← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.036

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.036 Arrest- Rolnummer: 36/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 713 - laatst gezien 2026-06-17 03:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.26.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 « houdende instemming met de volgende internationale akten : 1) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek India inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Brussel op 16 september 2021, en 2) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 3) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 4) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022, en 5) het Protocol van 22 november 2017 tot wijziging van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Straatsburg op 7 april 2022 », ingesteld door Farzin Hashemi en anderen. Strafrecht - Wederzijdse rechtshulp - Wet houdende instemming met een verdrag - Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen - Voor terroristische feiten veroordeelde persoon Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 36/2023 van 3 maart 2023 Rolnummer : 7871 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 « houdende instemming met de volgende internationale akten : 1) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek India inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Brussel op 16 september 2021, en 2) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 3) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 4) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022, en 5) het Protocol van 22 november 2017 tot wijziging van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Straatsburg op 7 april 2022 », ingesteld door Farzin Hashemi en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 oktober 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 oktober 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 « houdende instemming met de volgende internationale akten : 1) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek India inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Brussel op 16 september 2021, en 2) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 3) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 4) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022, en 5) het Protocol van 22 november 2017 tot wijziging van het 2 Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Straatsburg op 7 april 2022 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 november 2022, tweede editie), door Farzin Hashemi, Maryam Rajavi, Ahmed Ghozali, Sid Alaoddin Jalalifard, Giulio Terzi Di Sant’Agata, Robert G. Torricelli, Javad Dabiran, Tahar Boumedra, Linda Chavez, Ingrid Betancourt en de organisatie naar Frans recht « Le Conseil national de la Résistance iranienne », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. J. Renaux, advocaten bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 163/2022 van 8 december 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.163), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 december 2022, heeft het Hof die wetsbepaling geschorst. Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Brits recht « Justice for Iran », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Vanreusel, advocaat bij de balie te Gent (tussenkomende partij); - Olivier Vandecasteele, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. O. Venet, Mr. C. Georgiev en Mr. P. Minsier, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Olivier Vandecasteele, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. O. Venet, Mr. C. Georgiev, Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. C. Jadot, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson en Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 17 januari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en D. Pieters te hebben gehoord : - beslist dat de zaak in staat van wijzen is en de dag van de terechtzitting bepaald op 15 februari 2023, - de verzoekende partijen uitgenodigd om een aanvullende memorie van maximum vijftien pagina’s uiterlijk op 24 januari 2023 in te dienen, die binnen dezelfde termijn aan de andere partijen moet worden meegedeeld, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be », - de andere partijen uitgenodigd om te repliceren op de aanvullende memorie van de verzoekende partijen door een aanvullende memorie van antwoord van maximum vijftien pagina’s 3 uiterlijk op 31 januari 2023 in te dienen, en binnen dezelfde termijn mee te delen aan alle partijen, alsook aan de griffie van het Hof via mail p het voormelde adres. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen; - de vennootschap naar Brits recht « Justice for Iran »; - Olivier Vandecasteele; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 15 februari 2023 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens en Mr. J. Renaux, voor de verzoekende partijen; . Mr. R. Vanreusel, voor de vennootschap naar Brits recht « Justice for Iran »; . Mr. O. Venet, Mr. C. Georgiev, Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. C. Jadot, voor Olivier Vandecasteele; . Mr. B. Renson en Mr. E. Jacubowitz, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging en de tussenkomsten Wat betreft het belang van de tussenkomende partijen A.1.

  1. Olivier Vandecasteele zet uiteen dat hij sinds 24 februari 2022 willekeurig en in slechte omstandigheden is opgesloten in een Iraanse gevangenis. Hij zet uiteen dat hij belang heeft bij het behoud van de diplomatieke relaties tussen België en Iran, niet alleen om het voordeel van de consulaire bescherming te blijven genieten maar ook om een duidelijke verslechtering van zijn opsluitingsomstandigheden te vermijden. Hij merkt op dat hij een verbetering van zijn 4 opsluitingsomstandigheden heeft gekend naarmate de procedure van instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022 (hierna : het verdrag van 11 maart 2022), vooruitging. Hij vreest dus dat een vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 « houdende instemming met de volgende internationale akten : 1) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek India inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Brussel op 16 september 2021, en 2) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 3) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 4) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022, en 5) het Protocol van 22 november 2017 tot wijziging van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, ondertekend op 7 april 2022 te Straatsburg » (hierna : de wet van 30 juli 2022), waarbij met dat verdrag wordt ingestemd, tot een verslechtering van zijn opsluitingsomstandigheden in Iran leidt. Olivier Vandecasteele wijst ook erop dat hem is toegestaan tussen te komen bij verscheidene andere processen die zijn ingesteld door de verzoekende partijen van de thans voorliggende zaak. Hij voegt eraan toe dat die laatsten in hun verzoekschrift aanvoeren dat zijn situatie de gehele of gedeeltelijke verklaring vormt voor het feit dat de bestreden wetsbepaling werd aangenomen. A.1.
  2. Olivier Vandecasteele zet uiteen dat zijn opsluitingsomstandigheden aanzienlijk zijn verslechterd sinds het arrest van het Hof nr. 163/2022 van 8 december 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.163) waarbij de schorsing is bevolen van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022, en hij verklaart dat de volledige inwerkingtreding van het verdrag van 11 maart 2022, die onmogelijk is gemaakt door dat schorsingsarrest, de enige mogelijkheid vormt om levend naar België te kunnen terugkeren. Hij voegt eraan toe dat zijn belang om tussen te komen is toegenomen sinds de schorsingsprocedure, daar hij door het Iraanse gerecht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 jaar, hetgeen een nog meer concrete bedreiging vormt voor zijn recht op leven. Hij herinnert eraan dat hij door die veroordeling in aanmerking komt voor de overbrengingsprocedure waaraan de bestreden wet instemming verleent. A.
  3. De niet-gouvernementele organisatie « Justice for Iran » stelt zich voor als een in Londen gevestigde vereniging die ten doel heeft rekenschap te vragen aan de plegers van ernstige schendingen van de mensenrechten die in Iran of door Iraanse ambtenaren worden begaan. Zij zegt in het bijzonder op te treden om het recht op de waarheid en het recht op rechtvaardigheid te doen naleven van de meest kwetsbare slachtoffers zoals vrouwen, etnische, religieuze en seksuele minderheden alsook politieke dissidenten. Die organisatie onderstreept dat haar leden deelnamen aan een massabijeenkomst die op 30 juni 2018 bij Parijs heeft plaatsgehad en die werd geviseerd door de terroristische aanslag die was voorbereid door Assaddollah Assadi, een Iraanse onderdaan die vervolgens voor dat feit door de correctionele rechtbank te Antwerpen is veroordeeld tot een gevangenisstraf en die naar Iran zou kunnen worden overgebracht met toepassing van het verdrag van 11 maart 2022 waaraan artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 instemming verleent. Die organisatie is van mening dat indien die persoon naar Iran wordt overgebracht, het zeer waarschijnlijk is dat hij nooit nog de rest van zijn gevangenisstraf zal moeten uitzitten. Ten gronde zet « Justice for Iran » geen enkel eigen argument uiteen en verklaart die organisatie de door de verzoekende partijen aangevoerde argumenten te onderschrijven. Wat betreft het belang van de verzoekende partijen A.3.1.
  4. Teneinde hun belang aan te tonen bij het vorderen van de vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022, zetten Farzin Hashemi, Maryam Rajavi, Ahmed Ghozali, Sid Alaoddin Jalalifard, Giulio Terzi Di Sant’Agata, Robert G. Torricelli, Javad Dabiran, Tahar Boumedra, Linda Chavez, Ingrid Betancourt en de vereniging naar Frans recht « Le Conseil national de la Résistance iranienne » (hierna : Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen) uiteen dat zij erkend zijn als slachtoffers van de poging tot terroristische aanslag die is voorbereid door Assaddollah Assadi. De verzoekende partijen preciseren dat, bij een vonnis van 4 februari 2021, de correctionele rechtbank te Antwerpen die persoon heeft veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf en tot het vergoeden van de door Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen geleden morele schade. 5 A.3.1.
  5. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zetten uiteen dat indien Assaddollah Assadi wordt overgebracht naar Iran met toepassing van het verdrag dat op 11 maart 2022 is gesloten tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, Verdrag waaraan de wetgevende macht instemming heeft verleend bij artikel 5 van de wet van 30 juli 2022, zij niet langer de rechten zullen kunnen genieten, of het voordeel van de waarborgen zullen kunnen genieten, waarin de artikelen 10 (§ 2, vierde lid), 17 (§ 2, tweede lid), 20/2, 47 (§ 1, 3° en 4°, en § 2, 3°) en 53 van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » (hierna : de wet van 17 mei 2006) ten voordele van de slachtoffers voorzien. A.3.1.
  6. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zetten ook uiteen dat de overbrenging naar Iran van Assaddollah Assadi met toepassing van het verdrag van 11 maart 2022 hun leven zal blootstellen aan een ernstig gevaar omdat hij opnieuw in staat zal zijn zijn terroristische activiteiten weer op te nemen die bestemd zijn om alle opposanten van het huidige Iraanse regime uit de weg te ruimen. De verzoekende partijen merken op dat hij deel uitmaakt van de dertien gevaarlijkste terroristen die de Raad van de Europese Unie heeft geïdentificeerd. A.3.
  7. Volgens Olivier Vandecasteele hebben de verzoekende partijen geen belang erbij de vernietiging te vorderen van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022, omdat die bepaling hun situatie niet rechtstreeks raakt. Hij merkt eerst op dat de bestreden wetsbepaling de situatie van de eerste tien verzoekende partijen niet wijzigt. Hij preciseert dat die bepaling hun noch de hoedanigheid van burgerlijke partij die hun is toegekend door de correctionele rechtbank te Antwerpen, noch het statuut van slachtoffer dat de wet van 17 mei 2006 hun verleent, ontneemt. Olivier Vandecasteele voegt eraan toe dat de aantasting van het recht op leven waarvoor de verzoekende partijen vrezen, slechts het gevolg zou kunnen zijn van een geheel van omstandigheden, namelijk een toekomstige beslissing tot overbrenging van Assaddollah Assadi, een door de Iraanse overheden genomen beslissing om gratie te verlenen en het criminele gedrag van reeds veroordeelde natuurlijke personen. Olivier Vandecasteele merkt vervolgens op dat de elfde verzoeker een rechtspersoon is, zodat hij niet de rechten kan genieten die bij de wet van 17 mei 2006 aan de slachtoffers zijn toegekend. Hij voegt eraan toe dat niet is aangetoond dat die rechtspersoon zich kan beroepen op het recht op leven dat is vastgelegd bij artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen A.4.1.
  8. De Ministerraad merkt in zijn memorie van wederantwoord op dat de drie middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 40 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 7, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij herinnert eraan dat artikel 1 van dat Verdrag het toepassingsgebied van de bepalingen van het Verdrag beperkt door een band te eisen tussen de verzoekende partijen en de in het geding zijnde Staat, waarvan moet worden aangetoond dat die zijn gezag of zijn controle ten aanzien van hen daadwerkelijk heeft uitgeoefend. Hij herinnert eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat het instellen van een procedure op nationaal niveau niet volstaat om een extraterritoriale jurisdictionele band vast te stellen (EHRM, grote kamer, 5 mei 2020, M.N. e.a. t. België (ECLI:CE:ECHR:2020:0505DEC000359918); grote kamer, 14 september 2022, H.F. e.a. t. Frankrijk (ECLI:CE:ECHR:2022:0914JUD002438419). Hij is daarnaast van mening dat het feit dat België en de Islamitische Republiek Iran het verdrag van 11 maart 2022 hebben gesloten, evenmin het bestaan met zich meebrengt van een rechtsmacht van België ten aanzien van de verzoekende partijen die niet de Belgische nationaliteit hebben en niet in België verblijven. Hij besluit hieruit dat, aangezien de verzoekende partijen niet onder de rechtsmacht van België vallen, zij geen aanspraak kunnen maken op de bescherming van de rechten en vrijheden die zijn gedefinieerd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4.1.
  9. De Ministerraad verwijst daarnaast naar artikel 191 van de Grondwet en naar het arrest van het Hof nr. 51/94 van 29 juni 1994 (ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.051), en besluit hieruit dat alleen de vreemdelingen die zich op het grondgebied bevinden, de waarborgen kunnen genieten die zijn verankerd in titel II van de Grondwet, waaronder het bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. A.4.1.
  10. De Ministerraad besluit hieruit dat het beroep of, op zijn minst, de middelen niet ontvankelijk zijn. 6 A.4.
  11. Olivier Vandecasteele stelt, in zijn memorie van wederantwoord, vast dat de drie middelen die de verzoekende partijen aanvoeren, zijn afgeleid uit de schending van met name de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij merkt op dat het Hof reeds heeft aanvaard dat, overeenkomstig artikel 191 van de Grondwet, vreemdelingen de schending van die bepalingen aanvoeren, onder de dubbele voorwaarde dat zij zich op het Belgische grondgebied bevinden en dat de wet voor hen niet in een uitzondering heeft voorzien. Hij onderstreept dat, te dezen, geen enkele van de verzoekende partijen vermeldt Belg te zijn of zich op het Belgische grondgebied te bevinden. Hij voert aan dat zij zich, onder die voorwaarden, niet kunnen beroepen op de rechten en vrijheden die de Grondwet aan de Belgen toekent. Hij besluit hieruit dat het beroep of op zijn minst de middelen niet- ontvankelijk moeten worden verklaard. A.4.
  12. In hun aanvullende memorie verwijzen Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen naar de arresten die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gewezen op 29 januari 2019 in zake Güzelyurtlu e.a. t. Cyprus en Turkije (ECLI:CE:ECHR:2019:0129JUD003692507) en op 9 juli 2019 in zake Romeo Castaño t. België (ECLI:CE:ECHR:2019:0709JUD000835117), waarin dat Hof heeft geoordeeld dat er tussen een Staat en buitenlandse onderdanen een jurisdictionele band bestaat zodra die Staat een onderzoek en een strafprocedure heeft geopend tegen de dader van een misdrijf wanneer die buitenlandse onderdanen zijn erkend als slachtoffer. A.4.
  13. De Ministerraad is van mening dat de door de verzoekende partijen aangehaalde arresten geen betrekking hebben op hypothesen die vergelijkbaar zijn met de situatie waarin zij zich bevinden, daar die betrekking hebben op de verplichting betreffen die op de Staten rust om samen te werken teneinde aantastingen van het recht op leven te kunnen bestraffen. Hij is van mening dat, te dezen, het bestaan van de strafprocedure tegen Assaddollah Assadi, die vandaag beëindigd is, geen toereikende omstandigheid is die kan aantonen dat er een extraterritoriale jurisdictionele band tussen België en de verzoekende partijen bestaat. Hij merkt overigens op dat de verzoekende partijen zijn analyse betreffende de gevolgen die aan artikel 191 van de Grondwet moeten worden verbonden, niet betwisten. Ten aanzien van de inleidende opmerkingen die zijn geformuleerd naar aanleiding van het arrest nr. 163/2022 van het Hof A.5.
  14. In zijn memorie van wederantwoord formuleert Olivier Vandecasteele vijf inleidende opmerkingen. Ten eerste merkt hij op dat de toetsing van het Hof met betrekking tot de wetten houdende instemming met verdragen van uitzonderlijke aard is, wat verantwoordt dat het Hof daarmee steeds voorzichtig is omgesprongen. Hij merkt op dat het arrest nr. 163/2022 waarbij de schorsing van artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 wordt bevolen, in dat verband een breuk vormt met de traditionele rechtspraak van het Hof, breuk die des te verwonderlijker is daar ze zich voordoet in een uitermate regaal domein dat, van nature, het Hof niet toelaat te beschikken over alle elementen die de aanneming van de bestreden wet verantwoorden. Ten tweede merkt hij op dat het dictum van het arrest nr. 163/2022, dat ogenschijnlijk beperkt is tot een toepassingshypothese, tot de concrete niet-toepasbaarheid van het volledige verdrag leidt, en dat er, gelet op de politieke context, geen enkele kans is dat hij zelf op grond daarvan een overbrenging kan genieten indien het Hof dat dictum handhaaft in het stadium van de vernietiging. Ten derde herinnert hij eraan dat het slachtoffer een zeer beperkte en welomschreven plaats heeft in het strafproces en dat het inzonderheid niet moet worden betrokken bij de bespreking van de straf en de uitvoering ervan. Hij voegt eraan toe dat, in de huidige stand van het nationaal en internationaal recht, de slachtoffers over geen enkel recht beschikken om invloed uit te oefenen op een beslissing tot overbrenging. Vervolgens wijst hij erop dat Assaddollah Assadi op vrij korte termijn kan vrijkomen met toepassing van de interne Belgische regels betreffende de strafuitvoering en dat het niet realistisch is om aan te voeren of te hopen dat de gevangenisstraf van twintig jaar die te zijnen aanzien is uitgesproken, daadwerkelijk tot de einddatum zal worden uitgevoerd. Ten aanzien van de verplichting om terroristische misdrijven te vervolgen, onderstreept hij dat de internationale teksten die in het voormelde arrest nr. 163/2022 worden aangevoerd, geenszins betrekking hebben op de kwestie van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Ten slotte vestigt hij ten aanzien van het risico dat, indien Assaddollah Assadi vrijkomt, nieuwe terroristische daden worden gepleegd, de aandacht erop dat de mechanismen inzake de toegang tot het grondgebied en de controle aan de grenzen, hem zullen beletten Europa binnen te komen, en hij merkt op dat, aangezien alle partijen het erover eens zijn dat die persoon een uitvoerend ambtenaar is van een Staat die wordt geacht terroristische daden te organiseren, het duidelijk is dat het gevaar niet uitsluitend van de betrokken persoon zelf uitgaat, maar vooral van het staatsbestel waartoe hij behoort. 7 Ten vierde benadrukt hij dat de overbrenging tussen Staten van gedetineerden vooral een politieke beslissing is en somt hij enkele voorbeelden op van gevangenenruil tussen Iran en verschillende landen, die hebben plaatsgehad buiten elk wettelijk kader. Hij merkt daarnaast op dat de strijd van de verzoekende partijen uitermate politiek van aard is en dat het beroep tot vernietiging overduidelijk steunt op strategische doelen van Iraanse binnenlandse politiek. Hij is van mening dat met het onderhavige beroep aan het Hof een kwestie wordt voorgelegd die verband houdt met de Iraanse binnenlandse politieke agenda en die wordt gedragen door een van de voornaamste oppositiebewegingen tegen het huidige regime. Ten vijfde herinnert hij eraan dat het middel dat in het stadium van de schorsingsprocedure ernstig is bevonden, niet samenvalt met het gegronde middel en wijst hij erop dat de feitelijke omstandigheden en de juridische gegevens sinds het schorsingsarrest mogelijk aanzienlijk zijn geëvolueerd. A.5.
  15. In zijn memorie van wederantwoord preciseert de Ministerraad dat, op de dag dat die memorie is ingediend, de uitwisseling van de akten van bekrachtiging van het verdrag van 11 maart 2022 met de Iraanse overheid, nog niet heeft plaatsgehad, zodat het verdrag nog niet van toepassing is. Ten gronde Wat betreft het eerste middel, afgeleid uit de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2, lid 3, en 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 33 en 40, tweede lid, van de Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten A.6.1.
  16. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 onverenigbaar is met het recht op leven van de slachtoffers van personen die door de hoven en rechtbanken zijn veroordeeld omdat zij terroristische misdrijven hebben gepleegd met de steun van Iran, in zoverre die wetsbepaling het mogelijk maakt dat laatstgenoemden naar die Staat worden overgebracht. De verzoekende partijen merken op dat België weet dat Iran daden van terrorisme steunt en eraan deelneemt. Zij voegen eraan toe dat die laatste Staat de gewoonte heeft personen van vreemde nationaliteit die zich op zijn grondgebied bevinden willekeurig te arresteren en over hun vrijlating te onderhandelen in het kader van besprekingen met andere Staten. De verzoekende partijen betogen dat België weet of zou moeten weten dat de overbrenging, met toepassing van het verdrag van 11 maart 2022, van een persoon die is veroordeeld omdat hij terroristische misdrijven heeft gepleegd met de steun van Iran, zal worden gevolgd door de gratieverlening en zijn vrijlating zodra hij op het Iraanse grondgebied aankomt. A.6.1.
  17. In het eerste onderdeel van dat middel herinneren Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen eraan dat het recht op leven, zoals het is erkend bij artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in het procedurele deel ervan, de lidstaten bij dat Verdrag ertoe verplicht de straf uit te voeren die door een rechterlijke instantie is opgelegd aan een persoon die een aanslag heeft gepleegd op het leven van anderen. De verzoekende partijen leiden af uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en in het bijzonder uit het arrest van 27 mei 2014 in zake Marguš t. Kroatië (ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000445510), dat een persoon die rechtstreeks een aanslag heeft gepleegd op het leven van anderen door een terroristisch misdrijf te plegen, in geen geval gratie of amnestie mag worden verleend. Zij steunen dienaangaande ook op de resolutie 1373

(2001)die op 28 september 2001 door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties is aangenomen, waarbij die instantie de Staten gelast om de plegers van terroristische daden te straffen. Zij zijn van mening dat het sluiten van een overbrengingsverdrag met een Staat die het plegen van terroristische daden zelf rechtstreeks steunt, zonder te voorzien in enige beperking ten aanzien van de overbrenging van terroristen, volkomen onverenigbaar is met die resolutie. A.6.1.
  1. De verzoekende partijen leiden vervolgens uit het op 26 mei 2020 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gewezen arrest inzake Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije (ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD001724713) af dat een Staat die overgaat tot de overbrenging naar een andere Staat van een persoon die tot een gevangenisstraf is veroordeeld omdat hij een aanslag heeft gepleegd op het leven van anderen, terwijl hij weet of zou moeten weten dat die gevangene door die andere Staat snel in vrijheid zal worden gesteld alvorens het restant van zijn gevangenisstraf te hebben uitgezeten, het recht op leven schendt. 8 Zij merken ook op dat, bij een resolutie die op 18 november 2014 is aangenomen over de maatregelen die ertoe strekken het onrechtmatige gebruik van het Verdrag van 21 maart 1983 inzake overbrenging van gevonniste personen te voorkomen, de Parlementaire vergadering van de Raad van Europa heeft gesteld dat dat Verdrag niet is opgevat met de bedoeling te worden gebruikt om gevangenen onmiddellijk vrij te laten na hun terugkeer in hun land van herkomst. A.6.1.
  2. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zetten ten aanzien van Assaddollah Assadi uiteen dat België over voldoende tastbare bewijzen beschikt van het feit dat hij in vrijheid zal worden gesteld zodra hij naar Iran terugkeert, indien hij wordt overgebracht met toepassing van het verdrag van 11 maart
  3. A.6.1.
  4. De verzoekende partijen voeren aan dat de naleving van de scheiding der machten voor de uitvoerende macht de verplichting inhoudt zich ervan te vergewissen dat de straf die de rechterlijke macht aan die persoon heeft opgelegd, daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd. Zij voegen eraan toe dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals verankerd in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de Staat ertoe verplicht de beslissing uit te voeren die is genomen naar aanleiding van de uitoefening van dat rechtsmiddel. A.6.1.
  5. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen betogen bovendien dat het recht op leven, zoals het is erkend bij artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de Staat ertoe verplicht zich ervan te vergewissen dat de persoon die is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf waarbij een aanslag wordt gepleegd op het leven van anderen, en die naar een andere Staat wordt overgebracht, geen nieuw soortgelijk misdrijf kan plegen. A.6.1.
  6. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen onderstrepen voorts dat, teneinde artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in acht te nemen, België in het verdrag van 11 maart 2022 ofwel een clausule had moeten doen invoegen waarbij de overbrenging wordt uitgesloten van personen die zijn veroordeeld wegens terroristische misdrijven die zijn gepleegd met de steun of de deelname van de Staat van tenuitvoerlegging, ofwel een clausule had moeten doen invoegen waarbij het recht van die Staat om de overgebrachte persoon amnestie of gratie te verlenen of de hem opgelegde straf om te zetten, wordt beperkt. De verzoekende partijen zijn van mening dat in zoverre het de Staat van tenuitvoerlegging zonder beperking toestaat de overgebrachte persoon amnestie of gratie te verlenen of zijn straf om te zetten, artikel 13 van het verdrag van 11 maart 2022 het recht op leven schendt en een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan tussen de slachtoffers van een persoon die wordt overgebracht met toepassing van dat verdrag en de slachtoffers van een persoon die wordt overgebracht met toepassing van het verdrag dat op 5 mei 2009 is gesloten met de Dominicaanse Republiek en het verdrag dat op 18 juni 2010 is gesloten met de Regering van de Republiek Kosovo, verdragen die het recht van de Staat van tenuitvoerlegging om gratie of amnestie te verlenen, beperken. De verzoekende partijen onderstrepen in dat verband dat er in België geen rechterlijke instantie bestaat die bevoegd is om een ministerieel besluit tot overbrenging te vernietigen dat is genomen met toepassing van de wet van 23 mei 1990 « inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen » (hierna : de wet van 23 mei 1990), en dat onverenigbaar zou zijn met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voeren aan dat de Raad van State zich steeds onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een dergelijk besluit en dat de rechter in kort geding de betwiste overbrenging enkel zou kunnen vertragen indien die internationale bepaling zou worden geschonden. De verzoekende partijen merken ook op dat zelfs indien er een beroep tot nietigverklaring tegen een besluit van dat type zou bestaan, die administratieve handeling niet ter kennis wordt gebracht van het slachtoffer van de overgebrachte persoon welke die beslissing zou wensen te betwisten. A.6.1.
  7. In het tweede onderdeel van dat middel voeren Farzin Hashemi en andere verzoekende partijen aan dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 33 en 40, tweede lid, van de Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten, in zoverre het verdrag van 11 maart 2022 geen enkele bepaling bevat die de mogelijkheid uitsluit van een overbrenging van de personen die zijn veroordeeld wegens misdrijven die zijn gepleegd met de actieve medewerking of met de steun van de Staat van tenuitvoerlegging, daar het vaststaat dat de Iraanse Staat de geest van het overbrengingsverdrag wil omzeilen om personen vrij te laten die zijn veroordeeld wegens misdrijven die met steun van die Staat werden gepleegd. De verzoekende partijen zijn van mening dat in zoverre zij de uitvoerende 9 macht toelaat om op die manier elke daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de door de gewone rechtscolleges uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen teniet te doen, de bestreden bepaling in strijd is met het beginsel van de scheiding der machten. De verzoekende partijen zijn van mening dat, aangezien het verdrag van 11 maart 2022 aan de minister van Justitie de bevoegdheid toekent om personen over te brengen die zijn veroordeeld wegens terroristische feiten, terwijl van de Staat van tenuitvoerlegging, namelijk Iran, geweten is dat hij heeft deelgenomen aan de totstandkoming van die terroristische misdrijven, het wel degelijk het verdrag zelf is, en niet uitsluitend de tenuitvoerlegging ervan, dat het beginsel van de scheiding der machten schendt. A.6.2.
  8. De Ministerraad is van mening dat het eerste middel op beweringen berust die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, namelijk dat België zonder enige voorwaarde zijn instemming zal betuigen met de overbrenging naar Iran van Assaddollah Assadi en dat aan de laatstgenoemde onmiddellijk gratie zal worden verleend bij zijn aankomst in Iran. A.6.2.
  9. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel onderstreept de Ministerraad in de eerste plaats dat aangezien België nooit ertoe gehouden is in te gaan op een verzoek tot overbrenging, het merendeel van de verdragen die dat soort van operatie organiseren, sommige misdrijven niet van hun toepassingsgebied uitsluiten. Hij betoogt dat een overbrenging met toepassing van het verdrag van 11 maart 2022 in elk geval door België slechts zal kunnen worden aanvaard indien Iran de gerechtelijke beslissing tot veroordeling van de betrokken persoon officieel erkent en aanvaardt de tenuitvoerlegging ervan over te nemen. De Ministerraad voegt eraan toe dat België zijn instemming met een verzoek tot overbrenging afhankelijk kan stellen van het verkrijgen van Iraanse waarborgen met betrekking tot de correcte tenuitvoerlegging van de Belgische veroordeling. A.6.2.
  10. De Ministerraad stelt in de tweede plaats vast dat de feitelijke omstandigheden die aan de oorsprong liggen van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die de verzoekende partijen als argument gebruiken, geenszins vergelijkbaar zijn met de context waarin het beroep tot vernietiging van de wet van 30 juli 2022 kadert. Hij onderstreept in dat verband dat er geen enkel verzoek tot overbrenging van Assaddollah Assadi bestaat, dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geenszins de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen verbiedt en dat uit het op 26 mei 2020 door dat Hof gewezen arrest in zake Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije blijkt dat alleen de analyse van de concrete omstandigheden van een operatie van dat type het mogelijk maakt zich uit te spreken over de verenigbaarheid ervan met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.6.2.
  11. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie in antwoord op het tweede middel. A.6.3.
  12. Olivier Vandecasteele betoogt, ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel, dat de instemming met een internationaal verdrag de draagwijdte van dat verdrag niet kan beperken door de toepassing ervan op sommige categorieën van personen uit te sluiten. Hij merkt op dat geen enkele van de regels waarvan de schending wordt aangevoerd een dergelijke beperking van het toepassingsgebied van het verdrag van 11 maart 2022 vereist. Hij onderstreept dat een verdrag een in een overeenkomst vastgelegde norm is die het resultaat is van onderhandelingen tussen Staten die vrij zijn om al dan niet facultatieve clausules in een dergelijke akte in te voegen. A.6.3.
  13. Olivier Vandecasteele wijst ook erop dat het niet aan het Hof staat zich erover uit te spreken of het voor België opportuun is om een verdrag te sluiten met een Staat wat betreft de praktijken van die Staat. A.6.3.
  14. Vervolgens is Olivier Vandecasteele van mening dat de beweringen van schending van het recht op leven niet gericht zijn tegen artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 maar tegen de gratie die Iran zou overwegen onmiddellijk aan Assaddollah Assadi te verlenen na zijn veronderstelde overbrenging die door België zonder voorwaarde zou worden aanvaard. A.6.3.
  15. Olivier Vandecasteele is ook van oordeel dat de feitelijke omstandigheden die aan de oorsprong liggen van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 26 mei 2020 totaal verschillend zijn van de omstandigheden van het beroep tot vernietiging van de wet van 30 juli
  16. 10 Hij merkt bovendien op dat het principe zelf van de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet schendt. Hij voegt eraan toe dat die internationale bepaling de Staat die de overgebrachte veroordeelde onthaalt, niet op algemene wijze ertoe verplicht ervoor te zorgen dat de uitgesproken straf volledig wordt uitgevoerd. Olivier Vandecasteele onderstreept tot slot dat artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de amnestie niet op algemene wijze verbiedt en dat een persoon die reeds is veroordeeld in elk geval niet het voordeel van een algemene maatregel zou kunnen genieten die ten doel heeft strafvervolging te beletten. A.6.3.
  17. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel is Olivier Vandecasteele van mening dat, indien de Iraanse Staat de door het Belgische gerecht uitgesproken veroordelingsbeslissing niet officieel erkent en de tenuitvoerlegging ervan weigert over te nemen, de overbrenging niet zou kunnen plaatshebben. Voor het overige is hij van mening dat de kritiek met betrekking tot de schending van het beginsel van de scheiding der machten en van artikel 40 van de Grondwet niet is gericht tegen de bestreden wet. Hij herinnert eraan dat het beginsel van de overbrenging door de Regering, niet is vastgelegd in de bestreden wet of in het verdrag van 11 maart 2022, maar wel in de wet van 23 mei
  18. A.6.4.
  19. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel onderschrijven Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zonder voorbehoud het arrest van het Hof nr. 163/
  20. Zij merken op dat dat arrest de verzoekende partijen beschermt door een schending van hun recht op leven te verhinderen, waarbij voor andere veroordeelde personen, Iraanse of Belgische, zoals Olivier Vandecasteele, de mogelijkheid blijft bestaan om het bij het verdrag van 11 maart 2022 ingevoerde mechanisme van de overbrenging te genieten. Zij voegen eraan toe dat geen enkel van de door de Ministerraad of Olivier Vandecasteele aangevoerde argumenten de lering uit het voormelde arrest in het geding kan brengen. A.6.4.
  21. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel zijn Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen van mening dat het niet samenvalt met het tweede middel, daar hun kritiek betrekking heeft op het feit dat de aard van de Iraanse Staat op zich verantwoordt dat een overbrengingsverdrag met die Staat niet de overbrenging kan toelaten van personen die een terroristische aanslag hebben gepleegd of een poging daartoe hebben gedaan met de steun van Iran, daar anders de uitvoerende macht het beginsel van de scheiding der machten schendt. A.6.5.
  22. In zijn memorie van wederantwoord voert de Ministerraad aan dat de analyse van het Hof in het arrest nr. 163/2022 volledig berust op de gevolgen van een geval van eventuele toepassing van de wet en niet op de grondwettigheid van de wet zelf, terwijl de toetsing van het Grondwettelijk Hof ten aanzien van de instemmingswet betrekking moet hebben op de wet zelf in abstracto, en niet kan plaatshebben op basis van een bijzondere omstandigheid of een welbepaald geval. Hij herinnert in dat verband eraan dat uit de voorgeschiedenis blijkt dat de beslissing om met Iran te onderhandelen over een overbrengingsverdrag aanvankelijk losstond van de arrestatie van Assaddollah Assadi, dat het beginsel van de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen op zich niet bekritiseerbaar is en nooit door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is veroordeeld, dat het recht op overbrenging kan worden toegekend aan alle veroordeelden, los van de ernst van de gepleegde feiten, dat het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen bepaalt dat de Staat van tenuitvoerlegging als enige bevoegd is om te beslissen over de strafuitvoeringsmodaliteiten en de Staten geenszins ertoe verplicht te voorzien in een jurisdictionele controle of in waarborgen in het belang van de slachtoffers, en dat talrijke bilaterale overbrengingsverdragen en multilaterale akkoorden die zijn gesloten op grond van de wet van 23 mei 1990 dezelfde beginselen en clausules bevatten als het verdrag van 11 maart
  23. Hij verklaart dat er nooit een verplichting is om een veroordeelde over te brengen, zodat de regeling toelaat elk verzoek geval per geval te beoordelen rekening houdend met de bijzondere omstandigheden. Hij leidt hieruit af dat de problematiek van de naleving van het recht op leven door de minister van Justitie in overweging moet worden genomen, wanneer een verzoek om overbrenging van een bepaalde gedetineerde wordt onderzocht. Hij is van mening dat de kritiek op het feit dat de Belgische Staat heeft beslist om een verdrag met Iran te ondertekenen, geen grondwettigheidskritiek is betreffende de instemmingswet waarop het Hof zou moeten antwoorden, want het gaat om politieke opportuniteitskritiek die aan de toetsing van het Hof ontsnapt, of zelfs om kritiek op voorhand inzake een hypothetisch akkoord van de minister van Justitie om Assaddollah Assadi ter uitvoering van de wet over te brengen. Hij voegt eraan toe dat, indien het Hof de bestreden bepaling vernietigt, het kennelijk zou optreden als administratieve overheid door zelf de aanwezige belangen af te wegen, hetgeen bovendien tot gevolg zou hebben dat de Regering niet meer de mogelijkheid zou hebben om het buitenlands beleid te voeren dat zij het meest adequaat en conform haar doelstellingen acht. Hij is van mening dat krachtens het beginsel van de scheiding der machten een dergelijke inmenging absoluut niet kan worden aanvaard. 11 A.6.5.
  24. De Ministerraad merkt op dat het Hof, in zijn arrest nr. 163/2022, de kwestie van het recht op leven alleen benadert vanuit het oogpunt van de verzoekende partijen, zonder rekening te houden met de situatie van Olivier Vandecasteele. Hij dringt erop aan dat die laatstgenoemde sinds bijna 300 dagen in totale afzondering wordt vastgehouden en ernstige gezondheidsproblemen heeft. Hij is van mening dat het leven van Olivier Vandecasteele, Belgisch onderdaan, werkelijk in gevaar is. Hij herinnert eraan dat het verdrag van 11 maart 2022, waarop Olivier Vandecasteele thans aanspraak kan maken, de Belgische Regering zou toelaten haar verplichting om het recht op leven van haar onderdaan te beschermen na te komen. A.6.5.
  25. Hij preciseert dat de procedurele verplichting die voortvloeit uit artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en op België rust, als Staat die het risico van een aanslag heeft voorkomen en de daders van de feiten strafrechtelijk heeft vervolgd, beperkter is dan wat de verzoekende partijen aanvoeren. Hij verwijst in dat verband naar de beslissing van ontoelaatbaarheid van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 mei 2006 in zake Mc Bride t. Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2006:0509DEC000139606). Hij is van mening dat aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waaraan in dat arrest wordt herinnerd, te dezen is voldaan door België, dat niet kan worden verweten straffeloosheid te promoten. A.6.5.
  26. Hij legt uit dat een eventuele gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de instemmingswet van 30 juli 2022, in zoverre het verdrag de overbrenging mogelijk maakt, naar Iran, van een persoon die door de hoven en rechtbanken is veroordeeld wegens het, met de steun van Iran, plegen van een terroristisch misdrijf, erop zou neerkomen het hele verdrag onwerkzaam te maken en Olivier Vandecasteele onvermijdelijk de kans zou ontnemen om een overbrenging naar België te verkrijgen. In dat verband zet hij uiteen dat een dergelijke vernietigingsbeslissing door het Hof op internationaal vlak zou gelijkstaan met het formuleren van een voorbehoud ten aanzien van het verdrag, voorbehoud dat een categorie van mogelijke begunstigden, namelijk de personen die zijn veroordeeld wegens terroristische feiten die zijn gepleegd met de steun van Iran, zou uitsluiten van het toepassingsgebied ervan. Een dergelijk voorbehoud zou, krachtens artikel 21 van het verdrag van 11 maart 2022, moeten worden aanvaard door de Islamitische Republiek Iran. Hij geeft aan dat het onwaarschijnlijk is dat die het voorbehoud aanvaardt en dat bijgevolg niet zal worden overgegaan tot de uitwisseling van de akten van bekrachtiging, waardoor geen enkele Belgische onderdaan die in Iran zou worden veroordeeld, aanspraak zou kunnen maken op het voordeel van een overbrenging naar België. A.6.5.
  27. De Ministerraad herhaalt dat de centrale vraag in die zaak geen betrekking op de grondwettigheid van de instemmingswet van 30 juli 2022, maar moet worden beslecht door de Regering, bij de toepassing van de wet op een bepaald geval, en dat het antwoord op die vraag behoort tot het kader van de diplomatieke betrekkingen tussen landen. Hij voert aan dat de diplomatieke betrekkingen absoluut noodzakelijk zijn voor de handhaving van de vrede in de wereld en voor de bescherming van de belangen van de in het buitenland gevestigde Belgische onderdanen en dat het Grondwettelijk Hof de uitvoerende macht haar bewegings- en beoordelingsvrijheid bij de uitoefening van die bevoegdheid niet vermag te ontnemen, daar anders het beginsel van de scheiding der machten wordt geschonden. Hij wijst erop dat de Regering te dezen een belangenafweging zal moeten maken tussen de bescherming van het recht op leven van de verzoekende partijen, die de hoedanigheid van slachtoffer van een poging tot aanslag opeisen, en de bescherming van de fundamentele rechten van Olivier Vandecasteele, wiens leven concreet in gevaar is en die thans een onmenselijke behandeling, of zelfs foltering, ondergaat, alsook alle aanwezige Belgische belangen, waaronder veiligheidsbelangen. Hij voegt eraan toe dat de door de verzoekende partijen aangevoerde dreiging niet zozeer uitgaat van de persoon van Assaddollah Assadi, maar veeleer van de Iraanse Staat zelf en van het feit dat die partijen lid zijn van een beweging die oppositie voert tegen het heersende regime in Iran. Hij is van mening dat die belangenafweging in overeenstemming is met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.6.5.
  28. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel verwijst de Ministerraad naar de argumentatie die is uiteengezet in antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel en op het tweede middel. Hij voegt eraan toe dat het loutere feit dat een overbrengingsverdrag wordt gesloten met een Staat die terrorisme steunt, op zich geen aantasting inhoudt van het recht op het leven en dat dergelijke verdragen in werkelijkheid ook een middel zijn om de bescherming van de onderdanen te waarborgen. A.6.6.
  29. Olivier Vandecasteele herinnert eraan dat de bestreden wet te dezen instemt met een verdrag en dat een dergelijke wet dat verdrag niet kan wijzigen of aanvullen. Hij is van mening dat het Hof rekening moet houden met de context van de internationale en diplomatieke betrekkingen tussen de Staten en de onderhandelingen die in dat kader hebben plaatsgehad, en herinnert eraan dat het voeren van internationale en diplomatieke betrekkingen een regale bevoegdheid bij uitstek is, die toekomt aan de Koning en die door die laatste rechtstreeks wordt uitgeoefend krachtens de Grondwet. Hij is van mening dat het Hof in dat geval aan de wetgever een 12 beoordelingsruimte moet laten waarbij de primordiale plaats in acht wordt genomen die de Grondwet aan de uitvoerende macht voorbehoudt bij het voeren van internationale betrekkingen, temeer daar het verdrag van 11 maart 2022 geen enkele bijzonderheid vertoont ten opzichte van de andere verdragen die in die materie zijn gesloten. A.6.6.
  30. Olivier Vandecasteele merkt op dat het Hof in het arrest nr. 163/2022 het door de bestreden wet nagestreefde doel zo identificeert dat het de overbrenging mogelijk maakt van een bepaalde persoon die in België is veroordeeld wegens een poging tot aanslag gepleegd met de steun van Iran. Hij is van mening dat het gaat om een selectieve lezing van het doel van de wet van 30 juli 2022 en dat die lezing het feit verhult dat, indien de wetgever dat doel nastreeft, hij zulks in werkelijkheid doet om een ander doel te bereiken, namelijk de vrijlating mogelijk maken van een andere bepaalde persoon, die thans in Iran wordt vastgehouden. Hij voert aan dat het essentieel is het nagestreefde doel correct en exhaustief te identificeren, daar anders een vertekende toetsing van de evenredigheid van de bestreden bepaling wordt uitgevoerd. Hij is van mening dat het Hof, door het doel van de wetgever niet ten volle, concreet en rekening houdend met de context te onderzoeken, zijn recht op leven rechtstreeks, maar impliciet zou opofferen. A.6.6.
  31. Olivier Vandecasteele is in hoofdorde van mening dat de evenredigheidstoets binnen een algemeen en abstract perspectief moet worden benaderd en dat het Hof geen bijzondere gegevens die eigen zijn aan een welbepaald geval moet opnemen in zijn benadering. Hij voert in ondergeschikte orde aan dat het Hof, indien het daarentegen ervoor zou kiezen vast te houden aan een concrete en contextuele benadering, een volledige afweging van de aanwezige belangen zou moeten maken, hetgeen des te meer vereist is daar, te dezen, de tegenstrijdige belangen de naleving van hetzelfde grondrecht gemeen hebben. A.6.6.
  32. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel is Olivier Vandecasteele in hoofdorde van mening dat de kritiek van de verzoekende partijen geen betrekking heeft op de instemmingswet, maar wel op een eventuele toekomstige uitvoeringshandeling, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Hij onderstreept dat die handeling, namelijk de overbrenging van Assaddollah Assadi, niet van wetgevende aard is, dat zij individueel en tot op heden hypothetisch is, en dat zij overigens door de verzoekende partijen reeds wordt betwist voor de justitiële rechter in kort geding. A.6.6.
  33. In ondergeschikte orde zet Olivier Vandecasteele uiteen dat het, om concreet te zijn, evident is dat Iran niet zal instemmen met de overbrenging van een Belgische gevangene zonder de overbrenging, in ruil daarvoor, van een Iraanse gevangene. Hij merkt op dat de verzoekende partijen, enerzijds, de bescherming van het recht op leven aanvoeren ten aanzien van het procedurele aspect ervan, in zoverre de overbrenging van Assaddollah Assadi erop zou neerkomen hem een totale straffeloosheid toe te kennen, en, anderzijds, de bescherming van het recht op leven aanvoeren ten aanzien van het wezenlijke aspect ervan, door aan te tonen dat die persoon gevaarlijk is en er een risico van toekomstige aanslagen bestaat. Wat het procedurele aspect betreft, voert Olivier Vandecasteele ten eerste aan dat, vooraleer een beslissing tot overbrenging daadwerkelijk wordt genomen, niet kan worden vooruitgelopen op de vraag welke waarborgen en zekerheden Iran concreet zal bieden ten aanzien van het verzoek van de Belgische Staat, en ten tweede dat tegen Assaddollah Assadi reeds een volledig strafproces werd gevoerd en dat hij een deel van zijn straf heeft uitgezeten, wat in tegenspraak is met het argument van straffeloosheid. Wat het wezenlijke aspect betreft, voert hij aan dat Assaddollah Assadi op korte of middellange termijn kan vrijkomen op grond van het Belgisch recht, dat hij bij het verlaten van de gevangenis uit het Europees grondgebied zal worden uitgezet en dat het voor hem zeer moeilijk of zelfs onmogelijk zal zijn daarnaar terug te keren. Hij voegt eraan toe dat, in elk geval, de grootste dreiging uitgaat van de Iraanse Staat zelf en niet van een enkel individu. A.6.6.
  34. Olivier Vandecasteele verklaart dat het vanzelfsprekend is dat zijn enige kans op overleven gelegen is in de toepassing van het verdrag van 11 maart 2022 en in de door het Iraanse regime geëiste ruil. Hij voert aan dat, indien het Hof de instemmingswet vernietigt in zoverre het verdrag de overbrenging mogelijk maakt van een persoon die is veroordeeld wegens terroristische daden met de steun van Iran, die vernietiging de facto zou leiden tot de vernietiging van het verdrag zelf en dat het voorbehoud van interpretatie daaraan niets zou veranderen. Hij leidt hieruit af dat het niet mogelijk is de lering uit het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije, te dezen toe te passen, daar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in die zaak niet geconfronteerd was met een afweging van rechten die vergelijkbaar is met die welke het Grondwettelijk Hof thans moet maken. Hij herhaalt dat België jegens hem positieve verbintenissen heeft teneinde waarborgen te bieden tegen onmenselijke en vernederende behandelingen en tegen het risico voor zijn recht op leven. Hij besluit hieruit dat het Hof een belangenafweging moet maken die te dezen ertoe moet leiden ten aanzien van een Belgische onderdaan die in Iran wordt vastgehouden het wezenlijke aspect van het recht op leven en het recht om geen onmenselijke en vernederende behandelingen te moeten 13 ondergaan, te laten primeren op het procedurele aspect van het recht op leven ten aanzien van de verzoekende partijen. A.6.6.
  35. Olivier Vandecasteele is van mening dat, vanuit een perspectief dat beperkt is tot de hypothese van de overbrenging naar Iran van een bepaalde persoon, het Hof, uitgaande van een individuele situatie een onwenselijke algemene en abstracte situatie tot stand zou brengen, die verder zou reiken dan alleen de persoon van de tussenkomende partij en die de toekomst van andere Belgische personen of belangen zou raken, situatie waarin België in de onmogelijkheid zou verkeren zijn verantwoordelijkheid op te nemen bij het vrijwaren van de wezenlijke grondrechten. A.6.6.
  36. Olivier Vandecasteele voert aan dat de verzoekende partijen zich vergissen omtrent de draagwijdte van het recht van de slachtoffers inzake strafuitvoeringsmodaliteiten, daar de wet aan de burgerlijke partijen nooit de mogelijkheid toekent zich te verzetten tegen strafuitvoeringsmodaliteiten. Zij kunnen hooguit een niet dwingend advies geven, maar zij zijn geen partij bij de procedure voor de strafuitvoeringsrechtbank, hebben geen toegang tot het dossier en hebben geen recht van beroep. Hij voegt eraan toe dat geen enkele internationale norm oplegt dat een jurisdictionele controle ten aanzien van de beslissing tot overbrenging wordt geregeld ten behoeve van de burgerlijke partijen. Ten slotte merkt hij op dat tegen een beslissing tot overbrenging een daadwerkelijk rechtsmiddel voor de justitiële rechter bestaat en dat, te dezen, overigens reeds een zaak aanhangig is gemaakt bij die laatstgenoemde, die zich niet onbevoegd heeft verklaard. In ondergeschikte orde is hij van mening dat het Hof, indien het vaststelt dat er geen daadwerkelijk rechtsmiddel ten behoeve van de burgerlijke partijen bestaat, zou moeten besluiten tot het bestaan van een extrinsieke lacune. In meer ondergeschikte orde verzoekt hij het Hof, indien het zou stellen dat de lacune is gelegen in de bestreden wet zelf, de gevolgen van de vernietigde bepaling gedurende voldoende tijd te handhaven opdat de wetgever in het vereiste rechtsmiddel zou voorzien. A.6.6.
  37. Ten aanzien van het tweede onderdeel van dat middel voert Olivier Vandecasteele aan dat de argumenten van de verzoekende partijen ertoe leiden dat de rechterlijke macht hoger wordt ingeschat dan de uitvoerende macht, die bevoegd is voor, enerzijds, de internationale en diplomatieke betrekkingen en, anderzijds, de uitvoering van de vonnissen, en dan de wetgevende macht die bevoegd is om in te stemmen met de internationale verdragen. Hij merkt daarnaast op dat het beginsel van de overbrenging niet is vastgelegd in de bestreden instemmingswet, maar wel in de wet van 23 mei
  38. A.6.7.
  39. In hun aanvullende memorie voeren Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen aan dat niet is aangetoond dat de overbrenging van Assaddollah Assadi de enige mogelijkheid zou zijn om de vrijlating van Olivier Vandecasteele te verkrijgen. Zij wijzen erop dat er andere pistes bestaan dan de uitvoering van een verdrag dat toelaat een door het regime van Iran gesteunde terrorist over te brengen naar dat land, met schending van het recht op leven van de slachtoffers van de handelingen van die terrorist. Zij halen in dat verband de mogelijkheid aan om in onderling overleg actie te ondernemen op het niveau van de Europese Unie en een zaak aanhangig te maken bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. A.6.7.
  40. De verzoekende partijen zijn van mening dat niet kan worden aangevoerd dat de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen in beginsel op diplomatiek vlak dermate gevoelig ligt dat die onder de regale bevoegdheden van de uitvoerende macht zou vallen en dat elke grondwettigheidstoetsing van de instemmingswet of van het verdrag uitgesloten zou zijn. A.6.7.
  41. Zij herinneren eraan dat de overbrenging in beginsel geen enkele wederkerigheid impliceert. Zij leiden hieruit af dat de bevestiging, door het Hof, van het dictum van het arrest nr. 163/2022 slechts een voorbehoud zou invoeren ten aanzien van de instemming, en het verdrag voor het overige toepasbaar zou laten. A.6.7.
  42. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zijn van mening dat de argumentatie van de Ministerraad en van Olivier Vandecasteele op twee verkeerde uitgangspunten steunt, namelijk, enerzijds, dat het overbrengingsverdrag absoluut noodzakelijk zou zijn om de vrijlating van Olivier Vandecasteele te verkrijgen en, anderzijds, dat de Belgische Staat verantwoordelijk zou zijn voor een schending van zijn recht op leven. Zij voeren aan dat de Ministerraad en de tussenkomende partij, door argumenten te formuleren rond de persoon van Olivier Vandecasteele, het debat verplaatsen. Zij zijn van mening dat de overbrenging van een terrorist naar Iran, terwijl België weet of moet weten dat die zal worden vrijgelaten, zonder enige twijfel in strijd is met het internationaal recht en met de Grondwet. Zij voegen eraan toe dat het feit dat Assaddollah Assadi reeds vier en een half jaar van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, geen afbreuk doet aan het feit dat zijn vrijlating vrijwel zou gelijkstaan met straffeloosheid, gelet op de ernst van de gepleegde feiten en de uitgesproken straf van twintig jaar. 14 A.6.7.
  43. In verband met de situatie van Olivier Vandecasteele zijn Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen van mening dat, hoewel België inderdaad de morele verplichting heeft om, met inachtneming van de Grondwet en het internationaal recht, alle mogelijke maatregelen te nemen teneinde zijn vrijlating te verkrijgen, die verplichting niet juridisch is. Zij verwijzen in dat verband naar het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 september 2022, in zake H.F. e.a. t. Frankrijk, en onderstrepen dat, te dezen, België geen enkele controle uitoefent ten aanzien van de situatie van Olivier Vandecasteele. Zij besluiten hieruit dat de bedreiging van het leven van Olivier Vandecasteele geen algemene afwijking van de beginselen en waarden van de Belgische grondwettelijke orde kan toelaten, daar het Belgisch grondwettelijk recht en het internationaal recht inzake mensenrechten geen enkele afwijking van het recht op leven toelaten, zelfs niet bij chantage door een buitenlandse Staat en zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de in het geding zijnde aantasting van het leven een absolute noodsituatie vormt die het leven van de Natie bedreigt. A.6.8.
  44. In zijn aanvullende memorie herhaalt de Ministerraad dat de situatie die aan het Hof is voorgelegd in het stadium van de vernietiging, volkomen verschilt van die welke zich voordeed op het ogenblik van het onderzoek van de vordering tot schorsing. Hij verklaart dat het officiële karakter van de veroordeling van Olivier Vandecasteele, die aan de Belgische overheden werd gemeld op 14 december 2022, tijdens diplomatiek overleg door de Iraanse overheden is bevestigd. Hij is van mening dat het vanaf nu onvermijdelijk is dat het Hof dezelfde belangenafweging maakt als die welke de Regering en de wetgever hebben gemaakt, en dat zulks niet erop neerkomt dat het debat over de grondwettigheid van de bestreden wet wordt omgezeild. A.6.8.
  45. De Ministerraad voert aan dat het verdrag van 11 maart 2022 het enige juridisch instrument is dat het mogelijk zal maken van de Iraanse overheden de overbrenging van Olivier Vandecasteele naar België te verkrijgen, en dat de door de Iraanse overheden geëiste wederkerigheid niet toelaat, noch vanuit een theoretische invalshoek, noch vanuit een praktische invalshoek, te besluiten dat de bestreden instemmingswet ongrondwettig is. Hij merkt op dat de argumentatie van de verzoekende partijen paradoxaal is, daar die neerkomt op de stelling dat een niet-juridische oplossing, die zij lijken te bepleiten en die zou leiden tot de vrijlating van Assaddollah Assadi in ruil voor Olivier Vandecasteele, hun recht op leven niet zou schenden. A.6.8.
  46. Wat betreft de verantwoordelijkheid van de Belgische Staat ten aanzien van de situatie van Olivier Vandecasteele is de Ministerraad van mening dat het standpunt van de verzoekende partijen niet alleen menselijk onaanvaardbaar is, maar ook uitgaat van een onjuiste analyse van de redenen die de Belgische overheid ertoe hebben gebracht het overbrengingsverdrag met Iran te sluiten. Hij voert aan dat dat verdrag niet uitsluitend is gesloten om de overbrenging van een terrorist mogelijk te maken, maar veeleer uitsluitend om de Belgische burgers te beschermen door hun overbrenging naar België mogelijk te maken wanneer zij in Iran worden veroordeeld. A.6.8.
  47. De Ministerraad is van mening dat de lering uit het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije, te dezen niet kan worden toegepast, daar er in die zaak geen sprake was van een waardenconflict dat de afweging van de aanwezige belangen vereiste. Hij voegt eraan toe dat de politieke, geopolitieke en humanitaire omstandigheden geenszins vergelijkbaar waren met de huidige situatie, die heel wat ingewikkelder en genuanceerder is. A.6.9.
  48. Olivier Vandecasteele is van mening dat de uiteenzettingen van de verzoekende partijen zeer cynisch zijn wanneer zij aanvoeren dat andere middelen dan het aanwenden van het verdrag van 11 maart 2022 mogelijk zouden zijn om zijn vrijlating te verkrijgen. Hij merkt op dat die overwegingen loutere veronderstellingen zijn, dat geen enkele van de partijen bij het geding op de hoogte is van de diplomatieke betrekkingen die in het geheim worden gevoerd tussen België en Iran en dat thans geen enkele andere piste lijkt te worden overwogen om zijn vrijlating te verkrijgen. Hij voegt eraan toe dat het evident is dat de talrijke procedures die de verzoekende partijen hebben ingesteld, de Belgische overheid in een zwakke onderhandelingspositie plaatsen. Hij voert aan dat een gezamenlijke actie op Europees niveau geen enkele kans maakt om binnen een redelijke termijn resultaten op te leveren en dat het voorstel om een zaak aanhangig te maken bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties neerkomt op het voorstel de twee gevangenen buiten elk wettelijk of grondwettelijk kader te ruilen. Hij begrijpt niet hoe de verzoekende partijen die oplossing kunnen voorstellen, terwijl zulks de vrijlating van Assaddollah Assadi zou impliceren. A.6.9.
  49. Olivier Vandecasteele stelt vast dat de verzoekende partijen aanvoeren dat artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens eveneens in het wezenlijke deel ervan zou zijn geschonden in zoverre de overbrenging van Assaddollah Assadi naar Iran hun leven of dat van andere personen ernstig in gevaar zou brengen. In dat verband voert hij aan dat het Hof, in het arrest nr. 163/2022, de situatie van de verzoekende partijen uitsluitend heeft onderzocht in hun hoedanigheid van burgerlijke partijen bij het proces dat heeft geleid 15 tot de veroordeling van Assaddollah Assadi. Hij merkt op dat het materiële risico voor hun leven, dat voortaan wordt aangevoerd door de verzoekende partijen, niet is onderbouwd, noch geloofwaardig is. Hij is van mening dat de vrijlating van Assaddollah Assadi op het Iraanse grondgebied niet tot gevolg zou hebben de dreiging in de wereld te vergroten, daar die dreiging van de Iraanse Staat zelf, en niet van zijn individuele uitvoerders uitgaat. Hij is van mening dat de hardnekkigheid waarmee de verzoekende partijen eisen dat de door de Belgische rechtscolleges uitgesproken straf wordt uitgevoerd tot de einddatum, blijkt geeft van een radicaal wraakzuchtige ingesteldheid die indruist tegen de beginselen betreffende de plaats van het slachtoffer in ons strafrechtelijk systeem, systeem waarin het slachtoffer nooit het recht heeft zich te verzetten tegen een strafuitvoeringsmodaliteit. Hij leidt hieruit af dat een vernietigingsarrest van het Hof in werkelijkheid voor de verzoekende partijen rechten in het leven roept die afwijken van het gemeen recht, rechten die aan geen enkel ander slachtoffer worden toegekend, zelfs niet aan slachtoffers van zwaardere misdrijven of aan slachtoffers die een veel ernstiger nadeel hebben geleden. A.6.9.
  50. Olivier Vandecasteele merkt op dat de verzoekende partijen, door aan te voeren dat de Belgische Staat niet verantwoordelijk zou zijn voor de schending van zijn recht op leven, de bewoordingen van zijn argumentatie vervormen. Hij herinnert eraan dat hij aan het Hof vraagt een volledige afweging te maken van alle aanwezige belangen in het licht van het verdrag van 11 maart 2022 en dat hij niet aanvoert dat er een conflict van rechten zou bestaan. Hij voert niet aan dat de Belgische Staat verantwoordelijk is voor de schending van zijn recht op leven en van zijn recht om geen onmenselijke en vernederende behandelingen te ondergaan en hij is van mening dat de verzoekende partijen de aanwezige belangen verwarren met de schending van subjectieve rechten. Hij onderstreept dat hij rechtstreeks valt onder het toepassingsgebied van het verdrag van 11 maart
  51. Hij betwist de lezing die de verzoekende partijen maken van het arrest in zake H.F. t. Frankrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het gebruik ervan, waarbij hij onderstreept dat de omstandigheden van die zaak totaal verschillen van de situatie waarin hij zich bevindt, omdat de Belgische overheden de consulaire bescherming te zijnen aanzien hebben geactiveerd, waardoor hij krachtens het Consulair Wetboek houder is van rechten ten aanzien van de Belgische Staat. Ten slotte voert hij aan dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet zo is vastgesteld dat het onmogelijk zou zijn een jurisdictionele band te vinden tussen de Belgische Staat en zijn situatie. Hij haalt in dat verband de beslissing van 5 mei 2020 in zake M.N. e.a. t. België (ECLI:CE:ECHR:2020:0505DEC000359918) en het arrest van 8 juli 2004 in zake Ilaşcu e.a. t. Moldavië en Rusland (ECLI:CE:ECHR:2004:0708JUD004878799) aan, en herinnert eraan dat de Verdragsluitende Staten al het mogelijke moeten doen om te voorkomen dat het Verdrag wordt geschonden wanneer zij een beslissende invloed uitoefenen op een situatie die zich afspeelt in het buitenland. Ten aanzien van het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33 en 40, tweede lid, van de Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten, alsook van artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten A.7.1.
  52. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 onverenigbaar is met het beginsel van de scheiding der machten, met het beginsel van de wettigheid van de straffen en met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In het eerste onderdeel van dat middel zetten zij uiteen dat die beginselen impliceren dat voor de overbrenging in een toereikend kader moet worden voorzien teneinde te garanderen dat het gezag van gewijsde van de jurisdictionele beslissingen van de Belgische rechterlijke orde gevrijwaard is. Zij verwijten het verdrag van 11 maart 2022, enerzijds, dat het niet erin voorziet dat de bevoegde overheid van de Staat van tenuitvoerlegging ertoe gehouden is de feitelijke vaststellingen in acht te nemen waartoe de rechtscolleges van de Staat van veroordeling zijn gekomen en, anderzijds, dat de gevangenisstraf niet kan worden omgezet in een gewone geldelijke straf. Zij merken op dat de meeste overbrengingsverdragen waarbij België partij is en het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen voorzien in een aantal precieze waarborgen die ertoe strekken de bewegingsvrijheid van de uitvoerende macht te beperken bij de tenuitvoerlegging van die strafuitvoeringsmodaliteit, terwijl het verdrag van 11 maart 2022 in geen enkele waarborg voorziet en het de Staat van tenuitvoerlegging zelfs mogelijk maakt alle gepaste beslissingen te nemen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de straf. Zij besluiten hieruit dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 de uitvoerende macht aldus een totale vrijheid toekent om artikel 14 van de Grondwet te schenden en een discriminatie in het leven roept die steunt op de schending van het algemeen beginsel van de scheiding der machten. A.7.1.
  53. In het tweede onderdeel van dat middel verwijten Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen de bestreden bepaling niet erin te voorzien dat de beslissing tot overbrenging moet worden genomen door 16 een rechtbank, terwijl de strafuitvoeringsmodaliteiten die een wijziging van de aard ervan tot gevolg hebben, moeten worden genomen door een rechtscollege en niet door de uitvoerende macht. Zij zetten uiteen dat de overbrenging van gevangenen tussen Staten wel degelijk een strafuitvoeringsmodaliteit is en dat, aangezien de voorwaardelijke invrijheidstelling alleen kan worden toegekend door een rechtscollege, hetzelfde zou moeten gelden voor een beslissing tot overbrenging naar een Staat die op niet-aflatende wijze de legitimiteit van de Belgische rechtscolleges betwist en de in België veroordeelde persoon onmiddellijk wil vrijlaten. A.7.2.
  54. Na te hebben herinnerd aan de juridische grondslagen met betrekking tot de overbrengingen tussen Staten van veroordeelden, geeft de Ministerraad aan dat geen enkel van de internationale instrumenten op dat gebied voorziet in een recht voor de slachtoffers om hun mening te laten horen, noch in een jurisdictionele controle, en dat elk van die instrumenten daarentegen voorziet in de mogelijkheid voor de Staat van tenuitvoerlegging om gratie, amnestie of strafvermindering te verlenen. Hij leidt hieruit af dat, volgens de argumenten van de verzoekende partijen, het volledige nationaal en internationaal juridisch arsenaal dat op die materie van toepassing is, dus in strijd zou zijn met de Grondwet, met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Hij herinnert eraan dat het verdrag van 11 maart 2022 strikt in overeenstemming is met de standaarden ter zake en dat het uitdrukkelijk erin voorziet dat de Staat van tenuitvoerlegging de veroordeling verder ten uitvoer moet leggen. A.7.2.
  55. De Ministerraad is van mening dat een overbrenging van een veroordeelde persoon geen strafuitvoeringsmodaliteit is in de zin van de wet van 17 mei
  56. Hij voegt eraan toe dat het onjuist is te beweren dat het verdrag van 11 maart 2022 in geen enkele voorwaarde of beperking zou voorzien ten aanzien van de discretionaire bevoegdheid van de uitvoerende macht betreffende de beslissingen tot overbrenging, en herinnert eraan dat de wet van 23 mei 1990 overigens voor elke overbrenging een kader vastlegt van verschillende voorwaarden en nadere regels. A.7.2.
  57. Ten aanzien van het tweede onderdeel van dat middel voert de Ministerraad aan dat de overbrenging tussen Staten geen strafuitvoeringsmodaliteit is in de zin van de voormelde wet van 17 mei
  58. Ten slotte voert hij aan dat geen enkele internationale standaard erin voorziet dat de tenuitvoerlegging van de straf noodzakelijkerwijs moet vallen onder de bevoegdheid van de rechterlijke macht. A.7.
  59. Olivier Vandecasteele is van mening dat de overbrenging de aard of de duur van de straf niet wijzigt en zij dus niet moet ressorteren onder de strafuitvoeringsrechtbank. In elk geval voert hij aan dat de bevoegdheid van de Regering ter zake niet voortvloeit uit de bestreden wet maar wel uit het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 en uit de wet van 23 mei
  60. Daarnaast herinnert hij eraan dat de wetgever zelf de essentiële voorwaarden heeft vastgesteld voor de toepassing van de straffen die bij een overbrenging in acht moeten worden genomen. A.7.
  61. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen voeren aan dat het verdrag van 11 maart 2022 zich op verschillende vlakken onderscheidt van de andere overbrengingsverdragen die België met andere Staten heeft gesloten. Zij besluiten hieruit dat het verdrag van 11 maart 2022 een dermate ruime beoordelingsmarge aan de uitvoerende macht toekent dat het in strijd is met artikel 14 van de Grondwet en dat het geen enkele waarborg biedt dat Iran de beslissing tot veroordeling wegens terrorisme erkent en die straf daadwerkelijk ten uitvoer legt. A.7.
  62. De Ministerraad merkt in zijn memorie van wederantwoord op dat de verzoekende partijen hun vrees uiten en veronderstellingen maken over de uitvoering van het verdrag van 11 maart 2022, en niet over de wettigheid van het verdrag en de grondwettigheid van artikel 5 van de wet van 30 juli
  63. Hij voegt eraan toe dat, aangezien de overbrenging een consensuele procedure tussen de verdragsluitende Staten is, de Belgische overheid vrij blijft om de overbrenging gepaard te doen gaan met extra voorwaarden of waarborgen. A.7.6.
  64. Olivier Vandecasteele is van mening dat het middel niet is gericht tegen de bestreden wet, maar tegen het geheel van de juridische, nationale of internationale regels die vandaag in die materie van kracht zijn. Hij is van mening dat een vernietigingsarrest van het Hof waarbij dat middel gegrond zou worden verklaard, tot gevolg zou hebben dat elke mogelijkheid om nog een overeenkomst die of een verdrag dat in België van toepassing is inzake de overbrenging van gevangenen ten uitvoer te leggen, wordt bevroren. Hij voert aan dat de overbrenging van de veroordeelde personen geen strafuitvoeringsmodaliteit is en dus losstaat van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hij voegt eraan toe dat niet wordt ingezien hoe de bestreden wet zou kunnen interfereren met de waarborgen die worden geboden door de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, waarborgen die bestemd zijn voor de mogelijk vervolgde persoon, in het stadium van de vervolging en de strafrechtelijke veroordeling, hetgeen te dezen geenszins het geval is. Hij weerlegt vervolgens de stelling van de verzoekende partijen volgens welke het verdrag van 11 maart 2022 zou verschillen van de andere bilaterale verdragen die België in die materie heeft 17 gesloten en voert daarentegen aan dat dat verdrag de waarborgen vaststelt die in acht moeten worden genomen om over te gaan tot de overbrenging en klassieke waarborgen bevat die in overeenstemming zijn met het geldende recht ter zake. Hij leidt hieruit af dat de wetgever zelf de essentiële voorwaarden inzake de toepassing van de straffen heeft vastgesteld die bij een overbrenging in acht moeten worden genomen, overeenkomstig het beginsel van de wettigheid in strafzaken. A.7.6.
  65. Olivier Vandecasteele is, ten aanzien van het tweede onderdeel van dat middel, van mening dat de grief geen betrekking heeft op de bestreden wet, maar wel op de algemene regeling die inzake overbrenging van toepassing is en met name op de wet van 23 mei 1990 en op het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983, in zoverre zij een lacune zouden bevatten die bestaat in de ontstentenis van een verplicht jurisdictioneel beroep. A.7.
  66. De Ministerraad preciseert, in zijn aanvullende memorie, dat artikel 12, lid 2, van het verdrag van 11 maart 2022 alleen voorziet in de mogelijkheid, voor de Staat van tenuitvoerlegging, om de sanctie aan te passen en niet om de straf om te zetten. Hij merkt op dat in de vereiste dat de Staat van tenuitvoerlegging gebonden is door de vaststelling van de feiten doorgaans alleen wordt voorzien in geval van omzetting van de veroordeling, en niet in geval van aanpassing van de sanctie, van gratie, van amnestie of van strafvermindering. A.7.
  67. Olivier Vandecasteele doet dezelfde vaststelling en herhaalt dat het verdrag van 11 maart 2022 volkomen klassiek is en vergelijkbaar is met de andere verdragen met hetzelfde onderwerp. Ten aanzien van het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 157, vierde lid, van de Grondwet, met de artikelen 2 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 2, lid 3, en 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten A.8.1.
  68. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 niet verenigbaar is met de in het middel vermelde bepalingen in zoverre het niet voorziet in een mechanisme waarmee de slachtoffers van een misdrijf dat werd gepleegd door een persoon met de Iraanse nationaliteit die door een Belgisch rechtscollege is veroordeeld, worden ingelicht of gehoord over de strafuitvoeringsmodaliteit bestaande in de overbrenging van die persoon naar een derde Staat en over de zeer waarschijnlijke invrijheidstelling die daarop zou volgen of in een mechanisme waarmee zij die modaliteit kunnen betwisten (eerste onderdeel) en in zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een beslissing tot overbrenging voor de slachtoffers van een misdrijf waarbij hun recht op leven werd aangetast (tweede onderdeel). A.8.1.
  69. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen herinneren eraan dat het optreden van een strafuitvoeringsrechtbank is bepaald bij artikel 157, vierde lid, van de Grondwet en dat dat optreden tot doel heeft te waarborgen dat de slachtoffers bij de strafuitvoering worden betrokken en misbruiken vanwege zowel de veroordeelde personen als de uitvoerende macht te voorkomen. Zij zijn van mening dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 een dubbele discriminatie invoert tussen de slachtoffers van een misdrijf dat werd gepleegd door een persoon met de Iraanse nationaliteit die een overbrengingsmaatregel geniet, die niet het recht hebben om te worden ingelicht over de maatregel, noch het recht hebben om hun opmerkingen omtrent die maatregel te doen gelden, en de slachtoffers van een misdrijf dat werd gepleegd door een persoon die een andere strafuitvoeringsmodaliteit geniet, die het recht hebben om te worden ingelicht over de strafuitvoeringsmodaliteit die wordt overwogen en om hun opmerkingen daaromtrent te doen gelden. Zij voegen eraan toe dat het feit dat er voor de slachtoffers geen rechtsmiddel openstaat tegen de overbrengingsmaatregel eveneens een discriminatie teweegbrengt. A.8.
  70. De Ministerraad herinnert eraan dat de overbrenging tussen Staten van de veroordeelde personen niet begrepen kan worden als een strafuitvoeringsmaatregel in de zin van de wet van 17 mei
  71. Hij voegt eraan toe dat, indien de wetgever de overbrenging tussen Staten had willen opnemen in de bij de wet van 17 mei 2006 geregelde modaliteiten, hij dat uitdrukkelijk zou hebben gedaan. Hij leidt hieruit af dat het verkeerd is te beweren dat de wet van 30 juli 2022 of het verdrag van 11 maart 2022 had moeten voorzien in waarborgen voor de slachtoffers, daar de vergeleken situaties niet vergelijkbaar zijn. A.8.3.
  72. Olivier Vandecasteele voert aan dat het aangeklaagde verschil in behandeling berust op een objectief en relevant criterium, namelijk het feit dat de overbrenging noch de aard noch de duur van de tegen de veroordeelde persoon uitgesproken straf wijzigt, maar zich ertoe beperkt de tenuitvoerlegging in een ander land dan het land van veroordeling toe te staan. Hij stelt daarnaast vast dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt, daar het slachtoffer voor de strafuitvoeringsrechtbank wordt gehoord, 18 maar geen rol speelt bij de beslissing en dat, in de regeling inzake de overbrenging, het slachtoffer overigens zijn opmerkingen vrij en spontaan kan doen gelden, hetgeen de verzoekende partijen overigens spontaan hebben gedaan. A.8.3.
  73. Ten aanzien van het tweede onderdeel van dat middel voert Olivier Vandecasteele aan dat dankzij het bestaande juridisch arsenaal de slachtoffers zich kunnen beroepen op de schending van hun rechten die zou voortvloeien uit de beslissing tot overbrenging, daar zij een zaak aanhangig kunnen maken bij het Grondwettelijk Hof, de Raad van State of de rechtbanken van de rechterlijke orde, hetgeen zij overigens hebben gedaan. Hij voegt eraan toe dat de naleving van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel de Belgische Staat niet ertoe verplicht een specifiek rechtsmiddel in te voeren tegen de beslissingen tot overbrenging. A.8.4.
  74. Farzin Hashemi en de andere verzoekende partijen antwoorden dat de overbrenging van een persoon die is veroordeeld wegens met de steun van Iran gepleegde terroristische feiten tot gevolg zou hebben dat de aard of de duur van de tegen die persoon uitgesproken straf wordt gewijzigd, daar de overbrenging rechtstreeks zou leiden tot de invrijheidstelling van de veroordeelde persoon. Zij erkennen dat de slachtoffers niet de mogelijkheid hebben een veto te stellen tegen de overbrenging van een veroordeelde persoon, maar zijn van mening dat, wanneer een verdrag toelaat over te gaan tot een overbrenging die de oorzaak zou zijn van een ernstige schending van hun recht op leven, het vereist is dat zij de bescherming van dat recht kunnen doen gelden, hetgeen niet mogelijk is, aangezien het verdrag niet voorziet in een jurisdictionele controle ten aanzien van de overbrenging, noch in een betrokkenheid van de slachtoffers. A.8.4.
  75. Ten aanzien van het bestaan van een rechtsmiddel zijn de verzoekende partijen van mening dat een onzeker rechtsmiddel voor de rechter in kort geding dat in het beste geval de overbrenging enkel zou kunnen vertragen en niet annuleren, of een beroep tot schadevergoeding niet bevredigend zijn in het licht van de vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel. A.8.
  76. De Ministerraad merkt op dat de slachtoffers van de handelingen van een veroordeelde persoon die een maatregel van voorwaardelijke invrijheidstelling geniet, evenmin de mogelijkheid hebben een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank. A.8.
  77. Olivier Vandecasteele is van mening dat de grieven van de verzoekende partijen het beginsel zelf van de overbrenging in het geding brengen en niet zijn gericht tegen de bestreden bepaling, maar tegen hetzij het vermoedelijk onvolledige toepassingsgebied van de wet van 17 mei 2006, hetzij de rechterlijke orde in haar geheel, in zoverre het een extrinsieke lacune zou bevatten die erin bestaat dat de burgerlijke partijen die het slachtoffer zijn van het misdrijf waarvoor de betrokken persoon is veroordeeld niet de mogelijkheid hebben om beroep in te stellen tegen een beslissing tot overbrenging. Hij is in hoofdorde van mening dat het middel niet ontvankelijk is om die redenen. In ondergeschikte orde, wat het eerste punt betreft, voert hij aan dat het verschil in behandeling verantwoord is aangezien de strafuitvoeringsrechtbank alleen moet optreden wanneer de aard of de duur van de straf moet worden gewijzigd, hetgeen niet het geval is bij een beslissing tot overbrenging. Wat het tweede punt betreft, voert hij aan dat er voor de slachtoffers evenmin een rechtsmiddel openstaat tegen een beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling of een andere strafuitvoeringsmodaliteit, zodat de verzoekende partijen, in dat tweede onderdeel van het middel, meer rechten vorderen dan die waarover de categorie van slachtoffers beschikt waarmee zij zich vergelijken. Hij is van mening dat er in het kader van de regeling van de overbrenging geen enkele reden is om ten behoeve van de burgerlijke partijen uitzonderingsregels in te voeren, die overigens discriminerend zouden kunnen blijken. -B- B.
  78. Het bestreden artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 « houdende instemming met de volgende internationale akten : 1) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek India inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Brussel op 16 september 2021, en 2) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 19 2021, en 3) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering, gedaan te Abu Dhabi op 9 december 2021, en 4) het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022, en 5) het Protocol van 22 november 2017 tot wijziging van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Straatsburg op 7 april 2022 » (hierna : de wet van 30 juli 2022) bepaalt : « Het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022, zal volkomen gevolg hebben ». Bij arrest nr. 163/2022 van 8 december 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.163) heeft het Hof de bestreden bepaling geschorst in zoverre het verdrag van 11 maart 2022 tussen het Koninkrijk België en de Islamitische Republiek Iran inzake de overbrenging van veroordeelde personen de overbrenging toestaat, naar Iran, van een persoon die door de hoven en rechtbanken is veroordeeld wegens het plegen, met de steun van Iran, van een terroristisch misdrijf. B.2.
  79. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, heeft het Hof in het voormelde arrest de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing betrokken. Dat onderzoek betrof inzonderheid het belang van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partij Olivier Vandecasteele. B.2.
  80. Een arrest dat een vordering tot schorsing van een wetgevende norm inwilligt, heeft gezag van gewijsde erga omnes, zij het dat zulks slechts voorlopig geldt tot het arrest op het beroep tot vernietiging is gewezen of tot de termijn van drie maanden na de uitspraak van het arrest dat de schorsing beveelt, is verstreken. B.2.
  81. Het gezag van gewijsde van het arrest dat de bestreden norm heeft geschorst, verhindert het Hof dus niet de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging aan een hernieuwd onderzoek te onderwerpen. Meer zelfs, de mogelijkheid om de toepassing van de bestreden norm voorlopig te verhinderen, beoogt precies het Hof in de gelegenheid te stellen het beroep tot vernietiging aan een grondig onderzoek te onderwerpen, zonder dat de toepassing 20 van de norm intussen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan doen ontstaan. Dat grondig onderzoek omvat de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging. B.2.
  82. Tot de basisregels van een democratische rechtsstaat behoren niet alleen de fundamentele rechten waarop de verzoekende partijen en de eerste tussenkomende partij zich beroepen, maar eveneens de waarborg dat de rechtscolleges binnen de grenzen van hun bevoegdheid recht spreken. De in het geding zijnde beginselen nopen derhalve tot een nauwgezet onderzoek van de bevoegdheid van het Hof. B.
  83. Het Hof is bevoegd om uitspraak te doen op een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet waardoor een verdrag instemming verkrijgt (artikel 1 juncto artikel 3, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het kan een dergelijke wet bovendien niet op zinvolle wijze toetsen zonder de inhoud van de relevante bepalingen van dat verdrag in zijn onderzoek te betrekken. Het Hof is niet bevoegd is om zich uit te spreken over een mogelijke ongrondwettigheid die niet uit de bestreden norm, maar uit de toepassing ervan voortvloeit (zie met name arrest nr. 182/2014 van 10 december 2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.182, B.10). Die onbevoegdheid strekt zich uit tot de toepassing van het verdrag waarmee de bestreden norm heeft ingestemd. Wanneer het Hof de inhoud van een verdrag onderzoekt, houdt het ermee rekening dat het niet gaat om een eenzijdige soevereiniteitsakte, maar om een verdragsnorm die ook buiten de interne rechtsorde rechtsgevolgen teweegbrengt (zie onder andere arrest nr. 12/94 van 3 februari 1994, ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.012). Bij de instemming met een verdrag en inzonderheid bij de beoordeling van de daarbij in het geding zijnde diplomatieke betrekkingen, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. B.
  84. De relevante bepalingen van het verdrag tussen het Koninkrijk België (hierna : België) en de Islamitische Republiek Iran (hierna : Iran) inzake de overbrenging van veroordeelde personen, gedaan te Brussel op 11 maart 2022 (hierna : het verdrag van 11 maart 2022), luiden als volgt : 21 « ARTIKEL 3 - Algemene Beginselen
  85. De partijen verbinden zich ertoe om elkaar samenwerking in de ruimst mogelijke zin te verlenen met betrekking tot de overbrenging van veroordeelde personen in overeenstemming met de bepalingen uit dit Verdrag.
  86. Een persoon die op het grondgebied van een Partij is veroordeeld, kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag naar het grondgebied van de andere Partij worden overgebracht om aldaar de resterende duur van de hem opgelegde straf te ondergaan. Te dien einde kan de veroordeelde aan de Staat van veroordeling of de Staat van tenuitvoerlegging zijn wens te kennen geven om overeenkomstig dit Verdrag te worden overgebracht.
  87. De overbrenging kan worden verzocht door de Staat van veroordeling of de Staat van tenuitvoerlegging. ARTIKEL 4 – Overbrengingsvoorwaarden
  88. Een veroordeelde persoon kan krachtens dit Verdrag slechts onder de volgende voorwaarden worden uitgeleverd : a. De persoon is staatsburger van de Staat van tenuitvoerlegging; b. Het vonnis is onherroepelijk en uitvoerbaar; c. De veroordeelde persoon moet op het tijdstip van ontvangst van het verzoek tot uitlevering nog ten minste één jaar van de straf ondergaan, of de straf geldt voor onbepaalde tijd; d. Er is toestemming voor de uitlevering gegeven door de veroordeelde persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, indien een van de landen dit nodig acht gezien zijn leeftijd of lichamelijke of geestelijke toestand, behalve in de gevallen zoals onder art. 8 en 12; e. Het handelen of nalaten waarvoor de persoon is veroordeeld, is een strafbaar feit volgens het recht van het Land van tenuitvoerlegging, of zou een strafbaar feit zijn indien het op zijn grondgebied zou zijn gepleegd; f. De Staat van veroordeling en Land van tenuitvoerlegging instemmen met de overbrenging.
  89. In uitzonderlijke gevallen kunnen de partijen een overbrenging overeenkomen wanneer de resterende duur van de door de veroordeelde te ondergane straf korter is dan vermeld onder paragraaf 1.c van dit artikel. […] ARTIKEL 10 - Gevolgen van de Uitlevering voor de Staat van Veroordeling
  90. De aanvaarding van de veroordeelde persoon door de autoriteiten van de Staat van tenuitvoerlegging heeft tot gevolg dat de tenuitvoerlegging van de veroordeling in de Staat van veroordeling wordt opgeschort. 22
  91. De Staat van veroordeling mag de veroordeling niet langer ten uitvoer leggen indien de Staat van tenuitvoerlegging de tenuitvoerlegging van de veroordeling als voltooid beschouwt. ARTIKEL 11 - Gevolgen van de Uitlevering voor de Staat van Tenuitvoerlegging
  92. De bevoegde autoriteiten van de Staat van tenuitvoerlegging dienen de tenuitvoerlegging van het vonnis voort te zetten, hetzij onmiddellijk, hetzij krachtens een rechterlijke of administratieve beschikking, onder de in artikel 12 bepaalde voorwaarden.
  93. De tenuitvoerlegging van de veroordeling is onderworpen aan het recht van de Staat van tenuitvoerlegging en alleen dit land is bevoegd tot het nemen van alle gerelateerde beslissingen. ARTIKEL 12 - Aard en Duur van de Straf
  94. De Staat van tenuitvoerlegging is gebonden aan de juridische aard en de duur van de straf die uit de veroordeling voortvloeit.
  95. Indien de aard of de duur van deze veroordeling echter onverenigbaar is met de wetgeving van de Staat van tenuitvoerlegging, of indien zijn wetgeving zulks vereist, kan de Staat van tenuitvoerlegging deze veroordeling bij rechterlijke of administratieve beschikking aanpassen aan de straf of maatregel die naar zijn eigen recht voor strafbare feiten van dezelfde aard zou worden opgelegd. De aard van deze straf of maatregel moet zoveel mogelijk overeenstemmen met die van de veroordeling die ten uitvoer wordt gelegd. Deze straf mag de aard of de duur van de in de Staat van veroordeling opgelegde straf niet verzwaren of het in de wetgeving van de Staat van tenuitvoerlegging bepaalde maximum overschrijden. ARTIKEL 13 - Gratie, Amnestie, Strafvermindering Elke Partij kan gratie, amnestie of strafvermindering verlenen in overeenstemming met haar grondwet of andere wetten. ARTIKEL 14 - Herziening van het Vonnis Enkel de Staat van veroordeling heeft het recht om een beslissing te nemen met betrekking tot een verzoek tot herziening van het vonnis. ARTIKEL 15 - Beëindiging van de Tenuitvoerlegging De Staat van tenuitvoerlegging dient de tenuitvoerlegging van de veroordeling te beëindigen, zodra het door de Staat van veroordeling in kennis is gesteld van een beslissing of maatregel ten gevolge waarvan de veroordeling niet meer uitvoerbaar is. ARTIKEL 16 - Informatie inzake Tenuitvoerlegging De Staat van tenuitvoerlegging verstrekt de Staat van veroordeling informatie over de tenuitvoerlegging van de straf: a. wanneer het de tenuitvoerlegging van de straf als voltooid beschouwt; 23 b. indien de veroordeelde persoon uit detentie is ontsnapt voordat de tenuitvoerlegging van de straf is voltooid; of c. indien de Staat van veroordeling om een speciaal verslag verzoekt. […] ARTIKEL 20 - Beslechting van Geschillen Elk geschil tussen de Partijen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag wordt in der minne en door onderhandeling via diplomatieke weg beslecht. ARTIKEL 21 – Wijzigingen Dit Verdrag kan te allen tijde met wederzijdse toestemming van de partijen worden gewijzigd in schriftelijke vorm. Een dergelijke wijziging treedt in werking volgens dezelfde procedure die geldt voor de inwerkingtreding van dit Verdrag. ARTIKEL 22 – Slotbepalingen
  96. Dit Verdrag dient te worden geratificeerd en wordt voor onbepaalde tijd van kracht dertig dagen na de uitwisseling van de akten van ratificatie langs diplomatieke weg.
  97. Dit Verdrag is ook van toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen die zijn uitgesproken vóór de inwerkingtreding van het Verdrag.
  98. Onverminderd lopende procedures kan elke Partij te allen tijde dit Verdrag opzeggen door middel van schriftelijke kennisgeving aan de andere partij via diplomatieke weg. De opzegging wordt één jaar na de ontvangstdatum van deze kennisgeving van kracht.
  99. De beëindiging van dit Verdrag laat de verzoeken tot overbrenging die vóór de beëindiging van het Verdrag zijn ingediend onverlet ». B.5.
  100. Het verdrag is noodzakelijk om de overbrenging mogelijk te maken in overeenstemming met de wet van 23 mei 1990 « inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in verdenking gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen » (hierna : de wet van 23 mei 1990). Artikel 1 van die wet bepaalt : « De Regering kan, in uitvoering van met andere Staten op grond van wederkerigheid gesloten overeenkomsten en verdragen, de overbrenging toestaan van in België gevonniste en 24 opgesloten personen naar een vreemde Staat waarvan die persoon onderdaan is, en instemmen met de overbrenging naar België van in het buitenland gevonniste en opgesloten Belgische onderdanen, voor zover : 1° het vonnis waarbij de veroordeling wordt uitgesproken onherroepelijk is; 2° het feit dat aan de veroordeling ten grondslag ligt, zowel in de Belgische wet als in de buitenlandse wet, een strafbaar feit oplevert; 3° de opgesloten personen met de overbrenging instemmen. Voor de toepassing van deze wet heeft de term ‘ veroordeling ’ betrekking op elke straf of elke maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt en die bij vonnis van de strafrechter wordt opgelegd naast of in plaats van een straf ». De vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging aan een buitenlandse Staat werd overgedragen, kunnen in België niet meer ten uitvoer worden gelegd, tenzij de buitenlandse Staat meedeelt dat de tenuitvoerlegging wordt geweigerd of onmogelijk is (artikel 27 van de wet van 23 mei 1990, zoals ingevoegd bij artikel 20 van de wet van 26 mei 2005). B.5.
  101. Ten aanzien van de overbrenging naar een vreemde Staat van een in België gevonniste en opgesloten persoon bepalen de artikelen 4 en 5 van de wet van 23 mei 1990 : « Art.
  102. Indien de Belgische Staat, met toepassing van een overeenkomst of van een internationaal verdrag, een verzoek tot overbrenging van een in België gevonniste en opgesloten persoon naar de vreemde Staat waarvan die persoon onderdaan is, ontvangt of doet, wordt voornoemde persoon gehoord door de procureur des Konings van de plaats van opsluiting, die hem inlicht over dit verzoek en over de gevolgen die zouden voortvloeien uit de overbrenging. Hij wordt bijgestaan door een raadsman, hetzij wanneer hij erom verzoekt, hetzij wanneer de procureur des Konings zulks nodig acht gelet op de mentale toestand of de leeftijd van de gedetineerde. Art.
  103. De toestemming is onherroepelijk gedurende een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf de dag van zijn verschijning. Indien de overbrenging niet heeft plaatsgevonden gedurende deze termijn, staat het de gevonniste persoon vrij zijn toestemming in te trekken bij brief gericht tot de directeur van de strafinrichting tot op de dag waarop hem kennis wordt gegeven van de datum van de overbrenging ». 25 B.5.
  104. Ten aanzien van de overbrenging naar België van een in het buitenland gevonniste en opgesloten persoon bepalen de artikelen 6 tot 8 en 10 van de wet van 23 mei 1990 : « Art.
  105. Indien een in een vreemde Staat gevonniste en opgesloten persoon met toepassing van een overeenkomst of van een internationaal verdrag, naar België is overgebracht, is de in het buitenland uitgesproken straf of maatregel, krachtens het verdrag, in België rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar voor het gedeelte dat nog in het buitenland zou moeten worden ondergaan. Art.
  106. De aangebrachte persoon wordt zodra hij in België aankomt vervoerd naar de strafinrichting naar waar hij is toegewezen. Art.
  107. De overgebrachte persoon verschijnt binnen vierentwintig uur na zijn aankomst in de strafinrichting voor de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van die plaats. Hij ondervraagt de overgebrachte persoon over zijn identiteit, maakt daarover proces- verbaal op en, na inzage van de stukken betreffende het akkoord van de betrokken Staten en de instemming of, in afwijking van artikel 1, eerste lid, 3°, de mening van de overgebrachte persoon alsmede van het origineel of een afschrift van het buitenlandse veroordelingsvonnis of, in voorkomend geval van een kopie van de maatregel van uitzetting of terugleiding naar de grens, of elke andere gelijkaardige maatregel, beveelt de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde persoon of zijn plaatsing in de psychiatrische afdeling van de strafinrichting indien de maatregel uitgesproken in het buitenland gelijkaardig is aan die bedoeld in hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering. […] Art.
  108. Indien de in het buitenland uitgesproken straf of maatregel naar aard en duur niet overeenstemt met die welke voor dezelfde feiten in de Belgische wet is bepaald, moet de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig maken bij de rechtbank van eerste aanleg en vordert hij de aanpassing van de straf of maatregel aan die welke in de Belgische wet is vastgesteld voor een misdrijf van dezelfde aard. De in het buitenland uitgesproken straf of maatregel mag geenszins worden verzwaard. De rechtbank doet uitspraak binnen een maand met inachtneming van de procedure in strafzaken. Tegen de beslissing kunnen de rechtsmiddelen worden aangewend. Niettemin is zij onmiddellijk uitvoerbaar ». B.5.
  109. Ten aanzien van de tenuitvoerlegging in België van in het buitenland opgelegde vrijheidsbenemende straffen en maatregelen bepalen de artikelen 19, 20 en 22 van de wet van 23 mei 1990 : « Art.
  110. Zodra de Belgische Staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel ontvangt, wordt de veroordeelde persoon overgebracht naar de strafinrichting van de plaats waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. 26 Art.
  111. §
  112. De veroordeelde persoon verschijnt binnen vierentwintig uur na zijn aankomst in de strafinrichting voor de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van die plaats. De procureur des Konings gaat over tot het verhoor van de veroordeelde persoon en maakt daarover proces-verbaal op, na inzage van de stukken die overgezonden zijn door de bevoegde overheden van de veroordelende Staat. De instemming van de veroordeelde met de tenuitvoerlegging van de buitenlandse vrijheids- benemende straf of maatregel in België is niet vereist. De veroordeelde persoon wordt bijgestaan door een raadsman, hetzij wanneer hij erom verzoekt, hetzij wanneer de procureur des Konings zulks nodig acht gelet op de mentale toestand of de leeftijd van de veroordeelde. […] Art.
  113. §
  114. Indien de in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf of maatregel naar aard of duur niet overeenstemt met die welke voor dezelfde feiten in de Belgische wet is bepaald, maakt de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg en vordert hij de aanpassing van de vrijheidsbenemende straf of maatregel aan die welke in de Belgische wet is vastgesteld voor een misdrijf van dezelfde aard. De aangepaste vrijheidsbenemende straf of maatregel dient naar aard zoveel mogelijk overeen te stemmen met de vrijheidsbenemende straf of maatregel die bij de in het buitenland uitgesproken veroordeling is opgelegd, en deze laatste mag geenszins worden verzwaard. §
  115. De rechtbank doet uitspraak binnen een maand met inachtneming van de procedure in strafzaken. Tegen deze beslissing kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. Niettemin is ze onmiddellijk uitvoerbaar ». B.6.
  116. Hoewel het verdrag noodzakelijk is om een overbrenging mogelijk te maken, verplicht het de verdragsstaten niet om in te gaan op een verzoek tot overbrenging : « Dat dit verdrag de verdragsluitende Partijen niet echt ergens toe kan dwingen, houdt in dat, ongeacht de Staat die de procedure heeft opgestart, noch de Staat van veroordeling, noch de Staat van tenuitvoerlegging, verplicht is in te gaan op een verzoek tot overbrenging. Dat is een fors verschil met de uitleveringsverdragen en met de verdragen voor wederzijdse rechtshulp » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2784/003, p. 10). Tijdens de parlementaire bespreking wordt voorts vermeld : « De minister benadrukt dat dit verdrag het gevolg is van onderhandelingen op technisch- administratief en diplomatiek niveau tussen beide landen. Er is op geen enkele manier door België gesproken over een link tussen individuele dossiers. Met dit verdrag doet de Belgische regering met andere woorden geen voorafname. Eenmaal het verdrag in werking treedt, kan het worden toegepast binnen de strikte voorwaarden die erin worden bepaald. Waarom heeft België dit verdrag onderhandeld en waarom vraagt de regering aan de Kamer om ermee in te stemmen? De veiligheidsdiensten hebben de voorbije jaren in rapporten gewaarschuwd voor dreigingen ten aanzien van Belgische nationale belangen. Dreigingen die substantieel verhoogd zijn sinds de zomer van 2018 en die geleid hebben tot een expliciet 27 negatief reisadvies van de FOD Buitenlandse Zaken op 26 juni 2021, dat luidt als volgt : ‘ Alle reizen naar Iran worden ten stelligste afgeraden. Belgische onderdanen dienen zich bewust te zijn van het risico op verhoren en willekeurige arrestaties. Recent werden verschillende westerlingen in Iran gearresteerd. De interne politieke context en de regionale situatie zijn bijkomende factoren die in rekening moeten worden genomen ’. Om die toegenomen dreiging af te wenden, heeft de regering het advies van de veiligheidsdiensten gevolgd en dit verdrag getekend » (ibid., p. 11). B.6.
  117. Op de vraag of het verdrag de rechterlijke macht ondermijnt, antwoordt de bevoegde minister ontkennend : « België heeft met niet minder dan 74 landen een soortgelijk verdrag. De gerechtelijke autoriteiten schrijven zich in dat beleid in. In beginsel wordt het advies van het parket gevraagd in geval van een individuele overbrenging. Het verdrag is ook een middel om de strafuitvoering te laten gebeuren in het thuisland. Het is geen middel om de straffeloosheid te installeren » (ibid., p. 52). Het besluit dat de overbrenging toestaat van in België gevonniste en opgesloten personen naar de vreemde Staat waarvan die persoon onderdaan is, ontsnapt niet aan het rechterlijk wettigheidstoezicht : « Als een belanghebbende van oordeel is dat de beslissing van de minister van Justitie onwettig is, kan hij een vernietigingsberoep indienen. In die rechterlijke toets is steeds voorzien voor dergelijke beslissingen » (ibid., p. 54). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  118. Bij zijn arrest nr. 163/2022 van 8 december 2022 heeft het Hof geoordeeld dat het belang van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partijen vaststond. Er is geen reden om hierover anders te oordelen in het stadium van het onderzoek van het beroep tot vernietiging. B.
  119. In hun respectieve memorie van wederantwoord voeren de Ministerraad en Olivier Vandecasteele aan dat de drie middelen gedeeltelijk of geheel niet ontvankelijk zouden zijn in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met verschillende artikelen van het Europees Verdrag voor de rechten 28 van de mens, omdat geen enkele van de verzoekende partijen de Belgische nationaliteit heeft, noch in België woont of verblijft. B.9.
  120. Artikel 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beperkt het toepassingsgebied ervan tot « eenieder » die ressorteert onder de « rechtsmacht » van de Staten die partij zijn bij dat Verdrag. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens preciseert : « Het loutere gegeven dat op nationaal niveau genomen beslissingen een weerslag hebben gehad op de situatie van personen die in het buitenland verblijven, is niet […] van dien aard de rechtsmacht van de betrokken Staat te hunnen aanzien buiten zijn grondgebied vast te stellen » en « in de eerste plaats betreft het een feitelijke kwestie die vereist dat wordt stilgestaan bij de aard van de band tussen de verzoekers en de verwerende Staat en dat wordt nagegaan of die laatste zijn gezag of zijn controle te hunnen aanzien daadwerkelijk heeft uitgeoefend » (EHRM, grote kamer, beslissing van niet-ontvankelijkheid, 5 mei 2020, M.N. e.a. t. België, ECLI:CE:ECHR:2020:0505DEC000359918, §§ 112-113). B.9.
  121. De artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet maken deel uit van titel II (« De Belgen en hun rechten ») ervan. Krachtens artikel 191 van de Grondwet « [geniet] iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, […] de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ». De vreemdelingen kunnen zich dus beroepen op het voordeel van de artikelen van titel II van de Grondwet onder de voorwaarde, in principe, dat zij « zich bevinden op » het grondgebied van België. B.9.
  122. Te dezen bestaat de verbondenheid met België die de verzoekende partijen aanvoeren, in het gegeven dat zij zich burgerlijke partij hebben gesteld bij Belgische rechtscolleges naar aanleiding van een strafprocedure die is ingeleid tegen verschillende personen die worden vervolgd wegens feiten die zijn gekwalificeerd als een poging tot het plegen van een terroristische aanslag in Frankrijk, dat zij door de Belgische rechtscolleges zijn erkend als slachtoffers van die feiten en dat zij in die hoedanigheid een recht op herstel van hun schade hebben verkregen. B.10.
  123. De eerste tien verzoekende partijen, die natuurlijke personen zijn, hebben de hoedanigheid van slachtoffer in de zin van artikel 2, 6°, van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » (hierna : de 29 wet van 17 mei 2006) verkregen. Zij genieten krachtens de bepalingen van die wet het recht om te worden ingelicht over de toekenning, aan de veroordeelde, van bepaalde strafmodaliteiten en het recht om te worden gehoord door de strafuitvoeringsrechtbank omtrent de « bijzondere voorwaarden » waarmee bepaalde strafmodaliteiten die een wijziging van de aard of van de duur van de uitgesproken straf impliceren, gepaard moeten gaan in hun « belang ». B.10.
  124. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling, in zoverre het verdrag van 11 maart 2022 waaraan zij instemming verleent, ten uitvoer zou kunnen worden gelegd om een van de personen die zijn veroordeeld voor de feiten waarvan zij als slachtoffers zijn erkend, over te brengen naar Iran, en in zoverre die persoon, in geval van overbrenging, een maatregel van gratie zou kunnen genieten op grond waarvan hij het restant van de in België uitgesproken straf niet meer zou moeten uitzitten, dat zij afbreuk doet aan het procedurele aspect van het recht op leven dat wordt gewaarborgd bij artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat zij niet voorziet in een daadwerkelijk rechtsmiddel waarmee zij dat recht kunnen doen gelden voor een Belgisch rechtscollege en dat hun de mogelijkheid wordt ontzegd de rechten uit te oefenen die zij ontlenen aan de wet van 17 mei
  125. B.11.
  126. De hoedanigheid van slachtoffer die wordt erkend door een strafgerecht vormt, wat betreft de bescherming van de rechten van het slachtoffer die rechtstreeks zijn verbonden met de veroordeling van de dader van de feiten waarvan die persoon het slachtoffer is geweest, een voldoende verbondenheid die verantwoordt dat het Grondwettelijk Hof bevoegd is om kennis te nemen van de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bepalingen van titel II van de Grondwet, in samenhang gelezen met de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.11.
  127. De excepties van niet-ontvankelijkheid worden verworpen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.
  128. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 13 van het Europees Verdrag voor de 30 rechten van de mens, met de artikelen 2, lid 3, en 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 33 en 40, tweede lid, van de Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen aanvoeren dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2022 die bepalingen schendt, in zoverre het de Belgische Regering toestaat om, naar Iran, een persoon over te brengen die door de hoven en rechtbanken is veroordeeld wegens het plegen, met de steun van Iran, van een terroristisch misdrijf waarbij een aanslag is gepleegd op het leven van anderen. B.
  129. Uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis dat op 4 februari 2021 is gewezen door de correctionele rechtbank te Antwerpen, en dat is voorgelegd door de verzoekende partijen, blijkt dat zij een burgerlijke vordering hebben ingesteld tegen Assaddollah Assadi, een persoon met de Iraanse nationaliteit die, bij dat vonnis, definitief is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar, alsook tot het herstel van de morele schade die aan de verzoekende partijen werd berokkend door zijn poging tot een terroristische aanslag. Het recht op leven, gewaarborgd bij artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is een van de fundamentele waarden van de democratische staten die samen de Raad van Europa vormen. Dat recht verplicht elke Staat ertoe de nodige maatregelen te nemen om het leven van de personen die onder zijn rechtsgebied ressorteren, te beschermen (EHRM, grote kamer, 31 januari 2019, Fernandes de Oliveira t. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2019:0131JUD007810314, § 104; 26 mei 2020, Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD001724713, §§ 109-110). Die beschermingsplicht geldt met name ten aanzien van personen die geconfronteerd werden met een dreigend risico voor hun leven, zelfs indien zij niet verwond werden (EHRM, 26 mei 2020, Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD001724713, §§ 89-94) en houdt ook in dat de bevoegde overheid een daadwerkelijk onderzoek voert in geval van een mogelijke schending van het recht op leven (EHRM, grote kamer, 27 mei 2014, Marguš t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000445510, §§ 125 en 127; 27 mei 2020, Makuchyan en Minasyan t. Azerbeidzjan en Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD001724713, § 154). 31 Het vereiste van doeltreffendheid van het strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan ook worden geïnterpreteerd als een verplichting voor Staten om hun definitieve vonnissen onverwijld ten uitvoer te leggen. De tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd in het kader van het recht op leven, moet immers worden beschouwd als een integrerend onderdeel van de procedurele verplichting van de Staat op grond van dat artikel (EHRM, 13 oktober 2016, Kitanovska Stanojkovic en anderen t. « Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië », ECLI:CE:ECHR:2016:1013JUD000231914, § 32). Artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Iran is geratificeerd, heeft een draagwijdte die analoog is met die van artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  130. De tussenkomende partij, Olivier Vandecasteele, is een Belgische onderdaan die sinds februari 2022 in een Iraanse gevangenis wordt vastgehouden. Na het arrest nr. 163/2022 van 8 december 2022 raakte bekend dat hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar. Een maand later volgde het bericht dat hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 jaar en 74 zweepslagen. Hij is naar verluidt opgesloten in volledig isolement, zonder de noodzakelijke gezondheidszorg en zonder toegang tot een advocaat van zijn keuze. Het recht om een menswaardig leven te leiden, gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet en in samenhang gelezen met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houdt met name in dat een gevangene wordt gedetineerd in omstandigheden die de eerbiediging van de menselijke waardigheid waarborgen, dat de wijze waarop de maatregel wordt uitgevoerd de betrokkene niet blootstelt aan een lijden of aan een beproeving waarvan de intensiteit het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan de detentie overstijgt, alsook dat, gelet op de praktische vereisten van de opsluiting, de gezondheid en het welzijn van de gevangene afdoende zijn gewaarborgd (EHRM, grote kamer, 25 april 2017, Rezmiveș e.a. t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2017:0425JUD006146712, § 72). Naast de aard van de straf, zoals de zweepslagen waartoe de tussenkomende partij is veroordeeld, kan de duur van een detentieperiode een relevante factor kan zijn bij de toetsing van de mate van lijden of vernedering die een gedetineerde wegens zijn slechte detentieomstandigheden ondergaat (EHRM, grote kamer, 20 oktober 2016, Muršić t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413, § 131). 32 Artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Iran is geratificeerd, heeft een draagwijdte die analoog is met die van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Artikel 10 van hetzelfde Verdrag waarborgt een menswaardige behandeling in geval van vrijheidsberoving. B.
  131. Meer nadrukkelijk dan het geval was bij het onderzoek van de vordering tot schorsing, blijkt thans uit het debat voor het Hof dat het beroep tot vernietiging niet de ongrond

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.