← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.017

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.017 Arrest- Rolnummer: 17/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-15 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-06-17 05:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 49/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door het Hof van Cassatie. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Verkeersmisdrijven - Verval van het recht tot sturen - Verplichting tot inlevering van het rijbewijs - Niet-inlevering - Ontstentenis van onderscheid naargelang het misdrijf opzettelijk dan uit onachtzaamheid wordt begaan Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 17/2023 van 2 februari 2023 Rolnummer : 7769 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 49/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 februari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 maart 2022, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 49/1 Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet doordat de wetgever niet voorziet in een onderscheid in bestraffing al naargelang de dader dit misdrijf opzettelijk dan wel louter uit onachtzaamheid pleegt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Davy Verlinde, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Arnou, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 23 november 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, 2 behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 december 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het Hof van Cassatie dient uitspraak te doen over een cassatieberoep gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 3 september 2021, waarbij Davy Verlinde werd veroordeeld wegens een inbreuk op artikel 49/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna: de Wegverkeerswet). Het Hof van Cassatie stelt vast dat die bepaling de personen bestraft die, nadat tegen hen een verval van het recht tot sturen werd uitgesproken, hun rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs niet inleveren binnen de door de Koning bepaalde termijn. Het Hof van Cassatie stelt eveneens vast dat het misdrijf strafbaar is ongeacht of het met opzet dan wel louter door een onachtzaamheid wordt gepleegd. Op verzoek van Davy Verlinde stelt het Hof van Cassatie bovenvermelde prejudiciële vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.

  1. De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, omdat de in die vraag beoogde categorieën van personen, meer bepaald de personen die het misdrijf plegen met opzet en de personen die dat doen uit onachtzaamheid, zich ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Hij zet uiteen dat beide categorieën exact hetzelfde misdrijf plegen, namelijk het niet tijdig inleveren van het rijbewijs nadat tegen hen een verval van het recht tot sturen werd uitgesproken. Volgens hem vereisen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet dat de wetgever verschillende straffen bepaalt, naargelang het misdrijf al dan niet met opzet is gepleegd. A.1.
  2. De Ministerraad doet gelden dat de wet de grenzen bepaalt, in de vorm van minimum- en maximumstraffen, waarbinnen de rechter tot bestraffing kan overgaan, en dit precies omdat de wetgever niet voor elke specifieke situatie een afzonderlijke straf kan bepalen. De rechter kan volgens hem aldus bij het bepalen van de op te leggen straf onder meer rekening houden met het opzet van de dader. Hij wijst erop, ten eerste, dat de strafvork voor het in het geding zijnde misdrijf reikt van 1 euro (in geval van verzachtende omstandigheden) tot 2 000 euro (te verhogen met de opdeciemen), ten tweede, dat de rechter de mogelijkheid heeft om een rijverbod op te leggen van acht dagen tot vijf jaar, ten derde, dat de rechter een straf met uitstel kan uitspreken, dan wel kan kiezen voor de opschorting van de straf, en, ten vierde, dat de rechter eveneens kan kiezen voor een werkstraf. A.
  3. Indien zou moeten worden aanvaard dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen zich ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling in wezenlijk verschillende situaties bevinden, is de Ministerraad van oordeel dat de gelijke behandeling van die categorieën redelijk wordt verantwoord door de mogelijkheid die de in het geding zijnde bepaling aan de rechter biedt om op het vlak van de op te leggen straf te differentiëren, naar gelang van de concrete omstandigheden van de zaak. Hij wijst bovendien erop dat de Wegverkeerswet in andere artikelen evenmin een onderscheid maakt tussen het opzettelijk en het uit onachtzaamheid plegen van een misdrijf. A.3.
  4. Davy Verlinde meent dat de personen die opzettelijk nalaten hun rijbewijs tijdig in te leveren teneinde nog te kunnen rijden tijdens de periode van het verval van het recht tot sturen, enerzijds, en de personen die uit 3 loutere vergetelheid of uit onachtzaamheid hun rijbewijs te laat inleveren, zonder de bedoeling te hebben om nog te rijden tijdens de periode van het verval van het recht tot sturen, zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Hij beklemtoont dat het moreel bestanddeel van een misdrijf in het strafrecht een essentieel bestanddeel van dat misdrijf vormt en dat het strafrecht uitgaat van een fundamenteel verschil tussen het opzettelijk plegen van een misdrijf en het plegen ervan uit onachtzaamheid. A.3.
  5. Davy Verlinde is van oordeel dat de gelijke behandeling van de voormelde categorieën van personen niet redelijk is verantwoord. Hij meent dat dit blijkt uit de wetsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling en uit het feit dat andere artikelen van de Wegverkeerswet, zoals de artikelen 32 en 49 ervan, voor opzettelijk gepleegde misdrijven voorzien in lagere straffen dan de straffen bepaald in de in het geding zijnde bepaling. De omstandigheid dat de rechter rekening kan houden met verzachtende omstandigheden, kan de gelijke behandeling volgens hem niet verantwoorden, daar het gebrek aan opzet bij diegene die enkel uit onachtzaamheid handelt geen verzachtende omstandigheid is, nu het misdrijf geen opzet vereist als moreel bestanddeel, en daar de rechter niet verplicht is om rekening te houden met verzachtende omstandigheden. Uit de parlementaire voorbereiding leidt hij af dat de wetgever de straffen heeft afgestemd op die welke gelden voor het misdrijf van rijden zonder rijbewijs en dat die afstemming was ingegeven door de overweging dat het niet tijdig inleveren van het rijbewijs vaak tot doel heeft een voertuig te besturen tijdens de periode van het verval van het recht tot sturen. Hij meent dat de gelijke behandeling van de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet pertinent en evenmin evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. A.3.
  6. Davy Verlinde betwist de stelling van de Ministerraad dat de Wegverkeerswet nergens een onderscheid maakt tussen het opzettelijk plegen van een misdrijf en het plegen ervan uit onachtzaamheid. Hij doet in dit kader gelden dat de artikelen 30, § 1, 3°, 31 en 33, § 1, van de Wegeverkeerswet een opzet dan wel een bijzonder opzet vereisen voor de erin omschreven misdrijven. Hij meent daarnaast dat een gelijke behandeling van personen die opzettelijk een misdrijf plegen en personen die dat doen uit onachtzaamheid verantwoord kan zijn bij licht bestrafte misdrijven, maar niet bij zwaarder bestrafte misdrijven. Hij wijst erop dat de wetgeving vóór 1 maart 2013 voor het in het geding zijnde misdrijf voorzag in een geldboete van 10 euro tot 250 euro, en dat de wetgever die straffen nadien substantieel heeft verhoogd vanuit de argumentatie dat het niet tijdig inleveren van het rijbewijs een overtreding is die dikwijls doelbewust wordt gepleegd om het voertuig te kunnen besturen tijdens het verval van het recht tot sturen. -B- B.
  7. Artikel 49/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) bepaalt : « Met geldboete van 200 euro tot 2000 euro wordt gestraft hij die, nadat tegen hem een verval van het recht op sturen werd uitgesproken, zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs niet inlevert binnen de door de Koning bepaalde termijn. In geval van verzachtende omstandigheden kan de geldboete verminderd worden, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. De straffen worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan ». 4 B.
  8. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat geen onderscheid wordt gemaakt in de bestraffing, naargelang de dader het erin omschreven misdrijf opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid pleegt. B.3.
  9. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.3.
  10. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.3.
  11. De laakbaarheid van bepaalde feiten, de vaststelling ervan als een misdrijf, de ernst van dat misdrijf en de zwaarwichtigheid waarmee het kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven indien het bij de vraag naar de verantwoording van verschillen in gedragingen, waarvan sommige strafbaar worden gesteld en andere niet, evenals bij de vraag naar de verantwoording van identieke strafrechtelijke behandelingen van gedragingen die op bepaalde punten van elkaar verschillen, telkens een afweging zou maken op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van de betrokken feiten ten opzichte van andere niet-strafbare feiten of ten opzichte van andere strafbare feiten en zijn onderzoek niet zou beperken tot de gevallen waarin de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling, tot een kennelijk onredelijke identieke behandeling of tot een kennelijk onevenredige straf. 5 B.4.
  12. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van hoofdstuk VI (« Verval van het recht tot sturen ») van titel IV (« Strafbepalingen en veiligheidsmaatregelen ») van de Wegverkeerswet. Die bepaling voorziet in straffen voor de personen die, nadat tegen hen een verval van het recht tot sturen werd uitsproken door een rechter, hun rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs niet inleveren binnen de door de Koning bepaalde termijn. B.4.
  13. Volgens artikel 67 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs » (hierna : het koninklijk besluit van 23 maart 1998) moeten de personen die een verval van het recht tot sturen als straf hebben opgelopen, hun rijbewijs of als zodanig geldend bewijs inleveren bij de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken en dit binnen vier dagen na de dag waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan overeenkomstig artikel 40 van de Wegverkeerswet. Volgens dat artikel 40 gaat het verval van het recht tot sturen in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan. Wanneer het verval niet als straf werd uitgesproken, maar wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, moet de inlevering van het rijbewijs, volgens artikel 67 van het voormelde koninklijk besluit, gebeuren binnen vier dagen na de uitspraak van de beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen, of na de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen niettegenstaande voorziening. Zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn niet begrepen in de voormelde termijn. B.
  14. Personen kunnen zich aldus slechts schuldig maken aan het plegen van het in artikel 49/1 van de Wegverkeerswet bedoelde misdrijf nadat een rechter tegen hen een verval van het recht op sturen heeft uitgesproken en, behoudens wanneer het verval op tegenspraak wordt uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, na een kennisgeving of een betekening van de desbetreffende rechterlijke beslissing. B.6.
  15. Volgens de in het geding zijnde bepaling kan het erin omschreven misdrijf worden bestraft met een geldboete van 200 tot 2 000 euro (vóór de toepassing van de opdeciemen) en kan de rechter die geldboete in geval van verzachtende omstandigheden verminderen, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. 6 B.6.
  16. Het feit dat het misdrijf kan worden bestraft met een geldboete van 200 tot 2 000 euro, is niet zonder redelijke verantwoording ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen betreffende het verhogen van de verkeersveiligheid en het handhaven van rechterlijke beslissingen in verkeerszaken, gelet op het feit dat de rechter, naar gelang van het voorliggende geval, een sanctie binnen voldoende ruime marges van straffen kan kiezen en bovendien de bij de wet bepaalde straffen kan verminderen in geval van verzachtende omstandigheden. B.
  17. Rekening houdend met de voormelde strafmodaliteiten, evenals met het feit dat de personen tegen wie een verval van het recht tot sturen wordt uitgesproken, naar aanleiding van die uitspraak ervan op de hoogte worden gebracht dat zij hun rijbewijs bij de griffier van het betrokken gerecht dienen in te leveren binnen de in artikel 67 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 bepaalde termijn, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid maakt in de bestraffing, naargelang de dader het erin omschreven misdrijf opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid pleegt. B.
  18. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 49/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 februari
  19. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.