspreiding van de COVID-19 onder de bevolking te beperken, zijn van die aard dat ze iedere vorm van activiteit op het grondgebied van het Koninkrijk vertragen en het goed functioneren van de verschillende overheidsdiensten beïnvloeden, en zelfs bepaalde diensten lamleggen. Het risico is reëel dat bepaalde overheidsdiensten niet meer in staat zijn het respect van de termijnen te garanderen die in het kader van bepaalde administratieve procedures vastgelegd zijn door de vigerende regelgeving, waardoor de bestuurlijke handhaving in bepaalde domeinen, bepaalde tuchtprocedures, enz. in het gedrang komen. Bovendien kan ook het uitoefenen van de rechten van burgers in bepaalde administratieve procedures in het gedrang komen door de maatregelen die genomen werden ter bescherming van de bevolking. Dit wetsvoorstel beoogt derhalve de schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald door of krachtens : […] - de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, […] » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1158/001, p. 4). Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.
  16. De prejudiciële vraag noopt het Hof tot het vergelijken van de situaties van de personeelsleden van de politiediensten die het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure, naargelang de artikelen 38quater en 38sexies van de wet van 13 mei 1999 of de artikelen 35 en 37 van dezelfde wet erop van toepassing zijn. Aan het Hof wordt gevraagd of artikel 2.3, van de wet van 13 mei 2020 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de in de artikelen 38quater en 38sexies van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen schorst en niet de in de artikelen 35 en 37 van dezelfde wet bedoelde termijnen. 11 B.4.
  17. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege vraagt om de draagwijdte van de prejudiciële vraag te beperken tot de categorie van de personeelsleden van het basis- en middenkader van een meergemeentepolitiezone. B.4.
  18. De partijen vermogen niet de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege uitdrukkelijk heeft geweigerd om de draagwijdte van de prejudiciële vraag te beperken tot de door de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege beoogde categorie. Er bestaat geen aanleiding om de draagwijdte van de prejudiciële vraag te beperken tot die categorie. B.
  19. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het voor het verwijzende rechtscollege hangende beroep betrekking heeft op een situatie waarin het betrokken personeelslid zijn verweerschrift heeft ingediend binnen de in artikel 35 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijn en waarin de tuchtoverheid kennis heeft gegeven van haar beslissing buiten de in artikel 37 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijn. Volgens het verwijzende rechtscollege zou te dezen de termijn waarbinnen de tuchtoverheid kennis dient te geven van haar beslissing in acht zijn genomen indien de in artikel 35 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijn van 30 dagen door de in het geding zijnde bepaling was geschorst, aangezien dat tot gevolg zou hebben gehad dat de in artikel 37 van dezelfde wet bedoelde termijn van 15 dagen later zou zijn ingegaan. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die situatie. B.6.
  20. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.6.
  21. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 12 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  22. De in het geding zijnde bepaling schorst de in de artikelen 38quater en 38sexies van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen en niet de in de artikelen 35 en 37 van dezelfde wet bedoelde termijnen. Zoals blijkt uit de artikelen 32, derde lid, en 33, eerste lid en tweede lid, 2°, van de wet van 13 mei 1999, zijn de artikelen 35 en 37 van die wet van toepassing wanneer de gewone tuchtoverheid een lichte tuchtstraf overweegt. Die twee artikelen zijn eveneens van toepassing wanneer de hogere tuchtoverheid, in voorkomend geval na de zaak te hebben geëvoceerd met toepassing van artikel 18, tweede lid, 1°, een lichte tuchtstraf overweegt, aangezien artikel 38, vierde lid, bepaalt dat de hogere tuchtoverheid, in een dergelijk geval, « handelt […] zoals de gewone tuchtoverheid ». Zoals blijkt uit de artikelen 38, vijfde lid, en 38bis, eerste lid en tweede lid, 2°, van de wet van 13 mei 1999, zijn de artikelen 38quater en 38sexies van die wet van toepassing wanneer de hogere tuchtoverheid een zware tuchtstraf overweegt. Daaruit volgt dat het criterium van onderscheid waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling berust, de aard is van de tuchtstraf die wordt overwogen op het ogenblik dat de tuchtprocedure wordt ingeleid. Dat criterium van onderscheid is objectief. B.
  23. Aangezien de feiten ten aanzien waarvan een zware tuchtstraf wordt overwogen, a priori een zekere graad van ernst vertonen, vermocht de wetgever redelijkerwijs elk risico te willen vermijden dat die feiten, wegens de moeilijkheden die de COVID-19-crisis kon veroorzaken met betrekking tot de inachtneming van de toegekende termijn, niet langer tuchtrechtelijk zouden kunnen worden bestraft indien daartoe grond bestaat. De wetgever 13 vermocht bijgevolg redelijkerwijs de in de artikelen 38quater en 38sexies van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen tijdelijk te schorsen. Aangezien de feiten ten aanzien waarvan een lichte tuchtstraf wordt overwogen, a priori een geringere graad van ernst vertonen en aangezien de wetgever, zoals in B.1.2 is vermeld, heeft gewild dat die feiten het voorwerp uitmaken van een snelle procedure, vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat er geen aanleiding bestond om de in de artikelen 35 en 37 van de wet van 13 mei 1999 bedoelde termijnen tijdelijk te schorsen. Daaruit volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.
  24. Artikel 2.3, van de wet van 13 mei 2020 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2.3, van de wet van 13 mei 2020 « tot schorsing van bepaalde verval- en procedurele termijnen bepaald bij of in uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 februari
  25. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.016 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.