id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.026 Arrest- Rolnummer: 26/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-02-27 Raadplegingen: 1954 - laatst gezien 2026-06-18 23:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1.a. Vernietiging (artikelen 2 en 7 tot 15 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020) 1.b. Handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de inwerkingtreding van een regeling die is aangenomen nadat voldaan is aan de vereisten van artikel 36, lid 4, van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » en uiterlijk tot en met 31 december 2023
- Vernietiging (artikel 47/1, § 2, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 21 november 2003 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid », zoals ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020)
- Vernietiging (de woorden « ieder persoon die aankomt op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, afkomstig uit een stad, gemeente, district, regio of land die door de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken als rode zone is bestempeld in het kader van die pandemie en » in artikel 13/1, § 1, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 19 juli 2007 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid », zoals ingevoegd bij artikel 2, 2°, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 17 juli 2020)
- Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.77.2) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging : - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2020 « tot wijziging van artikel 47 en 81 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid », ingesteld door Jens Hermans en anderen; - van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 17 juli 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid », ingesteld door Karin Verelst; - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-19 », ingesteld door Jens Hermans en anderen, Maarten Roels en anderen en door de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités ». Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Vlaamse Gemeenschap / Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie - Preventief gezondheidsbeleid -
- Bevoegdheidverdelende regels -
- Voorafgaande procedurevereisten -
- Verplichting tot afzondering en verplichting tot quarantaine -
- Gevolgen van de afkondiging van de toestand van pandemie door de Wereldgezondheidsorganisatie - Verplicht medisch onderzoek of verplichte medische testing -
- Verwerking van persoonsgegevens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 26/2023 van 16 februari 2023 Rolnummers : 7494, 7505, 7526 en 7606 In zake : de beroepen tot vernietiging : - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2020 « tot wijziging van artikel 47 en 81 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid », ingesteld door Jens Hermans en anderen; - van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 17 juli 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid », ingesteld door Karin Verelst; - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-19 », ingesteld door Jens Hermans en anderen, Maarten Roels en anderen en door de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 januari 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 januari 2021, zijn een beroep tot vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2020 « tot wijziging van artikel 47 en 81 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2020, tweede editie) en een beroep tot vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad 2 van 28 december 2020) ingesteld door Jens Hermans, Karin Verelst en C.U., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. De Groote, advocaat bij de balie te Dendermonde. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van hetzelfde decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december
- Bij het arrest nr. 88/2021 van 10 juni 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.088), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 oktober 2021, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 januari 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 januari 2021, heeft Karin Verelst, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. De Groote, beroep tot vernietiging ingesteld van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 17 juli 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 2020). c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 maart 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 maart 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 door Maarten Roels, John de Vreeze, Jean-Pierre Van Cauwenberghe, Viviane Van Kerckhove, Martin van Dongen, Steve Caster, Jean van Hille, Bert De Rijck, Elien Cardon, Kathy Grambergen, Annelies Beugnies, Danny Lambert, Katty Colpaert, Marjolein Maryns, Martine Wullaert, Peter Vereecke, Carine Buyens, Maria Van Schoors, Mario Denoyette, Luc Declercq, Francine Coopman, Willy Caekebeke, Sigrid Nelissen, Sandra Delperdange, Carine De Backer, Elise De Deyn, Cateline Hendrickx, Dirk Steenhout, Eddy Matthijs, Rita Van Beneden, Rufin Wauters, Veerle Van Keymeulen, Patrick De Schepper, Aurelia Verdonck, François De Wit, François Van Den Bergh, Paul De Man, Adelheid Gysel, An Van Eetvelde, Helena Lamberts- Van Assche, Liselotte Van Dooren, Jurgen Baeck, Björn De Meyer, Joeri Gantois, Marjan De Landtsheer, Martine Verhofstadt, Renate Dooms, Rita De Backer, Pieter Willem de Vries, Annie Van Daele, Marie Brusselaers, Bastiaan Geysen, Ingeborg Vercammen, Nico Troch, Hildegarde De Meulenaere, Inge Liesens, Peter Van der Henst, Patrick Maes, Piet De Smedt, Bernd van Hassel, Fabrice Selvi, Jeroen Franssens, Kristina Van de Gaer, Inge De Decker, Kurt van Rysseghem, Patrik Boone, Geertrui Daem, Viviane Van Kerkhove, Constance Hanssens, Jan Lanckman, Karel Schoonbaert, Marleen Pensaert, Myriam Demey, Sylvia Van Damme, Magda Libbrecht, Patrick Vandendriessche, Karen Vandendriessche, Martine Feryn, Stefaan Haezebrouck, Inés Vandewoestijne, Romain Vandewoestijne, Rita Hoornaert, Cornelia Jonckheere, Francis Jonckheere, Nancy Verschoot, Anja Thorrez, Erika Hallaert, Eva Vanooteghem, Paul Van Egghen, Willy Doom, Chris Beyaert, Katrien De Puydt, Kurt vanlandschoot, Annemie De Bel, Bart Desmet, Gerda Van De Pontseele, Nathalie Tettelin, Dirk Deman, Geert Verhelst, Kate Verhelst, Valerie Destoop-Verbrugge, Carlos Debucquoy, Thierry Casteele, Gregory Lahousse, Karl Phlips, Albert Bostyn, Nick Verhulst, Veronique Claes d'Erckenteel, Danny Gaytant, Kathleen Deroo, Werner Bertels, Brigitte Schoukens, Freddy Henderix, Lydie Melsen, Paul Vandecruys, Amanda Samaey, Birgit Hederer, Geert Vandewalle, Maria-Isabel Malleiro Y Taboas, André Vegter, Veronica Van Hoet, Agnes Jonckheere, Ann Callewaert, Steven Depicker, Steven Vrancken, Bert Smets, Mieke Vriens, Elvira de Graaf, Ruud Gysen, Johannes Noldes, Sven Hellings, Carolien Damman, Nancy De Pooter, Yvonne Van Kempen, Benjamin Dewit, Dominique Van Den Broeck, Niels Ramaekers, Inge Joachims, Dominique Stulens-Lenaers, Kristof Hermans, Dennis Roovers, Rudi Princen, Marielle Lambrechts, Lieve Philips, Josy Laumen, Noël Dinjens, Ann Hendrikx, Kelly Duisters, Patrick Indekeu, Petra Gielen, Robben Van Erum, John Van Reempts, Frank Dirckx, 3 Sascha Del Sal, Ivo Goossens, Chantal Hoeven, Christina Delbressine, Karin Hoeven, Monique Dassen, Filip Habets, Wendy Janssen, Barbara Asprokolas, Miek Maes, Marielle Alewaters, Umile Barbieri, Jochen Bessemans, Fabrice Hamel, Karel Manshoven, Didier Steyaert, Edeltraud Cosemans, Gilda Biagina Mollo, Tiziana Gallucci, Cedric Kerkhofs, Karel Gorissen, Laura Barbieri, Rosina Micieli, Hans Pauwels, Claudia De Proft, Vik Nelissen, Catherine Keupers, Christel Copermans, Juul Vanleysen, Klaas Hoogerwaard, Marleen Marchal, Nathalie Janssen, Rafaël Eijssen, Tania Claes, Katrien Weckx, Birgit Berlanger, Jean-Luc Vanderlinden, Magda Robert, Wendy Lasseel, Ingrid Vertenten, Louis Jans, Martine Beyers, William Collett, Bert Cools, Christian Panneels, Elzbieta Oleksa, Laura Sampermans, Martine Deconinck, Alain Soffers, Liesbeth Renders, Wim Van Aelst, Veerle Mattheussen, Anne Huygh, Danielle Liesenborghs, Grietje Van den Eede, Jan De Keuster, Marleen De Braekeleer, Torsten Koch, Bart Bottu, Tom Dhaenens, Derek Vanmolecot, Clark Trappeniers, Rob Daneels, Gerd Van Kogelenberg, Hilde De Smet, Hugo Dooms, Ivar Hermans, Severine Tastenhoye, Katrien Verstraete, Agnes Feyaerts, Griet Van Roosmalen, Hans Laureyssen, Dennis Geelen, Fried'l Hermans, Ignace Van Eeckhout, Nico IJff, Leen Haagdorens, Evi Vanheel, Dirk Bastiaensen, Lutgart Hanssens, Carolien Jongbloed, Danny De Cock, Francois Bosch, Hanny Poot, Luc Geenen, Muriel Van de Steen, Danny Digneffe, Frank Peeraer, Lud Verhelst, Michel Roofthooft, Mariette Pepermans, Ann Depooter, Cynthia Wyckmans, Patricia Aarts, Simon Roelants, Sofie Declercq, Dana Van den Broek, Denise Claessens, Anne Fierlafijn, Hadewych Goetelen, Brigitte Crombez, Mark Van Wauwe, Reinhilde Goossens, Leo Van den Bossche, Philip Martens, Maria Van Gompel, Esmeralda Verlinden, Jean-Marc Ravels, Lutgart Gillis, Nancy Dhont, Carine Francken, Diederik Brees, Karel Van Hilst, Luc Van Espen, Henri Vermuyten, Thierry De Mees, Gilles Hertoghe, Gisela Dietlein, Guy Poortmans, Martine Peters, Ilse Kussé, Antonis Antoniadis, Mario Verbruggen, Chris Prime, Elisa Ventrella, Ferdinand Van Ouytsel, Katie D'haene, Brigitte Pinckaers, Joris Van Dyck, Jean-Pierre Nachtegael, Kathy Farmery, Nicole Van Essche, Sissi Uytterhoeven, Efrem Van Steenwinkel, Luc Covents, Cynthia Bogaerts, Judy Daems, Lieve Ruwet, Johan Denis, Linda Immens, Peggy Van den Bergh, Alain Van den Bergh, Anne Brouwers, Bart Schelstraete, Katrien Meeussen, Marc Michiels, Dimitri Dierckx de Casterle, Dennis Deridder, Godfried Bervoets, Linda Santana, Marijke Mateusen, Karine De Proost, Peter Sels, Henri Pollaerts, Lydia Van Gestel, Dirk Rochtus, Matej Vukas, Bob Frateur, Ilona Elfers, Griet Cockx, Gunther Valgaeren, Greet Vanthienen, Guido Beysen, Nancy de Moor, Danielle De Roover, Gerda Moorkens, Kathleen Bastiaens, Liselotte Gijsels, Loran Behits, Ronald Van Roosbroeck, Krisje Scheurweghs, Kurt Deckx, Miranda Pauwels, Peggy Engelen, Sylvie Balemans, Ken Gysbrechts, Kristel Rombouts, Linda Int Panis, Rita Blank, Peter De Bie, Jeroen Faes, Paolo Craet, Karin Slootmans, Monique Wuyts, Sandra Trevisan, Dirk Van Offel, Sandra Int Panis, Anne Dorssemont, Fabienne Claeys, Guy Franck, Katrien Rommens, Nadine Van den Bergh, Elly Dekeyser, Robert Klene, Johan Van Aerschot, Rosa Boschmans, Ylvi Haass, Els Mattheeuws, Mieke Mattheeuws, Els Somers, Dien Stas, Serge Boeckx, Kervyn De Marcke Ten Dries, Andy De Geyndt, Ron Farmery, Conny Van Eycken, Gaby De Decker, Peter Lauwereys, Fabienne Sels, Marta Barandiy, Andrea Heitkamp, Karla Vannuffelen, Nadia Van Hemelrijck, Peter Vandendaele, Martina Hartmann, Godelieve Van Den Nest, Anne-Marie Sergeant, Willem Carpentier, Nathalie Borremans, Peggy Lissens, Chris Fauconnier, Carine De Neef, Marileen Janssens, Guido Crommen, Luc Desmedt, Joseph Nagy, Sheena Lee De Clercq, Inge Verjans, Victor Van de Putte, Guy Van de Putte, Joseph Brokken, Patrick Rouges, Steven Peeters, Danielle Renaut en Dirk Baeken, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Knapen, advocaat bij de balie te Brussel. 4 Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van hetzelfde decreet. Bij het arrest nr. 89/2021 van 10 juni 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.089), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 september 2021, tweede editie, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 juni 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juni 2021, heeft de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Verdussen, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december
- Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7494, 7505, 7526 en 7606 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert en Mr. A. Van de Meulebroucke, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaken nrs. 7494, 7526 en 7606); - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, Mr. P. Minsier en Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7505). De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7494, 7505 en 7606 hebben memories van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering (in de zaken nrs. 7494 en 7606); - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 augustus 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van verschillende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 21 september 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 12 oktober
- Op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2022 : - zijn verschenen : . Jens Hermans en Karin Verelst, in eigen persoon (in de zaak nr. 7494); 5 . Mr. J. De Groote, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7505; . Mr. M. Verdussen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7606; . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, voor de Vlaamse Regering; . Mr. E. Jacubowitz, voor het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; - hebben de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat de zaak nr. 7494 betreft Ten aanzien van de ontvankelijkheid en de omvang van het beroep A.1.
- De Vlaamse Regering merkt allereerst op dat het beroep tot vernietiging gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan grieven. Zij betoogt dat uit het verzoekschrift blijkt dat noch de integrale vernietiging van het decreet van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 18 december 2020), noch de integrale vernietiging van het decreet van 10 juli 2020 « tot wijziging van artikel 47 en 81 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : het decreet van 10 juli 2020) wordt gevorderd. Zij stelt dat de verzoekende partijen enkel grieven uiten tegen artikel 2 van het decreet van 10 juli 2020, in zoverre het de mogelijkheid uitbreidt voor een ambtenaar-arts om een bevel tot tijdelijke afzondering op te leggen, en tegen artikel 3 van hetzelfde decreet, in zoverre het de mogelijkheid voor een arts-ambtenaar invoert om bepaalde personen aan een medisch onderzoek te onderwerpen. Zij wijst erop dat de verzoekende partijen enkel grieven uiten tegen artikel 2 van het decreet van 18 december 2020, dat een regeling bevat inzake de gegevensverwerking in het kader van de handhaving van de verplichte tijdelijke afzondering, tegen artikel 4 van hetzelfde decreet, in zoverre het een verplichte melding om een test te ondergaan en een verplichte « zelfquarantaine » instelt voor personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest of die een verhoogd risico op COVID-19 hebben, en tegen artikel 9 van hetzelfde decreet, dat een regeling bevat inzake de verwerking van persoonsgegevens naar aanleiding van het contactonderzoek. Zij is dan ook van oordeel dat het beroep tot vernietiging enkel ontvankelijk is in zoverre het tegen voormelde (onderdelen van) bepalingen van het decreet van 10 juli 2020 en van het decreet van 18 december 2020 is gericht. Omgekeerd is het beroep niet ontvankelijk indien daarmee eveneens de vernietiging van andere (onderdelen van) bepalingen wordt beoogd. De Vlaamse Regering stelt dat de omvang van het beroep dan ook tot die (onderdelen van) bepalingen is beperkt. 6 A.1.
- De Vlaamse Regering is bovendien van oordeel dat het beroep tot vernietiging gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen, zoals nochtans wordt vereist door artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Zij verwijst daarvoor naar haar verweer bij de respectieve middelen. Ten aanzien van het eerste middel A.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 187 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in de overige middelen aangehaalde grondrechten, door het decreet van 10 juli 2020 en het decreet van 18 december
- A.3.
- De verzoekende partijen zetten allereerst uiteen dat artikel 187 van de Grondwet an sich alle individuele vrijheden en rechten waarborgt en vrijwaart zodat een aanslag op die grondwetsbepaling, ook een aantasting van een afzonderlijk individueel recht of individuele vrijheid impliceert, hetgeen er volgens hen toe leidt dat artikel 187 van de Grondwet onder de toetsingsbevoegdheid van het Hof ressorteert. Zij stellen vervolgens dat artikel 187 van de Grondwet dermate streng is dat een noodtoestand als grondwettelijk uitzonderingskader niet op een rechtsgeldige manier kan worden aangevoerd. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 62/2016 van 28 april 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.062) betogen de verzoekende partijen dat artikel 187 van de Grondwet zich verzet tegen het geven van een algemene vrijbrief inzake grondwettelijke rechten aan de decreetgever en dat het Hof die rechtspraak dient door te trekken. A.3.
- Zij betogen dat de bestreden bepalingen door hun algemeenheid een algemene opschorting van de grondwettelijke rechten en vrijheden inhouden en derhalve een schending van artikel 187 van de Grondwet met zich meebrengen. Zij wijzen erop dat soortgelijke maatregelen in het buitenland enkel kunnen worden genomen na afkondiging van een vorm van noodtoestand zodat er sprake is van opschortingen en niet van proportionele beperkingen van grondrechten. Zij zijn van oordeel dat een toetsing aan artikel 187 van de Grondwet samenhangt met het onderzoek van de legitimiteit van het optreden van de overheid. Het is volgens hen niet legitiem dat de bestreden maatregelen waarmee aan verschillende grondrechten wordt geraakt door de overheid worden verantwoord door zich op een « sanitaire noodtoestand » te beroepen daar dit net door artikel 187 van de Grondwet wordt uitgesloten. Volgens hen strekken de bepalingen van het decreet van 18 december 2020 ertoe op algemene en automatische wijze vrijheidsberovende maatregelen te kunnen nemen ten aanzien van grote delen van de bevolking op basis van abstracte criteria zonder een concrete afweging, en zonder dat door de betrokkenen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Zij wijzen er in het bijzonder op dat de bestreden bepalingen toelaten dat de uitvoerende macht eenzijdig kan stellen wat een « verhoogd risico » of een « risicogebied » inhoudt zodat zij er de facto op neerkomen dat de uitvoerende macht de « sanitaire » noodtoestand willekeurig kan uitroepen. A.3.
- Zij zijn van oordeel dat uit de uiteenzetting van de overige middelen blijkt dat de combinatie van artikel 187 van de Grondwet met de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 22 en 23 van de Grondwet, de artikelen 3, 5, 6, 7, 8, 9 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 1, 3, 4, 6, 7, 8, 10 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 7, 9, 15 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG) leidt tot een schending van het verbod op de noodtoestand. A.4.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het eerste middel niet ontvankelijk is daar het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks aan artikel 187 van de Grondwet te toetsen. Die grondwetsbepaling zit volgens haar ook niet impliciet vervat in artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Noch de Grondwetgever, noch de bijzondere wetgever hadden volgens haar voor ogen dat het Hof rechtstreeks aan artikel 187 van de Grondwet zou kunnen toetsen. A.4.
- De Vlaamse Regering is daarnaast van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre daarin de schending van de rechten van titel II van de Grondwet wordt aangevoerd daar die bepalingen louter formeel worden aangevoerd zonder dat concreet wordt uiteengezet waarom ze zouden zijn geschonden. Evenmin wordt uiteengezet waarom artikel 187 van de Grondwet zou zijn geschonden in samenhang gelezen met die referentienormen. In zoverre het eerste middel in dat opzicht toch zou worden toegelicht in de overige middelen waar de verzoekende partijen naar verwijzen, merkt de Vlaamse Regering op dat het eerste middel geen toegevoegde waarde heeft. 7 A.4.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat het eerste middel niet gegrond is. Zij betoogt dat de redenering dat er sprake zou zijn van een opschorting van de grondwettelijke vrijheden geen hout snijdt. Artikel 187 van de Grondwet is zeer duidelijk en bepaalt dat de Grondwet niet kan worden geschorst. Uit niets blijkt dat het bestreden decreet zou beogen een « noodtoestand » uit te roepen. Het gegeven dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met een aantal van de dringende en dwingende maatregelen die in het kader van de bestrijding van de gezondheidscrisis veroorzaakt door de COVID-19 pandemie, door de federale en deelstatelijke overheden worden genomen, betekent immers niet dat hun rechten en vrijheden integraal zouden zijn opgeschort, laat staan dat dit het gevolg zou zijn van de bestreden bepalingen. De Vlaamse Regering merkt in dat verband op dat er een wezenlijk verschil is tussen het schorsen van (delen van) de Grondwet en het beperken van bepaalde grondrechten die door de Grondwet zijn gewaarborgd. Een schorsing van de Grondwet in de zin van artikel 187 van de Grondwet impliceert dat bepaalde grondrechten, en in het bijzonder de rechterlijke controle op die grondrechten, tijdelijk buiten werking worden gesteld. Het feit dat de verzoekende partijen een schorsings- en vernietigingsberoep kunnen instellen tegen de bestreden bepalingen toont aan dat er geen sprake is van een opschorting van grondrechten. Voor de goede orde merkt de Vlaamse Regering nog op dat het praktijkgeval waarnaar de derde verzoekende partij verwijst niet tot een andere conclusie leidt. Volgens de Vlaamse Regering werd immers verkeerdelijk een verzoekschrift neergelegd bij het in artikel 81 van het decreet van 21 november 2003 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : het decreet van 21 november 2003) vermelde beroepscollege. Aangezien de rechtsfiguur van de noodtoestand niet bestaat en de Grondwet niet kan worden geschorst, dienen de bestreden maatregelen te worden beoordeeld vanuit het klassieke toetsingskader inzake de beperking van grondrechten. Voor het overige verwijst de Vlaamse Regering naar haar verweer in het kader van de andere middelen. Ten aanzien van het tweede middel A.5.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 5, 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door het decreet van 10 juli 2020 en door het decreet van 18 december
- A.5.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de artikelen 47 (zoals gewijzigd bij het decreet van 10 juli 2020) en 47/1 (ingevoegd bij het decreet van 18 december 2020) van het decreet van 21 november 2003 een vrijheidsberoving instellen. Zij betogen dat op basis van de criteria (aard van de maatregel, de instemming van de betrokkene, de wijze van uitvoering en de gevolgen, de duurtijd) in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de bestreden maatregelen dienen te worden gekwalificeerd als een vrijheidsberoving en niet als een beperking van de bewegingsvrijheid. Volgens de verzoekende partijen zijn de bestreden maatregelen van dien aard dat ze de bewegingsvrijheid van de betrokken personen volledig ontnemen. Ook al bepaalt de Vlaamse Regering enkele uitzonderingen op de in artikel 47/1 vooropgestelde afzonderingsplicht, de regel is een verplichte afzondering, hetgeen impliceert dat de niet-afzondering of de vrijheid de uitzondering is. Zij stelt dat die logica eigenlijk de rechtsstaat waar vrijheid het uitgangspunt is, op zijn kop zet. Het feit dat de afzondering in de eigen woning geschiedt en dat er weinig of geen toezicht wordt gehouden, is daarbij niet van belang. De instemming van de betrokkene met de afzonderingsmaatregel is niet vereist, de afzonderingsplicht geldt immers ongeacht zijn instemming. Wat de afzonderingsmaatregel in artikel 47 betreft, is het volgens de verzoekende partijen glashelder dat de overheid een bevel tot afzondering geeft waarvan de uitvoering in beginsel op een door die overheid bepaalde plaats, desnoods met de hulp van de openbare macht, kan worden afgedwongen. Wat de afzonderingsmaatregel in artikel 47/1 betreft, stelt de verzoekende partij vast dat de Vlaamse Regering weliswaar uitzonderingen kan vaststellen, die de betrokkene toelaten de woning te verlaten om inkopen te doen en andere essentiële verplaatsingen, maar dat de regel nog steeds een vrijheidsberoving uitmaakt. Er is bovendien, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering beweert, sprake van een systematische controle op de naleving van de afzonderingsplicht. De verzoekende partijen hebben in dat opzicht, via het optreden van hun raadsman, een naar eigen zeggen realistisch Passenger Locator Form (hierna : het PLF) aangaande een fictief, doch low risk verblijf in een « rode zone » op 12 april 2021 ingevuld, hetgeen heeft geleid tot het onmiddellijk ontvangen van een sms met de melding 8 dat een quarantaineverplichting geldt en dat op de niet-naleving een boete staat. Daags nadien werd door de overheid telefonisch contact gezocht, werd duidelijk gemaakt dat men de woning niet mag verlaten en werd gevraagd naar de verblijfplaats. Zij werpen op dat die test aantoont dat de zelfevaluatie erop neerkomt dat iedereen die terugkeert uit een rode zone, ongeacht zijn gedrag tijdens zijn verblijf, steeds in afzondering moet. Zij stellen vervolgens vast dat op 15 april 2021 door een politieambtenaar van de lokale politiezone een controle op het naleven van de quarantaine werd verricht. Volgens de betrokken politieambtenaar is de controle geen toeval, maar is er sprake van een systematische controle op basis van ontvangen lijsten, controle waarvan de politieambtenaar ook de uitvoering aan de hand van fotomateriaal dient aan te tonen aan de hiërarchische meerdere, zo niet wordt het strafrechtelijk apparaat ingeschakeld. Dit alles leidt tot het besluit dat er wel degelijk sprake is van een vrijheidsberoving. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat de relatief korte duur van de maatregel aan die kwalificatie niets afdoet. Zelfs een maatregel van korte duur kan een vrijheidsberoving inhouden. A.5.
- De verzoekende partijen betogen dat artikel 3 van het decreet van 18 december 2020 voorziet in een automatische zelfquarantaineplicht (artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003) en de opvolging ervan. Zij stellen dat wie de voormelde zelfquarantaine niet naleeft op zich reeds een misdrijf begaat (artikel 5 van het decreet van 18 december 2020), dat kan leiden tot ofwel onmiddellijke strafvervolging, al dan niet gekoppeld aan een voorlopige hechtenis, ofwel een oneigenlijke voorlopige hechtenis op grond van een verplichte afzondering op bevel van een ambtenaar-arts. Volgens hen is er in het tweede geval sprake van een « aanhouding » omdat er een vermoeden bestaat dat de burger het misdrijf heeft gepleegd (niet-naleven van de zelfquarantaine) of omdat het noodzakelijk is te beletten een misdrijf te plegen (niet-naleven van de zelfquarantaine). Zij zijn van oordeel dat te dezen artikel 5, lid 1, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing is zonder dat in een mogelijkheid is voorzien om de betrokkene voor een rechter te brengen. Ook de betrokkene die het niet eens is met de toepassing van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 op zijn persoon, beschikt niet over een rechtsmiddel. Zij merken op dat artikel 81 van het decreet van 21 november 2003 weliswaar in een beroepsprocedure voorziet, maar die procedure kan niet worden gericht tegen de maatregelen, vermeld in artikel 47/
- Zij voegen er nog aan toe dat artikel 5, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorschrijft dat diegene die van zijn vrijheid wordt beroofd de redenen daarvoor dient te kennen. Zij betogen dat artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 niet in een motiveringsplicht voorziet. Zij zijn dan ook van oordeel dat de decretale zelfquarantaineplicht zonder dat voor de betrokkene enig rechtsmiddel beschikbaar is om zich te verzetten tegen een (al dan niet automatische) notificatie of kwalificatie als persoon die onder de in artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 vermelde categorieën van personen valt, de in het middel aangehaalde referentienormen schendt. Volgens hen staat daarmee ook de schending van artikel 187 van de Grondwet vast. A.5.
- De verzoekende partijen stellen dat het decreet van 10 juli 2020 ertoe strekt personen in afzondering in elke daartoe passende locatie te kunnen plaatsen op bevel van een ambtenaar-arts wanneer zij een hoog risico vormen (artikel 47 van het decreet van 21 november 2003). Het gaat om een verruiming van het toepassingsgebied tot personen bij wie niet eens met zekerheid een besmetting is vastgesteld. Zij wijzen op de verregaande bevoegdheden van de ambtenaar-arts of een andere door de Vlaamse Regering aangestelde persoon, die de verplichte afzondering van een persoon die een hoog risico vormt, kan bevelen, op eender welke niet nader omschreven daartoe geschikte plaats, zelfs buiten het ziekenhuis, en daartoe de bijstand van de politie kan vragen om dat bevel af te dwingen. Zij zijn van oordeel dat de bestreden regeling een vrijheidsberoving inhoudt ter preventieve beveiliging van de maatschappij zonder dat in de waarborgen die in het kader van vergelijkbare beveiligingsmaatregelen gelden, is voorzien. Zij wijzen erop dat een beveiligingsmaatregel nog steeds een gevangenhouding in de zin van artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is, zodat aan het overeenkomstig artikel 5, lid 4 van het voormelde Verdrag vastgestelde recht om voor een rechter te worden gebracht, dient te worden voldaan. Ze wijzen op soortgelijke waarborgen in artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 12 van de Grondwet, dat niet beperkt is tot een vrijheidsberoving in een strafrechtelijke context. Zij merken op dat niet in het voorafgaand optreden van een rechter is voorzien en dat de duur van de afzondering naar vrije appreciatie van de ambtenaar-arts kan worden ingevuld. Zelfs indien een voorafgaand bevel van een rechter niet door de Grondwet zou worden vereist, dan nog zijn er onvoldoende waarborgen die een effectieve toegang tot de rechter bewerkstelligen. 9 Zo voorziet artikel 81 van het decreet van 21 november 2003 in een beroepsprocedure via een gemotiveerd aangetekend schrijven voor een beroepscollege, dat uitspraak dient te doen binnen 10 dagen na ontvangst van het beroep op straffe van verval van de vrijheidsberoving. Zij betogen evenwel dat die procedure niet is uitgewerkt (o.a. ontbreken van een reglement van werking, van een toegang tot een eigen arts en advocaat) en dat een betrokkene in afwachting van de behandeling en de uitspraak nog steeds 10 dagen in afzondering kan zitten terwijl de Grondwet voorschrijft dat men binnen 48 uur een uitsluitsel dient te krijgen over zijn vrijheidsberoving. Volgens de verzoekende partijen schendt het decreet van 10 juli 2020 bijgevolg de artikelen 12, 13 en 23 van de Grondwet, de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij zijn van oordeel dat een combinatie van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen eveneens tot dezelfde conclusie leidt. Zij wijzen erop dat de bestreden afzonderingsmaatregel kan worden vergeleken met de gedwongen opname, bepaald in de wet van 26 juni 1990 « betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke » (hierna : de wet van 26 juni 1990). Volgens hen behoren de personen op wie een beveiligingsmaatregel volgens de voormelde wet van toepassing is, tot een vergelijkbare categorie van personen als diegenen die een besmettelijke ziekte zouden hebben. Toch worden de laatstgenoemden niet op dezelfde wijze behandeld als de eerstgenoemden. Zij wijzen op de waarborgen in die wet, onder meer wat het voorafgaand optreden van een rechter betreft. A.5.
- Daarnaast voorziet artikel 3 van het decreet van 10 juli 2020 in een verplichte medische test voor personen die na een verblijf terugkeren uit een hoogrisicogebied. Zij wijzen erop dat noch in een beroepsprocedure is voorzien, noch in een toegang tot de rechter voor de persoon die wordt onderworpen aan de verplichte medische test. Een loutere bewering dat men uit een hoogrisicogebied zou komen, volstaat om een persoon te onderwerpen aan de verplichte test, desnoods onder dwang, hetgeen een inbreuk maakt op de fysieke integriteit. Volgens de verzoekende partijen vereist een dergelijke maatregel het optreden van een rechter middels een opschortend beroep. Zij zijn van oordeel dat aldus ook de artikelen 12, 13 en 23 van de Grondwet, de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, evenals artikel 187 van de Grondwet worden geschonden. A.6.
- De Vlaamse Regering voert allereerst aan dat het tweede middel gedeeltelijk niet ontvankelijk is. Aangezien de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met het Unierecht aantonen en overigens niet uiteenzetten waarin de schending zou bestaan, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij voegt er nog aan toe dat de verzoekende partijen evenmin uiteenzetten waarom de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens precies geschonden zouden zijn. Het tweede middel is evenmin ontvankelijk in zoverre een schending wordt afgeleid uit die bepalingen. De door de verzoekende partijen geformuleerde kritieken kunnen met enige goede wil zo worden begrepen dat in twijfel wordt getrokken of de tijdelijke verplichte afzondering in de zin van de artikelen 47 en 47/1 van het decreet van 21 november 2003 in overeenstemming is met het recht op individuele vrijheid en het recht op toegang tot de rechter waarop de artikelen 12 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, betrekking hebben. A.6.2.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het tweede middel niet gegrond is. A.6.2.
- Zij voert in hoofdorde aan dat de verplichte tijdelijke afzondering in de zin van de artikelen 47 en 47/1 van het decreet van 21 november 2003 een preventieve administratieve maatregel is die geen vrijheidsberoving inhoudt. Volgens haar beschermt artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet tegen een loutere beperking van de fysieke vrijheid van de persoon, maar dient er sprake te zijn van een vrijheidsberoving. Zij betoogt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan worden afgeleid dat om na te gaan of er een vrijheidsberoving, dan wel een loutere beperking van de vrijheid in het geding is, welke moet worden onderzocht op grond van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, rekening dient te worden gehouden met, enerzijds, de context en omstandigheden waarin de betrokken maatregel tot stand kwam en, anderzijds, de aard, de duur, de gevolgen en de uitvoeringsmodaliteiten van de betrokken maatregel. 10 Wanneer die beoordelingselementen in overweging worden genomen, dan is het volgens de Vlaamse Regering duidelijk dat de verplichte tijdelijke afzondering een fundamenteel andere maatregel is dan een voorlopige hechtenis en ook geen vrijheidsberoving inhoudt. Het betreft geen strafmaatregel, maar een louter preventieve administratieve maatregel, die tot doel heeft de verdere verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. De Vlaamse Regering zet uiteen en illustreert dat de maatregel, zowel wat zijn aard als zijn intensiteit betreft, niet te vergelijken valt met een vrijheidsberoving van een verdachte in strafzaken of met een veroordeling tot een gevangenisstraf. Zo kiezen de personen die in verplichte tijdelijke afzondering dienen te gaan in beginsel de plaats waar zij hun afzondering doorbrengen, ontbreekt een systematisch toezicht op de verplichte tijdelijke afzondering, is het behoudens in geval van een verplichte isolatie niet verboden zich naar buiten te begeven, is de strafrechtelijke handhaving door de toezichthoudende overheden slechts een laatste stap, is de termijn van verplichte afzondering kortstondig, kunnen tijdens de verplichte afzondering sociale contacten digitaal of fysiek verlopen mits naleving van de algemeen geldende regels, en worden de financiële gevolgen zoveel mogelijk beperkt. Aangezien de in de artikelen 47 en 47/1 beoogde verplichte afzondering aldus geen vrijheidsberoving uitmaakt, zijn de in artikel 12 van de Grondwet, artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten verankerde waarborgen niet van toepassing zodat de referentienormen in dat opzicht niet geschonden kunnen zijn. A.6.2.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de verplichte tijdelijke afzondering, zoals beoogd in de artikelen 47 en 47/1 van het decreet van 21 november 2003, een rechtmatige vorm van vrijheidsberoving inhoudt, die bestaanbaar is met artikel 12 van de Grondwet, artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De vrijheidsberoving valt in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen over de strafrechtelijke handhaving, vervolging en de voorlopige hechtenis, evenwel niet onder artikel 5, lid 1, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In zoverre de verplichte afzondering als een vrijheidsberoving dient te worden beschouwd, is zij geen strafmaatregel, maar een preventieve administratieve maatregel met als doel de verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. Een dergelijke maatregel dient hoogstens te worden beoordeeld in het licht van artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat een grond tot detentie bevat van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten. De Vlaamse Regering stelt dat die verdragsbepaling niet beperkt is tot de personen die besmettelijk zijn, maar ook potentieel besmettelijke personen betreft. Om rechtmatig te zijn, dient die detentie volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te beantwoorden aan volgende essentiële criteria : de verspreiding van de infectieziekte dient gevaarlijk te zijn voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid, en de detentie dient het laatste redmiddel te zijn om de verspreiding van de ziekte te verhinderen omdat minder verregaande maatregelen onvoldoende werden bevonden om de volksgezondheid en openbare veiligheid te waarborgen. Volgens de Vlaamse Regering is voldaan aan beide criteria. Zij wijst op het niet-betwiste gevaar van het virus dat COVID-19 veroorzaakt (o.a. sterfte, ziekenhuisopnames, enz.) voor het Belgische gezondheidssysteem, en dus de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Zij is ook van oordeel dat de verplichte tijdelijke afzondering een laatste redmiddel is, nadat eerst andere, minder verregaande maatregelen zijn overwogen en genomen, maar onvoldoende zijn bevonden. Zij verwijst naar de wisselende maatregelen die zijn genomen en moesten worden genomen naar gelang van de fase van de pandemie. Daarbij hebben de overheden getracht een billijk evenwicht te bewaren tussen de belangen van de samenleving in haar geheel en die van de betrokken personen. Een van die maatregelen betreft de verplichte tijdelijke afzondering van personen die (nog) geen COVID-19 hebben, maar die wel zijn blootgesteld aan het virus (via een hoogrisicocontact of een verblijf in een hoogrisicogebied). Om de verdere verspreiding van het virus tegen te gaan, is het noodzakelijk dat die personen tijdens de incubatieperiode van het virus in tijdelijke afzondering gaan. Daartoe bleek de regeling van artikel 47 van het decreet van 21 november 2003, die uitgaat van een individueel bevel van een ambtenaar-arts, niet aangepast aan de bijzondere uitdagingen inzake de beheersing en bestrijding van de pandemie. Het grote aantal personen dat in isolatie of quarantaine moet blijven, ook zonder symptomen, doch vermoedelijk besmettelijk, laat niet toe aan iedereen een individueel bevel tot tijdelijke afzondering door een ambtenaar-arts op te leggen. Daarom heeft de decreetgever ervoor moeten kiezen een verplichting tot afzondering op te leggen, die overigens niet langer duurt dan wetenschappelijk verantwoord is. A.6.2.
- In ondergeschikte orde – in zoverre de verplichte tijdelijke afzondering een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn – stelt de Vlaamse Regering dat 11 geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Zij herinnert eraan dat artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slechts van toepassing is in het geval van arrestatie of gevangenhouding, zijnde een vrijheidsberoving die wordt opgelegd door een overheid, die toeziet op de naleving ervan zodat de betrokkenen ook effectief van hun vrijheid zijn beroofd. De doelstelling van die verdragsbepaling is immers een jurisdictionele controle van de vrijheidsberoving mogelijk te maken zodat de invrijheidstelling kan worden bevolen. Volgens de Vlaamse Regering gaat het in casu niet om een arrestatie of een gevangenhouding : er is geen actieve beknotting van de vrijheid en geen systematisch toezicht door de overheid, en de burger kan finaal zelf beslissen over zijn invrijheidstelling. Er is met andere woorden geen sprake van overheidsdwang. De betrokkenen kunnen op elk ogenblik de afzondering zelf beëindigen. Om die redenen is er volgens haar geen verplicht optreden van een rechterlijke instantie noodzakelijk. Indien een persoon die zich op eigen risico van de quarantaineplicht vrijstelt bij een controle een proces-verbaal krijgt, met blootstelling aan strafsancties, dan kan hij daartegen steeds rechtsmiddelen van gemeen straf(proces)recht aanwenden, met inbegrip van de mogelijkheid om prejudiciële vragen inzake de grondwettigheid van de artikelen 47 en 47/1 van het decreet van 21 december 2003 aan het Hof te laten voorleggen. Volgens de Vlaamse Regering is artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dan ook niet geschonden. De toetsing aan de artikelen 12 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een andere conclusie. A.6.2.
- In ondergeschikte orde – in zoverre de verplichte tijdelijke afzondering een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn – stelt de Vlaamse Regering dat geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichtingen in artikel 5, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens haar kan er geen schending van de voormelde verdragsbepaling voorliggen louter en alleen omdat in geen enkele formele kennisgeving of motivering is voorzien. Het volstaat te dezen dat de redenen van de vrijheidsberoving onverwijld aan de betrokkenen worden meegedeeld. Zo bepaalt artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 dat een persoon die een verhoogd risico heeft op COVID-19 onmiddellijk in tijdelijke afzondering gaat « als hij op de hoogte is gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19 ». Het is op het moment dat de betrokkene ervan op de hoogte wordt gesteld dat de verplichting tot afzondering ingaat. Die formele kennisgeving moet de betrokkenen ook toelaten het startpunt van de verplichte afzondering met het oog op de na te leven termijn, te kennen. Dit betekent volgens de Vlaamse Regering dat de betrokkene onverwijld wordt geïnformeerd zodat is voldaan aan de vereiste. Uit de omstandigheid dat de decreetgever niet heeft voorzien in een formele kennisgeving voor personen die uit een hoogrisicogebied terugkeren, mag niet worden afgeleid dat zij niet op de hoogte zouden worden gebracht van het feit dat zij in verplichte afzondering dienen te gaan. Middels het verplicht in te vullen PLF ontvangen de betrokkenen een sms met de nodige informatie zodat zij onverwijld worden ingelicht. A.6.2.
- In meer ondergeschikte orde betoogt de Vlaamse Regering dat het beweerde gebrek aan rechtsmiddelen of formele kennisgeving hoogstens kan leiden tot de vaststelling van een leemte in het bestreden decreet doordat niet is voorzien in een beroepsmogelijkheid tegen de verplichte tijdelijke afzondering, dan wel niet is voorzien in de formele kennisgeving van de redenen van de verplichte tijdelijke afzondering. A.6.
- Wat de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, waarbij de bestreden regeling wordt vergeleken met de regeling in de wet van 26 juni 1990 en de daarin vervatte waarborgen, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de grief ongegrond is. Zij stelt dat het gegeven dat personen die zijn onderworpen aan een beschermingsmaatregel in de zin van de wet van 26 juni 1990 meer (procedurele) waarborgen zouden genieten dan personen die zijn onderworpen aan artikel 47, § 1, 1°, van het decreet van 21 november 2003, geen miskenning inhoudt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Zij betoogt ook dat de categorieën van personen die vergeleken worden, niet vergelijkbaar zijn. Voor het overige stelt zij dat het verschil in behandeling voortvloeit uit procedureregels die toepasselijk zijn in verschillende omstandigheden (administratief beroep vs. jurisdictioneel beroep), hetgeen op zich niet tot een discriminatie leidt. Er zou slechts sprake kunnen zijn van discriminatie indien dat verschil in behandeling, voortvloeiende uit verschillende procedureregels, onevenredige beperkingen van de rechten van de betrokken personen met zich zou meebrengen. Onder verwijzing naar hetgeen zij hiervoor heeft uiteengezet over de grondwettigheid van de preventieve administratieve maatregel, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de rechten niet onevenredig worden beperkt. Zij wijst er bovendien op dat de vergeleken situaties ressorteren onder aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de federale overheid (wet van 26 juni 1990), dan wel tot die van de gemeenschappen (decreet van 21 november 2003) behoren. Aldus is het beweerde verschil in behandeling het gevolg van de omstandigheid 12 dat de federale wetgever en de decreetgever over eigen bevoegdheden beschikken, hetgeen impliceert dat het verschil in behandeling niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het is ten slotte niet kennelijk onredelijk dat verschillende situaties verschillend worden behandeld. A.6.
- Wat de grief inzake het ontbreken van een rechterlijk optreden bij het opleggen van een verplicht medisch onderzoek betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat geen enkele van de aangehaalde referentienormen vereist dat een maatregel die raakt aan de fysieke integriteit van een persoon enkel zou kunnen worden opgelegd door een rechter. De Vlaamse Regering wijst erop dat personen die zijn onderworpen aan artikel 47, § 1, 2°, van het decreet van 21 november 2003, wel over een effectief rechtsmiddel beschikken. Het feit dat er geen administratief beroep in de zin van artikel 81 van het decreet van 21 november 2003 beschikbaar is, doet geen afbreuk aan die conclusie. Het opleggen van een medisch onderzoek door de ambtenaar-arts is een eenzijdige individuele bestuurshandeling waartegen de betrokkene in voorkomend geval een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing (al dan niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid) bij de Raad van State kan instellen. Bovendien kan elk geschil over een subjectief recht op fysieke integriteit aan de burgerlijke rechter, al dan niet in kort geding, worden voorgelegd om een einde te maken aan de beweerde inbreuk op dat recht. Ten aanzien van het derde middel A.7.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door het decreet van 10 juli 2020 en door het decreet van 18 december
- A.7.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het decreet van 10 juli 2020 ertoe leidt dat een persoon op bevel van een ambtenaar-arts na een eenzijdige appreciatie inzake een gelopen « verhoogd risico » potentieel van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat in de mogelijkheid is voorzien om de wettigheid van dat bevel na te gaan. Het is volgens hen niet ondenkbaar dat een onwettig bevel wordt gegeven waartegen de betrokkene zich moet kunnen verzetten. Aangezien de burger zich mag verzetten tegen een onwettig bevel, en daar enkel het niet-naleven van een wettig bevel strafbaar kan zijn, dient de burger op basis van de begrippen waarop een bevel steunt te kunnen weten welk gedrag strafbaar is. Volgens de verzoekende partijen hanteert de decreetgever vage termen zoals « verhoogd risico » of « elke daartoe geschikte plaats ». A.7.
- Zij betogen vervolgens dat de bij het decreet van 18 december 2020 vastgestelde strafbaarstelling van de niet-naleving van de quarantaineplicht, wat de terugkeer uit een « hoogrisicogebied » betreft, het rechtzekerheidsbeginsel schendt. Zij wijzen erop dat die strafbaarstelling eenzijdig wordt ingevuld door de « bevoegde federale dienst » zonder dat er daarvoor richtlijnen bestaan. De burger weet niet op grond van welke criteria een dergelijk gebied wordt vastgesteld, noch hoe hij moet weten dat hij daaruit komt. Hierdoor wordt een essentieel onderdeel van de omschrijving van het strafbare gedrag en de voorspelbaarheid afhankelijk van de willekeur van een overheidsdienst. Zij zijn van oordeel dat de strafbaar gestelde quarantaineplicht in dat opzicht onvoldoende nauwkeurig is omschreven. Zij wijzen er ook op dat het decreet van 18 december 2020 niet voorziet in enige kennisgeving of in een wijze waarop de betrokkene kan weten of hij onder een in artikel 47/1 van decreet van 21 november 2003 vermelde categorie van personen valt. A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet gegrond is. Zij betoogt dat artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 geenszins in strijd is met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Volgens haar verwarren de verzoekende partijen de preventieve administratieve maatregel van de verplichte tijdelijke afzondering, die an sich geen strafsanctie uitmaakt waarop de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van toepassing zouden zijn, met de strafbare gedraging (artikel 79, 1°, van het decreet van 21 november 2003), zijnde de niet-naleving van de quarantaineplicht. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken vereist niet dat de betrokkene de criteria kent of kan kennen op basis waarvan de bevoegde federale dienst bepaalt wat een hoogrisicogebied is. Het volstaat dat de betrokkenen zich realiseren dat zij zich naar een dergelijk gebied begeven of er verbleven hebben, wat het geval is als zij kennis nemen van de beslissingen van de bevoegde federale dienst. Die beslissingen zijn eenvoudig online raadpleegbaar. Op basis van artikel 47/1, § 2, eerste lid, juncto artikel 79, 1°, van het decreet van 21 november 2003 is het duidelijk dat de niet-naleving van de verplichte tijdelijke afzondering voor personen die in hoogrisicogebied zijn 13 geweest, strafbaar is gesteld. De Vlaamse Regering merkt nog op dat de betrokkenen in het geval van een terugkeer uit een dergelijk gebied worden ingelicht over de verplichting tot tijdelijke afzondering. Wat de personen die een verhoogd risico hebben gelopen, betreft, dient erop te worden gewezen dat artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 bepaalt dat de verplichte afzondering pas ingaat wanneer de betrokkene op de hoogte is gesteld. Op basis van artikel 79, 1°, van het decreet van 21 november 2003 dienen die personen te weten dat de niet-naleving van deze verplichting strafbaar is gesteld. Ten aanzien van het vierde middel A.9.
- De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 ervan, door het decreet van 10 juli 2020 en door het decreet van 18 december
- A.9.
- Zij betogen in een eerste onderdeel dat de decreetgever niet heeft voorzien in afdoende sociale, medische en juridische bijstand en daardoor artikel 23 van de Grondwet schendt. Zo geldt de verplichte automatische afzondering zonder enig sociaal, medisch of juridisch optreden. Zij wijzen op het ontbreken van een financiële compensatie voor inkomensverlies en van andere vormen van ondersteuning. Zij menen dat de verplichte afzondering een automatisme is zonder enige concrete medische inschatting en zonder mogelijkheid tot herziening of het verkrijgen van een uitzondering wegens een bijzondere situatie. Zij zijn in een tweede onderdeel van oordeel dat ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden omdat de bestreden regeling geen enkel onderscheid maakt en alle burgers over dezelfde kam scheert. Zo wordt niet in een uitzondering op de quarantaineplicht voorzien voor personen in een bijzondere situatie. A.
- Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet gegrond. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de bij artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 verplichte tijdelijke afzondering artikel 23 van de Grondwet niet schendt. Voor zover er sprake zou zijn van een beperking van het recht op sociale, geneeskundige of juridische bijstand, is dat geen gevolg van de bestreden bepalingen. Bovendien zetten de verzoekende partijen niet uiteen waarom de personen in verplichte tijdelijke afzondering geen recht meer zouden hebben op de voormelde bijstand. Voor zover wordt verwezen naar een potentieel inkomensverlies is dat volgens haar evenmin een gevolg van de bestreden bepalingen, maar wel van de federale regeling inzake tijdelijke werkloosheid. Zij herinnert er ook aan dat de rechten in artikel 23 van de Grondwet ook plichten impliceren zoals de plicht om geen afbreuk te doen aan het recht op gezondheid van anderen. De verplichte tijdelijke afzondering is voor de ene een ongemak, maar zij is wel een maatregel die met het oog op het tegengaan van de verdere verspreiding van COVID-19 noodzakelijk is gebleken om een reëel risico op ernstige schade, zelfs overlijden, van de andere te voorkomen. Zij is ook van oordeel dat het tweede onderdeel van het vierde middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting ervan. Zo is het volgens haar niet duidelijk welke categorieën van personen dienen te worden vergeleken. Bovendien wordt niet toegelicht waarom het (kennelijk) onredelijk zou zijn dat niet in een vrijstelling voor de derde verzoekende partij is voorzien. Ten aanzien van het vijfde middel A.11.
- De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de AVG, door het decreet van 18 december
- A.11.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het decreet van 18 december 2020 voorziet in een ruime deling van medische persoonsgegevens met een ruime kring van actoren, en dat die regeling is aangenomen zonder dat het ontwerpdecreet is voorgelegd voor advies aan de Gegevensbeschermingsautoriteit. Voorts stellen zij dat er geen rechtsgrond voorhanden is voor de doorgifte van persoonsgegevens aan de gemeenten van personen die zijn opgesomd in artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003, noch in een rechtsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens van personen die terugkeren uit een hoogrisicogebied. Daarbij zou de herkomst van de gegevens onduidelijk zijn. Zij wijzen erop dat artikel 34/1, zoals ingevoegd bij het decreet van 18 december 2020, verwijst naar de persoonsgegevens van de personen vermeld in artikel 47/1 van het decreet van 21 november
- Zij betogen dat 14 het decreet niet de verwerking van die gegevens (bv. aanleg van een databank) regelt, maar enkel de doorgifte van bepaalde gegevens regelt. Zij veronderstellen, niettegenstaande de hierna vermelde tegenindicaties, dat de in het geding zijnde gegevens de gegevens zijn die bedoeld worden in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna : het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020). Noch het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, noch het decreet van 29 mei 2020 « tot organisatie van het centrale contactonderzoek door een samenwerkingsverband van externe partners, het lokale contactonderzoek door lokale besturen of zorgraden en tot organisatie van de COVID-19-teams in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 29 mei 2020) bevat een verwijzing naar de mogelijkheid om gegevens door te geven aan de lokale besturen met het oog op de handhaving van de verplichte afzondering. Zij wijzen er bovendien op dat het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 (artikel 3, § 4) expliciet het gebruik van de verzamelde gegevens voor politionele doeleinden verbiedt. Aldus worden volgens de verzoekende partijen de persoonsgegevens die binnen het kader van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 worden verzameld – in zoverre zij al het voorwerp zouden zijn van de doorgifte aan de lokale besturen – onrechtmatig aangewend voor handhaving door de lokale besturen, hetgeen in strijd is met het doelgebonden karakter van de initiële verwerving van de gegevens. Zij merken daarbij bovendien op dat, wat de in het geding zijnde gegevensverwerking betreft, de definities van de verwerkte categorieën van personen, vermeld in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, en de definities van de verwerkte categorieën van personen, vermeld in artikel 34/1, niet dezelfde zijn. Aldus kunnen de gegevens volgens hen niet afkomstig zijn uit de databanken, opgericht bij en vermeld in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Zij voegen er nog aan toe dat, wat de gegevens van personen die terugkeren uit een hoogrisicogebied betreft, die categorie zelfs niet wordt vermeld in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020, doch enkel in artikel 21 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken », hetgeen geen wetskrachtige norm is. Zij wijzen er ook op dat de regeling niet in overeenstemming is met de rechten en vereisten, bepaald in de AVG. Zo heeft de decreetgever niet voorzien in de mogelijkheid om onjuiste gegevens recht te zetten. Zo kunnen besmette personen onjuiste verklaringen afleggen betreffende hun risicocontacten, hetgeen doorwerkt in de kwalificatie van personen met een « verhoogd risico ». Ook worden de authenticiteit van de indiener van een PLF en de juistheid ervan niet geverifieerd. Op basis van een loutere verklaring worden zo persoonsgegevens opgenomen en kunnen die worden doorgegeven aan lokale besturen. Zij merken op dat niet is voorzien in de mogelijkheid of een procedure om (de aanleiding voor) de gegevens te controleren bij of door de betrokkene, aan te passen of te verbeteren : het risicocontact wordt immers niet op de hoogte gesteld van de identiteit van de besmette persoon. Zij voeren aan dat de samenwerking met externe (commerciële) partners inzake de centrale contactopvolging, die op grond van de voormelde gegevensdeling beoordelen wie in afzondering dient te gaan – hetgeen neerkomt op een vrijheidsberoving -, onverenigbaar is met de grondwettelijke vrijheid van de persoon. Daarnaast worden in het kader van de contactopvolging zonder toestemming van de betrokkene persoonsgegevens van besmette personen, vermoedelijk besmette personen en van personen die contact hebben gehad met een (vermoedelijk) besmet persoon doorgegeven aan veldonderzoekers van het centraal contactcentrum en hun supervisors, aan lokale contactcentra en aan COVID-19-teams van de zorgraden. De verzoekende partijen besluiten dat er geen duidelijkheid is over de verzameling, de herkomst, de finaliteit, de ontvangers, de bewaartermijn, de mogelijkheid tot correctie en de rechtsgrond (het ontbreken van een wetskrachtige norm) met betrekking tot de persoonsgegevens, vermeld in artikel 34/
- Aangezien de gegevensverwerking niet geschiedt in het belang van de betrokkene, gelet op de vrijheidsberoving, is de inmenging volgens hen zeer ernstig. Om die redenen doet het bestreden decreet afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven en aan de AVG. A.12.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat het vijfde middel niet ontvankelijk is wegens een gebrek aan uiteenzetting. Zo zetten de verzoekende partijen niet uiteen hoe een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in het geding zou zijn. Voorts betoogt de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen op een niet-gestructureerde wijze bezorgdheden uiten over de gevolgen van de 15 bestreden normen zonder die te koppelen aan de schending van specifieke referentienormen. Zij merkt nog op dat het middel gedeeltelijk niet ontvankelijk is wegens de onbevoegdheid van het Hof om de grondwettigheid van samenwerkingsakkoorden en ministeriële besluiten te beoordelen. Het middel is derhalve onontvankelijk in zoverre de verzoekende partijen de grondwettigheid van het voormelde samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 of van het voormelde ministerieel besluit van 28 oktober 2020 in twijfel trekken. A.12.
- De Vlaamse Regering betoogt dat, anders dan de verzoekende partijen beweren, er geen afzonderlijke databank gemaakt wordt om de gegevens door te geven aan de gemeenten met toepassing van artikel 34/1 van het decreet van 21 november
- De gegevens die worden doorgegeven zijn afkomstig uit de gegevensbank I van het voormelde samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Die persoonsgegevens zijn duidelijk en limitatief opgesomd. De rechtsgrond voor de gegevensverwerking is, anders dan de verzoekende partijen lijken te veronderstellen, niet artikel 44, § 2, van het decreet van 21 november 2003, maar artikel 3 van het decreet van 29 mei 2020, dat verwijst naar het voormelde samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Voor zover als nodig onderstreept de Vlaamse Regering dat in het bestreden decreet van 18 december 2020 wel degelijk alle essentiële elementen voor de gegevensverwerking worden bepaald. Zo omschrijft artikel 34/1 van het decreet van 21 november 2003 het doeleinde van de gegevensdoorgifte, de verantwoordelijke voor de verwerking, de persoonsgegevens die worden verwerkt, de ontvangers van de persoonsgegevens, de bewaartermijn. Artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 somt bovendien de categorieën van betrokkenen duidelijk op. Die categorieën komen overigens overeen met de categorieën in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en het ministerieel besluit. Hoewel de herkomst van de gegevens geen essentieel element is, blijkt volgens haar uit de toelichting tijdens de voorbereiding van het bestreden decreet duidelijk de herkomst. De Vlaamse Regering erkent dat een persoon die een risico op besmetting met COVID-19 heeft niet wordt geïnformeerd over de precieze omstandigheden waarin het hoogrisicocontact heeft plaatsgevonden en dat die persoon niet kan achterhalen of en wanneer er effectief sprake is geweest van een dergelijk contact. Volgens haar is de reden voor die aanpak duidelijk. Enkel op die manier is het mogelijk de anonimiteit van de (vermoedelijk) besmette persoon te waarborgen. Die anonimiteit is volgens haar cruciaal om de vrijwillige medewerking van (vermoedelijk) besmette personen te verkrijgen. Overigens zou de bekendmaking van de identiteit van de (vermoedelijk) besmette persoon, mede gelet op het gevoelige karakter van gezondheidsgegevens, een schending van het recht op privéleven uitmaken. Zij wijst er nog op dat de rechten van de betrokkenen niet absoluut zijn en dat ze dienen te worden afgewogen tegenover andere grondrechten of dat ze kunnen worden beperkt ter bescherming van de volksgezondheid. In dat opzicht is het waarborgen van de anonimiteit van wezenlijk belang om de vrijwillige medewerking van de (vermoedelijk) besmette personen te verzekeren. Het contactonderzoek zou in het gedrang komen en onwerkzaam worden indien de anonimiteit niet gewaarborgd zou zijn, hetgeen op zijn beurt de volksgezondheid in het gedrang zou brengen. Volgens haar is er ook geen verplichting om de rechten van de betrokkenen expliciet op te nemen in de wetskrachtige norm die de gegevensverwerking instelt daar de algemene regeling van de AVG steeds van toepassing blijft zodat de betrokkenen desnoods rechtstreeks daaruit hun rechten kunnen putten. Ook de bewering inzake de authenticiteit van het PLF klopt volgens haar niet. Zij wijst erop dat voor het invullen van het PLF naast een telefoonnummer ook het rijksregisternummer dient te worden gebruikt, gegevens die niet zomaar ter beschikking zijn. Bovendien wordt via sms een bevestigingscode verstuurd als vorm van authenticatie om het PLF verder in te vullen. Indien de betrokkene niet in een hoogrisicogebied zou zijn geweest, bieden de sms-berichten de mogelijkheid om te reageren. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de doorgifte van persoonsgegevens aan gemeenten geen afbreuk doet aan het doelbindingsbeginsel. Zij erkent dat het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 inderdaad bepaalt dat de verzamelde gegevens niet mogen worden gebruikt voor politionele doeleinden. Zij betoogt dat de doelstelling die wordt beoogd met de doorgifte niet politioneel van aard is, op de wijze die wordt bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Uit artikel 135, § 2, tweede lid, 5°, van de Nieuwe Gemeentewet volgt dat de burgemeester passende maatregelen kan nemen om de gezondheid van de burgers te beschermen. De Vlaamse Regering merkt ten slotte nog op dat de externe partners of veldonderzoekers enkel vaststellen of iemand al dan niet in contact is geweest met een (vermoedelijk) besmette persoon. De tijdelijke afzondering die uit die vaststelling volgt, vloeit rechtstreeks voort uit het decreet en niet uit een beslissing tot « vrijheidsberoving » door een veldonderzoeker. Bovendien zijn er passende maatregelen genomen om te waarborgen dat de 16 persoonsgegevens die worden verwerkt, afdoende worden beschermd. Zo heeft de Vlaamse Regering bijkomende technische en organisatorische maatregelen vastgesteld. Ten aanzien van het zesde middel A.
- De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending van de artikelen 12, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 3, 5, 8 en 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, door het decreet van 10 juli
- A.
- Zij betogen dat personen die uit een hoogrisicogebied terugkeren en van wie niet is geweten of ze besmet zijn, zonder enige mogelijkheid tot differentiatie en zonder rechterlijk optreden onderworpen kunnen worden aan een dwangmaatregel (zij verwijzen ter zake naar artikel 46, 3°, van het decreet van 21 november 2003), zijnde een verplicht medisch onderzoek dat volgens hen ook tot gegevensverwerking aanleiding geeft. Zij stellen dat de gegevens op grond waarvan bepaald wordt of men uit een dergelijk gebied komt en van zijn vrijheid kan worden beroofd, niet betrouwbaar zijn en dat de criteria om een dergelijk gebied aan te wijzen, onduidelijk zijn. Zij zijn dan ook van oordeel dat het verplicht onderwerpen aan een medisch onderzoek van personen die uit een hoogrisicogebied terugkeren de voormelde referentienormen schendt. A.15.
- De Vlaamse Regering voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan duidelijke uiteenzetting van hoe en in welke mate de bestreden bepalingen van het decreet van 10 juli 2020 de aangehaalde referentienormen schenden. A.15.
- In ondergeschikte orde is zij van oordeel dat het zesde middel, in zoverre het een andere draagwijdte zou hebben dan de overige middelen, feitelijke en juridische grondslag mist en derhalve niet gegrond is. Zij wijst erop dat de verzoekende partijen een verkeerde lezing geven aan artikel 46, 3° van het decreet van 21 november 2003, dat niet toepasselijk is op het in het geding zijnde medisch onderzoek, vermeld in artikel 47, § 1, 2°, van het decreet van 21 november
- Volgens haar bepaalt het voormelde artikel 47, § 1, 2°, enkel dat ambtenaren-artsen de personen die uit een hoogrisicogebied komen, kunnen onderwerpen aan een medisch onderzoek door hun een bevel te geven om zich aan te melden om het onderzoek te ondergaan. Het betreft een verplichting in zoverre de niet-naleving ervan kan worden bestraft. Het betreft volgens de Vlaamse Regering in geen geval medische testen die zouden kunnen worden uitgevoerd zonder instemming van de betrokkene, laat staan dat dit onder fysieke dwang zou kunnen gebeuren. Zij merkt ten slotte op dat de verzoekende partijen nalaten aan te geven uit welke referentienorm zou voortvloeien dat een verplicht optreden van de rechter noodzakelijk is om onder meer na te gaan of de betrokkene wel onder de geviseerde categorie van personen valt. Wat de zaak nr. 7505 betreft Ten aanzien van het belang A.
- Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voert aan dat de verzoekende partij niet over het juridisch vereiste belang beschikt aangezien zij niet concreet aantoont dat zij persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 17 juli 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : de ordonnantie van 17 juli 2020). Het Verenigd College verzet zich tegen de invulling van het belang als een louter hypothetisch belang en een actio popularis. Zo toont de verzoekende partij niet aan dat zij onder één van de door de bestreden norm beoogde categorieën van personen valt. Er wordt geen enkel bewijs bijgebracht van
(1)een maatregel ten nadele van de verzoekende partij, die door een geneesheer-gezondheidsinspecteur werd genomen,
(2)een gepland of afgelopen verblijf in een rode zone dat langer duurde dan 48 uur en waarvoor geen zelfevaluatieformulier werd ingevuld, of
(3)een recent hoogrisicocontact. A.
- De verzoekende partij werpt op dat het Hof in soortgelijke zaken reeds het belang bij een beroep tot vernietiging heeft aanvaard. Zo verwijst zij naar arresten van het Hof waaruit zou voortvloeien dat, wanneer in strafsancties wordt voorzien zoals in casu door de bestreden maatregelen het geval is, het belang voldoende vaststaat en dat de persoonlijke toestand van de verzoekende partij niet dient te worden onderzocht. Zij betoogt 17 dat, tenzij het Verenigd College wenst te argumenteren dat de verzoekende partij onder geen enkel beding een persoon kan zijn die ooit zou kunnen worden onderworpen aan de strafrechtelijk gesanctioneerde quarantaine, het belang voldoende is aangetoond. Ten aanzien van het eerste middel A.
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 187 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in de overige middelen in de zaak nr. 7505 aangehaalde grondrechten, door de ordonnantie van 17 juli
- A.
- De verzoekende partij zet het eerste middel uiteen aan de hand van argumenten die mutatis mutandis ook worden aangevoerd in het eerste middel van de zaak nr.
- Zij is van oordeel dat de ordonnantie van 17 juli 2020 door de personele uitbreiding en de automatische vrijheidsberoving (afzondering of zelfquarantaine) zonder rechtsmiddel of concrete afweging op algemene wijze de grondrechten van de burgers opschort. Zij voert meer specifiek aan dat de bestreden bepalingen van de ordonnantie van 17 juli 2020, zowel in de bewoordingen als in de parlementaire voorbereiding ervan, bevestigen dat de maatregelen in het leven zijn geroepen wegens de pandemie en blijven gelden zolang de sanitaire noodtoestand bestaat, en bijgevolg vertrekken vanuit de idee van een soort noodtoestand, hetgeen evenwel door artikel 187 van de Grondwet verboden is. A.
- Het Verenigd College voert in hoofdorde aan dat het eerste middel niet ontvankelijk is daar het Hof niet bevoegd is om de bestreden norm te toetsen aan artikel 187 van de Grondwet. De stelling van de verzoekende partij dat artikel 187 van de Grondwet betrekking zou hebben op de bepalingen van titel II van de Grondwet zodat het impliciet vervat is in artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, kan niet worden gevolgd. Noch de Grondwetgever, noch de bijzondere wetgever had een rechtstreekse toetsing aan artikel 187 van de Grondwet voor ogen. Die niet-ontvankelijkheid geldt eveneens in dezelfde mate ten aanzien van de overige middelen waarin een schending van artikel 187 van de Grondwet wordt opgeworpen. Bovendien is het middel eveneens niet ontvankelijk in zoverre het een schending van de rechten van titel II van de Grondwet aanvoert. Het Verenigd College is van oordeel dat de verzoekende partij heeft nagelaten toe te lichten waarom en op welke wijze die rechten zouden zijn geschonden. A.
- In ondergeschikte orde is het Verenigd College van oordeel dat het eerste middel niet gegrond is. Er wordt immers op geen enkele wijze aangetoond dat door de ordonnantie van 17 juli 2020 een juridische noodtoestand wordt afgekondigd. Het Verenigd College wijst erop dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen, enerzijds, een feitelijke en, anderzijds, een juridische noodtoestand. De Grondwet kan overeenkomstig artikel 187 van de Grondwet niet worden geschorst, ongeacht het bestaan van een feitelijke noodtoestand. Dit verhindert niet dat de bevoegde overheden maatregelen nemen om een feitelijke noodtoestand te verhelpen. In dat kader kunnen de grondrechten worden beperkt in zoverre de beperking wordt verantwoord en kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. Volgens het Verenigd College houden de bestreden maatregelen, die zijn genomen in het kader van de bestrijding van de gezondheidscrisis, geen opschorting in van grondrechten zodat ze dienen te worden geanalyseerd vanuit het klassieke toetsingskader inzake beperkingen van grondrechten : legitimiteit, noodzakelijkheid en evenredigheid. Het gegeven dat de verzoekende partij een vernietigingsberoep kan instellen tegen de ordonnantie van 17 juli 2020 toont aan dat er geen sprake is van een opschorting van grondrechten. Ten aanzien van het tweede middel A.
- De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 5, 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door de ordonnantie van 17 juli
- A.23.
- De verzoekende partij is in een eerste onderdeel van oordeel dat de bestreden norm ertoe strekt personen in afzondering te kunnen plaatsen op bevel van de geneesheer-gezondheidsinspecteur wanneer zij mogelijk besmet zijn na een contact met een besmet persoon. Daarnaast strekt de bestreden ordonnantie ertoe terugkeerders uit een « rode zone » en contactpersonen die een hoogrisicoprofiel vertonen, automatisch in quarantaine te plaatsen. Zij betoogt dat de maatregelen neerkomen op een vrijheidsberoving ter preventieve 18 beveiliging van de samenleving (een beveiligingsmaatregel) zonder dat evenwel in de nodige procedurele waarborgen is voorzien terwijl dergelijke waarborgen wel bestaan in het kader van soortgelijke beveiligingsmaatregelen ten behoeve van geesteszieken. Zij betoogt dat artikel 12 van de Grondwet de vrijheid van komen en gaan inhoudt, die niet tot een strafrechtelijke context is beperkt. Zij wijst erop dat een beveiligingsmaatregel zoals een quarantaine nog steeds een gevangenhouding in de zin van artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is zodat aan het overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het voormelde Verdrag vastgestelde recht om op korte termijn voor een rechter te worden gebracht met het oog op een controle van de maatregel, dient te worden voldaan. Zij merkt op dat soortgelijke waarborgen voortvloeien uit artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 12 van de Grondwet, dat niet beperkt is tot een vrijheidsberoving in een strafrechtelijke context. Zij wijst allereerst op het feit dat de geneesheer-gezondheidsinspecteur geenszins beperkt is in het doen uitvoeren van zijn bevel tot verplichte quarantaine. Zij verwijst ter zake naar de artikelen 10, 13 en 14, § 2, van de ordonnantie van 19 juli 2007 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 2007), die de ruimste bevoegdheden omvatten om, desnoods met behulp van de openbare macht, het bevel tot afzondering of de zelfquarantaine af te dwingen. Zo kan de geneesheer-gezondheidsinspecteur zelf volledig vrij bepalen wanneer de vrijheidsberoving eindigt. Ook is er niet langer een besmetting vereist zodat nagenoeg elke burger, ook de niet-besmette burger, kan worden aangehouden zonder dat er een rechter kan optreden en zonder dat in procedurele waarborgen is voorzien. Nochtans vereist de Grondwet dat voor elke aanhouding die 48 uren overschrijdt, een voorafgaand bevel van de rechter voorhanden is. Zij stelt dat, zelfs indien de Grondwet een dergelijk voorafgaand bevel niet zou vereisen, er evenmin in voldoende procedurele waarborgen is voorzien. Er is immers geen enkele rechter die de door de ordonnantiegever gehanteerde begrippen « contact met een geïnfecteerde persoon » en « contactpersoon die een hoog risicoprofiel vertoont » kan toetsen op de redelijkheid of de waarachtigheid daarvan. Zij wijst er bovendien op dat een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid. 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens naar het oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens slechts een laatste redmiddel mag zijn nadat alle andere middelen zijn uitgeput. Volgens haar dient geval per geval te worden nagegaan of er effectief sprake is van een besmettelijke ziekte die een reëel gevaar oplevert voor de samenleving en of andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn. De ordonnantiegever heeft in strijd met de voormelde vereisten geoordeeld dat terugkeerders uit een rode zone in zelfquarantaine moeten gaan zonder dat een bewijs van besmetting voorligt en zonder dat in andere waarborgen zoals het optreden van een rechter is voorzien. De ordonnantiegever heeft de quarantaine bovendien ook uitgebreid tot de contactpersoon die een verhoogd risicoprofiel vertoont. De verzoekende partij betwist de impliciete zienswijze van de ordonnantiegever dat de voormelde verdragsbepaling niet van toepassing zou zijn wegens de uitzonderlijke omstandigheden (volgens haar een verwijzing naar een noodtoestand). A.23.
- In een tweede onderdeel, in ondergeschikte orde, stelt de verzoekende partij dat de bestreden quarantainemaatregelen vergelijkbaar zijn met de gedwongen opname in het kader van de wet van 26 juni
- Zij wijst erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk het verband legt tussen personen met een geestelijke stoornis en personen die besmettelijk zijn en dat daarop soortgelijke criteria van toepassing zijn. Zo moet er worden aangetoond dat er sprake is van een geestesziekte c.q. besmetting, dat de aard van de ziekte c.q. besmetting een opsluiting rechtvaardigt en dat de duur van de gedwongen opsluiting afhangt van het aanhouden van de stoornis. Zij is van oordeel dat de personen op wie een maatregel van beveiliging overeenkomstig de wet van 26 juni 1990 van toepassing is vergelijkbaar zijn met de personen die een besmettelijke ziekte hebben, maar zij worden verschillend behandeld. Het gaat immers in beide gevallen om personen die een gevaar kunnen opleveren voor anderen en die wegens een medische toestand dienen te worden afgezonderd. Zij betoogt onder verwijzing naar de artikelen 2, 4 en 7 van de wet van 26 juni 1990, waarin onder meer is voorzien in een snel rechterlijk optreden, een ambtshalve aanwijzing van een advocaat en van een arts-psychiater, dat de bestreden maatregelen in schril contrast staan tot de waarborgen in de wet van 26 juni
- Zij stelt dat er aldus sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.23.
- In een derde onderdeel bekritiseert zij het gebrek aan enig rechtsmiddel of toegang tot de rechter (zoals gewaarborgd bij de artikelen 5, 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens) tegen de automatische zelfquarantaine waarbij de betrokkene strafbaar is indien hij zichzelf niet van zijn vrijheid berooft. Artikel 5, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet erin dat diegene die van zijn vrijheid wordt beroofd, zoals bij de verplichte zelfquarantaine het geval is, de redenen daarvoor dient te kennen, 19 zodat de ontstentenis van mededeling van die redenen zijn recht op toegang tot de rechter of een effectief rechtsmiddel frustreert. Er is door de ordonnantiegever niet voorzien in een formele kennisgeving of enige motivering. Zij is van oordeel dat die maatregel, in zoverre de zelfquarantaine als plicht bestaat zonder dat enig rechtsmiddel voorhanden is tegen enige, al dan niet automatische notificatie of kwalificatie als persoon, bedoeld in de bestreden ordonnantie, ontoelaatbaar is. Zij voert voorts aan dat de niet-naleving van de verplichte zelfquarantaine op zichzelf een strafbaar feit uitmaakt, waarop kan worden gereageerd met een strafvervolging of met een bevel tot quarantaine van de geneesheer-gezondheidsinspecteur, hetgeen een oneigenlijke voorlopige hechtenis impliceert met het oog op het voorkomen van een misdrijf. In dat laatste geval is er volgens haar sprake van een aanhouding in de zin van artikel 5, lid 1, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hetzij omdat er een vermoeden bestaat dat de persoon het misdrijf heeft geplaagd, hetzij omdat het noodzakelijk wordt geacht hem te beletten de zelfquarantaine naast zich neer te leggen en dus een misdrijf te plegen. Zij werpt op dat niet is voorzien in een mogelijkheid om de betrokkene voor de rechter te leiden. A.23.
- Ten slotte brengt het voorgaande volgens de verzoekende partij ook een schending van artikel 187 van de Grondwet met zich mee. A.
- Het Verenigd College voert in hoofdorde aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het een schending afleidt uit de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Aangezien de verzoekende partij geen aanknopingspunt van haar situatie met het Unierecht aantoont en overigens niet uiteenzet waarin de schending zou bestaan, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 6, 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partij zet volgens het Verenigd College evenmin uiteen waarom artikel 23 van de Grondwet en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens precies geschonden zouden zijn. Het tweede middel is evenmin ontvankelijk in zoverre een schending wordt afgeleid uit die bepalingen. A.25.
- Het Verenigd College is in ieder geval van oordeel dat er geen vrijheidsberoving of gevangenhouding in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens door de bestreden maatregelen in het leven is geroepen. Artikel 12 van de Grondwet, artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zijn dus niet van toepassing. Het Verenigd College stelt dat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens enkel van toepassing is indien er sprake is van een effectieve vrijheidsberoving en dat die bepaling dus niet beschermt tegen een loutere beperking van de fysieke vrijheid van de persoon. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat het onderscheid tussen een vrijheidsberoving en een vrijheidsbeperking in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt bepaald aan de hand van de graad en de intensiteit van de maatregel, gelet op de concrete situatie. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met verschillende factoren zoals de aard, de duur, de gevolgen en de uitvoeringsmodaliteiten van de maatregel en de manier waarop die maatregel werd genomen. Onder verwijzing naar arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens meent het Verenigd College dat de verplichting om op een bepaalde plaats te blijven of het verbod om een bepaalde plaats te verlaten geen vrijheidsberoving inhoudt, maar veeleer dient te worden onderzocht in het licht van artikel 2 van het Protocol nr.
- Volgens het Verenigd College zijn de artikelen 13 en 13/1, § 1, 2°, van de ordonnantie van 19 juli 2007 in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot stand gekomen. Sinds maart 2020 heeft de COVID-19-pandemie een ongeziene gezondheidscrisis veroorzaakt die heeft genoopt tot ongeziene maatregelen ter bestrijding van het virus. In dat opzicht is de quarantaine, beoogd door de artikelen 13, 2°, en 13/1, § 1, 2°, van de ordonnantie van 19 juli 2007, een noodzakelijke maatregel. Het betreft een preventieve administratieve maatregel die essentieel is om te kunnen vermijden dat het SARS-CoV-2-virus zich ongecontroleerd zou verspreiden onder de bevolking. Het Verenigd College betoogt dat de quarantainemaatregel geen strafmaatregel is, maar een preventieve administratieve maatregel. Die maatregel is zowel wat de aard als de intensiteit van die maatregel betreft, niet vergelijkbaar met een vrijheidsberoving in strafzaken of met een veroordeling tot een gevangenisstraf : de betrokkenen kiezen in beginsel zelf de gepaste plaats om de quarantaine door te brengen; er is geen systematisch toezicht en er wordt geen enkele fysieke hindernis ingesteld om de quarantaine zelfstandig te kunnen beëindigen; de betrokkenen beslissen finaal zelf of zij zich aan die plicht houden of niet en worden niet gehinderd door de bestreden normen om de plaats van quarantaine te verlaten; het is overeenkomstig artikel 3 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 8 oktober 2020 « tot uitvoering van artikel 13/1, § 3 van de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot 20 opheffing van het besluit van 4 augustus 2020 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot uitvoering van artikel 13/3, § 3 van de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » toegestaan om bepaalde essentiële activiteiten uit te voeren zonder dat een voorafgaande toestemming nodig is; de quarantaine is tijdelijk en de duur wordt vastgelegd door de geneesheer-gezondheidsinspecteur, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke inzichten; de betrokkenen worden niet verhinderd om sociale contacten te onderhouden via allerlei communicatiekanalen die onbeperkt beschikbaar blijven. Het Verenigd College is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een vrijheidsberoving. Volgens het Verenigd College is de kritiek van de verzoekende partij op artikel 14 van de ordonnantie van 19 juli 2007 niet ontvankelijk, daar die bepaling niet het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van het voorliggende beroep. Bovendien zijn de vermeende bevoegdheden van de geneesheer-gezondheidsinspecteur niet onbeperkt. Zo is er geen fysieke dwang mogelijk om op een bepaalde plaats te blijven. De geneesheer-gezondheidsinspecteur kan immers enkel een bevel geven aan personen, die vervolgens op eigen verantwoordelijkheid in quarantaine gaan op een vrij gekozen plaats. Het gegeven dat de ordonnantiegever bij de totstandkoming van de bestreden maatregelen heeft verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 januari 2005 in zake Enhorn t. Zweden (ECLI:CE:ECHR:2005:0125JUD005652900), waarin artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan de orde is, betekent niet dat er sprake is van een vrijheidsberoving. Volgens het Verenigd College is de situatie die onderzocht wordt in het voormelde arrest verschillend van de thans voorliggende situatie. A.25.
- In ondergeschikte orde betoogt het Verenigd College dat, indien er toch sprake zou zijn van een vrijheidsberoving in de zin van de voormelde verdragsbepaling, de bestreden maatregel in ieder geval rechtmatig is. Artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens laat detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van een besmettelijke ziekte toe indien is voldaan aan volgende cumulatieve voorwaarden : enerzijds, het gevaar van de verspreiding van de besmettelijke ziekte voor de samenleving en, anderzijds, moet de detentie het laatste redmiddel zijn om de verspreiding tegen te gaan omdat minder verregaande maatregelen overwogen werden, maar onvoldoende werden bevonden om de volksgezondheid te beschermen. Dergelijke detentiemaatregelen zijn blijkens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet beperkt tot de besmettelijke personen, maar kunnen ook de potentieel besmettelijke personen omvatten. Volgens het Verenigd College beantwoordt de tijdelijke quarantaineplicht aan de vereisten in de rechtspraak. Er is immers sprake van een groot aantal overlijdens ingevolge COVID-
- De besmettelijkheid van het SARS-CoV-2-virus, gecombineerd met het overlijdensrisico en de bezettingsgraad van de ziekenhuizen zorgen voor een enorme druk op het gezondheidssysteem en een reëel risico van overbelasting indien geen maatregelen worden genomen. Er is dus aan de eerste voorwaarde in de rechtspraak voldaan. Daarnaast is volgens het Verenigd College ook voldaan aan de tweede voorwaarde omdat de quarantaineverplichting als laatste redmiddel dient te worden beschouwd. Voordat de bestreden maatregel werd aangenomen, werden immers al andere, dringende maatregelen genomen om de pandemie te bedwingen. Naar gelang van de fase van de pandemie houden die maatregelen minder, dan wel verregaande beperkingen op het vlak van de persoonlijke bewegingsvrijheid in. Het Verenigd College verwijst ter zake naar de in maart 2020 ingevoerde, zogenaamde lockdown light. Niet-essentiële verplaatsingen of reizen waren verboden. In een latere fase, toen de besmettings- en hospitalisatiecijfers daalden, werden de maatregelen versoepeld en werden onder meer binnenlandse verplaatsingen en buitenlandse reizen opnieuw mogelijk. Aangezien die versoepeling het risico doet ontstaan op een nieuwe toename van het aantal gevallen van COVID-19, werd een systeem van quarantaine ingesteld voor reizen naar rode zones in het buitenland. Die regeling, die overigens tot stand is gekomen via een overleg tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten, houdt een billijk evenwicht in tussen, enerzijds, het algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van de volksgezondheid en, anderzijds, de persoonlijke belangen van individuele burgers. A.
- Wat het tweede onderdeel betreft, betwist het Verenigd College de vergelijkbaarheid van de personen die in tijdelijke quarantaine moeten en de personen die een gedwongen opname in de zin van de wet van 26 juni 1990 ondergaan. Personen die rechtstreeks in contact geweest zijn met een besmettingsbron, terugkeren uit een rode zone of een hoogrisicoprofiel hebben en die ter preventie van de verspreiding van het besmettelijke virus in quarantaine dienen te gaan op een locatie naar keuze kunnen niet worden vergeleken met de personen die een geestesziekte hebben en die zich in een toestand bevinden die een gevaar voor zichzelf en anderen met zich meebrengt en dientengevolge worden opgenomen in een dienst die ze niet mogen verlaten. Het Verenigd College is van oordeel dat beide categorieën van personen fundamenteel verschillend zijn. De eerste categorie heeft geen geestesziekte terwijl de tweede categorie wel een dergelijke ziekte heeft. De tweede categorie is veel kwetsbaarder en dient daarom te worden omgeven met bijkomende waarborgen en zorg. 21 Daarenboven kan de uitvoering van de quarantaine ook niet worden vergeleken met de uitvoering van de gedwongen opname in een psychiatrische dienst : de keuze van de plaats is in het eerste geval vrij terwijl in het laatste geval het bestuur de keuze maakt; er is geen toezicht in het eerste geval terwijl in het laatste geval wel een toezicht wordt uitgeoefend; in het eerste geval kan de plaats worden verlaten terwijl in het laatste geval de psychiatrische dienst niet zomaar verlaten kan worden; in het eerste geval kan de quarantaine worden onderbroken om zich te verplaatsen om essentiële activiteiten uit te voeren terwijl de gedwongen opname niet naar eigen goeddunken kan worden onderbroken. Het is verantwoord dat de twee categorieën van personen verschillend worden behandeld. Ook wordt met het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de bestreden ordonnantie een legitiem doel nagestreefd. De bestreden maatregelen zijn ook pertinent voor het verwezenlijken van dat doel aangezien ze bijdragen tot het beperken van het aantal fysieke contacten waardoor verdere verspreiding wordt tegengegaan. De bestreden maatregelen zijn volgens het Verenigd College ook noodzakelijk om het doel te verwezenlijken. Door de versoepelingen inzake verplaatsingen en reizen diende het risico op besmettingen, vooral door het reizen naar rode zones, te worden opgevangen met verplichte testen en quarantaine. Volgens het Verenigd College veroorzaken de bestreden maatregelen ook geen onevenredige gevolgen. De quarantaineplicht is beperkt tot specifieke personen, niet absoluut, op een zelf gekozen plaats na te leven, zonder systematisch toezicht, zonder obstakels om de quarantaineplaats te verlaten, en die verplichting sluit het onderhouden van sociale contacten via communicatiemiddelen niet uit. Het Verenigd College besluit dat er geen sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- Wat het derde onderdeel inzake toegang tot de rechter en effectieve rechtsmiddelen betreft, stelt het Verenigd College in hoofdorde dat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing is daar er geen vrijheidsberoving in het geding is. Ook artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is niet van toepassing omdat er noch sprake is van geschillen over burgerlijke rechten of verplichtingen, noch van een beoordeling van de gegrondheid van een ingestelde vordering. In ondergeschikte orde kan er eveneens geen toepassing worden gemaakt van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bovendien een lex specialis betreft ten opzichte van artikel 13 van hetzelfde Verdrag. Aangezien de verplichting die wordt opgelegd door de bestreden ordonnantie geen effectieve arrestatie of gevangenhouding inhoudt, zijnde een vrijheidsberoving opgelegd door de overheid, die op de naleving ervan toeziet, is er volgens het Verenigd College geen enkele nood aan een rechterlijke toetsing om te beslissen over een invrijheidstelling. De personen die in quarantaine moeten gaan, beslissen finaal zelf over hun invrijheidstelling, weliswaar louter op eigen verantwoordelijkheid. Zij dienen er rekening mee te houden dat zij zich mogelijkerwijs blootstellen aan strafsancties indien komt vast te staan dat zij geen wettige reden hadden om de quarantaine vroegtijdig te beëindigen of zich naar buiten te begeven. In voorkomend geval blijven het recht op toegang tot de rechter en het recht op een effectief rechtsmiddel tegen de strafvervolging via de rechtsmiddelen van het straf(proces)recht toch gewaarborgd. Volgens het Verenigd College wordt evenmin de informatieplicht, die uit artikel 5, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voortvloeit, geschonden. In hoofdorde stelt het Verenigd College dat er geen sprake is van een vrijheidsberoving zodat de waarborgen in artikel 5 van het voormelde Verdrag niet van toepassing zijn. In ondergeschikte orde wordt de voormelde verdragsbepaling niet geschonden. Artikel 5, lid 2, van het voormelde Verdrag vereist niet dat de ordonnantiegever uitdrukkelijk voorziet in de formele kennisgeving van de redenen van de vrijheidsberoving. Het volstaat dat de redenen onverwijld meegedeeld worden aan de betrokkene. Dat is in casu het geval omdat de beslissingen van de geneesheer-gezondheidsinspecteur binnen een termijn van 24 uur aan de betrokkene schriftelijk worden meegedeeld (artikel 7, § 1, van het besluit van 23 april 2009 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie « betreffende de profylaxe tegen overdraagbare ziekten »). De beslissingen dienen melding te maken van de inhoud van de maatregel, de duur en de motieven. Voorts worden personen met een hoogrisicoprofiel via contact tracing op de hoogte gebracht en worden personen die terugkeren uit een rode zone via een sms nadat ze een PLF en de zelfevaluatie hebben ingevuld, erop gewezen dat ze uit een rode zone terugkeren, en dus kennen ze de reden van hun quarantaineplicht. In ondergeschikte orde is het Verenigd College van oordeel dat, in zoverre de artikelen 5, 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens door de bestreden ordonnantie worden geraakt, de maatregelen, zoals reeds is uiteengezet, een legitiem doel dienen, pertinent en noodzakelijk zijn en geen onevenredige gevolgen met zich meebrengen. Ten slotte merkt het Verenigd College op dat de verzoekende partij feitelijke en juridische onjuistheden aanhaalt door te stellen dat de naleving van de quarantaine door strafrechtelijke handhaving, zelfs middels een voorlopige hechtenis, zou worden afgedwongen. Het Verenigd College herhaalt dat er geen systematisch toezicht op de naleving van de quarantaine is en stelt dat de vaststelling van een niet-naleving van de quarantaine niet 22 automatisch een strafonderzoek tot gevolg heeft. In zoverre een voorlopige hechtenis zou worden opgelegd, is dat zeker niet het gevolg van de bestreden ordonnantie. Ten aanzien van het derde middel A.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, door de bestreden ordonnantie. A.
- Zij betoogt dat de strafbaarstelling van de niet-naleving van de quarantaineplicht (bevel of automatische zelfquarantaine) ingevolge artikel 15 van de ordonnantie van 19 juli 2007, het rechtzekerheidsbeginsel schendt doordat de ordonnantiegever de onderliggende quarantaineverplichtingen op basis van vage begrippen heeft vastgesteld. De verzoekende partij is van oordeel dat de bestreden ordonnantie ertoe leidt dat een situatie wordt gecreëerd waarbij eenieder op bevel van een geneesheer-gezondheidsinspecteur op grond van een eenzijdige appreciatie inzake een gelopen risico potentieel van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat in de mogelijkheid is voorzien om de wettigheid van dat bevel na te gaan. Het is volgens haar niet ondenkbaar dat een onwettig bevel wordt gegeven waartegen de betrokkene zich moet kunnen verzetten. Aangezien de burger zich mag verzetten tegen een onwettig bevel, en daar enkel het niet-naleven van een wettig bevel strafbaar kan zijn, dient de burger op basis van de begrippen waarop een dergelijk bevel steunt, te kunnen weten welk gedrag strafbaar is. Zij betoogt dat de ordonnantiegever in het kader van de bevoegdheid van de geneesheer-gezondheidsinspecteur om een bevel tot quarantaine te geven (artikel 13 van de ordonnantie van 19 juli 2007) vage termen hanteert zoals « contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron » zodat de wettelijke criteria voor het geven van dat bevel onvoldoende duidelijk zijn. Daarnaast wijst zij erop dat ook in het kader van de zelfquarantaineplicht (artikel 13/1 van de ordonnantie van 19 juli 2007) vage begrippen zoals « hoog risicoprofiel » of « rode zone » worden gehanteerd. De burger weet niet op grond van welke criteria door de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken een « rode zone » wordt vastgesteld, noch hoe hij moet weten dat hij uit een dergelijke zone komt. Zij betoogt dat die strafbaarstelling eenzijdig wordt ingevuld door de Federale Overheidsdienst zonder dat er daarvoor richtlijnen bestaan. Hierdoor wordt een essentieel onderdeel van de omschrijving van het strafbare gedrag en de voorspelbaarheid afhankelijk van de willekeur van een overheidsdienst. Zij is van oordeel dat de strafbaar gestelde quarantaineplicht in dat opzicht onvoldoende nauwkeurig is omschreven. A.
- Het Verenigd College is van oordeel dat de bestreden ordonnantie niet in strijd is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. De preventieve administratieve maatregelen die door artikel 2 van de bestreden ordonnantie worden opgelegd, houden immers geen strafbaarstelling in. Enkel uit artikel 15 van de ordonnantie van 19 juli 2007 vloeit voort dat de niet-naleving van de test- en quarantaineverplichting strafbaar wordt gesteld. Volgens het Verenigd College is het voormelde artikel 15 zeer duidelijk en kan uit de artikelen 13 en 13/1 van de ordonnantie van 19 juli 2007 perfect worden afgeleid aan welke maatregelen gevolg moet worden gegeven en van welke maatregelen de uitvoering niet mag worden verhinderd of belemmerd. Het Verenigd College verwijst voor de invulling en de interpretatie van de begrippen « rode zone », « contactpersoon die een hoog risicoprofiel vertoont » en « quarantaine » naar hetgeen in de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet. De betrokkenen kunnen dus weten welke handelingen en/of verzuimen strafrechtelijke aansprakelijkheid teweeg kunnen brengen. Voor het overige is het Verenigd College van oordeel dat het wettigheidsbeginsel niet vereist dat er kennis moet kunnen worden genomen van de criteria op grond waarvan een rode zone wordt bepaald. Het volstaat dat de betrokkenen weten dat zij aan een test- en quarantaineplichting zijn onderworpen als zij terugkeren uit een dergelijke zone. Of dat het geval is, is eenvoudig online na te gaan. Ten aanzien van het vierde middel A.
- De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, door de ordonnantie van 17 juli
- A.
- Zij betoogt in een eerste onderdeel dat de ordonnantiegever niet heeft voorzien in afdoende sociale, medische en juridische bijstand en daardoor artikel 23 van de Grondwet schendt. Zo geldt de afzonderingsplicht zonder enige vorm van sociale, medische of juridische bijstand. Zij wijst op het ontbreken van een financiële 23 compensatie voor inkomensverlies en van andere vormen van ondersteuning wanneer de automatische zelfquarantaine van toepassing is. Zij stelt dat de verplichte afzondering een automatisme is zonder enige concrete medische inschatting en zonder mogelijkheid tot herziening of tot het verkrijgen van een uitzondering wegens een bijzondere situatie. Zij is in een tweede onderdeel van oordeel dat ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden omdat de bestreden regeling geen enkel onderscheid maakt en alle burgers over dezelfde kam scheert. Zo wordt niet in een uitzondering op de quarantaineplicht voorzien voor personen in een bijzondere situatie. A.33.
- Het Verenigd College is van oordeel dat de bij de bestreden ordonnantie verplichte tijdelijke quarantaine artikel 23 van de Grondwet niet schendt. Voor zover er sprake zou zijn van een beperking van het recht op sociale, geneeskundige of juridische bijstand, is dat geen gevolg van de bestreden bepalingen. Bovendien toont de verzoekende partij niet aan dat personen in verplichte tijdelijke quarantaine geen recht meer zouden hebben op de voormelde bijstand waaronder het sociale zekerheidssysteem, de geneeskundige voorzieningen en de juridische bijstand. In zoverre er sprake zou zijn van een beperking van de rechten die worden gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, brengt het Verenigd College in herinnering dat de bestreden maatregelen, zoals reeds in het kader van de voorgaande middelen is uiteengezet, een legitiem doel dienen, pertinent en noodzakelijk zijn en geen onevenredige gevolgen met zich meebrengen. A.33.
- Het Verenigd College is van oordeel dat het tweede onderdeel niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting ervan. Zo is het onder meer niet duidelijk welke categorieën van personen dienen te worden vergeleken. Bovendien stelt het Verenigd College dat de bestreden maatregelen een legitiem doel dienen, pertinent en noodzakelijk zijn en geen onevenredige gevolgen met zich meebrengen. Ten aanzien van het vijfde middel A.
- De verzoekende partij leidt een vijfde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de AVG, door de ordonnantie van 17 juli
- A.
- De verzoekende partij stelt dat het evident is dat de bestreden ordonnantie eveneens de verwerking (o.a. opvragen en doorgeven) van medische persoonsgegevens impliceert. Zij betoogt dat er echter geen rechtsgrond is voor de verwerking van de persoonsgegevens van een « contactpersoon die een hoog risicoprofiel vertoont » of van personen die terugkeren uit een rode zone. Wat de eerste categorie van personen betreft, lijkt het begrip niet noodzakelijk aan te sluiten bij de omschrijving van één van de categorieën van personen, gedefinieerd in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Wat de tweede categorie van personen betreft, is er zelfs helemaal geen grondslag in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Dat akkoord regelt niets met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens van personen die terugkeren uit een « rode zone ». Nochtans dienen die personen zich verplicht te laten lasten en in quarantaine te gaan voor een duur die wordt bepaald door de geneesheer-gezondheidsinspecteur. Zij merkt op dat artikel 21 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken » (hierna : het ministerieel besluit van 28 oktober 2020) voorziet in de verzameling van de gegevens van personen die terugkeren uit een rode zone aan de hand van het PLF en de opname ervan in de gegevensbank I, bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- Nochtans is de verwerking van de gegevens van die categorie van personen niet vermeld in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
- De verzoekende partij stelt dat de verwerking van die gegevens geen enkele rechtsgrond heeft en dus evenmin de basis kan vormen van een gegevensverwerking in het kader van de bestreden ordonnantie. Dat is in strijd met de artikelen 6, lid 3, en 9, lid 2, van de AVG, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet, aangezien niet in de verwerking van die persoonsgegevens is voorzien bij een wetskrachtige norm. Zij wijst er nochtans op dat de geneesheer-gezondheidsinspecteur ergens gegevens dient te verkrijgen over die personen en dat er dus een parallel circuit lijkt te bestaan. Zij betoogt dat, gelet op het feit dat de ordonnantie van 19 juli 2007 reeds voorzag in het betrekken van de burgemeester bij de uitvoering van een quarantainemaatregel of andere maatregelen, minstens de indruk ontstaat dat de burgemeester de persoonsgegevens van personen die terugkeren uit een rode zone of contactpersonen met een hoogrisicoprofiel kan ontvangen. Zij is dan ook van oordeel dat de bestreden ordonnantie, in zoverre zij toelaat dat de geneesheer-gezondheidsinspecteur gegevens van de betwiste categorieën van personen opvraagt en verwerkt 24 buiten het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 – en mogelijkerwijs zelfs doorstuurt naar de burgemeester - in strijd is met het grondwettelijk recht op bescherming van het privéleven. A.
- De verzoekende partij betoogt vervolgens dat de bestreden ordonnantie niet voorziet in een effectieve procedure voor een betrokkene om op zeer korte termijn fouten recht te zetten en gegevens te wissen. Zij wijst erop dat overeenkomstig de artikelen 5, lid 1, a) en d), van de AVG persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk, transparant en juist moeten worden verwerkt. Zij wijst er nog op dat de AVG eveneens voorziet in een recht op rectificatie (artikel 16) en een recht op bezwaar (artikel 21). Volgens haar is, wat de verwerking van de gegevens van risicocontacten van besmette personen betreft, niet voldaan aan de vereisten van de AVG. De juistheid van de verklaringen van besmette personen wordt immers niet geverifieerd. Wanneer evenwel het risicocontact bij het informeren van die personen niet wordt bevestigd, is het enige gevolg dat de gegevens van die persoon worden gewist. Er is nergens voorzien in een dergelijke procedure. Zij merkt op dat de huidige praktijk bij de contactopsporing erin bestaat dat het risicocontact niet op de hoogte gesteld wordt van de identiteit van de besmette persoon zodat het voor de betrokkene onmogelijk wordt gemaakt om een eventueel risicocontact te bevestigen of tegen te spreken. Ook wat de verwerking betreft van de persoonsgegevens van personen die terugkeren uit rode zones is niet voldaan aan de vereisten. De gegevens worden in de praktijk wederrechtelijk ingezameld via PLF zonder dat is voorzien in enige authenticatie van de betrokkene. Volgens de verzoekende partij is het niet uitgesloten dat derden een verblijf verzinnen door de gegevens door te geven via een PLF. Zij merkt op dat er geen procedures zijn om fouten te corrigeren of gegevens te laten wissen. De verzoekende partij beklemtoont dat de bestreden ordonnantie onaanvaardbare gevolgen koppelt aan die gegevensverwerking doordat ze kan leiden tot een vrijheidsberoving op basis van bijvoorbeeld foute gegevens. A.
- De verzoekende partij vermoedt ten slotte dat gegevens die binnen het kader van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 worden ingezameld, worden aangewend in het kader van de bestreden ordonnantie. Zij meent dat niet valt in te zien hoe de niet-naleving van de quarantaineplicht strafbaar kan worden gesteld zonder gegevens aan te wenden uit de gegevensbanken van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 voor strafrechtelijke doeleinden, hetgeen in strijd is met artikel 5, lid 1, c), van de AVG inzake het principe van doelbinding. Hierdoor is eveneens artikel 22 van de Grondwet geschonden. A.
- De verzoekende partij voert nog aan dat de schending van het recht op eerbiediging van het privéleven is ingegeven door de sanitaire noodtoestand, die een vrijgeleide lijkt te zijn om medische persoonsgegevens te delen zonder waarborgen. Dat is volgens haar tevens een schending van artikel 187 van de Grondwet. A.
- Het Verenigd College voert allereerst aan dat het vijfde middel niet ontvankelijk is in zoverre het een schending aanvoert van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partij toont geen aanknopingspunt van haar situatie met het Unierecht aan. Het middel is eveneens niet ontvankelijk in zoverre een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt aangevoerd, aangezien de verzoekende partij heeft nagelaten duidelijk toe te lichten op welke wijze en waarom die verdragsbepaling geschonden zou zijn. Zij werpt ten slotte nog op dat het overgrote deel van de kritieken van de verzoekende partij gericht is tegen het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en tegen het ministerieel besluit van 28 oktober 2020, waarvan het Hof de grondwettigheid niet kan nagaan. Het middel is derhalve niet ontvankelijk in zoverre de verzoekende partij de ongrondwettigheid van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 aanvoert. A.40.
- Het Verenigd College merkt, wat de grond van het middel betreft, vervolgens op dat de bestreden ordonnantie op geen enkele wijze de gegevensverwerking regelt. Er wordt in de bestreden ordonnantie zelfs niet gesproken over enige verzameling, verwerking, verzending of toepassing van persoonsgegevens. Het Verenigd College betoogt voorts dat de contactpersonen die een hoogrisicoprofiel vertonen en de personen die aankomen uit een rode zone behoren tot de categorie van personen « bij wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat ze besmet zijn met het coronavirus COVID-19, zonder dat een coronavirus COVID-19-test is uitgevoerd of voorgeschreven of waarbij de coronavirus COVID-19-test op het coronavirus COVID-19 uitwees dat ze niet besmet waren », wier gegevens rechtmatig overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 worden verwerkt. Er is dus geen sprake van een parallel circuit. Het Verenigd College betoogt dat artikel 21, § 6, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 past in dat kader. 25 A.40.
- Het Verenigd College is ook van oordeel dat artikel 5,