← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.018 Arrest- Rolnummer: 18/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-15 Raadplegingen: 1144 - laatst gezien 2026-06-18 19:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 93, eerste lid, 2°, van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken », ingesteld door de vzw « Actieve Verdediging van de Wapenliefhebbers » en Joël Schreiber. Wapens - Verwerving van een wapen dat op onrechtmatige wijze voorhanden wordt gehouden - Misdrijf - Moreel bestanddeel Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 18/2023 van 2 februari 2023 Rolnummer : 7812 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 93, 2°, van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken », ingesteld door de vzw « Actieve Verdediging van de Wapenliefhebbers » en Joël Schreiber. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters Y. Kherbache, T. Detienne, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 mei 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 mei 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 93, 2°, van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2021, tweede editie) door de vzw « Actieve Verdediging van de Wapenliefhebbers » en Joël Schreiber, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Demeyere, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 23 november 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 december 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.

  1. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij beschikken over een belang bij het beroep tot vernietiging. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij bestaat immers, krachtens artikel 4 van haar statuten, in de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit en van de belangen van de particuliere wapenbezitters, waardoor zij doet blijken van een collectief belang. De tweede verzoekende partij is een natuurlijke persoon die voldoet aan de wettelijke voorwaarden om vuurwapens te verkrijgen. Zij beschikt over een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen. In de toekomst kan de tweede verzoekende partij dus worden vervolgd op grond van de bestreden bepaling, in zoverre zij een illegaal wapen zou verwerven. A.
  2. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang en dat het beroep tot vernietiging daarom onontvankelijk is. De bestreden bepaling heeft een specifieke strekking, namelijk het strafbaar stellen van het verwerven van een wapen dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » (hierna : de Wapenwet) of met haar uitvoeringsbesluiten, terwijl het statutair doel van de eerste verzoekende partij een algemene draagwijdte heeft. De verzoekende partijen zetten niet op concrete wijze uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de particuliere wapenbezitters aanbelangt. Volgens de Ministerraad is het belang van de tweede verzoekende partij daarnaast louter hypothetisch en wordt in het verzoekschrift niet aangetoond dat die partij nauwer bij het geding is betrokken dan om het even welke andere rechtsonderhorige. In zoverre zij een wapenvergunning heeft, toont de tweede verzoekende partij volgens de Ministerraad niet aan dat zij van plan is om vuurwapens aan te schaffen. Het beroep tot vernietiging komt bijgevolg neer op een actio popularis. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.
  3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. A.4.
  4. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. A.4.
  5. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepaling niet preciseert op welk ogenblik het wapen voorhanden moet worden gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, opdat het verboden is om dat wapen te verwerven. Daaruit volgt dat de verkrijger ook kan worden vervolgd wanneer de overdrager het wapen op rechtmatige wijze in zijn bezit had, maar datzelfde wapen voordien door een andere persoon onrechtmatig voorhanden werd gehouden. Die interpretatie wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2175/001, p. 60), waardoor het niet van belang is dat die bepaling in de tegenwoordige tijd is opgesteld. Het is voor de verkrijger evenwel onmogelijk om de volledige voorgeschiedenis van het wapen na te gaan. Hij kan hoogstens bij de overdrager een wapenvergunning of een ander document opvragen waaruit blijkt dat die persoon, op het ogenblik van de verwerving, het wapen rechtmatig voorhanden heeft. 3 A.4.
  6. Bovendien blijkt volgens de verzoekende partijen uit de memorie van toelichting dat ook het verwerven van een wapen dat niet is geregistreerd in het Centraal Wapenregister aanleiding kan geven tot een strafsanctie op grond van de bestreden bepaling (ibid., pp. 59-60). Krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 « tot uitvoering van de wapenwet » (hierna : het koninklijk besluit van 20 september 1991) is dat register echter enkel toegankelijk voor een beperkt aantal instanties, en niet voor de particuliere verkrijger van een wapen, die bijgevolg niet kan nagaan of het wapen daarin is opgenomen. Overigens is het pas sinds 1 januari 2010 verplicht om wapens te registeren in het Centraal Wapenregister, zodat wapens die vóór die datum werden verworven, gefabriceerd of ingevoerd, niet zijn opgenomen in dat register. A.4.
  7. Naar de mening van de verzoekende partijen voert de Ministerraad ten onrechte aan dat de verkrijger van een wapen de overdrager kan verzoeken om de vergunning tot het voorhanden hebben van dat wapen, opgemaakt overeenkomstig het model nr. 4 dat als bijlage is gevoegd bij het koninklijk besluit van 20 september 1991, of het bericht van overdracht, opgemaakt overeenkomstig het model nr. 9, over te leggen. Het is immers mogelijk dat de vergunning van de overdrager niet langer geldig is en dat die overdrager heeft nagelaten om binnen de toepasselijke termijn de vergunning terug te sturen en het vuurwapen over te dragen. In een dergelijke situatie is het onmogelijk voor de verkrijger om te weten dat de overdrager het wapen op onrechtmatige wijze voorhanden heeft. Evenmin toont een bericht van overdracht het rechtmatige bezit van het vuurwapen aan. Daarvoor is een van de documenten bedoeld in artikel 12 van de Wapenwet vereist, in het bijzonder een jachtverlof of een sportschutterslicentie, zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 31 maart 2021, P.21.0221.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7). Daarnaast bestaat er geen verplichting om het bericht van overdracht terug te zenden aan de overheid wanneer de betrokkene het vuurwapen niet langer voorhanden heeft. Volgens de verzoekende partijen gaat de Ministerraad bovendien eraan voorbij dat de bestreden bepaling ook van toepassing is wanneer de overdrager van het wapen een erkend wapenhandelaar of -verzamelaar is. In dat geval dient het wapen uitsluitend te zijn geregistreerd in het register dat de wapenhandelaar of -verzamelaar bijhoudt overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 september
  8. Overigens heeft er nooit een verplichting bestaan om de wapens die de erkende personen hebben verworven vóór 1 oktober 2010 op te nemen in het Centraal Wapenregister. A.4.
  9. Uit het bovenstaande volgt, aldus de verzoekende partijen, dat het voor de verkrijger van een wapen onmogelijk is om met zekerheid te bepalen of het wapen dat hij wenst te verwerven voorhanden wordt gehouden in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten. Aangezien de bestreden bepaling inzake het morele bestanddeel van het misdrijf geen bijzonder opzet vereist, riskeert de verkrijger een strafrechtelijke vervolging, zelfs indien hij niet wist of behoorde te weten dat het wapen in het verleden illegaal voorhanden werd gehouden. De verkrijger van een wapen kan bijgevolg niet het strafrechtelijk gevolg inschatten van zijn daden, hetgeen in strijd is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. A.
  10. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling evenmin bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de wetgever heeft nagelaten het morele bestanddeel van het misdrijf te preciseren. Daardoor ontstaat immers een gelijke behandeling van verschillende categorieën van personen, te weten, enerzijds, verkrijgers die wetens en willens een wapen verwerven dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten en het wapen hetzij registreren om het wit te wassen, hetzij in het illegale circuit houden, en, anderzijds, verkrijgers te goeder trouw, die niet wisten en ook niet konden weten dat het wapen dat zij zouden verwerven op onrechtmatige wijze voorhanden werd gehouden. De verkrijgers te goeder trouw zullen overigens per definitie beschikken over een voorafgaande vergunning overeenkomstig artikel 11 van de Wapenwet of over een van de documenten bedoeld in artikel 12 van diezelfde wet, zoals een jachtverlof of een sportschutterslicentie. Zulke verkrijgers zullen bijgevolg voldoen aan alle wettelijke voorwaarden om een wapen voorhanden te hebben en zullen de verwerving eveneens melden aan de bevoegde gouverneur, waardoor de opspoorbaarheid van het wapen wordt gewaarborgd. Volgens de verzoekende partijen kent die gelijke behandeling geen redelijke verantwoording in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de illegale wapenhandel tegen te gaan en de opspoorbaarheid van vuurwapens te verzekeren. A.6.
  11. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepaling bestaanbaar is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, en dat het eerste onderdeel van het eerste middel bijgevolg ongegrond is. 4 A.6.
  12. Allereerst wijst de Ministerraad erop dat de bestreden bepaling is opgesteld in de tegenwoordige tijd. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is het bijgevolg uitsluitend de overdrager die het wapen in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten voorhanden dient te houden, opdat de verkrijger strafrechtelijk kan worden vervolgd. Hij kan niet worden vervolgd indien alleen een eerdere houder van het wapen dit op onrechtmatige wijze voorhanden hield. A.6.
  13. De Ministerraad erkent dat het onmogelijk is voor de overdrager van een wapen om een uittreksel uit het Centraal Wapenregister voor te leggen, aangezien dat register enkel toegankelijk is voor de instanties vermeld in artikel 28 van het koninklijk besluit van 20 september
  14. Die vaststelling leidt echter niet tot een schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken. De overdrager kan immers zijn voorafgaande vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen in de zin van artikel 11 van de Wapenwet, dan wel het bewijs van registratie in de zin van artikel 12 van dezelfde wet voorleggen, hetgeen telkens impliceert dat het wapen werd geregistreerd in het Centraal Wapenregister. Het standpunt van de verzoekende partijen dat de verkrijger zich onmogelijk ervan kan vergewissen dat het wapen wettig voorhanden wordt gehouden, is dus onjuist. Evenmin is het volgens de Ministerraad van belang dat de verplichting om een wapen te registreren in het Centraal Wapenregister pas in werking is getreden op 1 januari
  15. Vanaf die datum was het immers verplicht om alle bestaande vergunningsplichtige wapens in het Centraal Wapenregister te registreren, en niet uitsluitend de wapens die pas nadien in omloop werden gebracht. Gelet op artikel 19, 6°, van de Wapenwet mag een wapenhandelaar ook geen oude wapens uit zijn stock verkopen zonder die eerst te registreren. De Ministerraad benadrukt dat de wetgever steeds maximaal heeft ingezet op de registratie van alle wapens die zich in België bevinden, onder meer door te voorzien in verscheidene amnestieperiodes, zodat wapens die op heden nog niet zijn geregistreerd per definitie verdacht zijn. Voorts is het volgens de Ministerraad juist dat het bericht van overdracht (model 9) geen bezitstitel is. Maar het bewijst wel dat het wapen werd geregistreerd in het Centraal Wapenregister en dat het bekend is bij de overheid. Die registratie is een essentiële voorwaarde voor het rechtmatige bezit van een vuurwapen. Indien een malafide overdrager ten onrechte een ingetrokken of verouderd bericht van overdracht aan de verkrijger overhandigt, kan die laatste daar niet voor worden gestraft. A.6.
  16. De Ministerraad vervolgt dat het niet relevant is dat de bestreden bepaling geen bijzonder opzet vereist, aangezien het aan de wetgever staat het morele bestanddeel van een misdrijf te bepalen. Krachtens het wettigheidsbeginsel in strafzaken volstaat het dat de betrokken personen de feiten en de nalatigheden kennen die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid in het geding kunnen brengen, hetgeen te dezen het geval is, aangezien de verkrijger de mogelijkheid heeft om na te gaan of het wapen voorhanden wordt gehouden in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten. Dat beginsel staat bovendien niet eraan in de weg dat aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend. A.7.
  17. De Ministerraad meent dat het tweede onderdeel van het eerste middel eveneens ongegrond is. Het is redelijk verantwoord om in eenzelfde strafbaarstelling te voorzien ten aanzien van, enerzijds, de verkrijgers die met opzet een illegaal wapen verwerven en, anderzijds, de verkrijgers die slechts onachtzaam en dus te goeder trouw zijn. Volgens de Ministerraad voeren de verzoekende partijen ten onrechte aan dat die categorieën van personen zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, waardoor zij niet op identieke wijze mogen worden behandeld. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen immers niet met elkaar worden verward. Het door de verzoekende partijen aangehaalde onderscheid inzake het morele bestanddeel van het misdrijf impliceert niet dat de wetgever in een verschillende strafmaat had moeten voorzien. A.7.
  18. Voorts wijst de Ministerraad erop dat de rechter binnen de in artikel 23 van de Wapenwet voorgeschreven minimum- en maximumgrenzen een straf kan opleggen die is aangepast aan de ernst van het misdrijf, zodat verkrijgers die met opzet een illegaal wapen verwerven zwaarder kunnen worden bestraft dan verkrijgers te goeder trouw. Er dient op te worden vertrouwd dat de rechterlijke macht bij de toepassing van de betwiste strafbaarstelling in redelijkheid zal oordelen. Wat betreft het tweede middel A.8.
  19. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 5 A.8.
  20. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 505, eerste lid, 2° tot 4°, van het Strafwetboek, dat een aantal misdrijven omschrijft met betrekking tot het helen of witwassen van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen. Die bepaling vereist inzake het morele bestanddeel telkens een bijzonder opzet, aangezien het noodzakelijk is dat de betrokkene ofwel de oorsprong van de zaken kende of moest kennen (artikel 505, eerste lid, 2° en 4°), ofwel de bedoeling had de illegale herkomst van de zaken te verbergen of te verdoezelen (artikel 505, eerste lid, 3°). Volgens de verzoekende partijen kan een illegaal wapen worden beschouwd als een primair vermogensvoordeel dat voortkomt uit een van de misdrijven omschreven in de Wapenwet. Aldus wordt volgens de verzoekende partijen een verschil in behandeling in het leven geroepen tussen, enerzijds, de verkrijgers van een wapen dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten en, anderzijds, de verkrijgers van een wapen dat voortkomt uit een ander misdrijf. De eerstgenoemde verkrijgers zullen als gevolg van de bestreden bepaling steeds strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, ongeacht of zij wisten dat het wapen op onrechtmatige wijze voorhanden werd gehouden, terwijl een bijzonder opzet is vereist opdat aan de laatstgenoemde verkrijgers een strafsanctie kan worden opgelegd. A.8.
  21. De verzoekende partijen zijn van mening dat een dergelijk verschil in behandeling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De beide categorieën van verkrijgers bevinden zich immers in een vergelijkbare situatie. Bovendien beoogt ook artikel 505 van het Strafwetboek, zoals de bestreden bepaling, het witwassen van zaken die voortvloeien uit een misdrijf tegen te gaan. Ten aanzien van die doelstelling valt niet in te zien waarom een persoon die een wapen verwerft dat voortkomt uit een inbreuk op de Wapenwet of op haar uitvoeringsbesluiten anders wordt behandeld dan een persoon die een wapen verwerft dat uit een ander misdrijf voortkomt. Naar de mening van de verzoekende partijen leidt de door de Ministerraad aangehaalde rechtspraak, namelijk het arrest van de Raad van State nr. 214.912 van 1 september 2011 en het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 20 oktober 2020, niet tot de conclusie dat de bestreden bepaling noodzakelijk zou zijn om het witwassen van wapens te vermijden. Evenmin zijn de verzoekende partijen het eens met het standpunt van de Ministerraad dat de bestreden bepaling als een lex specialis dient te worden beschouwd ten opzichte van artikel 505 van het Strafwetboek. Er zijn wel degelijk situaties denkbaar waarin artikel 505 van het Strafwetboek toepassing kan vinden, ook al houdt de overdrager het wapen voorhanden in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten. Tot slot zetten de verzoekende partijen uiteen dat het verschil in behandeling ook onevenredige gevolgen heeft, in zoverre de verkrijger van een wapen dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, strafrechtelijke vervolging niet zal kunnen vermijden door aan te tonen dat hij daarvan niet op de hoogte was. A.9.
  22. Volgens de Ministerraad houdt het door de verzoekende partijen aangehaalde verschil in behandeling geen schending in van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zodat het tweede middel ongegrond is. A.9.
  23. De Ministerraad is van mening dat de verkrijgers van een wapen, naargelang dat wapen voortkomt uit een inbreuk op de Wapenwet of op haar uitvoeringsbesluiten dan wel uit een ander misdrijf zoals bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek, niet vergelijkbaar zijn. De bestreden bepaling werd precies ingevoerd omdat de strafrechter in het eerstgenoemde geval het wapen niet verbeurd kon verklaren als een primair vermogensvoordeel en de verkrijger evenmin kon veroordelen op grond van artikel 505 van het Strafwetboek. De Ministerraad verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 214.912 van 1 september 2011, waarin werd geoordeeld dat de registratie van een wapen door de verkrijger niet kon worden geweigerd om de enkele reden dat de overdrager dat wapen voorhanden had in strijd met de Wapenwet. De Ministerraad verwijst eveneens naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 20 oktober 2020, waarin dat Hof om soortgelijke redenen de houder van een sportschutterslicentie vrijsprak van illegaal wapenbezit. Volgens de Ministerraad heeft onder meer die rechtspraak de wetgever ertoe gebracht de bestreden bepaling in te voeren. De wetgever wenste immers te vermijden dat personen illegale wapens zouden kunnen verkrijgen en vervolgens registreren, waardoor die wapens als het ware zouden worden witgewassen. Daardoor draagt de bestreden bepaling ook bij tot de doelstelling om de illegale wapenhandel terug te dringen, aangezien de verkrijger zelf zal moeten nagaan of het wapen voorhanden wordt gehouden in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten. A.9.
  24. Voorts wijst de Ministerraad erop dat de bestreden bepaling het onmogelijk maakt voor wapenbezitters die zijn vrijgesteld van de voorafgaande vergunningsplicht, zoals de houders van een jachtverlof 6 of van een sportschutterslicentie, om de illegale wapens die zij verwerven te registreren en dus wit te wassen. De bestreden bepaling leidt bijgevolg tot een gelijke behandeling van zulke wapenbezitters en de personen die een wapen bezitten op basis van een voorafgaande vergunning, en is ook daarom bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Ten slotte is volgens de Ministerraad het adagium lex specialis derogat legi generali van toepassing, in zoverre de verkrijger van een illegaal wapen hoe dan ook strafbaar zal kunnen worden gesteld op basis van de Wapenwet, ongeacht de wijze waarop hij het wapen verwerft. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1.
  25. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 93, 2°, van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken » (hierna : de wet van 28 november 2021). Die bepaling heeft artikel 19, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » (hierna : de Wapenwet) aangevuld met een 8°, waardoor het voortaan verboden is « een wapen te verwerven dat in België wordt voorhanden gehouden in strijd met [de Wapenwet] of met haar uitvoeringsbesluiten ». B.1.
  26. De memorie van toelichting van de wet van 28 november 2021 vermeldt daaromtrent : « Personen mogen een wapen dat in België voorhanden wordt gehouden in strijd met de wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, niet legaal kunnen verwerven of voorhanden hebben. Het legaliseren van wapens die illegaal voorhanden worden gehouden en dus deel uitmaken van het illegale circuit komt neer op het witwassen van ‘ zwarte ’ wapens. Conform artikel 4 van de wapenwet moeten alle in België gefabriceerde of ingevoerde vuurwapens ingeschreven worden in een centraal wapenregister, waar deze wapens een uniek identificatienummer toegewezen krijgen. Het betreft een cruciaal element voor de opspoorbaarheid van vuurwapens. Van zodra een vuurwapen voorhanden wordt gehouden in België wordt dit geregistreerd in het centraal wapenregister, zo ook in geval van de overdracht van het wapen. In de praktijk is echter gebleken dat het bijvoorbeeld voor een houder van een sportschutterslicentie actueel mogelijk is om een illegaal voorhanden gehouden vuurwapen (dat per definitie niet geregistreerd wapenbezit inhoudt) probleemloos over te nemen. Dit werkt 7 illegale wapenhandel in de hand : immers zwarte wapens krijgen hierdoor een legale status en het onbestraft laten van de verkrijger van dergelijke wapens is een belangrijke faciliterende factor. Het invoeren van deze verbodsbepaling is bijgevolg een belangrijk element in de strijd tegen illegale wapenhandel en in het verzekeren van de opspoorbaarheid van vuurwapens » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2175/001, pp. 59-60). B.
  27. De overtreding van het aldus ingevoerde verbod kan aanleiding geven tot strafsancties. Artikel 23 van de Wapenwet bepaalt immers : « Zij die de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten evenals de in artikel 47 bedoelde wet overtreden, worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 25 000 euro, of met een van deze straffen alleen. Met dezelfde straffen worden gestraft zij die wetens onjuiste verklaringen hebben afgelegd om de erkenningen of vergunningen bedoeld door deze wet of door de besluiten tot uitvoering ervan te verkrijgen, alsook de personen die van deze verklaringen gebruik maken. Indien de in het eerste lid bedoelde inbreuken worden gepleegd door een overeenkomstig artikel 5 erkend persoon of ten aanzien van een minderjarige, wordt het vastgestelde strafminimum op een gevangenisstraf van een jaar gebracht. In afwijking van het eerste tot derde lid, worden de niet overeenkomstig artikel 5 erkende personen die de artikelen 12/1, eerste lid, 4°, en 35, 1°, van deze wet of hun uitvoeringsbesluiten overtreden, gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro. De boete kan zo veel keer worden toegepast als er wapens zijn. Indien de feiten met kwaadwillig opzet zijn gepleegd of in geval van een tweede veroordeling wegens een van de in deze bepalingen omschreven misdrijven, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van de eerste, wordt de straf verhoogd tot een geldboete van honderdeen euro tot driehonderd euro. Poging tot het plegen van het in het eerste lid bedoelde misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijftienduizend euro, of met een van die straffen alleen. In geval van een inbreuk bedoeld in het eerste tot derde lid, in het vierde lid, derde zin, of in het vijfde lid, en onverminderd de toepassing van artikel 8, tweede lid, wordt de verbeurdverklaring uitgesproken overeenkomstig artikel 42 van het Strafwetboek. Het staat de rechter evenwel vrij ze niet uit te spreken in geval van een inbreuk bedoeld in het vierde lid, derde zin of in geval van inbreuk op de krachtens artikel 35, 7°, genomen reglementaire bepalingen ». 8 Ten aanzien van het belang B.3.
  28. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.3.
  29. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij, de vzw « Actieve Verdediging van de Wapenliefhebbers », bestaat krachtens artikel 4 van haar statuten onder meer in de verdediging en de behartiging van « het particuliere wapenbezit in het algemeen », alsook van « de belangen van de particuliere wapenbezitters, ongeacht de activiteit die ze met hun wapens voeren (zoals sportschutters, recreatieve schutters, jagers, kleiduivenschutters, verzamelaars, historische en folkloristische groepen, …) ». Die doelstelling, die is onderscheiden van het algemeen belang, wordt door de bestreden bepaling geraakt in zoverre particulieren die een wapen verwerven, zijn onderworpen aan het bij die bepaling ingevoerde verbod en de niet-naleving daarvan ertoe kan leiden dat zij strafrechtelijk worden vervolgd. B.3.
  30. Aangezien het belang van de eerste verzoekende partij vaststaat, is het beroep tot vernietiging ontvankelijk en dient niet te worden onderzocht of ook de tweede verzoekende partij doet blijken van het rechtens vereiste belang. 9 Ten gronde Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel B.
  31. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. Het bestaat uit twee onderdelen. B.
  32. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling het wettigheidsbeginsel in strafzaken schendt, zoals gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. De kritiek van de verzoekende partijen komt in essentie erop neer dat het voor personen die een wapen verwerven onmogelijk is om met zekerheid te weten of het wapen voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, waardoor zulke personen niet de strafrechtelijke gevolgen van die verwerving kunnen inschatten. B.6.
  33. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». B.6.
  34. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. 10 Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.6.
  35. In zoverre het bij artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel, zoals is vermeld in B.6.2, beoogt diegene die een gedrag aanneemt, in staat te stellen om vooraf op afdoende wijze te kunnen inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn, hangt dat beginsel nauw samen met het wettigheidsbeginsel, gewaarborgd bij artikel 14 van de Grondwet, dat bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.
  36. Bij zijn arrest nr. 154/2007 van 19 december 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.154) heeft het Hof geoordeeld dat het in de Wapenwet gehanteerde begrip « voorhanden hebben » van vergunningsplichtige wapens voldoende duidelijk is en bijgevolg in overeenstemming is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Het Hof preciseerde dat dat begrip in de gebruikelijke betekenis ervan dient te worden begrepen en het effectieve bezit aangeeft, ongeacht de juridische titel die daaraan ten grondslag ligt. Het voorhanden hebben van een wapen onderscheidt zich overigens van het dragen ervan, in zoverre het dragen van een wapen veronderstelt dat men het onmiddellijk en zonder verplaatsing kan nemen (arrest nr. 154/2007, B.27). 11 B.
  37. Zoals de Ministerraad opmerkt, steunen de grieven van de verzoekende partijen op een onjuist uitgangspunt, in zoverre zij aanvoeren dat het bestreden verbod ook geldt ten aanzien van de verwerving van een wapen dat in het verleden voorhanden werd gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, ook al heeft de overdrager het wapen inmiddels op rechtmatige wijze in zijn bezit. Een dergelijk uitgangspunt stemt niet overeen met de tekst van de bestreden bepaling, die voorziet in een verbod op het verwerven van een wapen dat voorhanden « wordt » gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten. Daaruit volgt dat uitsluitend rekening dient te worden gehouden met het al dan niet rechtmatige karakter van het bezit van de overdrager, op het ogenblik van de overdracht aan de verwerver. B.9.
  38. Bij de beoordeling van het bestreden verbod in het licht van het wettigheidsbeginsel in strafzaken moet het Hof voor ogen houden dat personen die gerechtigd zijn een wapen te verwerven, in de regel kennis hebben en moeten hebben van de wapenwetgeving (zie onder meer de artikelen 5, § 2, derde lid, 11, § 3, eerste lid, 7°, en 12, eerste lid, 1° en 2°, van de Wapenwet). Die personen, ongeacht of het gaat om professionelen of particulieren, kunnen worden geacht te weten aan welke vereisten moet zijn voldaan opdat een wapen voorhanden wordt gehouden in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten. Daarenboven dienen zij de nodige waakzaamheid aan de dag te leggen bij al hun bezigheden inzake wapens, in het bijzonder wanneer zij een wapen verwerven. B.9.2.
  39. De persoon die een wapen voorhanden houdt in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten, beschikt in de regel over een document waaruit dat wettige bezit kan worden afgeleid. Zo verplicht artikel 13 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 « tot uitvoering van de wapenwet » (hierna : het koninklijk besluit van 20 september 1991) de persoon die een wapen voorhanden heeft op basis van een voorafgaande vergunning in de zin van artikel 11 van de Wapenwet, het voor hem bestemde deel A van die vergunning te bewaren. De vergunning wordt opgesteld overeenkomstig het model nr. 4 dat als bijlage is gevoegd bij hetzelfde koninklijk besluit. Het deel A vermeldt de identiteit en het rijksregisternummer van de houder van de vergunning, alsook de kenmerken van het desbetreffende wapen, met inbegrip van de aard, het kaliber en het serienummer. Het deel B, dat soortgelijke gegevens bevat als het deel A, 12 is bestemd voor de overheid die de vergunning heeft uitgereikt (artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Voorts worden, krachtens artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 1991, een bericht van overdracht en een afschrift ervan opgemaakt overeenkomstig het model nr. 9, in geval van een overdracht van vergunningsplichtige vuurwapens aan en tussen de houders van een jachtverlof, de houders van een sportschutterslicentie en de bijzondere wachters bedoeld in artikel 12, 1°, 2° en 4°, van de Wapenwet, die met betrekking tot bepaalde wapens zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht. Een afschrift van het bericht van overdracht wordt, voorzien van het registratienummer, door de gouverneur toegezonden aan de verkrijger. Het bericht van overdracht vermeldt de identiteit en het rijksregisternummer van de verkrijger, alsook de kenmerken van het overgedragen wapen. Tot slot bevat artikel 23, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 een verplichting voor de erkende personen, in het bijzonder de wapenhandelaars, om een register bij te houden in de vorm van het model A waarin zij de vergunningsplichtige vuurwapens inschrijven die zij verkrijgen, vervaardigen, in hun bezit houden of overdragen. Dat register vermeldt onder meer de oorsprong, de aard, het kaliber en het serienummer van het wapen. Bovendien beschikt elke wapenhandelaar in de regel over een getuigschrift van erkenning opgemaakt overeenkomstig het model nr. 2 (artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991) en dient hij op zijn documenten en op zijn website zijn erkenningsnummer te vermelden (artikel 13, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 juni 2011 « tot regeling van het statuut van de wapenhandelaar »). B.9.2.
  40. Niets belet de persoon die een wapen wenst te verwerven om bij de overdrager de informatie, met inbegrip van de voormelde documenten, op te vragen die hem toelaat zich ervan te vergewissen dat het wapen niet voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten. Bijgevolg kan een dergelijke persoon, voordat hij het wapen verwerft, op afdoende wijze inschatten of hij met die verwerving het bestreden verbod zal overtreden en dus wat daarvan het strafrechtelijke gevolg zal zijn. B.9.
  41. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan doordat, zoals de verzoekende partijen opmerken, de verkrijger van het wapen in bepaalde gevallen niet zou kunnen weten dat de voorafgaande vergunning van de overdrager niet langer geldig is, met name wanneer de 13 overdrager heeft nagelaten om het deel A van die vergunning binnen de toepasselijke termijn terug te zenden aan de overheid die ze heeft uitgereikt (zie artikel 10, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Volgens het Hof van Cassatie kan dwaling immers « schulduitsluitend zijn als ze onoverkomelijk is, wat betekent dat uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de persoon die zich op de dwaling beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld » (Cass., 9 november 2021, P.21.0962.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.11). In zoverre de verkrijger van een vuurwapen onmogelijk kon weten dat het voorhanden werd gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten omdat de overdrager hem verkeerde informatie heeft verschaft, dient derhalve te worden aangenomen dat hij zich zal kunnen beroepen op een dergelijke schulduitsluitingsgrond. B.9.
  42. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is het evenmin van belang dat particulieren die een wapen wensen te verwerven, niet het Centraal Wapenregister kunnen raadplegen om te verifiëren of het wapen daarin is opgenomen. Krachtens artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 is het Centraal Wapenregister een databank « waarin de in artikel 29 bedoelde gegevens worden opgeslagen ». Die gegevens hebben onder meer betrekking op het voormelde deel B van de vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, opgesteld overeenkomstig het model nr. 4, alsook op het voormelde bericht van overdracht, opgesteld overeenkomstig het model nr. 9 (artikel 29, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Van elk vuurwapen worden type, merk, model, kaliber en serienummer geregistreerd en bijgehouden, alsmede de namen en adressen van de leverancier en de persoon die het wapen verwerft of voorhanden heeft, tenzij het wapen zich bevindt bij een erkend wapenhandelaar die het overeenkomstig artikel 23 in zijn register heeft opgenomen (artikel 28, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Voorts brengt de proefbank voor vuurwapens, met het oog op de opspoorbaarheid van de vuurwapens, « een uniek nationaal identiteitsnummer voor elk vuurwapen dat in België in omloop zal worden gebracht in het Centraal Wapenregister in » (artikel 29/1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). 14 Het is juist dat het Centraal Wapenregister slechts toegankelijk is voor bepaalde personen en instanties, namelijk « voor de Minister van Justitie en de personeelsleden van de federale wapendienst, voor de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde, voor de provinciegouverneurs en hun gemachtigde, voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, voor de onderzoeksrechters, voor de procureurs des Konings, voor de leden van de federale en de lokale politie, voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en voor de directeur van de proefbank voor vuurwapens, evenals voor de gemachtigde ambtenaren van de gewestelijke diensten bevoegd voor de in- en uitvoer van wapens » (artikel 28, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Daarenboven mag « de verkregen informatie [...] niet aan derden, particulieren of rechtspersonen, noch aan andere overheden dan die vermeld in het tweede lid, worden medegedeeld » (artikel 28, derde lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Het staat evenwel aan de bevoegde overheden het Centraal Wapenregister « binnen acht dagen in kennis [te] stellen van de uitreiking of van de ontvangst van de stukken bedoeld in artikel 29 » (artikel 30, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Dat register wordt beheerd « door een dienst van de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie van de federale politie die dezelfde naam draagt » (artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991). Uit het bovenstaande volgt dat een gebrekkige of ontbrekende registratie in het Centraal Wapenregister met betrekking tot een wapen waarvan de overdrager de in B.9.2 bedoelde informatie kan overleggen, op zich niet volstaat om te besluiten dat de overdrager het wapen voorhanden houdt in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten zoals bedoeld in de bestreden bepaling, en dus dat de verwerving van een dergelijk wapen aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging. In zoverre in een dergelijk geval de vereisten inzake registratie niet zijn vervuld, is dat het gevolg van een nalatigheid van de bevoegde overheden om het Centraal Wapenregister in kennis te stellen van de relevante gegevens, dan wel van de bevoegde dienst van de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie van de federale politie om dat register bij te werken. B.
  43. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 15 Wat betreft het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel B.11.
  44. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens hen behandelt de bestreden bepaling wezenlijk verschillende categorieën van personen gelijk, namelijk, enerzijds, verkrijgers die wetens en willens een wapen verwerven dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten en het wapen hetzij registreren om het wit te wassen, hetzij in het illegale circuit houden, en, anderzijds, verkrijgers te goeder trouw, die niet weten en ook niet kunnen weten dat het wapen dat zij verwerven op onrechtmatige wijze voorhanden wordt gehouden. Het zou niet redelijk verantwoord zijn dat beide categorieën van personen aan dezelfde strafbaarstelling kunnen worden onderworpen. B.11.
  45. Het tweede middel is eveneens afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De verzoekende partijen voeren aan dat de verkrijgers van een wapen dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, op een verschillende wijze worden behandeld als de verkrijgers van een vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen in de zin van artikel 42, 3°, van het Strafwetboek, wanneer dat vermogensvoordeel een wapen betreft. De eerstgenoemde verkrijgers zullen als gevolg van de bestreden bepaling steeds strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, ongeacht of zij wisten dat het wapen op onrechtmatige wijze voorhanden werd gehouden. Daarentegen zullen de laatstgenoemde verkrijgers enkel kunnen worden vervolgd indien een specifiek moreel element wordt aangetoond overeenkomstig artikel 505, eerste lid, 2° tot 4°, van het Strafwetboek, dat bepaalt : « Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot honderdduizend euro of met een van die straffen alleen worden gestraft : [...] 2° zij die zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen; 3° zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, omzetten of overdragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een 16 misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden; 4° zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen ». B.11.
  46. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel samen. Zowel de in B.11.1 vermelde gelijke behandeling als het in B.11.2 vermelde verschil in behandeling zijn immers het gevolg van de keuze van de wetgever om inzake het morele bestanddeel van het bestreden misdrijf slechts onachtzaamheid te vereisen, in plaats van een bijzonder opzet. B.12.
  47. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12.
  48. De laakbaarheid van bepaalde feiten, de vaststelling ervan als misdrijf, de ernst van dat misdrijf en de zwaarwichtigheid waarmee het kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven indien het bij de vraag naar de verantwoording van verschillen in bestraffing telkens een afweging zou maken op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van de betrokken feiten ten opzichte van andere strafbaar gestelde feiten en zijn onderzoek niet zou beperken tot de gevallen waarin de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling of tot een kennelijk onevenredige straf. 17 B.12.
  49. Ook inzake het voorhanden houden en overdragen van wapens beschikt de wetgever, binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, over een ruime beoordelingsvrijheid. Hij vermag ervan uit te gaan dat wapenbezit aanzienlijke maatschappelijke risico’s met zich meebrengt en dat specifieke maatregelen noodzakelijk zijn om die risico’s te beperken. Het staat aan de wetgever, in het bijzonder wanneer hij een plaag wil bestrijden die andere maatregelen tot nog toe onvoldoende hebben kunnen indijken, te beslissen of voor een strengere bestraffing van sommige vormen van delinquentie moet worden geopteerd en/of dient te worden voorzien in bijkomende maatregelen. B.
  50. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding vermeld in B.1.2, beoogde de wetgever met de bestreden bepaling in essentie de « illegale wapenhandel » tegen te gaan, dat wil zeggen de handel in wapens die voorhanden worden gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten, door niet alleen de overdrager, maar ook de verkrijger van het wapen te bestraffen, zelfs wanneer die laatste over een vergunning zou beschikken om een dergelijk wapen voorhanden te hebben. Meer in het algemeen had de wetgever bij de invoering van de regeling betreffende de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen en de registratie van wapens, zoals opgenomen in de Wapenwet, de bedoeling om een gesloten circuit te creëren voor de overdracht van vergunningsplichtige wapens, teneinde te verzekeren dat de vuurwapens kunnen worden opgespoord en de circulatie ervan binnen het land kan worden gecontroleerd (zie ook het voormelde arrest nr. 154/2007, B.74.2). B.
  51. Ten aanzien van die doelstellingen is het pertinent dat de schuld aan het misdrijf kan bestaan in onachtzaamheid, en dat er dus geen bijzonder opzet is vereist. Een dergelijke invulling van het morele bestanddeel van het misdrijf heeft als gevolg dat voortaan elke persoon die een wapen wenst te verwerven, zich actief ervan zal moeten vergewissen dat het wapen voorhanden wordt gehouden in overeenstemming met de Wapenwet en met haar uitvoeringsbesluiten, zoals is vermeld in B.9.
  52. Daarnaast zet de bestreden bepaling personen die door een beslissing tot weigering, schorsing of intrekking hun vergunning of het recht om een bepaald wapen voorhanden te hebben verliezen, ertoe aan het wapen tijdig in bewaring te geven bij een erkend persoon of 18 over te dragen aan een erkend persoon dan wel aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben, zoals voorgeschreven door artikel 18 van de Wapenwet. De bestreden bepaling maakt het in de praktijk immers onmogelijk het wapen nog door te verkopen na het verstrijken van de termijn bepaald in de beslissing tot weigering, schorsing of intrekking, aangezien in een dergelijke situatie ook de verkrijger een risico loopt op een strafrechtelijke vervolging. Bijgevolg draagt het bestreden verbod niet alleen bij tot de verwezenlijking van de doelstelling om illegale wapenhandel tegen te gaan, maar ook tot de doeltreffendheid en de naleving van de regels met betrekking tot het voorhanden houden van wapens in het algemeen. B.15.
  53. Tot slot is het niet onevenredig dat alle personen die een wapen verwerven dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten aan dezelfde strafbaarstelling worden onderworpen, ongeacht de schuldvorm waarmee die verwerving heeft plaatsgevonden. B.15.
  54. Zoals is vermeld in B.9.1, vermag de wetgever de nodige waakzaamheid te verwachten van de personen die gerechtigd zijn een wapen te verwerven. Uit hetgeen is vermeld in B.9.2, blijkt bovendien dat de bestreden bepaling het niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt voor een particulier om in de toekomst nog een wapen te verwerven, aangezien het in beginsel volstaat om bij de overdrager de informatie op te vragen die toelaat zich ervan te vergewissen dat het wapen niet voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten. B.15.
  55. Krachtens artikel 23 van de Wapenwet wordt de miskenning van het bestreden verbod bestraft « met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 25 000 euro, of met een van deze straffen alleen ». Die bepaling laat niet alleen toe om een sanctie te kiezen binnen ruime marges van straffen, maar ook om slechts een van beide straffen op te leggen. De rechter beschikt bijgevolg over een strafvork die hem toelaat maatwerk te leveren in het licht van de relevante elementen van de zaak, waardoor bij het bepalen van de straf onder meer rekening kan worden gehouden met de drijfveer van de dader om het wapen te verwerven. Aldus blijkt niet dat de rechter wordt verhinderd om een straf uit te spreken die evenredig is aan de ernst van het strafbare gedrag dat erin bestaat louter uit onachtzaamheid een 19 wapen te verwerven dat voorhanden wordt gehouden in strijd met de Wapenwet of met haar uitvoeringsbesluiten. B.15.
  56. Voor het overige neemt het feit dat de schuld aan het misdrijf kan bestaan in onachtzaamheid, en dat er dus geen bijzonder opzet is vereist, niet weg dat de dader vrijuit gaat indien een schulduitsluitingsgrond, in het bijzonder onoverkomelijke dwaling, wordt aangetoond, zoals is vermeld in B.9.
  57. B.
  58. Het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel zijn niet gegrond. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 februari
  59. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.018 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.11 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.