← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.024 Arrest- Rolnummer: 24/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-20 Raadplegingen: 1062 - laatst gezien 2026-06-18 14:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie ». Strafrecht - Vermindering van de overbevolking in de gevangenissen - Tijdelijke maatregel - Toekenning van een vervroegde invrijheidstelling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 24/2023 van 9 februari 2023 Rolnummer : 7886 In zake : de vordering tot schorsing van artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II », ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 november 2022, is een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2022) door de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Laperche, advocaat bij de balie Luik-Hoei. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepaling. Bij beschikking van 23 november 2022 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 21 december 2022, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 15 december 2022 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be ». 2 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. de Lophem en Mr. S. Depré, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 december 2022 : - zijn verschenen : . Mr. L. Laperche, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. de Lophem en Mr. M. Bakiasi, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. Om het bestaan aan te tonen van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zou voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de wetsbepaling waarvan zij de vernietiging vorderen, zetten de vereniging zonder winstoogmerk « Ligue des droits humains » en de vereniging zonder winstoogmerk « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » uiteen dat artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » (hierna : de wet van 30 juli 2022) bepaalde categorieën van personen die zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf, verhindert om aanspraak te maken op de « vervroegde invrijheidstelling » in de zin van artikel 64, § 1, van die wet. Die verenigingen zijn van mening dat de onmiddellijke toepassing van artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 die personen dus een nadeel berokkent in zoverre zij hun een perspectief van invrijheidstelling op korte termijn ontneemt. Zij voeren aan dat dit nadeel ernstig en moeilijk te herstellen is in zoverre het raakt aan de vrijheid van de personen, die de verzoekende verenigingen als opdracht hebben te verdedigen. De verzoekende verenigingen onderstrepen daarnaast dat de « voorwaardelijke invrijheidstelling » en de « voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied » welke die natuurlijke personen zouden kunnen vragen met toepassing van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten », maatregelen zijn die voor hen veel minder voordelig zijn dan de maatregel van « vervroegde invrijheidstelling » die werd ingevoerd bij artikel 64 van de wet van 30 juli
  2. A.
  3. De Ministerraad voert in dat verband aan dat de vordering tot schorsing dient te worden verworpen omdat het risico van een nadeel waarvan de verzoekende verenigingen gewag maken om die vordering te motiveren, noch persoonlijk noch moeilijk te herstellen is. 3 -B- B.
  4. De vordering tot schorsing heeft betrekking op artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » (hierna : de wet van 30 juli 2022). B.
  5. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke toepassing van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. B.3.
  6. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die bepaling, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die bepaling. B.3.
  7. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de in B.2 vermelde tweede voorwaarde, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de wetsbepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden wetsbepalingen aantonen. 4 B.
  8. Het nadeel waarvan de verzoekende verenigingen in hun verzoekschrift gewag maken, heeft uitsluitend betrekking op de individuele vrijheid van natuurlijke personen die zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Dat verzoekschrift bevat geen enkele uiteenzetting van concrete en precieze feiten die aangeven dat de onmiddellijke toepassing van artikel 64, § 2, van de wet van 30 juli 2022 enig nadeel dreigt te veroorzaken voor die verenigingen. B.
  9. Een rechtspersoon die beginselen verdedigt of die een collectief belang beschermt mag niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen of dat belang betrekking hebben. Aangezien enkel de natuurlijke personen het door de verzoekende verenigingen ter staving van hun vordering tot schorsing aangevoerde nadeel kunnen ondergaan, is het nadeel dat de verzoekende verenigingen zelf zouden kunnen ondervinden, een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming van wetsbepalingen die in strijd zijn met de beginselen waarvan de verdediging het maatschappelijk doel van die verenigingen vormt. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, omdat het in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen. B.
  10. De verzoekende verenigingen tonen dus niet aan dat er een risico van een ernstig moeilijk te herstellen nadeel bestaat. B.
  11. Aangezien een van de voorwaarden opdat het Hof tot een schorsing zou kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 5 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 februari
  12. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.024 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.