← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.033

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 maart 2023 ECLI nr:

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie », ingesteld door Luc Lamine

Michel Lamine, door Marguerite Weemaes, door Kristien Roelants

Geert Lambrechts, door Vincent Franquet, door Paolo Criscenzo, door Ivar Hermans

anderen, door Peter De Roover

anderen, door de vzw « Groupe de Réflexion et d'Action Pour une Politique Ecologique »

anderen, door de vzw « Ligue des droits humains »

de vzw « Liga voor Mensenrechten »

door Karin Verelst

Jens Hermans. COVID-19-pandemie - Pandemiewet -

  1. Bevoegdheidverdelende regels -
  2. Verbod op schorsing van de Grondwet -
  3. Afkondiging

instandhouding van de epidemische noodsituatie -

  1. Wetenschappelijke gegevens -
  2. Bevoegdheid tot het nemen van maatregelen van bestuurlijke politie -
  3. Beperkingen van grondrechten door maatregelen van bestuurlijke politie -
  4. Strafbepalingen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 33/2023 van 2 maart 2023 Rolnummers : 7633, 7655, 7686, 7731, 7751, 7752, 7753, 7757, 7758

7759 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie », ingesteld door Luc Lamine

Michel Lamine, door Marguerite Weemaes, door Kristien Roelants

Geert Lambrechts, door Vincent Franquet, door Paolo Criscenzo, door Ivar Hermans

anderen, door Peter De Roover

anderen, door de vzw « Groupe de Réflexion et d’Action Pour une Politique Ecologique »

anderen, door de vzw « Ligue des droits humains »

de vzw « Liga voor Mensenrechten »

door Karin Verelst

Jens Hermans. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen

P. Nihoul,

de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt

K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen

rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 september 2021 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 13 september 2021, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 augustus 2021, tweede editie) door Luc Lamine

Michel Lamine. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 oktober 2021 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 22 oktober 2021, heeft Marguerite Weemaes beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 5 van dezelfde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november 2021 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 30 november 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3 van dezelfde wet door Kristien Roelants

Geert Lambrechts, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen. 2 d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 januari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 17 januari 2022, heeft Vincent Franquet beroep tot gehele of gedeeltelijke (artikel 5, §§ 1

2) vernietiging ingesteld van dezelfde wet. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 februari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 15 februari 2022, heeft Paolo Criscenzo, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. R. Bokoro N’Saku, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 tot 10 van dezelfde wet. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 18 februari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door Ivar Hermans, D.D., Liliana Carlisi, Hugo Cornelis, Veerle Mattheussen, Bart Keppens, Sebastien Calebout, Ruth Reynders, Leon Vervecken, Thierry De Mees, Dirk Landuyt, Sofie Van Remoortel, Etienne Opsteyn, Tim Reynders, Koen Terryn, Petra Cops, Ivo Goossens, Joseph Cassimons, Gunter Knapen, Monique Janssen, Claudia Congedo, Gert Gabriëls, Birgit Goris, Ilse Lemmens, Christel Lemmens, Lawrence Blyden, Jimmy Wenmeekers, C.G., Michiel Vanoppen, Tamara Buvens, Inge Ketels, Koen Alen, Gerlinda Van Kogelenberg, Christiaan Van Mieghem, Antoinette Bos, Sarah Janssen, Tinneke De Keersmaecker, Wouter Van Betten, Walter Ospitalieri, Mirke Van Der Gucht

Luciana Colladet. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wet. Bij het arrest nr. 80/2022 van 9 juni 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.080), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 oktober 2022, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. g. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 18 februari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, § 1

§ 2

, tweede

derde lid, artikel 4, artikel 5, § 1

§ 2

,

artikel 6, § 1, van dezelfde wet door Peter De Roover, Leo Joy Donné, Björn Anseeuw

Yngvild Ingels, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. M. E. Storme, advocaat bij de balie te Gent. h. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 februari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 22 februari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2, 3°, artikel 4, artikel 5

artikel 6 van dezelfde wet door de vzw « Groupe de Réflexion et d’Action Pour une Politique Ecologique », de vzw « Notre Bon Droit »

Thierry Vanderlinden, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. D. Brusselmans, advocaat bij de balie van Waals-Brabant. i. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 februari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 23 februari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Ligue des droits humains »

de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel. j. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 februari 2022 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 23 februari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door Karin Verelst

Jens Hermans, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. J. De Groote, advocaat bij de balie te Dendermonde. 3 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7633, 7655, 7686, 7731, 7751, 7752, 7753, 7757, 7758

7759 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. D. D’Hooghe, Mr. L. Schellekens, Mr. E. Myin, Mr. B. Lombaert, Mr. J. Simba

Mr. N. Tack, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend (in alle zaken), de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7633, 7686, 7751, 7752, 7753, 7757, 7758

7759 hebben memories van antwoord ingediend

de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend (in de zaken nrs. 7633, 7686, 7751, 7752, 7753, 7757, 7758

7759). Bij beschikking van 12 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache

M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 oktober 2022

de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7752, 7757

7758 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 26 oktober 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 23 november 2022. Op de openbare terechtzitting van 23 november 2022 : - zijn verschenen : . Mr. P. Vande Casteele, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7686; . Mr. R. Bokoro N’Saku, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7751,

Paolo Criscenzo; . Ivar Hermans, in eigen persoon; . Mr. M. E. Storme, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7753; . Mr. D. Brusselmans, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7757,

Thierry Vanderlinden; . Mr. V. Letellier, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7758; . Mr. J. De Groote, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7759; . Mr. D. D’Hooghe, Mr. L. Schellekens, Mr. B. Lombaert

Mr. J. Simba, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Y. Kherbache

M. Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; 4 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 7633 A.1. De verzoekende partijen, zijnde twee natuurlijke personen, vorderen de vernietiging van de artikelen 3, § 2, derde lid, 4, § 1, derde lid,

§ 3

, derde lid,

5, § 1, b), d), e)

h),

§ 2

, a), c), d)

g), van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (hierna : de Pandemiewet). Ter ondersteuning van hun belang voeren zij aan dat, zolang de vaccinatie tegen het COVID-19-virus niet wettelijk verplicht is, of zolang de Belgische Staat niet bij wet bepaalt dat alle schade die door de vaccinatie wordt veroorzaakt, zal worden vergoed, zij weigeren zich te laten inenten tegen het COVID-19-virus. De verzoekende partijen kunnen door een inenting met het vaccin bloedklonters ontwikkelen

ze kunnen zich dan niet tot de Belgische Staat richten zoals iemand die zich krachtens een wettelijke verplichting zou hebben laten vaccineren. Ten minste kan de rechtstreekse of onrechtstreekse vaccinatiedwang bij de verzoekende partijen een levenslange angst veroorzaken. A.2. De verzoekende partijen voeren ten gronde vijf middelen aan. A.3.1. Het eerste middel heeft betrekking op artikel 5, § 1, b), d), e)

h),

§ 2

, a), c), d)

g), van de Pandemiewet

is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 22

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 5, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met het beginsel van de

ge interpretatie van uitzonderingen. De bestreden artikelen maken het mogelijk de uitoefening van bepaalde rechten afhankelijk te stellen van een vaccinatie, een PCR-test of een herstelcertificaat. Het opleggen van een vaccinatie, een PCR-test of een herstelcertificaat

het daaraan koppelen van vrijheidsbeperkende maatregelen is echter, volgens de verzoekende partijen, een exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever omdat het een inmenging in het recht op privéleven uitmaakt. Een machtiging aan de Koning om vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen moet, ingevolge het formeel wettigheidsbeginsel, in uitdrukkelijke bewoordingen in de machtigingswet worden geformuleerd

de federale wetgever moet steeds zelf de essentiële elementen ervan vaststellen. A.3.2.1. Allereerst merkt de Ministerraad op dat het eerste middel onontvankelijk is, aangezien niet wordt uiteengezet op welke manier de door de verzoekende partijen aangevoerde referentienormen zouden worden miskend. Vervolgens voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen er ten onrechte van uitgaan dat de Pandemiewet zou toelaten om vaccinaties te verplichten. Het « opleggen van fysieke of sanitaire maatregelen » (artikel 5, § 1, h),

, § 2, g), van de Pandemiewet) is immers beperkt tot maatregelen zoals het houden van een bepaalde afstand van andere personen, het dragen van een persoonlijk beschermingsmiddel of de regels betreffende de handhygiëne. Een machtiging voor het (onrechtstreeks) verplicht stellen van een vaccinatie valt niet onder die bepalingen. Ten slotte meent de Ministerraad dat in de artikelen 5, § 1, b),

5, § 2, a), van de Pandemiewet

kel in een delegatie wordt voorzien om nadere regels of voorwaarden te bepalen voor de toegang tot één of meerdere categorieën van inrichtingen of delen van inrichtingen die publiek ontvangen, alsook van samenkomstplaatsen,

niet om lichaamsstoffen af te nemen. Eenzelfde redenering kan worden toegepast ten aanzien van de artikelen 5, § 1, e),

5, § 2, d), van de Pandemiewet, waarin het bepalen van nadere regels of voorwaarden voor verplaatsingen, de beperking daarvan of het verbod daarop wordt gedelegeerd. 5 A.3.2.2. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat het eerste middel van de verzoekende partijen neerkomt op een schending van het recht op privéleven

meer bepaald van het formeel wettigheidsbeginsel dat erin vervat zit. Echter, de Pandemiewet kent geenszins een (onrechtstreekse) delegatie toe om een vaccinatie op te leggen, noch om lichaamsstoffen af te nemen. Om die reden wordt het recht op privéleven niet geschonden. Daarnaast meent dat de Ministerraad dat, zelfs indien er sprake zou zijn van een delegatie van bevoegdheid, die delegatie verenigbaar is met het recht op privéleven

het formeel wettigheidsbeginsel. De machtiging aan de Koning is voldoende nauwkeurig omschreven

heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Artikel 5, § 1, b), d), e)

h),

§ 2

, a), c), d)

g), van de Pandemiewet, gelezen in samenhang met andere bepalingen van de Pandemiewet, beantwoordt op afdoende wijze aan het formeel wettigheidsbeginsel. De wetgever heeft uitdrukkelijk

voldoende precies bepaald welke maatregelen van bestuurlijke politie kunnen worden genomen

in welke gevallen de bevoegdheid om deze maatregelen te nemen, kan worden uitgeoefend. Daarnaast geeft de memorie van toelichting nog verdere duiding per categorie van maatregelen

een precieze beschrijving van de gedelegeerde bevoegdheden. A.3.3. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van antwoord vast dat de bestreden Pandemiewet werd aangenomen op een ogenblik dat de « uitzonderlijke omstandigheden » (nog) niet aanwezig waren. De Pandemiewet werd door de Koning ondertekend op 14 augustus 2021

de « epidemische noodsituatie » werd pas afgekondigd op 28 oktober 2021 bij koninklijk besluit « houdende de afkondiging van de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19-pandemie », dat door de wetgever werd goedgekeurd bij de wet van 10 november 2021 « tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de afkondiging van de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19-pandemie ». De door de bestreden Pandemiewet aan de Koning

de minister verleende machtiging is dus ongrondwettelijk. De verzoekende partijen merken wel op dat er eventueel een voorbehoud van interpretatie kan worden gemaakt. Rekening houdend met de stelling van de Ministerraad moet de bestreden wet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de Koning niet toelaat een vaccinatie rechtstreeks of onrechtstreeks verplicht te stellen

Hem dus niet machtigt om het gebruik van bijvoorbeeld het Covid Safe Ticket voor te schrijven. A.3.4. De Ministerraad merkt op dat het voorbehoud van interpretatie niet kan worden gevolgd. Het is niet uitgesloten dat op basis van de delegatie aan de Koning toegangsvoorwaarden vastgesteld worden. Dit neemt niet weg dat de Pandemiewet

kel de delegatie bevat om de toegangsvoorwaarden te regelen. De Pandemiewet alleen volstaat niet om de afgifte van test- of vaccinatiecertificaten te regelen

delegeert deze bevoegdheid dan ook niet aan de Koning. A.4.1. Het tweede middel heeft betrekking op artikel 5, § 1, b), d), e)

h),

§ 2

, a), c), d)

g), van de Pandemiewet, in zoverre het niet bepaalt dat diegenen die zich laten inenten met het vaccin, dat krachtens de bestreden wet wordt geëist om van bepaalde rechten gebruik te kunnen maken, altijd geacht worden zich te hebben laten inenten teneinde te voldoen aan een wettelijke verplichting. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 22

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 5, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het evenredigheidsbeginsel, met het redelijkheidsbeginsel, met het beginsel van de goede trouw, met het beginsel van de indirecte discriminatie, met de artikelen 1382

1383 van het oud Burgerlijk Wetboek

met artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Volgens de verzoekende partijen verplicht artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het opstellen van een wettelijk kader wanneer de regelgeving de lichamelijke

fysieke integriteit raakt. Een wettelijke verplichting tot vaccineren ontbreekt in België. De categorie van personen die zich laat inenten om te voldoen aan een wettelijke verplichting

de categorie van personen die zich laat inenten om van bepaalde rechten gebruik te kunnen maken, zijn voldoende vergelijkbaar in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

het recht op bescherming van de gezondheid (artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet). Er is echter een niet te verantwoorden ongelijke behandeling op het gebied van hun bescherming in het geval het vaccin schade zou veroorzaken. De Staat moet immers

kel de schade vergoeden wanneer de vaccinatie verplicht is gesteld, maar niet wanneer de vaccinatie wordt aanbevolen. Wie zich echter laat inenten om solidair te zijn met de gemeenschap, heeft het recht te eisen dat de gemeenschap solidair is met hem, wanneer zijn solidariteit voor hem schadelijke gevolgen zou hebben. 6 A.4.2.1. Allereerst merkt de Ministerraad op dat in het tweede middel niet wordt uiteengezet in welk opzicht de artikelen 10, 11, 12

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 1, 5

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het evenredigheidsbeginsel, met het redelijkheidsbeginsel, met het beginsel van de goede trouw, met het beginsel van de indirecte discriminatie, met de artikelen 1382

1383 van het oud Burgerlijk Wetboek

met artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden geschonden door de bestreden artikelen van de Pandemiewet, waardoor het middel, voor wat deze artikelen betreft, als onontvankelijk moet worden afgewezen. A.4.2.2. Ten gronde meent de Ministerraad dat de Pandemiewet in geen geval een onrechtstreekse vaccinatieverplichting oplegt, waardoor er geen verschil in behandeling kan bestaan tussen personen die zich laten inenten teneinde te voldoen aan een wettelijke verplichting

erzijds,

personen die zich laten inenten om te voldoen aan een « onrechtstreekse vaccinatieverplichting ». A.4.3. De verzoekende partijen herhalen dat zij niet beweren dat de bestreden Pandemiewet een vaccinatieplicht oplegt; zij laken

kel het feit dat de bestreden Pandemiewet de Koning

de andere overheden toelaat de uitoefening van bepaalde rechten afhankelijk te maken van bepaalde inentingen, zonder evenwel te bepalen dat diegenen die zich laten inenten altijd geacht worden zich te hebben laten inenten teneinde te voldoen aan een wettelijke verplichting. De verzoekende partijen merken wel op dat er eventueel een voorbehoud van interpretatie kan worden gemaakt. De bestreden Pandemiewet moet, indien zij de Koning toch zou toelaten de uitoefening van bepaalde rechten afhankelijk te maken van een vaccinatie, zo worden geïnterpreteerd dat diegenen die de inentingen in België laten toedienen altijd geacht worden zich te hebben laten inenten om te voldoen aan de wettelijke verplichting

dat de overheden die de vaccinatie « met een niet gebruikelijk vaccin » rechtstreeks of onrechtstreeks verplicht hebben gemaakt objectief aansprakelijk zijn voor de schade die met een redelijke waarschijnlijkheid kan worden geacht veroorzaakt te zijn door een in België uitgevoerde vaccinatie. A.4.4. De Ministerraad herhaalt dat er geen sprake is van een vaccinatieverplichting, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks. Er is dan ook geen reden om in het kader van het vernietigingsberoep aan te nemen dat inentingen geacht moeten worden toegediend te zijn om te voldoen aan een wettelijke verplichting, daar de Pandemiewet geen

kele (on)rechtstreekse vaccinatieverplichting oplegt. Daarnaast merkt de Ministerraad op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, anders dan dat de verzoekende partijen lijken te beweren, een overheid niet verplicht te voorzien in een systeem van (objectieve) aansprakelijkheid bij schade die voortvloeit uit een aanbevolen vaccinatie. Meer nog, ook indien er sprake zou zijn van een verplichte vaccinatie, moet de overheid niet per se voorzien in een systeem van objectieve aansprakelijkheid, wanneer de vaccins niet tegen de wil van een persoon worden toegediend. A.5.1. Als derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan door artikel 5, § 1, h),

§ 2

, g), van de Pandemiewet, van de artikelen 10, 11, 15, 16

22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 105

159 van de Grondwet, met de artikelen 1, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten

de politieke rechten, met het beginsel van de strikte interpretatie van uitzonderingen

met het beginsel van de

ge interpretatie van strafwetten

wetten die machtiging verlenen om strafbare feiten te omschrijven. De vernietiging van artikel 5, § 1, h),

§ 2

, g), van de Pandemiewet wordt gevorderd in zoverre het bepaalt dat het recht om in een woning of in aanhorigheden te ontvangen wie men wil, kan worden beperkt door de Koning, de minister van Binnenlandse Zaken of

ige andere overheid. Het recht op gezinsleven houdt het recht in als familie samen te zijn. Het recht om met zijn familie samen te zijn is dus een « essentieel element » van het recht op familieleven

de machtiging om aan dat « essentieel element » afbreuk te doen, moet in de delegatie- of machtigingswet uitdrukkelijk worden opgenomen. De bestreden bepalingen schenden het formeel wettigheidsbeginsel aangezien ook de essentiële elementen van de beperking worden gedelegeerd. Daarnaast wordt ook het materieel wettigheidsbeginsel geschonden, aangezien de beperking voldoende precies moet zijn, de gevolgen ervan moeten voorzien zijn

een dergelijke bepaling moet beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte

evenredig moet zijn, hetgeen niet het geval is. A.5.2.1. Allereerst merkt de Ministerraad op dat het derde middel deels onontvankelijk is, daar de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de artikelen 10, 11

16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 105

159 van de Grondwet, met de artikelen 1

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag 7 voor de rechten van de mens, met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten

de politieke rechten, met het beginsel van de strikte interpretatie van uitzonderingen

met het beginsel van de

ge interpretatie van strafwetten

wetten die machtiging verlenen om strafbare feiten te omschrijven, worden geschonden door de bestreden artikelen van de Pandemiewet. A.5.2.2. Ten gronde stelt de Ministerraad vast dat in het « recht op respect voor de eigen woning » wordt voorzien in artikel 15 van de Grondwet

artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het ongestoord leven in de woning beschermt. De verzoekende partijen tonen geenszins aan op welke wijze dit recht geschonden zou zijn, nu zij dit

kel koppelen aan de bescherming « ten aanzien van beperkingen om in zijn woning te ontvangen wie men wil »; er wordt niet verduidelijkt waarom de bestreden artikelen van de Pandemiewet zouden toelaten dat beperkingen worden gesteld aan de keuze van personen die in de woning mogen worden ontvangen. In elk geval voorzien de bestreden artikelen van de Pandemiewet geenszins in een delegatie om te beperken wie men in zijn woning kan ontvangen. Artikel 5, § 1, h),

§ 2

, g), houdt

kel maatregelen van bestuurlijke politie in die betrekking hebben op het houden van een bepaalde afstand tot andere personen, het dragen van een persoonlijk beschermingsmiddel of regels betreffende de handhygiëne. A.5.

  1. Opnieuw merken de verzoekende partijen op dat eventueel een voorbehoud van interpretatie kan worden gemaakt. De Ministerraad stelt dat de bestreden Pandemiewet geenszins voorziet in een delegatie om te beperken wie men in zijn woning of in de aanhorigheden kan ontvangen. De bestreden Pandemiewet moet dan ook in die zin worden geïnterpreteerd. A.5.
  2. De Ministerraad merkt op dat de door de verzoekende partijen voorgestelde interpretatie dat er geen sprake zou zijn van een delegatie aan de Koning om te beperken wie men in de woning of in de aanhorigheden kan ontvangen, niet kan worden bijgetreden. Ook is er geen schending van artikel 15 van de Grondwet, aangezien de bestreden Pandemiewet in geen geval vaststelt dat een huiszoeking kan plaatsvinden. Ook kan van een schending van het recht op privé-

gezinsleven geen sprake zijn. A.6.1. Als vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan door artikel 3, § 2, derde lid,

artikel 4, § 3, derde lid, van de Pandemiewet van de artikelen 10, 11, 22, eerste lid,

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 187 van de Grondwet, met de artikelen 1, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten

de politieke rechten, met het beginsel van de rechtsstaat

de heerschappij van het recht, met het beginsel van de goede trouw, met het beginsel van het verbod op wetsontduiking, met het algemeen beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet, met artikel 5, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I) »

met artikel 7, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) ». De bestreden bepalingen laten de uitvoerende macht toe het recht op privéleven van de burgers te beperken tegen de wil van de volksvertegenwoordiging. De vernietiging van artikel 3, § 2, derde lid,

4, § 3, derde lid, van de Pandemiewet wordt gevorderd in zoverre de bestreden artikelen bepalen dat de in die artikelen bedoelde besluiten, wanneer zij door de Kamer van volksvertegenwoordigers niet worden bekrachtigd, ophouden van kracht te zijn voor de toekomst, maar niet bepalen dat zij met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Volgens de verzoekende partijen is het formeel wettigheidsbeginsel geschonden omdat de ontstentenis van bekrachtiging door de Kamer van volksvertegenwoordigers moet gepaard gaan met een intrekking met terugwerkende kracht. Echter, de bestreden bepalingen lenen zich tot een grondwetsconforme interpretatie, met name de interpretatie dat niet-bekrachtigde besluiten met terugwerkende kracht worden ingetrokken. A.6.2.1. Allereerst werpt de Ministerraad de gedeeltelijke onontvankelijkheid op van het vierde middel, omdat niet wordt uiteengezet in welk opzicht de artikelen 10, 11

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 187 van de Grondwet, met de artikelen 1, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten

de politieke rechten, met het beginsel van de rechtsstaat

de heerschappij van het recht, met het beginsel van de goede trouw, met het beginsel van het verbod op wetsontduiking, met het algemeen beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet, met artikel 5, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I) »

met artikel 7, 8 derde lid, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » worden geschonden door de bestreden bepalingen. A.6.2.

  1. Ten gronde merkt de Ministerraad op dat er geen schending is van het formeel wettigheidsbeginsel. Anders dan de verzoekende partijen beweren is er niet langer sprake van een « retroactiviteitsleer ». Er kan derhalve geen schending zijn van artikel 22, eerste lid, van de Grondwet. De Ministerraad wijst er tevens op dat, in het kader van een wet als de Pandemiewet, er een robuust kader met maatregelen dient te zijn dat afdwingbaar is. Het parlement wordt alle kansen geboden om een grondig parlementair debat te voeren over de vraag of er al dan niet een epidemische noodsituatie is. Doch ondertussen moeten de maatregelen wel kunnen worden afgedwongen. Hierbij is het retroactief opheffen van bijvoorbeeld geldboetes niet aangewezen, waardoor een retroactieve intrekking geenszins bevorderlijk is voor het legitieme doel dat de Pandemiewet beoogt. A.6.
  2. De verzoekende partijen stellen dat de « retroactiviteitsleer » door het Hof werd aanvaard in zijn arrest nr. 18/98 van 18 februari 1998 (ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.018). De theorie van de « retroactiviteitsleer » wordt tevens toegepast in artikel 5, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 (I)

artikel 7, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 (II). De verwijzing door de Ministerraad naar het arrest nr. 83/2008 van 27 mei 2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.083) is niet correct, aangezien in dat arrest niets wordt gezegd over de gevolgen van het niet-goedkeuren van de machtigingsbesluiten door de wetgever. In voorkomend geval menen de verzoekende partijen dat er een voorbehoud van interpretatie kan worden gemaakt. De bestreden artikelen 3, § 2, derde lid,

4, § 3, derde lid, van de Pandemiewet kunnen grondwetsconform worden geïnterpreteerd in die zin dat de door de Kamer van volksvertegenwoordigers niet bekrachtigde besluiten met terugwerkende kracht worden ingetrokken. A.6.

  1. In zijn memorie van wederantwoord wijst de Ministerraad erop dat de kritiek van de verzoekende partijen inzake de « retroactiviteitsleer » slechts relevant is in zoverre er een delegatie van essentiële elementen zou plaatsvinden in de Pandemiewet, hetgeen te dezen niet het geval is. A.7.
  2. Het vijfde middel van de verzoekende partijen gaat uit van een schending door artikel 4, § 1, derde lid, van de Pandemiewet, van de artikelen 10, 11, 12

14 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 33

37 van de Grondwet

met de artikelen 1, 7

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De federale wetgever mag aan de minister van Binnenlandse Zaken geen bevoegdheden delegeren, zoals is gebeurd in artikel 4, § 1, derde lid, van de Pandemiewet, nu deze delegaties geen detailregelingen uitmaken. De artikelen 33

37 van de Grondwet verhinderen de delegatie van bevoegdheid van de federale wetgever aan een federale minister; alleen de Koning of een regering kan een dergelijke delegatie uitvaardigen. Het probleem van de onmogelijkheid van de Koning om onmiddellijk een koninklijk besluit te ondertekenen is een algemeen probleem dat op uniforme wijze moet worden opgelost. Door

kel voor epidemische noodsituaties een oplossing te bieden

niet voor andere koninklijke besluiten, wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. A.7.2.1. De Ministerraad werpt de gedeeltelijke onontvankelijkheid op van het middel, aangezien niet wordt uiteengezet in welke mate de artikelen 12

14 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 1, 7

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden geschonden door de bestreden artikelen van de Pandemiewet. Vervolgens merkt de Ministerraad op dat het Hof niet bevoegd is om de bestreden artikelen te toetsen aan de artikelen 33

37 van de Grondwet, zelfs niet met verwijzing naar een miskenning van het gelijkheidsbeginsel, omdat het zich niet kan buigen over de relatie tussen de uitvoerende macht

de wetgevende macht. Er wordt, volgens de Ministerraad, niet verduidelijkt welke onderscheiden categorieën van personen ten onrechte ongelijk zouden worden behandeld. « Adressaten van toekomstige pandemiebesluiten »

« adressaten van andere toekomstige koninklijke besluiten » zijn geen omlijnde categorieën van personen, want de adressaten van toekomstige pandemiebesluiten zijn dezelfde als de adressaten van andere toekomstige koninklijke besluiten. Bovendien bestaan er nog verscheidene andere gevallen waarin in een delegatie van verordenende bevoegdheid aan een minister wordt voorzien, al dan niet met objectieve redenen die een dringend optreden van de uitvoerende macht vereisen. Als voorbeelden worden aangehaald : artikel XVIII.1 van het Wetboek van economisch recht, artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid », artikel 11 van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt », artikel 4, eerste lid, van de wet van 31 december 1963 « betreffende de civiele bescherming ». 9 A.7.2.2. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat de wetgever wel degelijk een verordenende bevoegdheid van bijkomstige aard kan opdragen aan een minister indien objectieve redenen een dringend optreden vereisen. De Ministerraad verwijst naar de arresten nrs. 10/2014 van 23 januari 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.010)

32/2007 van 21 februari 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.032), waarin het Hof heeft geoordeeld dat die wettelijke bevoegdheidsoverdracht dient in overeenstemming te zijn met het formeel wettigheidsbeginsel, hetgeen het geval is wanneer de delegatie

kel plaatsvindt voor uitzonderlijke omstandigheden, op een uitdrukkelijke

ondubbelzinnige wijze geformuleerd wordt

wanneer ze bekrachtigd wordt door de wetgever binnen een relatief korte termijn, zoals vastgesteld in de machtigingswet. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat artikel 33 van de Grondwet in geen geval relevant is, aangezien dit artikel impliceert dat de door de Grondwet toegekende machten

bevoegdheden niet kunnen worden gedelegeerd aan een andere staatsmacht. Dit betekent dat de Koning zijn bevoegdheid in beginsel niet kan overdragen aan een minister. Anders dan de verzoekende partijen beweren in hun verzoekschrift heeft deze grondwetsbepaling geen betrekking op delegaties van de federale wetgever aan de minister. A.7.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de delegatie aan een minister niet ter discussie staat in het arrest nr. 10/2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.010). De prejudiciële vraag had in die zaak

kel betrekking op de eventuele schending van de artikelen 10, 11, 170, § 1, 172, tweede lid, van de Grondwet

niet op de grondwettelijkheid van de « delegatie » aan de minister

de belastingadministratie, waarover het Hof zich dan ook niet heeft over uitgesproken. A.7.4. De Ministerraad wijst er ten slotte op dat de kritiek van de verzoekende partijen dat er geen sprake kan zijn van een delegatie aan de minister door de wetgever, zolang er geen noodtoestand is in de zin van artikel 15 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet kan worden gevolgd. Ingevolge artikel 187 van de Grondwet, is het immers niet mogelijk om de Grondwet geheel of gedeeltelijk te schorsen

ingevolge artikel 53 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is het evenmin mogelijk om van de grondrechten, gewaarborgd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, af te wijken. Om die redenen moeten de beperkingen van de grondrechten getoetst worden aan de gewone beperkingsvoorwaarden van titel II van de Grondwet

van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zaak nr. 7655 A.8.1. De verzoekende partij, zijnde een natuurlijke persoon, vordert de vernietiging van artikel 5, § 1, b), d), e)

h),

§ 2

, a), c), d)

g), van de Pandemiewet. Ter ondersteuning van haar belang, werpt zij op dat zij

kele jaren geleden half verlamd is geraakt door een bloedklonter in de hersenen. De bestreden Pandemiewet kan zo worden geïnterpreteerd dat zij de Koning

andere overheden toelaat vrijheidsbeperkende maatregelen uit te vaardigen, waaronder een rechtstreekse of onrechtstreekse verplichte vaccinatie met het nog niet gebruikelijke COVID-19-vaccin. A.8.

  1. De Ministerraad meent dat de verzoekende partij niet beschikt over het rechtens vereiste belang. De bestreden Pandemiewet verleent aan de Koning geen machtiging om een vaccinatie verplicht te stellen. Zelfs indien de redenering van de verzoekende partij wordt gevolgd, is er op grond van de Pandemiewet zelf geen vaccinatieplicht. Bovendien is het mogelijk om een test af te leggen die COVID-19 opspoort of een herstelcertificaat voor te leggen waardoor men bepaalde rechten kan blijven uitoefenen. Een gebeurlijke vernietiging zal de verzoekende partij geen rechtstreeks voordeel bezorgen. A.9.
  2. Ten gronde voert de verzoekende partij één middel aan. Zij meent dat de artikelen 10, 11, 12, 22

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 5, 8

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het beginsel van de menselijke waardigheid

met het beginsel van de

ge interpretatie van uitzonderingen, worden geschonden door artikel 5, § 1, b), d), e)

h),

§ 2

, a), c), d)

g), van de Pandemiewet. Het

ige middel gaat uit van de vaststelling dat vaccinatie verplicht zou kunnen worden gesteld, dat de uitoefening van bepaalde rechten zou kunnen worden onderworpen aan een inenting, een PCR-test of een herstelcertificaat

dat vrijheidsbeperkende maatregelen een exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever zijn. Door de bestreden bepalingen wordt het formeel wettigheidsbeginsel geschonden, want een delegatiewet met betrekking tot een aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid moet de « essentiële elementen » van de beperking van de grondrechten bepalen in duidelijke bewoordingen. Daarnaast wordt ook het materieel wettigheidsbeginsel 10 geschonden omdat de overheidsinmenging in een voldoende precieze wettelijke bepaling moet worden opgenomen, het moet voldoen aan een dwingende maatschappelijke behoefte

het evenredig moet zijn aan de nagestreefde doelstelling. Tevens wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden; men dient de verplichte inenting van polio te vergelijken met de verplichte inenting van een ander vaccin. Ook voor andere vaccinaties is een uitdrukkelijke, het woord « vaccinaties » bevattende, federale delegatiewet vereist. A.9.2.1. De Ministerraad voert aan dat het

ige middel deels onontvankelijk is, in de mate dat niet wordt uiteengezet in welk opzicht de artikelen 12

23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 5

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met het beginsel van de menselijke waardigheid zouden zijn miskend. De Ministerraad voert aan dat de bestreden Pandemiewet niet toelaat vaccinaties verplicht te maken. Daarnaast beoogt de bestreden wet geen delegatie aangaande het afnemen van lichaamsstoffen, maar

kel het beperken van de toegang tot categorieën van inrichtingen of delen van inrichtingen die publiek ontvangen, alsook van samenkomstplaatsen. Eenzelfde redenering kan ook worden toegepast ten aanzien van de delegatie van het bepalen van nadere regels of voorwaarden voor verplaatsingen, de beperking daarvan of het verbod daarop. A.9.2.2. Ten gronde meent de Ministerraad dat de kritiek van de verzoekende partij neerkomt op een schending van het formeel

het materieel wettigheidsbeginsel (artikel 22 van de Grondwet

artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens). Voor wat het formeel wettigheidsbeginsel betreft, meent de Ministerraad dat de machtiging aan de Koning voldoende nauwkeurig is omschreven

betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Het staat vast dat de bestreden artikelen, in samenhang gelezen met de andere bepalingen van de Pandemiewet, op afdoende wijze beantwoorden aan het formeel wettigheidsbeginsel. Voor wat het materieel wettigheidsbeginsel betreft, meent de Ministerraad dat de bestreden Pandemiewet in geen geval een delegatie bevat om een vaccinatie te verplichten, dan wel om lichaamsstoffen af te nemen, waardoor er geen schending is van het recht op privéleven. Tevens toont de verzoekende partij niet aan dat een niet-verplichte vaccinatie een inbreuk zou uitmaken op het recht op privéleven. Voor wat de mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, doordat wel is voorzien in een expliciete federale delegatiewet voor het poliomyelitis-vaccin, maar niet voor vaccins die verplicht zouden moeten worden toegediend op basis van de Pandemiewet, merkt de Ministerraad opnieuw op dat er geen delegatie is aan de Koning om vaccinatie te verplichten. Zaak nr. 7686 A.10.1. De zaak nr. 7686 wordt ingeleid door twee natuurlijke personen, die de vernietiging vorderen van artikel 3 van de Pandemiewet. Als

ig middel, opgedeeld in vijf onderdelen, voeren ze de schending aan van de artikelen 10, 11, 13, 19, 23

32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 160

190 van de Grondwet, met het beginsel van behoorlijke bekendmaking, met de artikelen 6, 10, 13

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het rechtsstaatbeginsel, met het redelijkheidsbeginsel, met het zorgvuldigheidsbeginsel, met de artikelen 11, 52

53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 5 van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming

toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus)

met de Verklaring van Rio de Janeiro van juni 1992 inzake Milieu

Ontwikkeling (hierna : de Verklaring van Rio). A.10.2. De Ministerraad meent dat de verzoekende partijen niet beschikken over het rechtens vereiste belang, aangezien zij nergens in hun verzoekschrift uiteenzetten welk eigen, voldoende geïndividualiseerd belang zij zouden kunnen hebben bij de vernietiging van de Pandemiewet. Daarnaast valt er geen belang aan te tonen bij een beroep tot vernietiging van artikel 3, § 2, eerste lid,

artikel 3, § 3, van de Pandemiewet. De Pandemiewet beoogt immers meer transparantie in de besluitvorming rond epidemische noodsituaties te bewerkstelligen

zorgt voor een verbetering van de rechtspositie van de rechtsonderhorigen. Voorheen was niet in een bekendmaking van wetenschappelijke gegevens voorzien

de loutere vaststelling dat de bekendmaking van wetenschappelijke gegevens wordt onderworpen aan bepaalde modaliteiten doet hieraan geen afbreuk. 11 Bovendien dient het

ige middel deels als onontvankelijk te worden afgewezen, omdat het Hof niet bevoegd is om de bestreden bepalingen van de Pandemiewet rechtstreeks te toetsen aan verdragen, zoals het Verdrag van Aarhus, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

de Verklaring van Rio, noch aan algemene rechtsbeginselen die niet bestaan of geen grondwettelijke waarde hebben. Tevens wordt door de verzoekende partijen niet uiteengezet in welke mate de bestreden artikelen van de Pandemiewet de artikelen 13, 19, 23

33 van de Grondwet, de artikelen 13

14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 11, 52

53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de Verklaring van Rio

het zorgvuldigheidsbeginsel zouden kunnen schenden. A.10.3. Volgens de verzoekende partijen kan het zo zijn dat de wetgever « […] meer transparantie in de besluitvorming rond de epidemische noodsituaties [beoogt] te bewerkstelligen

[…] aldus [zorgt] voor een verbetering van de rechtspositie van de rechtsonderhorigen », maar dit neemt niet weg dat artikel 3 van de Pandemiewet temporele

inhoudelijke beperkingen instelt die na een vernietigingsarrest kunnen worden vermeden door een nieuwe wet. Rekening houdend met het feit dat de bekendmaking van de wetenschappelijke gegevens aan de bevolking een noodzakelijke voorwaarde is om ervan kennis te krijgen, is de mogelijkheid voor elke persoon om te allen tijde zo spoedig mogelijk, zo geheel mogelijk

zo gecentraliseerd mogelijk hiervan kennis te nemen, een recht dat inherent is aan een rechtsstaat. De bekendmaking stelt iedereen in staat om de beperkingen die de besluiten invoeren, met kennis van zaken te betwisten bij de rechtscolleges. Er kan

kel een volwaardige betwisting ingesteld worden bij de Raad van State, wanneer men beschikt over alle wetenschappelijke gegevens. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, wordt het beroep tot vernietiging niet beperkt tot artikel 3, § 2, eerste lid,

§ 3, van de Pandemiewet.

De wetgever heeft een globaal systeem van besluiten, die de epidemische noodsituatie afkondigen of in stand houden, ingesteld, dat ernstige gevolgen kan hebben voor alle grondrechten. A.10.4. De Ministerraad herhaalt dat vaststaat dat, in zoverre de middelen van de verzoekende partijen deels steunen op vermeende rechtstreekse schendingen van het Verdrag van Aarhus, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

de Verklaring van Rio, het beginsel van behoorlijke bekendmaking, het rechtsstaatbeginsel, het redelijkheidsbeginsel

het zorgvuldigheidsbeginsel, die middelonderdelen in elk geval onontvankelijk zijn. Daarnaast dienen bepaalde middelonderdelen eveneens als onontvankelijk te worden afgewezen omdat niet wordt uiteengezet waarom bepaalde toetsingsnormen

beginselen zouden worden geschonden door de bestreden bepalingen van de Pandemiewet. A.11.1. Als eerste onderdeel werpen de verzoekende partijen de schending op door artikel 3, §§ 2

3, van de Pandemiewet, van de artikelen 10, 11, 13, 19, 23, 32

160 van de Grondwet

van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er bestaat een niet te verantwoorden ongelijkheid van behandeling tussen het Belgische volk

de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers; nochtans zijn beiden evenwaardige adressaten van de wetenschappelijke gegevens. De wetenschappelijke gegevens worden aan de bevolking pas bekendgemaakt wanneer

in zoverre de gegevens beschikbaar

bruikbaar zijn, terwijl de mededeling van diezelfde gegevens aan de voorzitter zo spoedig mogelijk gebeurt. Die temporele beperking is onredelijk

niet te verantwoorden. Ook de inhoudelijke beperking die verband houdt met de « in zoverre » is onredelijk. De verzoekende partijen vragen zich immers af wat « in zoverre de wetenschappelijke gegevens beschikbaar

bruikbaar zijn » betekent. De inhoudsbepaling hangt af van de wil

de mogelijkheden van onderscheiden bevoegde overheden

diensten die toezien op de gefragmenteerde bekendmaking van de wetenschappelijke gegevens. De verzoekende partijen merken op dat het besluit tot afkondiging van de epidemische noodsituatie onmiddellijk in werking treedt

dat elke vertraging in de bekendmaking van de wetenschappelijke gegevens onredelijk is. Bovendien kan de bevolking de parlementaire bekrachtigingsprocedure niet voldoende kritisch volgen, aangezien initieel

kel de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers kennis heeft van de wetenschappelijke gegevens. Dus, zowel de temporele beperking (bekendmaking van zodra beschikbaar

bruikbaar) als de inhoudelijke beperking (bekendmaking in zoverre beschikbaar

bruikbaar) is onredelijk. Bovendien is er sprake van een gefragmenteerde bekendmaking waarbij de burger zelf op zoek moet gaan naar alle bekendmakingen, terwijl de mededeling aan de voorzitter geschiedt met een geconsolideerde

gecentraliseerde bekendmakingsmodus, zoals het centrale consultatieplatform. 12 A.11.2. Allereerst merkt de Ministerraad op dat de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers

de bevolking twee categorieën zijn die niet vergelijkbaar zijn. Van de algemene bevolking mag niet worden verwacht dat wetenschappelijke informatie voor hen in elke vorm zomaar als leesbaar overkomt. Dit is de reden om aan de bevolking informatie te bezorgen die beschikbaar

bruikbaar is. Indien de wetenschappelijke informatie steeds rechtstreeks aan de bevolking zou worden bezorgd, kan dit leiden tot een uitholling van de transparantie die door de wetgever wordt beoogd of bestaat het risico dat niet iedereen van de algemene bevolking bereikt kan worden. Daarnaast is de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers een onderdeel

een vertegenwoordiger van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Door de voorzitter de wetenschappelijke gegevens, op basis waarvan de besluiten die een epidemische noodsituatie afkondigen zijn genomen, mee te delen, versterkt de Pandemiewet de democratische controle op de beslissing of er sprake is van een epidemische noodsituatie

dus indirect ook op de maatregelen die genomen kunnen worden in een dergelijke context. Zo krijgt de Kamer van volksvertegenwoordigers de mogelijkheid om met volledige kennis van zaken te oordelen of er sprake is van een epidemische noodsituatie. Derhalve verschilt de situatie van de voorzitter wezenlijk van die van de algemene bevolking

ook de doelstelling waarvoor de wetenschappelijke gegevens aan de voorzitter

de bevolking worden bezorgd. De bevolking moet immers niet stemmen over de bekrachtiging van een koninklijk besluit dat een epidemische noodsituatie uitroept. Het loutere gegeven dat de bevoegde overheden

diensten, ingevolge artikel 3, § 3, van de Pandemiewet, toezien op de bekendmaking van die wetenschappelijke gegevens aan de bevolking, geeft, volgens de Ministerraad, geen aanleiding tot

ige miskenning van het gelijkheidsbeginsel. Dat gegeven vormt net een waarborg voor de bevolking teneinde transparantie te verzekeren. Het is overigens niet uitgesloten dat de wetenschappelijke informatie meteen ook aan de bevolking wordt bekendgemaakt, in zoverre de wetenschappelijke informatie die aan de voorzitter wordt bezorgd reeds beschikbaar

bruikbaar is in de zin van artikel 3, § 3, van de Pandemiewet. Om diezelfde reden maakt ook het verschil in de wijze waarop,

erzijds, de voorzitter

, anderzijds, de bevolking kennis krijgen van die wetenschappelijke gegevens, geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel uit. Ten slotte stelt de Ministerraad vast dat artikel 3, § 3, van de Pandemiewet het recht van een rechtzoekende op toegang tot een rechter niet miskent. Er wordt door de bestreden bepaling niet geraakt aan de toepasselijkheid van de openbaarheidswetgeving waardoor eenieder nog steeds beschikt over het recht om de adviezen

de wetenschappelijke gegevens op te vragen. A.11.3. De hoofdreden van de Ministerraad om het onderdeel van het middel af te wijzen, berust, volgens de verzoekende partijen, op de « plebs-ondeskundigheid »-theorie die neerkijkt op de « bevolking ». Een dergelijk betoog is in een democratische rechtsstaat niets anders dan een grove aanfluiting van het gezond verstand

de uitdrukking van misplaatste superioriteitscomplexen. De voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers is de verkozene van het volk

dus niets anders dan louter een verkozene van het volk met

kel kwaliteiten van het volk. Voor de « bevolking » zijn de wetenschappelijke gegevens die de voorzitter zonder

ige filter ontvangt, evenzeer te begrijpen als ze te begrijpen zijn voor de voorzitter. Bovendien heeft « het bereiken » niets te maken met de « beschikbaarheid

bruikbaarheid » van de wetenschappelijke gegevens, waarvoor de Pandemiewet expliciet in een « bekendmaking » voorziet. De « bevolking » wordt bereikt door de « bekendmaking », ongeacht of de informatie ook daadwerkelijk « begrepen » wordt. Wat de doorgifte van de wetenschappelijke gegevens betreft, menen de verzoekende partijen dat de voorzitter

de bevolking zich niet in verschillende situaties bevinden, aangezien zij dezelfde informatie (moeten) ontvangen. Niettegenstaande zou kunnen worden aanvaard dat de voorzitter de wetenschappelijke gegevens zou kunnen benutten met een andere doelstelling dan de bevolking, is dit nog geen aanneembare verklaring voor de essentiële, procedurele, temporele

inhoudelijke beperkingen die artikel 3, § 3, van de Pandemiewet oplegt aan de bevolking. A.11.4. De Ministerraad herhaalt dat de bevolking

de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers zich in een fundamenteel verschillende situatie bevinden, waardoor er geen schending van het gelijkheidsbeginsel aanwezig is. Dit is in de eerste plaats zo omdat van de bevolking (in tegenstelling tot de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers) niet verwacht mag worden dat wetenschappelijke gegevens in elke vorm leesbaar overkomen. Anders dan de verzoekende partijen beweren, vindt de Ministerraad de bevolking niet ondeskundig

stelt hij zich niet neerbuigend op ten aanzien van de bevolking, doch is hij van oordeel dat hij als zorgvuldige overheid rekening dient te houden met het feit dat niet alle wetenschappelijke gegevens op zich leesbaar zijn. 13 De Ministerraad wijst er ook op dat het koninklijk besluit houdende afkondiging van de epidemische noodsituatie, als individuele beslissing, onderworpen is aan de verplichting tot formele

materiële motivering. Er zal steeds nagegaan kunnen worden of aan de voorwaarden om een epidemische noodsituatie af te kondigen, voldaan is

of een rechtzoekende op die basis al dan niet een procedure aanhangig zal maken bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. A.12.1. Het tweede onderdeel van de verzoekende partijen betreft de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, van artikel 5 van het Verdrag van Aarhus, van het recht op toegang tot een rechter

van het recht op informatievergaring, omdat de wetenschappelijke gegevens niet onmiddellijk

terstond verspreid worden onder de bevolking. Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van het Verdrag van Aarhus moet milieu-informatie bekend worden gemaakt in elektronische gegevensbestanden die « gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek ». Voor de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers is dit zo, maar niet voor de bevolking; zij moeten zelf, in het kader van niet-uniforme

niet-gecentraliseerde bekendmakingen, op zoek gaan naar de wetenschappelijke gegevens bij onbekende « bevoegde overheden

diensten ». Er is tevens een schending van artikel 5, lid 2, van het Verdrag van Aarhus omdat de wetenschappelijke gegevens « onmiddellijk

terstond »

« transparant

op doeltreffende wijze toegankelijk zijnde » worden « verspreid »

« verstrekt » onder de bevolking. De inhoudelijke

temporele beperkingen zijn derhalve strijdig met artikel 5, lid 2, van het Verdrag van Aarhus. A.12.2. De Ministerraad voert allereerst aan dat artikel 5 van het Verdrag van Aarhus niet van toepassing is. Het Verdrag heeft immers tot doel bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon om te leven in een milieu dat passend is voor zijn gezondheid.

kel

alleen om die reden dient de toepassing van het Verdrag te worden afgewezen in de context van een epidemische noodsituatie. Bovendien verplicht artikel 5

kel tot het verzamelen

verspreiden van milieu-informatie, maar de wetenschappelijke gegevens, op basis waarvan wordt besloten tot de afkondiging van een epidemische noodsituatie, kunnen niet worden beschouwd als milieu-informatie.

zelfs indien de wetenschappelijke gegevens toch milieu-informatie zouden zijn, dan nog is artikel 5 niet van toepassing omdat artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus het mogelijk maakt voor een verdragsstaat om te weigeren informatie bekend te maken indien het « nog onvoltooid materiaal of interne mededelingen van overheidsinstanties betreft, wanneer in een dergelijke uitzondering is voorzien in het nationale recht of bestendig gebruik, met inachtneming van het openbare belang dat met bekendmaking wordt gediend ». Wat de eventuele onmogelijkheid betreft zich tot een rechter te wenden bij uiterst dringende noodzakelijkheid, merkt de Ministerraad op dat er geen algemeen aanvaard beginsel bestaat volgens hetwelk alle informatie op grond waarvan de overheid een beslissing neemt, ter beschikking dient te zijn van eenieder die daartegen een gerechtelijke of administratieve procedure wenst in te stellen. Bovendien volgt uit de materiële motiveringsplicht dat de overheid steeds moet kunnen aantonen dat de genomen beslissing steunt op in feite juiste

in rechte pertinente motieven, waardoor de eiser steeds zal kunnen aanvoeren dat een beslissing niet afdoende steunt op onderliggende wetenschappelijke gegevens. Wat de mogelijke schending van het recht op informatievergaring betreft, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken welke de grondslag zou zijn van het recht op informatievergaring

wat dat recht zou inhouden. Voor zover zij het recht op informatievergaring koppelen aan de artikelen 19

32 van de Grondwet

aan artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, meent de Ministerraad dat er van een schending geen sprake is. A.12.3. De verzoekende partijen herhalen dat de wetenschappelijke gegevens moeten beschouwd worden als milieu-informatie, aangezien zij informatie bevatten over de « menselijke gezondheid ». Bovendien betreft de Pandemiewet de problematiek van een « epidemische noodsituatie », waarbij de « toestand van de menselijke gezondheid

/of de menselijke levensomstandigheden » wel « worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu » (bewoordingen van artikel 2, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus). De verzoekende partijen stellen vast dat zij

de Ministerraad het oneens zijn over de verdragsrechtelijke term « milieu-informatie » die het onderzoek van de grief van de schending van artikel 5 van het Verdrag van Aarhus meebepaalt. Inzonderheid rijst de vraag of wetenschappelijke gegevens eveneens aan te merken zijn als « milieu-informatie » in de zin van artikel 2, lid 3, van het Verdrag van Aarhus. Zij vragen het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen te stellen. 14 De verzoekende partijen, in tegenstelling tot de Ministerraad, menen dat artikel 5, lid 1, c), van het Verdrag van Aarhus zich verzet tegen de dilatoire, temporele

inhoudelijke beperkingen van artikel 3, § 3, van de Pandemiewet, wat betreft de verdere bekendmaking aan de bevolking van de wetenschappelijke gegevens die reeds zonder filters zijn meegedeeld aan de voorzitter. Daarom verzoeken zij opnieuw een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Als besluit stellen de verzoekende partijen dat artikel 3, § 3, van de Pandemiewet, artikel 5 van het Verdrag van Aarhus schendt, omdat de verdere bekendmaking van de informatie ondergeschikt wordt gemaakt aan temporele

inhoudelijke filters. Dit gaat in tegen de verdragsrechtelijke eis van gehele transparantie om milieu-informatie in het bezit van een overheidsinstantie onmiddellijk

terstond te verspreiden. A.12.4. Allereerst herhaalt de Ministerraad dat er altijd een link moet zijn met het milieu

dat het niet volstaat dat een epidemie veroorzaakt zou worden door menselijke activiteiten dan wel ten gevolge van natuurlijke oorzaken. De verzoekende partijen maken niet duidelijk waarom de wetenschappelijke gegevens op basis waarvan koninklijke besluiten worden genomen die een epidemische noodsituatie afkondigen, een verband met het milieu zouden hebben. Aldus maken ze het niet aannemelijk dat die gegevens milieu-informatie zouden zijn. Wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, merkt de Ministerraad op dat de eerste prejudiciële vraag niet moet worden gesteld, omdat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is. Wetenschappelijke gegevens in het kader van de Pandemiewet zijn geen milieu-informatie in de zin van het Verdrag van Aarhus, aangezien er geen

kele link bestaat met het milieu. Voor de tweede prejudiciële vraag meent de Ministerraad dat de beantwoording van de vraag te dezen niet relevant is, aangezien het Verdrag van Aarhus niet van toepassing is bij gebrek aan de kwalificatie van « wetenschappelijke gegevens ». A.13.1. Het derde onderdeel heeft, volgens de verzoekende partijen, betrekking op de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19

32 van de Grondwet, met artikel 5 van het Verdrag van Aarhus, met het zorgvuldigheidsbeginsel, met het recht op toegang tot de rechter, met de rechtsstaat

met het recht op informatievergaring. Aan de bevolking

aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers worden de wetenschappelijke gegevens meegedeeld die de genomen besluiten ondersteunen, maar gegevens die de genomen besluiten niet ondersteunen of tegenspreken, moeten niet worden meegedeeld, hetgeen neerkomt op censuur. A.13.2.1. Allereerst merkt de Ministerraad op dat het derde onderdeel deels onontvankelijk is, omdat niet wordt uiteengezet in welk opzicht artikel 32 van de Grondwet

het gelijkheids-

zorgvuldigheidsbeginsel worden miskend door het bestreden artikel van de Pandemiewet. Daarnaast is het Hof niet gerechtigd om artikel 3 van de Pandemiewet te toetsen aan artikel 5 van het Verdrag van Aarhus, aan artikel 190 van de Grondwet

aan het beginsel van behoorlijke bekendmaking

het rechtstaatbeginsel. Indien er al een beginsel van behoorlijke bekendmaking zou bestaan, dat wordt gewaarborgd door artikel 190 van de Grondwet, meent de Ministerraad dat het Hof hieraan niet kan toetsen, aangezien artikel 190 van de Grondwet geen toetsingsnorm is, noch een beginsel met grondwettelijke waarde. Niettegenstaande het Hof aan voormelde grondwets-

verdragsartikelen

beginselen zou kunnen toetsen in samenhang met het gelijkheidsbeginsel, merkt de Ministerraad op dat een formele vermelding naar het gelijkheidsbeginsel niet voldoende is; er dient daadwerkelijk een miskenning van het gelijkheidsbeginsel te worden opgeworpen. A.13.2.2. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat de kritiek berust op fundamenteel onjuiste uitgangspunten. Uit geen

kele bepaling blijkt dat de publicatie van de wetenschappelijke gegevens geen betrekking zou moeten hebben op alle wetenschappelijke gegevens. Een koninklijk besluit moet worden genomen op basis van alle relevante wetenschappelijke gegevens,

niet

kel op basis van die gegevens die het bestaan van een epidemische noodsituatie bevestigen. Ook het advies van de minister van Volksgezondheid

de risicoanalyse van de evaluatiecel maken deel uit van de wetenschappelijke gegevens. Bovendien kan niet worden aanvaard dat « niet-wetenschappelijke gegevens » achtergehouden zouden worden. De wetenschappelijke gegevens bedoeld in artikel 3, §§ 2

3, van de Pandemiewet worden ruim geïnterpreteerd, waardoor ook niet-wetenschappelijke gegevens die relevant zijn voor de besluitvorming moeten worden bekendgemaakt. Artikel 3, § 3, van de Pandemiewet kan onmogelijk een exhaustieve of limitatieve opsomming geven van alle wetenschappelijke gegevens, rapporten

verslagen die zouden moeten worden bekendgemaakt, aangezien het 15 niet mogelijk is vooraf in te schatten welke epidemische noodsituaties zich in de toekomst kunnen voordoen

welke wetenschappelijke gegevens, rapporten

verslagen ten grondslag zullen liggen van de verdere besluitvorming. Voor wat artikel 190 van de Grondwet betreft, merkt de Ministerraad op dat dit grondwetsartikel

kel de bekendmaking van reglementaire akten zoals wetten, besluiten of verordeningen regelt

niets te maken heeft met de verplichte bekendmaking van wetenschappelijke gegevens in de zin van artikel 3, § 3, van de Pandemiewet. A.13.3. Allereerst stellen de verzoekende partijen dat actieve openbaarheid van bestuur deel uitmaakt van de passieve openbaarheid van bestuur. Het grondwettelijk recht om een bestuursdocument te raadplegen omvat ook het recht om die informatie te raadplegen op de plaatsen van de aangeboden bekendmaking, desnoods in de gevallen

onder de voorwaarden bepaald door de wet. Het recht om een afschrift te krijgen, concretiseert zich door de print-out van het geraadpleegde document. De uitbreiding, door de Ministerraad, van bekendmaking van andere gegevens dan ongunstige gegevens, is, volgens de verzoekende partijen, een louter facultatief gegeven, waarop de bevolking geen

kele aanspraak kan maken. A.14.1. Het vierde onderdeel vloeit, volgens de verzoekende partijen, voort uit de schending van artikel 5 van het Verdrag van Aarhus

van het beginsel van de behoorlijke bekendmaking vervat in artikel 190 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen wijzen er tevens op dat niet de Regering moet toezien op de bekendmaking, maar « de bevoegde overheden

diensten ». Bovendien moeten « de bevoegde overheden

diensten » niet zelf bekendmaken, maar

kel toezien op de bekendmaking. De vraag kan worden gesteld waarom wel aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers moet worden bekendgemaakt, maar niet aan de bevolking

waarom er toezicht is door de bevoegde overheden

diensten

niet door de Regering. A.14.2.1. Allereerst meent de Ministerraad dat de verwijzing naar artikel 190 van de Grondwet als referentienorm niet ontvankelijk is

dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan artikel 5 van het Verdrag van Aarhus

het beginsel van behoorlijke bekendmaking. A.14.2.2. Ten gronde toont de Ministerraad aan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State

kel geadviseerd heeft om in de Pandemiewet te verduidelijken dat de bekendmaking van de wetenschappelijke gegevens bedoeld is voor de algemene bevolking, hetgeen ook gebeurd is. Wat betreft de overheden belast met de bekendmaking van de wetenschappelijke gegevens

de locatie

/of modus van bekendmaking, volstaat de verantwoording van de gemachtigde dat dit zal afhangen van de epidemische noodsituatie

de gesloten akkoorden,

erzijds,

dat het een praktische modaliteit betreft die niet in de wet hoeft te worden gepreciseerd, anderzijds. A.14.3. De verzoekende partijen bevestigen dat het ongrondwettig is de verspreiding van de bekendmaking toe te vertrouwen aan nader te bepalen bevoegde overheden

diensten die de informatie nog beschikbaar

bruikbaar moeten maken, terwijl de Regering die informatie reeds heeft meegedeeld aan de voorzitter. A.14.4. De Ministerraad antwoordt dat het geenszins vereist is dat de overheidsinstantie, die in het bezit is van de informatie, moet instaan voor de verspreiding ervan. Om die reden is het niet uitgesloten dat dit door de bevoegde overheden

diensten gebeurt in plaats van door de Regering zelf. A.15.1. Als laatste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11, 13, 19, 23

32 van de Grondwet, van het recht op bekendmaking, van het recht op informatievergaring

van het recht op bescherming van de gezondheid. De verzoekende partijen stellen vast dat rekening moet worden gehouden met de digitale kloof

met de bijzondere moeilijkheid van eenieder om kennis te nemen van gegevens die hem aanbelangen. Het feit dat de Regering geen toezicht houdt op de bekendmaking heeft er tevens voor gezorgd dat de wetgever onvoldoende maatregelen heeft genomen om gelijke toegang tot de bekendgemaakte informatie te waarborgen. Derhalve heeft de wetgever een maatregel genomen die op discriminerende wijze een onevenredige aantasting uitmaakt van het recht op bekendmaking, het recht op informatievergaring

het recht op de bescherming van gezondheid. A.15.2.1. In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar een schending van de artikelen 13, 19

32 van de Grondwet

naar het recht op informatievergaring

het recht op bescherming van de gezondheid, volstaat het, volgens de Ministerraad, erop te wijzen dat zij niet uiteenzetten in welk opzicht die zouden zijn geschonden, zodat dit onderdeel onontvankelijk is. 16 A.15.2.2. De verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 106/2004 van 16 juni 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.106) aangaande de digitale kloof, is, volgens de Ministerraad, niet meer relevant. De overwegingen uit 2004 dat een aanzienlijk deel van de bevolking niet in staat zou zijn om elektronisch toegang te krijgen tot bepaalde gegevens, gelden niet meer als zodanig vandaag. De laatste twintig jaar is de maatschappij meer

meer geëvolueerd naar een samenleving waar digitale communicatie de standaard is geworden. Bovendien had dat arrest betrekking op artikel 190 van de Grondwet

niet op de bekendmaking van specifieke gegevens die aan de grondslag liggen van een koninklijk besluit. A.15.

  1. De verzoekende partijen betwisten de stelling van de Ministerraad als zou er geen digitale kloof meer bestaan. Niet alleen werd dit besproken in de parlementaire voorbereiding van de Pandemiewet, ook heeft de federale ombudsman op 8 juli 2021 bepleit dat de « toegang tot het internet […] als een grondrecht in de Grondwet [moet] worden opgenomen ». A.15.
  2. De Ministerraad merkt op dat het loutere feit dat de federale ombudsman van oordeel is dat het recht op internet in de Grondwet opgenomen zou moeten worden, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat België geëvolueerd is naar een samenleving waar digitale communicatie de standaard is geworden. Zaak nr. 7731 A.16.
  3. De zaak nr. 7731 wordt ingeleid door één natuurlijke persoon, die de vernietiging vordert van de Pandemiewet in haar geheel of ten minste van artikel 5, §§ 1

2. Daartoe wordt één middel opgeworpen, te weten de schending van de artikelen 10, 11, 12, 23

26 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste zin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten,

dat wordt opgedeeld in twee onderdelen. A.16.2. De Ministerraad meent dat het

ige middel deels onontvankelijk is. Niettegenstaande het verzoekschrift de volledige vernietiging beoogt van de bestreden Pandemiewet, stelt de Ministerraad vast dat niet wordt uiteengezet hoe de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, § 3, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15

16 van de bestreden wet de aangehaalde referentienormen schenden. A.17.1. In het eerste onderdeel werpt de verzoekende partij de schending op van artikel 23 van de Grondwet, omdat de essentiële elementen van de delegatie niet worden opgesomd in de kaderwet. Er is een delegatie,

erzijds, aan de Koning

de minister van Binnenlandse Zaken in geval van « dreigend gevaar »

, anderzijds, aan de gouverneur

de burgemeesters « wanneer de lokale omstandigheden het vereisen »

« elk voor het eigen grondgebied ». Die delegatie vereist, wat betreft de genomen maatregelen van bestuurlijke politie, geen bekrachtiging door de wetgevende macht. Artikel 5 omschrijft niet-limitatief de maatregelen die door de overheid kunnen worden genomen. Er zijn derhalve geen voorwaarden, noch modaliteiten, noch richtlijnen opgenomen in de Pandemiewet, waardoor die bepalingen niet kunnen worden beschouwd als essentiële elementen. De ongrondwettigheid van artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet tast het gehele systeem van delegatie aan, waardoor de volledige wet moet worden vernietigd. A.17.2. In wezen komt, volgens de Ministerraad, de kritiek van de verzoekende partij erop neer dat artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet, het wettigheidsbeginsel schendt, omdat aan de Koning

in voorkomend geval de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneurs

de burgemeesters de bevoegdheid wordt gedelegeerd om de bescherming van de gezondheid, waarvoor de wetgevende macht bevoegd is, te regelen, zonder dat de wetgever zelf de essentiële elementen heeft vastgesteld van de mogelijke te nemen maatregelen, noch van hun voorwaarden

modaliteiten. Ten aanzien van de categorieën van maatregelen van bestuurlijke politie die worden opgesomd in de bestreden Pandemiewet, staat, volgens de Ministerraad, vast dat de essentiële elementen door de wetgever zijn bepaald, zodat er sprake is van een toegestane delegatie van bevoegdheid door de wetgevende macht. De wetgever heeft uitdrukkelijk

precies bepaald welke limitatieve lijst van maatregelen genomen kunnen worden

in welke gevallen de bevoegdheid om die maatregelen te nemen, uitgeoefend kan worden. A.18.1. Als tweede onderdeel van het

ige middel in de zaak nr. 7731 voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10, 11, 12

26 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste zin, van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten

politieke rechten. De verzoekende partij meent dat er 17 geen wetenschappelijke grondslag is voor de maatregelen die kunnen worden genomen (artikel 5, §§ 1

2). De maatregelen moeten steeds de volksgezondheid beschermen, maar zonder wetenschappelijke onderbouw kan dit moeilijk worden aangenomen. A.18.2. De Ministerraad stelt vast dat het tweede onderdeel van het

ige middel van de verzoekende partij berust op de foutieve veronderstelling dat de geviseerde categorieën van maatregelen van de Pandemiewet geldende bestuurlijke maatregelen zouden zijn

daarom inbreuk zouden maken op de rechten van de adressaten. Echter, de Pandemiewet houdt

kel een delegatie van bevoegdheid in ten gunste van de Koning of van de minister van Binnenlandse Zaken,

erzijds,

in geval van een epidemische noodsituatie, ten gunste van de gouverneurs

burgemeesters, anderzijds. Artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet schrijft zelf geen

kele maatregel van bestuurlijke politie voor, maar bepaalt

kel de categorieën van bestuurlijke maatregelen die kunnen worden genomen

die niet onder de bewoordingen van het bestreden artikel vallen. Het bestreden artikel 5 bevat dus zelf geen

kele maatregel van bestuurlijke politie die kan leiden tot een inbreuk op de individuele vrijheid of op het recht om vreedzaam te vergaderen. Zaak nr. 7751 A.19. Het verzoekschrift in de zaak nr. 7751 is ingediend door één natuurlijke persoon, die de vernietiging vordert van de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9

10 van de Pandemiewet. De verzoekende partij woont in Brussel

heeft ervoor gekozen zich niet te laten vaccineren. Daardoor ondervindt zij de nadelige effecten van de verschillende maatregelen van bestuurlijke politie die zijn genomen vanwege de COVID-19-pandemie. Vooral het moeten tonen van het Covid Safe Ticket alvorens te worden toegelaten tot horecazaken, culturele evenementen,

fitnesscentra

sportcentra, weegt op haar. A.20.1. De verzoekende partij voert als

ig middel de schending aan van de artikelen 23, 5°,

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 12 van de Grondwet

met artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De epidemische noodsituatie mag, volgens de Pandemiewet, niet langer duren dan drie maanden, maar dit is, volgens de verzoekende partij, nog te lang. De beperkingen op grondrechten moeten steunen op wetenschappelijke gegevens,

niet op eenvoudige voorspellingen van epidemische gegevens. Een objectieve analyse van wetenschappelijke gegevens is noodzakelijk

het evaluatierapport, dat naderhand wordt opgemaakt (artikel 10 van de Pandemiewet), is niet voldoende; er moet een voorafgaande analyse gebeuren. A.20.2. De Ministerraad stelt vast dat het

ige middel van de verzoekende partij kan worden opgesplitst in vier onderdelen, waarbij het derde

het vierde onderdeel echter niet nader worden uitgewerkt door de verzoekende partij. Het eerste onderdeel gaat uit van de veronderstelling dat beperkingen kunnen worden opgelegd, zonder dat er een evaluatie in concreto dient te gebeuren. Het bestreden artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet schrijft

kel de categorieën van maatregelen voor

geen concrete maatregelen. Er wordt aan de uitvoerende macht een appreciatiemarge gelaten om te bepalen welke maatregelen het meest geschikt zijn om te reageren op een « epidemische noodsituatie ». Welke maatregelen moeten worden genomen, is niet vastgesteld in de Pandemiewet. De Pandemiewet houdt rekening met een analyse in concreto van de epidemische noodsituatie zodat een adequaat

proportioneel karakter van de maatregelen van bestuurlijke politie kan worden gegarandeerd. Het tweede onderdeel volgt uit de vaststelling dat de duurtijd van drie maanden te lang is

niet gerechtvaardigd. Dienaangaande merkt de Ministerraad op dat de maatregelen van bestuurlijke politie die steunen op de Pandemiewet, niet noodzakelijk, noch automatisch een duurtijd hebben van drie maanden. Die duurtijd van drie maanden is

kel aanvaardbaar wanneer dit wordt vereist door de epidemische noodsituatie. A.20.3. De verzoekende partij antwoordt dat in werkelijkheid in de bestreden wet geen voorafgaand evaluatiesysteem wordt ingevoerd, dat in concreto de impact van de maatregelen op de fundamentele rechten

vrijheden beoordeelt. A.20.

  1. De Ministerraad herhaalt dat de Pandemiewet zelf geen maatregelen van bestuurlijke politie oplegt, die de grondrechten zouden kunnen beperken. Daarom is het invoeren van een voorafgaand evaluatiesysteem in de Pandemiewet niet nodig. 18 Zaak nr. 7752 A.
  2. Eenenveertig natuurlijke personen vorderen de vernietiging van de artikelen 2, 3, 4, 5, 11

12 van de Pandemiewet. Ter verantwoording van hun belang voeren zij aan dat zij in België wonen, waar de bestreden Pandemiewet het mogelijk maakt voor de Koning om een « epidemische noodsituatie » af te kondigen, alsook om een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te nemen met de nodige « maatregelen van bestuurlijke politie » teneinde de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of te beperken. De maatregelen die kunnen worden genomen hebben een ingrijpende beperkende impact op het dagelijkse leven

de vrije keuzes inzake culturele ontplooiing van de verzoekende partijen als actieve mensen in de samenleving. De situatie van de verzoekende partijen kan bijgevolg rechtstreeks

ongunstig worden geraakt door de bestreden wet. A.

  1. Ter ondersteuning van hun beroep tot vernietiging voeren de verzoekende partijen twee middelen aan. A.23.
  2. Het eerste middel vloeit voort uit de schending van artikel 23 van de Grondwet; als een wet het beschermingsniveau van de economische, sociale

culturele rechten in aanzienlijke mate vermindert, moeten daarvoor redenen bestaan die verband houden met het algemeen belang. De verzoekende partijen tonen per aangevochten artikel aan wat volgens hen onduidelijk is, waardoor de bestreden bepalingen in strijd zijn met het concept van behoorlijke regelgeving. Vervolgens merken ze op dat strafsancties niet kunnen worden opgelegd door de uitvoerende macht; er is derhalve geen delegatie mogelijk. Bovendien stemmen de mogelijkerwijs op te leggen maatregelen van bestuurlijke politie overeen met het « schema van de morele dwang », waardoor de maatregelen er veeleer op gericht zijn mensen psychisch te breken

te folteren dan dat zij ertoe zouden bijdragen « de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of te beperken ». A.23.2. De Ministerraad merkt op dat niet valt in te zien hoe de verzoekende partijen uit eventuele onduidelijkheden die de bestreden bepalingen zouden kunnen inhouden, een schending van artikel 23 van de Grondwet zouden kunnen afleiden. Dat het de verzoekende partijen niet duidelijk is wat bepaalde termen van de bestreden Pandemiewet zouden kunnen betekenen, houdt geen schending in van het recht op een menswaardig leven. De verzoekende partijen benadrukken, volgens de Minsterraad,

kel dat de bestreden wet onduidelijkheden met zich mee zou brengen, wat geen behoorlijke wetgeving zou uitmaken. Echter, het Hof is niet bevoegd om controle uit te oefenen op de kwaliteit van de wetgeving als zodanig. A.23.

  1. De verzoekende partijen benadrukken dat alle beroepen tot vernietiging van wetten in zekere zin een toetsing van de kwaliteit van die wetten inhouden « die anders onmogelijk zou zijn ». A.23.
  2. De Ministerraad herhaalt dat het eerste middel onontvankelijk is. Ten gronde meent de Ministerraad dat het antwoord van de verzoekende partijen zich beperkt tot algemene beweringen, die niet verduidelijken hoe de bestreden Pandemiewet een schending zou kunnen inhouden van artikel 23 van de Grondwet. A.24.
  3. Het tweede middel dat door de verzoekende partijen wordt opgeworpen, betreft de schending van artikel 187 van de Grondwet. Volgens artikel 187 van de Grondwet mag niet worden geraakt aan de Grondwet, zelfs niet tijdens een noodtoestand of tijdens een « epidemische noodsituatie ». Maatregelen van bestuurlijke politie die kunnen worden genomen, wijzen op een inperking van de grondrechten, terwijl er geen bewijs voorligt dat de maatregelen verantwoord kunnen worden door het beoogde doel, namelijk het voorkomen of beperken van de gevolgen van een epidemische noodsituatie. Bovendien mag geen beslissingsmacht worden toegekend aan de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna : de WHO), terwijl artikel 2, 3°, d), van de Pandemiewet bepaalt dat erkenning door de WHO een medebepalende factor is van de definitie van « epidemische noodsituatie ». A.24.
  4. Allereerst voert de Ministerraad aan dat artikel 187 van de Grondwet geen toetsingsnorm uitmaakt, waaraan het Hof mag toetsen. Het Hof kan de bestreden artikelen van de Pandemiewet in principe wel toetsen aan andere normen uit de Grondwet, op voorwaarde dat die in samenhang met de artikelen 10

11 van de Grondwet worden aangevoerd. Het volstaat niet dat louter een lezing in combinatie met die bepalingen wordt opgeworpen. 19 Ten gronde meent de Ministerraad dat het verbod op schorsing van de Grondwet niet betekent dat grondrechten niet kunnen worden beperkt of mogen worden beperkt. De verzoekende partijen onderbouwen op geen

kele manier welke grondrechten de bestreden wet zou schorsen,

hoe de aangegeven beperkingen van dien aard zouden zijn dat zij een schorsing inhouden. Daarnaast geven de verzoekende partijen

kel aan dat de bestreden Pandemiewet aan de WHO de macht toekent om op te treden in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de natie behoren. Echter, hoe hieruit

ige schorsing van de Grondwet zou kunnen volgen, valt niet in te zien. Bovendien lijken de verzoekende partijen uit te gaan van de onjuiste veronderstelling dat de in artikel 5, §§ 1

2, van de bestreden wet bedoelde maatregelen van bestuurlijke politie een schending of schorsing van de grondrechten zouden kunnen uitmaken. Dit is echter niet het geval. De bestreden Pandemiewet beoogt immers alleen een delegatie van bevoegdheden aan de Koning,

eventueel aan de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneurs

de burgemeesters, in zoverre er sprake is van een epidemische noodsituatie. Het bestreden artikel 5 schrijft op zich geen maatregelen van bestuurlijke politie voor; er worden alleen categorieën vastgesteld waarbinnen de door de betrokken autoriteiten genomen maatregelen moeten vallen. A.24.3. Volgens de verzoekende partijen heeft de toepassing van de Pandemiewet geleid tot een stel maatregelen die de volledige reeks omvatten van het « schema van morele dwang », gevolgd door een opsomming van concrete feiten

maatregelen gegroepeerd in een tabel, om te besluiten dat behoorlijke wetgeving in alle geval de mogelijkheid van folteren zou moeten uitsluiten, wat voor de bestreden wet niet het geval is. A.24.4. De Ministerraad herhaalt dat het tweede middel onontvankelijk is. Ten gronde stelt de Ministerraad vast dat de verzoekende partijen

kel verwijzen naar het « schema van de morele dwang » aan de hand waarvan ze bepaalde maatregelen als foltering classificeren. Echter, er valt nog steeds niet in te zien hoe bepaalde maatregelen die hun grondslag vinden in de Pandemiewet werkelijk foltering zouden kunnen inhouden. A.25.1. Naast de twee uitgewerkte middelen, vragen de verzoekende partijen aan het Hof nog te zeggen voor recht dat een verplichte vaccinatie tegen COVID-19 in strijd zou zijn met het recht op vrije therapiekeuze, dat collectieve gezondheidsvoorzieningen steeds een vrij aanbod moeten betreffen

de sensibilisering moet gebeuren zonder feitelijke dwang of discriminatie

zonder een betwistbaar wereldbeeld op te dragen

dat de verplichting tot het dragen van mondmaskers een uiterst betwistbare maatregel is wat betreft de effectiviteit

dat het geen « persoonlijk beschermingsmiddel » is. Bovendien zijn mondmaskers in een publieke ruimte in strijd met artikel 563bis van het Strafwetboek (boerkaverbod)

moet het gebruik ervan in scholen

private ruimte worden verboden wegens een belemmering van de vrijheid van meningsuiting (artikel 19 van de Grondwet). A.25.

  1. De Ministerraad stelt vast dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over « de verzoeken om uitspraken naar recht ». Het Hof kan, in het kader van een vernietigingsberoep, geen algemene richtlijnen uitvaardigen met betrekking tot toekomstig overheidshandelen. De gevraagde opportuniteitsbeoordelingen vallen buiten de bevoegdheid van het Hof. A.25.
  2. De verzoekende partijen menen in hun memorie van antwoord dat er in de huidige uitzonderlijke omstandigheden van overheidsoptreden wel een wettige grond is voor de ontvankelijkheid van de verzoeken om uitspraken naar recht. Zaak nr. 7753 A.26.
  3. Vier volksvertegenwoordigers vorderen de vernietiging van de artikelen 3, 4, 5

6 van de Pandemiewet. Ter verantwoording van hun belang tonen zij aan dat zij inwoners zijn van België die als burger rechtstreeks worden getroffen door de bestreden wetsbepalingen die hun grondrechten inperken of kunnen beperken, althans de waarborgen ervoor verminderen

rechtstreeks geraakt kunnen worden door de aangevochten strafbaarstellingen waaraan zij onderworpen kunnen worden. Bovendien hebben zij als volksvertegenwoordiger een bijzonder belang bij de aanvechting van wetten die de verhoudingen tussen het parlement

andere overheden vaststellen

waarvan de toepassing de bewegingsvrijheid

vrijheid van vergadering van volksvertegenwoordigers kan inperken. 20 A.26.2. De Ministerraad stelt vast dat het vernietigingsberoep

kel gericht is tegen artikel 3, § 1

§ 2

, tweede lid, artikel 4, artikel 5, §§ 1

2,

artikel 6, § 1, van de Pandemiewet. De grondwettigheid van de overige bepalingen wordt niet betwist. A.27.

  1. De verzoekende partijen voeren acht middelen aan, die in bepaalde gevallen verder worden opgesplitst in onderscheiden middelonderdelen. A.27.
  2. In hun memorie van antwoord merken de verzoekende partijen op dat de Ministerraad bepaalde middelen of middelonderdelen totaal niet beantwoordt dan wel een antwoord verwoordt dat uitgaat van een - al dan niet bewust - verkeerde lezing van het middel of middelonderdeel. « De Ministerraad weet natuurlijk dat hij het laatste woord heeft in de schriftelijke procedure

de kans is dus reëel dat de Ministerraad eerst in de Memorie van wederantwoord verweer zal voeren op de middelen van verzoekers, waarop deze dan althans schriftelijk niet meer mogen antwoorden. Verzoekers rekenen erop dat uw Hof geen rekening zal houden met verweermiddelen die de Ministerraad eerst in zijn Memorie van wederantwoord zal aanvoeren terwijl deze perfect in de eerste Memorie hadden kunnen worden aangevoerd ». A.28.1. Als eerste middel, dat gericht is tegen artikel 3, §§ 1

2, van de Pandemiewet, voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23, 36, 74, 105, 108

187 van de Grondwet, met het rechtszekerheidsbeginsel

het evenredigheidsbeginsel

met de artikelen 6

13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien beperkingen aan grondrechten

kel bij wet kunnen worden ingevoerd

de voorwaarde van « wet » in alle gevallen minstens een vrije instemming van de Kamer van volksvertegenwoordigers vereist. Het eerste middel wordt opgedeeld in vier onderdelen. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 12, 14, 15, 16, 19, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 36, 74, 105

108 van de Grondwet, omdat artikel 3 van de Pandemiewet de bevoegdheid aan de Koning delegeert om de noodsituatie af te kondigen

bepaalt dat dit besluit vijftien dagen geldt ook zonder bekrachtiging bij wet. Derhalve wordt de Koning gemachtigd om formele wetten

grondwettelijke normen te schorsen of vrijstelling van uitvoering te verlenen

zelfs grondrechten te beperken of uit te schakelen, terwijl dit volgens de Grondwet

kel bij wet kan gebeuren. Als tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 12, 14, 15, 16, 19, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 36, 74, 105

108 van de Grondwet

met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat ten aanzien van de werking van artikel 3, § 2, van de Pandemiewet de uitvoerende macht het standpunt heeft ingenomen dat, wanneer de Koning de epidemische noodsituatie heeft afgekondigd op basis van een risicoanalyse, het koninklijk besluit moet worden bekrachtigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers

dat de Kamer niet de vrijheid heeft dit te weigeren. Bovendien vereist artikel 3 van de Pandemiewet niet dat de Koning zelf beslist of er een epidemische noodsituatie is, waardoor het de experten zijn die zullen beslissen of de grondrechten al dan niet zullen gelden. De « experten » is « het orgaan belast met het beoordelen

evalueren van de risico’s in het kader van een federale fase bedoeld in artikel 3, § 4 », maar nergens wordt een verduidelijking gegeven van het orgaan die de risicoanalyse moet maken. Als derde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 10

11 van de Grondwet

met het beginsel van de rechtsstaat, omdat artikel 3, § 2, tweede lid, van de Pandemiewet neerkomt op het uitschakelen van de controle door de Raad van State. De bekrachtigingswet kan worden gecontroleerd door het Hof, maar de toetsingsnormen zijn beperkt. Het Hof kan niet toetsen of de afkondiging van de epidemische noodsituatie binnen de grenzen van de Pandemiewet valt, waardoor er geen effectieve rechtsbescherming voorhanden is. Het vierde onderdeel van het eerste middel betreft de schending van de artikelen 11, 12, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, met het evenredigheidsbeginsel

met de artikelen 33, 36, 74, 105

108 van de Grondwet, omdat de beperking van de delegatie

machtiging aan de Koning tot de gevallen van « epidemische noodsituatie » geen

kele ernstige waarborg biedt, doordat de definitie van een « epidemische noodsituatie » bijzonder ruim

niet adequaat is. De Pandemiewet verplicht de Regering niet een eigen beoordeling te maken, waardoor over de epidemische noodsituatie wordt beslist door een mysterieus

onduidelijk orgaan zonder

ige democratische legitimiteit of grondwettelijk bestaan. 21 A.28.2. Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, merkt de Ministerraad op dat dit onderdeel

kel is gericht tegen artikel 3, §§ 1

2, van de Pandemiewet

dat in dat bestreden artikel

kel de afkondiging van de epidemische noodsituatie aan de Koning wordt gedelegeerd. In geen geval wordt het nemen van bepaalde maatregelen aan de Koning, dan wel aan de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneurs of burgemeesters gedelegeerd. Het valt om die reden niet in te zien hoe de delegatie op zich een schending zou kunnen zijn van de opgeworpen toetsingsnormen. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, meent de Ministerraad dat het bestreden artikel 3, §§ 1

2, van de Pandemiewet geen verplichting inhoudt om het koninklijk besluit houdende afkondiging of instandhouding van de epidemische noodsituatie te bekrachtigen. Artikel 3, § 2, derde lid, bepaalt uitdrukkelijk dat « bij ontstentenis van bekrachtiging binnen de termijn bepaald in het tweede lid, [...] het betrokken koninklijk besluit buiten werking » treedt. De Ministerraad begrijpt niet hoe uit artikel 3, §§ 1

2, zou kunnen worden afgeleid dat het Parlement de facto buiten spel kan worden gezet. Het bestaan van een voorafgaande risicoanalyse betekent niet dat de Koning hierbij niet meer over

ige beoordelingsbevoegdheid beschikt of dat de beslissing tot vaststelling van de epidemische noodsituatie zonder meer wordt gedelegeerd aan de instantie die deze analyse uitvoert. Het louter gegeven dat een regering bepaalde adviezen moet inwinnen, sluit geenszins de eigen beoordelingsbevoegdheid van de regering uit. Aangaande het derde onderdeel van het eerste middel voert de Ministerraad aan dat het recht op effectieve rechtsbescherming door de bestreden Pandemiewet wordt geëerbiedigd. Zowel vóór als na de bekrachtiging, kan tegen het besluit beroep worden ingesteld bij een onpartijdige

onafhankelijke rechterlijke instantie. De bekrachtiging is bedoeld als controle door de wetgevende macht zelf om na te gaan of er wel sprake is van een « epidemische noodsituatie ». De bekrachtiging door de wetgever ontneemt de potentiële rechtzoekenden niet het recht om beroep tegen het bekrachtigde koninklijk besluit in te stellen. Wat het vierde onderdeel van het eerste middel betreft, merkt de Ministerraad op in België geen epidemische noodsituatie kan worden afgekondigd wanneer België zelf niet is getroffen door een epidemie. De wetgever heeft zelf aangegeven dat de erkenning door de WHO of de Europese Unie een bijkomend element kan zijn, doch wat in het buitenland gebeurt, heeft niet altijd impact in België. A.28.3. De verzoekende partijen stellen vast dat de Ministerraad het bestreden artikel 3 van de Pandemiewet volledig los leest van de daaropvolgende artikelen. De draagwijdte van artikel 3 kan echter niet worden begrepen zonder de andere artikelen van de Pandemiewet erbij te betrekken. De bevoegdheid die de bestreden wet aan de Koning geeft in artikel 3 leidt automatisch tot de bevoegdheid van de Koning om maatregelen van bestuurlijke politie te nemen

dus tot de bevoegdheid om de grondrechten op te schorten of aan te tasten. Voor wat het tweede onderdeel betreft, merken de verzoekende partijen op dat, met het oog op de rechtszekerheid, moet worden aanvaard dat het Parlement vrij is om al dan niet te bekrachtigen. Zowel de Koning als het Parlement kunnen de conclusies van de evaluatiecel naast zich neerleggen. Voor wat het derde onderdeel betreft, herhalen de verzoekende partijen dat aan de vereisten van een effectieve rechtsbescherming niet is voldaan. Bovendien bestaat er geen procedure die op zeer korte termijn een remedie kan verschaffen. Aangaande het vierde onderdeel vragen de verzoekende partijen te bevestigen dat, met het oog op de rechtszekerheid,

kel de interpretatie van de Ministerraad grondwetsconform is. A.28.4. Aangaande het eerste onderdeel van het eerste middel merkt de Ministerraad op dat het loutere gegeven dat, ingevolge artikel 3 van de Pandemiewet, de artikelen 4

volgende van de Pandemiewet in werking treden, op geen

kele wijze afbreuk doet aan de vaststelling dat het eerste onderdeel

kel gericht is op artikel 3, waardoor niet kan worden ingezien in welke mate de delegatie van de loutere afkondiging van de epidemische noodsituatie op zich een schending zou kunnen uitmaken van de door de verzoekende partijen opgeworpen toetsingsnormen. Voor wat het tweede onderdeel betreft, bevestigt de Ministerraad dat het Parlement op geen

kele wijze verplicht wordt om op één of andere wijze te handelen; geen

kele bepaling van de Pandemiewet doet het tegendeel vermoeden. Integendeel, het Parlement beschikt over de mogelijkheid om het koninklijk besluit houdende afkondiging of instandhouding van de epidemische noodsituatie niet te bekrachtigen. 22 Voor wat het derde onderdeel betreft, benadrukt de Ministerraad dat een bij een wet bekrachtigd koninklijk besluit dezelfde rechtsbescherming geniet als een gewone wet. In de lezing van de verzoekende partijen, die zelf parlementsleden zijn, zou de rechtsbescherming ten aanzien van iedere wet dan ook onvoldoende gewaarborgd worden. Echter, het Hof heeft reeds geoordeeld dat wanneer een regelgevende handeling bij wet wordt geconsolideerd, de loutere mogelijkheid voor de verzoeker om bij het Hof beroep in te stellen, volstaat om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te eerbiedigen. Aangaande het vierde onderdeel meent de Ministerraad dat de tekst van artikel 2, 3°, d), duidelijk is, zodat geen verdere verklaring noodzakelijk is. A.29.1. Het tweede middel dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, betreft de schending, door de artikelen 3, 4, §§ 1, 2

3,

5, §§ 1

2, van de Pandemiewet, van de artikelen 11, 12, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 108

187 van de Grondwet, omdat in de Grondwet een algemeen verbod op preventieve maatregelen is ingeschreven

een noodtoestand of een noodsituatie daar niets aan verandert. Het tweede middel gaat uit van de vaststelling dat artikel 187 van de Grondwet wordt geschonden, niet alleen wanneer er sprake is van een formele expliciete opschorting van grondrechten, maar ook wanneer er sprake is van een feitelijke opschorting door het opleggen van algemene preventieve maatregelen. Door het algemeen

verregaand karakter van de Pandemiewet is er geen beperking bij wet, maar een opschorting van de grondrechten. Derhalve menen de verzoekende partijen dat de grondrechten slechts voorwaardelijk bestaan, namelijk wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Niet meer de vrijheid is de normale toestand of regel, maar wel het verbod. Het gebrek aan controle

toetsing levert tevens het bewijs van opschorting van grondrechten. De afkondiging van de epidemische noodsituatie

de maatregelen van bestuurlijke politie gelden vijftien dagen

zijn onmiddellijk uitvoerbaar. Na de bekrachtiging gelden ze nog langer. A.29.2. Allereerst merkt de Ministerraad op dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan artikel 187 van de Grondwet.

kel wanneer een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt opgeworpen, hetgeen te dezen niet is gebeurd, kan aan artikel 187 van de Grondwet worden getoetst. Voor zover een toetsing toch mogelijk zou zijn, meent de Ministerraad dat het verbod op schorsing zich

kel verzet tegen een formele of feitelijke schorsing,

niet betekent dat grondrechten niet kunnen of mogen worden beperkt. Bij een beperking van een grondrecht, blijft dat grondrecht onverkort van toepassing, maar wordt er een maatregel genomen die dit grondrecht in bepaalde mate inperkt op een met dat grondrecht verenigbare wijze. Samengevat zijn beperkingen op grondrechten mogelijk in zoverre die rechten het toelaten

voor zover de rechterlijke controle behouden blijft. Een beperking mag niet zover gaan dat ze het recht op substantiële wijze aantast. De Ministerraad voert aan dat de in artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet bedoelde maatregelen van bestuurlijke politie geen schorsing kunnen uitmaken van de rechten van degenen tot wie die maatregelen zijn gericht. De Pandemiewet beoogt slechts een delegatie van bevoegdheden aan de Koning

, in voorkomend geval, aan de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneurs

de burgemeesters, in zoverre er sprake is van een epidemische noodsituatie. Artikel 5, §§ 1

2, stelt alleen de categorieën vast waarbinnen de door de betrokken autoriteiten genomen maatregelen moeten vallen. De

ige adressaten van artikel 5 van de Pandemiewet zijn derhalve de Koning, de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneurs

de burgemeesters. Aangezien de door de verzoekende partijen aangevoerde grieven niet voortvloeien uit het bestreden artikel 5, maar uit de in de toekomst nog vast te stellen maatregelen van bestuurlijke politie, is het Hof niet bevoegd om daarvan kennis te nemen. Tegen die maatregelen kan beroep aangetekend worden bij de Raad van State of bij de gewone hoven

rechtbanken. A.29.3. De verzoekende partijen herhalen dat de bestreden Pandemiewet cruciale grondwettelijke waarborgen voor de bescherming van die grondrechten ontneemt aan de burgers. Het zijn aantastingen die reeds uit de bestreden bepaling zelf voortvloeien,

niet of niet

kel uit de vervolgmaatregelen die in concreto op basis daarvan kunnen worden genomen. A.29.4. Allereerst herhaalt de Ministerraad dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te toetsen aan artikel 187 van de Grondwet. 23 Ten gronde meent de Ministerraad dat zijn lezing van het middel van de verzoekende partijen niet verkeerd is. Het tweede middel berust zelf op de onjuiste veronderstelling dat de in artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet bedoelde categorieën van maatregelen, van kracht zijnde maatregelen van bestuurlijke politie zijn, die een schending dan wel een schorsing kunnen uitmaken van de rechten van degenen tot wie de maatregelen zijn gericht. Dit is echter, volgens de Ministerraad, geenszins het geval aangezien de Pandemiewet

kel een delegatie van bevoegdheden beoogt, in zoverre er sprake is van een epidemische noodsituatie. Het is bovendien geenszins contradictorisch dat,

erzijds, wordt aangegeven dat de Pandemiewet alle essentiële elementen bevat in het licht van het wettigheidsbeginsel dat geldt bij de delegatie aan de uitvoerende macht

, anderzijds, dat de maatregelen zelf niet genomen worden in de Pandemiewet, doch wel op basis van die Pandemiewet, door de uitvoerende macht. Dit is de essentie van een delegatie door de wetgever. A.30. Het derde middel dat de verzoekende partijen opwerpen, is afgeleid uit de schending, door de artikelen 4, §§ 1

2,

5, §§ 1

2, in samenhang gelezen met artikel 3, §§ 1

2, van de Pandemiewet, van de artikelen 10, 11, 12, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel, omdat de wetgever zelf alle essentiële elementen van de beperking van de grondrechten nauwkeurig, duidelijk

voorspelbaar moet vaststellen

zelf de grenzen van de evenredigheid moet bepalen

dus een evenredigheidstoetsing moet doorvoeren

dit niet heeft gedaan. Het derde middel wordt opgedeeld in drie onderdelen. A.31.1. Het eerste onderdeel van het derde middel betreft de schending van het materieel

formeel wettigheidsbeginsel. Het bestreden artikel 5, §§ 1

2, van de Pandemiewet is, volgens de verzoekende partijen, niet voldoende nauwkeurig, duidelijk

voorspelbaar. Zowel de Koning, de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneur

de burgemeester kunnen regels wijzigen

/of verstrengen waardoor een lappendeken van regels kan ontstaan. De maatregelen die kunnen worden genomen, zijn veel te ruim geformuleerd

er zijn geen beperkingen dienaangaande. A.31.2. De Ministerraad werpt op dat er geen schending is van het wettigheidsbeginsel. Artikel 5 omvat een beperkte

limitatieve lijst van maatregelen of categorieën van maatregelen die op een voldoende precieze

duidelijke wijze beschreven worden. Daarnaast wordt ook duidelijk

voldoende nauwkeurig bepaald

omschreven in welke gevallen dergelijke maatregelen kunnen worden genomen, te weten in een epidemische noodsituatie. A.31.3. De verzoekende partijen merken op dat de bekrachtiging van het afkondigen van de epidemische noodsituatie, de bekrachtiging van de nadien door de uitvoerende macht genomen maatregelen niet kan vervangen. De beoordeling die het Parlement maakt, houdt geen beoordeling in van de concrete maatregelen die ter uitvoering daarvan kunnen worden genomen

al zeker niet van de geschiktheid, de noodzakelijkheid

evenredigheid van die concrete maatregelen, die bovendien bij de uitoefening van de door de wet toegekende bevoegdheidsdelegatie voortdurend kunnen veranderen. Vervolgens menen de verzoekende partijen dat de uiteenzetting van de Ministerraad ervan getuigt dat hij totaal niet begrepen heeft wat de functie is van het wettigheidsbeginsel inzake grondrechten, namelijk de gedelegeerde bevoegdheid te beperken

ervoor te zorgen dat de inhoud van de maatregelen reeds in grote mate door het Parlement zelf wordt bepaald om op die manier de grondrechten te beschermen tegen een te verregaande inperking door de uitvoerende macht. A.31.4. De Ministerraad herhaalt dat de machtiging aan de uitvoerende macht voldoende nauwkeurig is

dat de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld in de Pandemiewet. A.32.1. Het tweede onderdeel van het derde middel gaat uit van een schending van het evenredigheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partijen is de evenredigheidstoets blanco aan de uitvoerende macht gedelegeerd, want in artikel 4, § 3, is bepaald dat de maatregelen « noodzakelijk, geschikt

in verhouding tot de nagestreefde doelstelling » zijn, hetgeen evenwel een retorische uitroep is zonder

ige waarborg, terwijl waarborgen in concreto noodzakelijk zijn. A.32.

  1. De Ministerraad meent dat de wetgever het evenredigheidsbeginsel heeft geëerbiedigd, aangezien in de delegatie niet concreet moet worden bepaald wanneer de maatregelen al dan niet evenredig zouden zijn. Er zijn verschillende elementen waaruit de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel blijkt. 24 A.32.
  2. De repliek op het tweede onderdeel berust, volgens de verzoekende partijen, opnieuw op een verkeerde lezing door de Ministerraad. Het gaat om de vraag of de wet de grondwettelijk vereiste waarborgen aan de burger biedt dat de verordeningen die op basis daarvan kunnen worden genomen het evenredigheidsbeginsel in feite zullen eerbiedigen. Die grondwettelijk vereiste waarborgen zijn er niet. A.32.
  3. De Ministerraad herhaalt dat de wetgever het evenredigheidsbeginsel heeft geëerbiedigd. Bovendien kennen de verzoekende partijen een foutieve draagwijdte toe aan het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 15 maart 2022 in zake CGAS t. Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD002188120). A.33.
  4. Als derde onderdeel van het derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het evenredigheidsbeginsel door de artikelen 4, §§ 1

2, van de Pandemiewet. Allereerst moet worden vastgesteld dat gouverneurs

burgemeesters

kel strengere maatregelen mogen nemen, maar geen mildere. Daarnaast mogen de Koning

de minister van Binnenlandse Zaken

kel maatregelen nemen voor het gehele grondgebied. Het ontbreken van een verbod om federale maatregelen te nemen die niet in alle gemeenten noodzakelijk zijn, gecombineerd met het verbod voor de gouverneur

de burgemeester om lokaal minder strenge maatregelen te nemen, leidt tot een situatie waar minstens in bepaalde gemeenten maatregelen van bestuurlijke politie zullen gelden die niet noodzakelijk zijn

dus strijdig zijn met het evenredigheidsbeginsel. A.33.2. De Ministerraad herhaalt dat

kel de bevoegdheid wordt gedelegeerd om maatregelen van bestuurlijke politie te nemen. De uitvoerende macht die gebruik wil maken van die machtiging zal voor elke maatregel in concreto moeten onderzoeken of aan het evenredigheidsbeginsel is voldaan. Daarnaast is het, ingevolge de Pandemiewet, niet uitgesloten dat de federale overheid, indien nodig, maatregelen van bestuurlijke politie neemt voor een beperkt grondgebied. Het kan nodig zijn dat op lokaal niveau strengere maatregelen moeten worden genomen; er kan daarentegen niet worden toegestaan dat lokale overheden de federale regels op eigen grondgebied gaan schorsen. Het is niet uitgesloten dat er gedifferentieerd wordt tussen de verschillende gemeenten

provincies

het is net met dat oogmerk dat artikel 4, § 2, van de Pandemiewet erin voorziet dat burgemeesters

gouverneurs strengere maatregelen kunnen nemen wanneer de lokale omstandigheden dit zouden vereisen. A.33.

  1. De verzoekende partijen vragen het Hof om uitdrukkelijk te verklaren dat de bestreden bepalingen grondwetsconform moeten worden geïnterpreteerd. A.33.
  2. De Ministerraad benadrukt dat aangenomen moet worden dat wanneer een wetgever delegeert, de bedoeling van die wetgever erin bestaat de gedelegeerde te machtigen zijn bevoegdheid uit te oefenen conform het gelijkheidsbeginsel. A.34.
  3. Het vierde middel van de verzoekende partijen heeft betrekking op artikel 4, § 1, derde lid, van de Pandemiewet. Het bestreden artikel 4, § 1, derde lid, schendt de artikelen 10, 11, 12, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33

37 van de Grondwet. Door toepassing van artikel 4, § 1, derde lid, van de Pandemiewet krijgt de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid om verregaande vrijheidsbeperkingen op te leggen, die bovendien strafrechtelijk strafbaar zijn. Voormeld artikel is derhalve strijdig met de artikelen 33, 37, 105

108 van de Grondwet aangezien geen delegatie van bevoegdheid mogelijk is aan één minister. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies geoordeeld dat een delegatie van bevoegdheid aan een minister

kel mogelijk is bij het regelen van bijkomende aangelegenheden, maatregelen van ondergeschikt belang

detailmaatregelen. A.34.2. Allereerst merkt de Ministerraad op dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan de artikelen 33

37 van de Grondwet. Evenwel kan worden getoetst aan de artikelen 33

37 van de Grondwet voor zover daadwerkelijk een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, hetgeen te dezen niet is gebeurd. Voor zover het Hof toch van oordeel zou zijn dat een toetsing aan de artikelen 33

37 van de Grondwet, via de omweg van het gelijkheidsbeginsel, mogelijk is, meent de Ministerraad dat er geen schending voorhanden is. Een wettelijke bevoegdheidsoverdracht aan een minister is in overeenstemming met het formeel wettigheidsbeginsel, als de essentiële elementen door de wetgevende macht zelf worden bepaald. Bovendien is artikel 33 van de Grondwet te dezen niet relevant. De door de Grondwet toegekende machten of bevoegdheden kunnen niet worden gedelegeerd aan een andere staatsmacht, waardoor de Koning Zijn bevoegdheid in beginsel niet kan overdragen aan een minister. Anders dan de verzoekende partijen beweren, heeft dat grondwetsartikel geen betrekking op delegaties van de federale wetgever aan de minister. Uit de bewoordingen « maatregelen die geen

kel uitstel dulden » volgt dat

kel in geval van uiterste hoogdringendheid de minister bevoegd is om maatregelen te nemen. Dit kan

kel indien de objectieve redenen « in geval van dreigend gevaar » voorhanden zijn. Volgens de Ministerraad voldoet artikel 4, § 1, derde lid, van de Pandemiewet aan de uitzondering dat

kel 25 in geval van objectieve redenen die een dringend optreden vereisen, de wetgever de bevoegdheid aan een minister mag delegeren. A.34.3. Volgens de verzoekende partijen is het Hof wel bevoegd om de artikelen 33

37 van de Grondwet te betrekken in zijn toetsing. In casu gaat het immers om een bepaling die, in strijd met de artikelen 33

37 van de Grondwet, het mogelijk maakt om de grondrechten van titel II van de Grondwet te beperken. Vervolgens stellen de verzoekende partijen vast dat de Ministerraad bevestigt dat een delegatie aan een minister in deze materie

kel is toegestaan « voor maatregelen van bijkomstige aard ». Echter, de Ministerraad doet geen

kele moeite om te beweren dat de bevoegdheid die aan de minister wordt gedelegeerd door de Pandemiewet beperkt is tot « maatregelen van bijkomstige aard ». A.34.4. De Ministerraad herhaalt dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan de artikelen 33

37 van de Grondwet, waardoor het vierde middel als onontvankelijk moet worden afgewezen. Ten gronde meent de Ministerraad dat de maatregelen die door de minister van Binnenlandse Zaken kunnen worden genomen slechts voorlopige maatregelen zijn die van kracht zijn voor de periode die voorafgaat aan de maatregelen van bestuurlijke politie, zoals genomen door de Koning bij koninklijk besluit. A.35.1. Het vijfde middel van de verzoekende partijen heeft betrekking op artikel 4, § 4, van de Pandemiewet

vloeit voort uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24, 26

32 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat de wetenschappelijke gegevens zo snel mogelijk moeten worden bekendgemaakt aan het publiek (minstens het advies van de minister van Volksgezondheid

de risicoanalyse), terwijl de adviezen op basis waarvan de koninklijke besluiten van artikel 4, § 1, kunnen worden genomen, niet openbaar zijn. Er is

kel een mededeling aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Echter, die koninklijke besluiten kunnen beperkingen van grondrechten inhouden waarvan de Koning de noodzakelijkheid, de geschiktheid

de evenredigheid moet controleren. Het zijn dan ook die adviezen waarover de burgers moeten kunnen beschikken om hun rechten te kunnen verdedigen. De maatregelen die bij ministerieel besluit of door de burgemeester of gouverneur kunnen worden genomen, vereisen geen advies

derhalve ook geen bekendmaking. Die beperkingen op de bekendmaking belemmeren het recht op toegang tot de rechter. A.35.2. Allereerst merkt de Ministerraad op dat het middel deels onontvankelijk is, in zoverre niet wordt uiteengezet in welk opzicht de artikelen 10, 11, 12, 14, 15, 16, 19, 22, 22bis, 22ter, 23, 24

26 van de Grondwet zouden zijn miskend. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat de regeling van artikel 4, § 4, van de Pandemiewet het recht van de burgers op toegang tot een rechter niet miskent. De bestreden bepaling beperkt op geen

kele wijze de toepasselijkheid van de openbaarheidswetgeving, aangezien eenieder nog steeds beschikt over het recht om de adviezen op te vragen met toepassing van de openbaarheidswetgeving, waarbij in geval van weigering de geijkte rechtsprocedures bestaan. Bovendien bestaat er geen algemene verplichting tot de bekendmaking van wetenschappelijke gegevens die de onderliggende basis vormen voor een bepaalde regelgeving. Ook de vaststelling dat geen adviezen zijn voorgeschreven in artikel 4, § 4, voor de maatregelen die zullen worden genomen bij ministerieel besluit of door een gouverneur of een burgemeester,

dat ze bovendien niet publiek worden gemaakt, houdt geen schending in van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er wordt door de verzoekende partijen niet aangetoond in welk opzicht artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een verplichting zou inhouden om adviezen in te winnen voorafgaand aan het aannemen van maatregelen door de minister dan wel door de burgemeester of gouverneur. Daarnaast stelt de Ministerraad vast dat verschillende adviezen

verslagen van vergaderingen van adviesorganen de facto openbaar zijn

eenvoudig publiek raadpleegbaar via de website info-coronavirus.be. Tot slot meent de Ministerraad dat artikel 4, § 4, in geen geval strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Allereerst lichten de verzoekende partijen niet toe welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken. De Ministerraad begrijpt niet hoe een onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen « personen die door de maatregelen per KB getroffen worden »

« personen die door de maatregelen per MB getroffen worden ». Zowel de maatregelen van bestuurlijke politie genomen bij koninklijk besluit als de maatregelen van bestuurlijke politie genomen bij ministerieel besluit richten zich tot de algemeenheid van de burgers

betreffen dezelfde categorieën van maatregelen

personen, bedoeld in artikel

  1. 26 A.35.
  2. De verzoekende partijen vragen het Hof de bestreden bepalingen grondwetsconform te interpreteren, zodat als er adviezen zijn, die adviezen onderworpen zijn aan de openbaarheidswetgeving. A.35.
  3. De Ministerraad merkt op dat het recht van de burgers om adviezen op te vragen in het kader van de openbaarheidswetgeving, geenszins betekent dat het Hof dit uitdrukkelijk zou moeten bevestigen. Het betreft immers een loutere toepassing van de bestaande wetgeving

met de regeling van artikel 4, § 4, van de Pandemiewet wordt geenszins beoogd daarvan af te wijken. A.36.1. Als zesde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan door artikel 6 junctis de artikelen 4

5 van de Pandemiewet, van de artikelen 10, 11, 12

14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met artikel 190 van de Grondwet, omdat het wettigheidsbeginsel in strafzaken vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke

rechtszekerheid biedende bewoordingen moet bepalen welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat degene die een gedrag aanneemt vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg is van dat gedrag

aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Bovendien betekent artikel 190 van de Grondwet dat maatregelen maar verbindend kunnen zijn na behoorlijke publicatie in een wettelijke vorm. Het zesde middel wordt door de verzoekende partijen opgesplitst in twee onderdelen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de schending van het wettigheidsbeginsel, in samenhang gelezen met artikel 190 van de Grondwet. Het bestreden artikel 6 van de Pandemiewet bepaalt noch de inhoud van de misdrijven, noch de straf voor elk van hen, maar delegeert aan de Koning, de minister van Binnenlandse Zaken, de gouverneurs

de burgemeesters de bevoegdheid om die zelf te bepalen voor zover de straffen de opsomming van artikel 6 niet te buiten gaan. Als tweede onderdeel wordt de schending van het evenredigheids-

gelijkheidsbeginsel opgeworpen. In het bestreden artikel 6 van de Pandemiewet wordt geen vaststelling teruggevonden van de categorieën van zwaarte van de overtredingen. Alle maatregelen bij koninklijk besluit, ministerieel besluit of besluit van een gouverneur of burgemeester, die voor burgers verplichtend zijn, kunnen gelijkelijk gepaard gaan met straffen, gaande van een boete van 1 euro tot een gevangenis

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.