← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.023 Arrest- Rolnummer: 23/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-20 Raadplegingen: 573 - laatst gezien 2026-06-19 08:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 59, § 1, 2°, en § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (aanslagjaren 2017 en 2018), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Fiscaal recht - Beroepskosten - Werkgeversbijdragen en -premies - Beperking van de aftrekbaarheid tot 80 % - Extrawettelijke pensioenen - Werknemer die bij verschillende werkgevers is tewerkgesteld Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 23/2023 van 9 februari 2023 Rolnummer : 7814 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 59, § 1, 2°, en § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (aanslagjaren 2017 en 2018), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 mei 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 mei 2022, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikel 59 § 1, 2° en 59 § 4 WIB 1992 het gelijkheidsbeginsel vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in hoofde van een werkgever in het geval zijn werknemer is tewerkgesteld bij verschillende werkgevers doordat bij de beoordeling van de 80 % grens opgenomen in deze bepalingen enerzijds rekening wordt gehouden met de laatste normale bruto-jaarbezoldiging per werkgever en anderzijds rekening wordt gehouden met het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extra-wettelijke pensioenen opgebouwd bij de verschillende werkgevers ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Group Depré », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Jaecques, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Leyns, advocaat bij de balie te Gent. 2 Bij beschikking van 7 december 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 21 december 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 21 december 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « Group Depré » betwist bij de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, twee aanslagen gevestigd in de vennootschapsbelasting, nadat haar bezwaar werd afgewezen. De betwisting heeft betrekking op de aftrek van bijdragen voor extrawettelijke pensioenen voor twee werknemers. Die werknemers zijn deeltijds bij de nv « Group Depré » tewerkgesteld, en deeltijds bij een dochtervennootschap van de nv « Group Depré ». De administratie voert aan dat wat betreft het wettelijk pensioen en wat betreft de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen rekening moet worden gehouden met het totale bedrag en er geen opdeling pro rata is, wat wordt betwist door de nv « Group Depré ». Daarop stelt de Rechtbank van eerste aanleg de voormelde vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De nv « Group Depré » voert aan dat de 80 %-grens consequent per onderneming moet worden berekend. Als niet de volledige wedde wordt meegerekend, maar enkel de wedde per onderneming, kunnen volgens haar ook de bedragen vermeld in artikel 59, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) niet volledig worden meegerekend, maar slechts pro rata de wedde die per onderneming voor de 80 %- grens wordt meegerekend. Doordat artikel 59 van het WIB 1992 niet voorziet in een regeling voor de verdeling tussen verschillende werkgevers, is er sprake van een ongrondwettige lacune. A.
  2. Volgens de Ministerraad is de vraag onontvankelijk. Het verwijzende rechtscollege gaat er ten onrechte van uit dat bij de beoordeling van de 80 %-grens rekening moet worden gehouden met de laatste normale brutojaarbezoldiging per werkgever. Dit volgt echter op geen enkele wijze uit de in het geding zijnde bepalingen, die net het globale karakter van de grens benadrukken. De vraag heeft in werkelijkheid betrekking op de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen, waardoor het Hof niet bevoegd is. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien in het geding ten gronde geen enkel extrawettelijk pensioenkapitaal werd opgebouwd via premies gestort door de andere werkgever van de betrokken werknemers. 3 -B- B.
  3. Met de prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 59 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals van toepassing op de aanslagjaren 2017 en 2018, bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie opgenomen in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. B.2.
  4. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, heeft de prejudiciële vraag in wezen betrekking op de berekeningsmethode van de zogenaamde « 80 %-grens » voor de fiscale aftrekbaarheid van premies die een onderneming stort in het kader van een individuele pensioentoezeggingsovereenkomst ten behoeve van haar werknemer. B.2.
  5. Overeenkomstig artikel 52, 3°, b), tweede streepje, van het WIB 1992, zoals van toepassing op de aanslagjaren 2017 en 2018, worden - onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 53 tot 66bis van het WIB 1992 - de werkgeversbijdragen en -premies gestort ter uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, met het oog op de vorming van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, als beroepskosten aangemerkt. B.2.
  6. Artikel 59 van het WIB 1992, zoals van toepassing op de aanslagjaren 2017 en 2018 (hierna : de in het geding zijnde bepaling), bepaalt : « §
  7. De werkgeversbijdragen en -premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, kunnen slechts als beroepskosten worden afgetrokken onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende perken : 1° ze moeten definitief worden gestort aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen; 2° de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale brutojaarbezoldiging en moeten worden berekend op basis van de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Wat de overeenkomsten betreft die geen toezeggingen van het type ‘ vaste prestatie ’ zijn, worden de daaraan verbonden bovenwettelijke uitkeringen vastgesteld door rekening te houden met de eigenschappen van de overeenkomst, de aan de overeenkomst verbonden verworven reserves en de volgende parameters : 4 - het verhogingspercentage van de bezoldigingen, indexering inbegrepen; - het percentage van kapitalisatie dat moet worden toegepast op de verworven reserves; - het percentage van de deelnemingen in de winst; 3° de wettelijke en aanvullende uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan de normale brutojaarbezoldiging; 4° de werkgever moet de bewijsstukken overleggen in de vorm en binnen de termijnen die de Koning bepaalt; 5° de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot uitvoering van artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, moeten zijn verstrekt. Om na te gaan of de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde begrenzingen in acht genomen zijn, moeten de aldaar bedoelde uitkeringen die in kapitaal worden uitgekeerd, in rente worden omgezet met de gegevens van de door de Koning vastgelegde tabel die, zonder rekening te houden met overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf hun aanvang, voor onderscheiden leeftijden bij aanvang van de rente, het nodig geachte kapitaal vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro. Zo nodig, mogen de gegevens van de tabel worden aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf hun aanvang. De uitkeringen die overeenkomen met reeds gepresteerde dienstjaren, kunnen worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies. De dienstjaren die buiten de onderneming werden gepresteerd, worden maximaal slechts ten beloop van 10 daadwerkelijk gepresteerde jaren in aanmerking genomen. Uitkeringen die slaan op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid kunnen eveneens worden gefinancierd onder de vorm van een of meerdere bijdragen of premies. §
  8. Een indexering van de renten bedoeld in § 1, eerste lid, 2° en 3°, is toegestaan. §
  9. De begrenzingen genoemd in § 1, eerste lid, 2° en 3°, worden enerzijds toegepast op de bijdragen en premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen en, anderzijds op de bijdragen en premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte. Voor de berekening van die begrenzingen worden de in artikel 52, 3°, b, derde streepje, bedoelde bijdragen en premies, gestort ter uitvoering van een solidariteitstoezegging, naar gelang van hun aard, omgedeeld over elk van die categorieën. §
  10. Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen, moet de begrenzing tot 80 pct., bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, worden beoordeeld ten opzichte 5 van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen. De uitkeringen op grond van pensioensparen en van andere individuele levensverzekeringscontracten dan die welke worden gesloten ter uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, worden niet in aanmerking genomen. De extrawettelijke pensioenen omvatten inzonderheid de pensioenen : - die met persoonlijke bijdragen als bedoeld in artikel 52, 7°bis, of in artikel 1453 zijn gevormd; - die met werkgeversbijdragen zijn gevormd; - die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend. Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte, moet de begrenzing tot de normale bruto jaarbezoldiging worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. De extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid omvatten inzonderheid : - de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid die met werkgeversbijdragen zijn gevormd; - de uitkeringen die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend. §
  11. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad : 1° wat onder ‘ normale bruto jaarbezoldiging ’, ‘ laatste normale bruto jaarbezoldiging ’ en ‘ normale duur van een beroepswerkzaamheid ’ in de zin van § 1, eerste lid, 2° en 3°, moet worden verstaan; 2° de verschillende in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde percentages. Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het eerste lid, 2°, genomen besluiten. Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling. §
  12. Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, eerste lid, 1°, wordt geëist wanneer ze worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen 6 of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen. De beperking bedoeld in het eerste lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioenovereenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002 ». Krachtens paragraaf 1, eerste lid, 2°, van de in het geding zijnde bepaling kunnen de werkgeversbijdragen en -premies gestort ter uitvoering van een individuele pensioentoezeggingsovereenkomst, slechts als beroepskosten in aftrek worden gebracht onder de voorwaarde dat de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging. Krachtens paragraaf 4, eerste lid, van de in het geding zijnde bepaling moet voor de bijdragen en premies die verband houden met aanvullende pensioentoezeggingen de begrenzing tot 80 % worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen. Op grond van paragraaf 4, tweede lid, van de in het geding zijnde bepaling omvatten de extrawettelijke pensioenen, onder andere, de pensioenen die met werkgeversbijdragen zijn gevormd. Krachtens paragraaf 5, eerste lid, van de in het geding zijnde bepaling bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder « normale bruto jaarbezoldiging », « laatste normale bruto jaarbezoldiging » en « normale duur van een beroepswerkzaamheid » in de zin van paragraaf 1, eerste lid, 2°, van dezelfde bepaling moet worden verstaan, en de verschillende in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde percentages. Artikel 34 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het KB/WIB 1992), zoals van toepassing op de aanslagjaren 2017 en 2018, bepaalt : 7 « Voor de toepassing van de artikelen 52, 3°, b en 5°, en 59, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van deze afdeling, wordt verstaan : 1° onder normale brutojaarbezoldiging : het totale brutobedrag van al de sommen die, vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut, aan de werknemer anders dan uitzonderlijk of toevallig toegekend of betaald zijn gedurende een bepaald jaar; 2° onder laatste normale brutojaarbezoldiging : de brutojaarbezoldiging die gelet op de vorige bezoldigingen van de werknemer als normaal kan worden beschouwd en die hem betaald of toegekend werd gedurende het laatste jaar vóór zijn oppensioenstelling waarin hij een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad; 3° onder normale duur van een beroepswerkzaamheid : 40 jaar of, voor beroepen waarvoor de betrokken werkgever en werknemer aantonen dat de volledige loopbaan minder of meer dan 40 jaar bestrijkt, het aantal jaren van die volledige loopbaan ». Artikel 35 van het KB/WIB 1992, zoals van toepassing op de aanslagjaren 2017 en 2018, bepaalt : « […] §
  13. De werkgeversbijdragen en -premies vermeld in § 1 mogen slechts als beroepskosten worden afgetrokken tijdens de normale duur van de beroepswerkzaamheid van elke werknemer en voor zover per werknemer die bijdragen en premies, verhoogd met de persoonlijke bijdragen en premies genoemd in artikel 1451, 1°, van hetzelfde Wetboek : 1° jaarlijks niet hoger zijn dan de bedragen die verschuldigd zijn krachtens het reglement van groepsverzekering, het verzekeringscontract, het pensioenreglement, de aanvullende pensioentoezegging of de solidariteitstoezegging en die, wat de collectieve toezeggingen betreft, op eenzelfde en niet discriminerende wijze voor het gehele personeel van de onderneming of voor een bijzondere categorie van dat personeel toegankelijk zijn; 2° recht geven op toekenningen, winstdeelnemingen inbegrepen, waarvan het bedrag, in jaarlijkse lijfrente of omgezet in jaarlijkse lijfrente, verhoogd met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 pct. van de normale jaarlijkse brutobezoldiging van de werknemer tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid. §
  14. Voor werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, mag in de teller van de in § 2, 2°, bedoelde breuk rekening gehouden worden met een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat de in § 2, 2°, bedoelde toekenningen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen totaal aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid 8 niet overtreft. In een dergelijk geval moeten de in § 1, 2°, bedoelde reglementen, contracten, aanvullende pensioentoezeggingen en solidariteitstoezeggingen bovendien uitdrukkelijk vermelden onder welke voorwaarden dergelijke bijdragen en premies worden toegekend. Om na te gaan of de in § 2, 2°, bepaalde begrenzing in acht genomen is, moeten toekenningen in kapitaal in rente worden omgezet met de gegevens van de volgende tabel, zo nodig aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf hun aanvang. […] ». B.2.
  15. De 80 %-grens werd bij artikel 5 van de wet van 27 december 1984 « houdende fiscale bepalingen » ingevoegd in het toenmalige artikel 45, 3°, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964 (thans artikel 59, § 1, eerste lid, 2°, van het WIB 1992). Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp blijkt dat de wetgever tot doel had « bepaalde scheeftrekkingen » te verhelpen « die bestaan tussen de verschillende wijzen waarop de als renten of pensioen geldende kapitalen met belastingvrijstelling worden gevormd » (Parl. St., Kamer, 1984-1985, nr. 1010/1, p. 1). De wetgever stelde voorts dat « de voorgestelde wijziging van het stelsel […] niet [kan] worden verwezenlijkt zonder dat bepaalde aanpassingen gebeuren en dit om te vermijden dat, met belastingvrijstelling, abnormaal hoge kapitalen worden gevormd » (ibid., p. 5). In haar advies bij het wetsontwerp bevestigde de afdeling wetgeving van de Raad van State dat « de stellers van het ontwerp de aftrekbaarheid van buitensporig geachte pensioenen willen vermijden » (ibid., p. 22). In het oorspronkelijke wetsontwerp werd evenwel niet bepaald boven welke grens de opgebouwde pensioenkapitalen als « buitensporig » zouden worden geacht. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt dat « om te voldoen aan artikel 110 [thans artikel 170] van de Grondwet, […] die grens uitdrukkelijk [moet] worden bepaald door de wet » (ibid., p. 22). De 80 %-grens werd uiteindelijk in artikel 5 van het wetsontwerp ingevoegd ten gevolge van een amendement ingediend door verschillende volksvertegenwoordigers (Parl. St., Kamer, 1984-1985, nr. 1010/4, p. 7; nr. 1010/13, pp. 56 en 122). Met betrekking tot de sanctie die zou gelden wanneer de opgebouwde pensioenkapitalen hoger zouden zijn dan de 80 %-grens, stelde de minister van Financiën dat « het gedeelte boven de grens als aftrekbare uitgave [wordt] verworpen » (Parl. St., Kamer, 1984-1985, nr. 1010/13, 9 p. 59). Hij specifieerde voorts dat « het ‘ teveel ’ uitgekeerde bedrag bij de belastbare winst zal worden gevoegd » (ibid.). Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.3.
  16. Volgens het verwijzende rechtscollege creëert de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie dat bij de beoordeling van de 80 %-grens enerzijds rekening wordt gehouden met de laatste normale brutojaarbezoldiging per werkgever en anderzijds rekening wordt gehouden met het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen opgebouwd bij verschillende werkgevers, een verschil in behandeling tussen werkgevers naargelang hun werknemer al dan niet ook nog bij andere werkgevers is tewerkgesteld. Met betrekking tot een werknemer die voor een bepaald percentage is tewerkgesteld, ligt het totale aftrekbare bedrag, in de voormelde interpretatie, immers hoger wanneer deze slechts bij één werkgever is tewerkgesteld, dan wanneer de tewerkstelling verdeeld is over meerdere werkgevers. B.3.
  17. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, omdat het in die vraag vermelde verschil in behandeling niet zou voortvloeien uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit de uitvoering en de toepassing ervan. B.4.
  18. Het Hof vermag zich slechts uit te spreken over het al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling, ten aanzien van de bepalingen van de Grondwet op de naleving waarvan het Hof vermag toe te zien, wanneer dat verschil aan een norm met wetgevend karakter kan worden toegeschreven. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of een koninklijk besluit al dan niet bestaanbaar is met die bepalingen van de Grondwet. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en de memories van de partijen kan worden afgeleid dat het Hof in werkelijkheid wordt ondervraagd over de ontstentenis van een specifieke regeling om de 80 % grens te bepalen in de situatie waarin, zoals het geval is in de zaak voor het verwijzende rechtscollege, een werknemer bij verschillende werkgevers is tewerkgesteld. 10 B.4.
  19. Zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in B.2.3, heeft de wetgever de essentiële elementen van de aftrekbaarheid vastgesteld, en daarnaast de Koning ertoe gemachtigd, enerzijds, te bepalen « wat onder ‘ normale bruto jaarbezoldiging ’, ‘ laatste normale bruto jaarbezoldiging ’ en ‘ normale duur van een beroepswerkzaamheid ’ in de zin van § 1, eerste lid, 2° en 3°, [van artikel 59 van het WIB 1992] moet worden verstaan » en, anderzijds, de voorwaarden en de wijze van toepassing van artikel 59 van het WIB 1992 te bepalen. B.4.
  20. Het staat bijgevolg aan de Koning de nodige uitvoeringsmaatregelen te nemen. Tekortkomingen in die verplichting kunnen evenwel niet worden verweten aan de wettelijke regeling inzake de 80 %-grens, maar aan de uitvoering ervan, waarover het Hof zich niet vermag uit te spreken. B.4.
  21. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat, wanneer een wetgever een machtiging verleent, aangenomen dient te worden - behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin - dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. Het staat aan de bevoegde rechter na te gaan of de gemachtigde de hem toegekende machtiging al dan niet te buiten is gegaan. B.
  22. De prejudiciële vraag behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. De exceptie is gegrond. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 februari
  23. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.023 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.