id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.037 Arrest- Rolnummer: 37/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 695 - laatst gezien 2026-06-17 09:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
- Geen schending (artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 79, laatste zin, van de faillissementswet)
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 1385sexies van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 79 en 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik. Faillissement - Toegelaten schuldvorderingen in het passief - Uitsluiting - Schuldeiser van een dwangsom Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 37/2023 van 9 maart 2023 Rolnummer : 7593 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1385sexies van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 79 en 80 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, Y. Kherbache, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 17 mei 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juni 2021, heeft de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik : - de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Brengt artikel 1385sexies van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het bepaalt dat ‘ dwangsommen die vóór de faillietverklaring verbeurd zijn, […] in het passief van het faillissement niet [worden] toegelaten ’, in samenhang gelezen met artikel 79 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, dat bepaalt dat ‘ indien er een overschot is, […] dit rechtens [toekomt] aan de gefailleerde ’, een discriminatie met zich mee tussen de schuldeiser van de dwangsommen en de andere gewone schuldeisers, enerzijds, en tussen de schuldeiser van de dwangsommen en de gefailleerde schuldenaar, anderzijds, en schendt het bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien bij de sluiting van het faillissement, het actief dat overblijft na voldoening van de andere schuldeisers dan de schuldeiser van dwangsommen, zou toekomen aan de gefailleerde schuldenaar, en niet aan zijn schuldeiser van dwangsommen ? »; - het Hof uitgenodigd te antwoorden op de volgende prejudiciële vraag indien het antwoord op de bovenvermelde vraag ontkennend zou zijn : 2 « Brengen de artikelen 79 en 80 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, in zoverre zij niet bepalen dat de schuldeiser van een dwangsom wordt gehoord over de maatregel van verschoonbaarheid van de gefailleerde of dat hij daarover zijn advies kan geven, een discriminatie met zich mee tussen de schuldeiser van de dwangsommen en de andere gewone schuldeisers, enerzijds, en tussen de schuldeiser van de dwangsommen en de gefailleerde schuldenaar, anderzijds, en schenden zij bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 21 december 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 januari 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 januari 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een beschikking van 2 december 2009 veroordeelt de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Doornik Jérôme en Michel Ladavid ertoe een einde te maken aan bepaalde gedragingen die de professionele belangen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid « Pompes funèbres Fernand Ladavid » (hierna : de vennootschap Ladavid) aantasten. Bij diezelfde beschikking beslist de magistraat ook dat, indien de twee voormelde personen aan de veroordeling geen gevolg geven, zij een dwangsom van 5 000 euro per dag vertraging vanaf de tweede dag na de betekening van die beschikking verschuldigd zullen zijn. Op 20 januari 2010 doet de vennootschap « Ladavid » die gerechtelijke beslissing aan Jérôme en Michel Ladavid betekenen. Op 8 juli 2010 betekent de daartoe door de vennootschap Ladavid gemachtigde gerechtsdeurwaarder aan de twee voormelde natuurlijke personen een betalingsbevel voor een bedrag van 820 000 euro, hetgeen overeenkomt met de tot op dat moment verbeurde dwangsommen. Op 7 januari 2011 betekent diezelfde deurwaarder een betalingsbevel voor een bedrag van 1 731 638,59 euro, hetgeen overeenkomt met de tot 3 januari 2011 verbeurde dwangsommen en diverse andere kosten. Bij een vonnis van 29 mei 2015 verklaart de beslagrechter te Doornik dat het verzet van Jérôme en Michel Ladavid tegen de op 8 juli 2010 en 7 januari 2011 betekende betalingsbevelen ongegrond is. Bij arrest van 4 april 2017 bevestigt het Hof van Beroep te Bergen het vonnis van 29 mei 2015, na onder andere te hebben opgemerkt dat de door de twee bevelen beoogde dwangsommen effectief verschuldigd zijn aan de vennootschap Ladavid, aangezien het eerste van die bevelen werd betekend vóór het verstrijken van de bij artikel 1385octies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde verjaringstermijn van zes maanden. Op 26 april 2017 richten Jérôme en Michel Ladavid een feitelijke vereniging op. Op 9 augustus 2017 betekent de door de vennootschap Ladavid gemachtigde gerechtsdeurwaarder aan Jérôme en Michel Ladavid het arrest van 4 april 2017, alsook een betalingsbevel voor een bedrag van 1 733 790 euro. Dat bevel preciseert dat, bij ontstentenis van betaling, beslag zal worden gelegd op de roerende en onroerende goederen van de schuldenaars. Het gevorderde bedrag is het resultaat van de som van de dwangsommen die zijn verbeurd van 23 januari 2010 tot 3 januari 2011, de bij de beschikking van 2 december 2019 en bij het arrest van 4 april 2017 vereffende uitgaven, alsook diverse tenuitvoerleggingskosten die bij de voormelde betekeningen van 2010, 2011 en 2017 zijn gemaakt. 3 Enkele dagen na de voormelde betekening van 9 augustus 2017 doet de door Jérôme en Michel Ladavid opgerichte feitelijke vereniging aangifte van staking van betaling. Op 18 augustus 2017 verklaart de Rechtbank van Koophandel te Doornik de twee vennoten failliet. Op 2 november 2017 legt de vennootschap Ladavid bij de curator van die twee faillissementen een aangifte van schuldvorderingen voor een totaalbedrag van 1 734 737,96 euro neer. Op 30 november 2020 betwist de curator die schuldvorderingen bij het onderzoek naar de aangegeven schuldvorderingen voor het faillissement van Michel Ladavid. De Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik, die krachtens de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna : de Faillissementswet) uitspraak dient te doen over die betwisting, merkt op dat de curator zijn betwisting van de schuldvordering van dwangsommen rechtvaardigt met het feit dat, volgens artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de dwangsommen die vóór het vonnis van faillietverklaring verbeurd zijn, niet in het passief van het faillissement worden toegelaten. De vennootschap Ladavid brengt de grondwettigheid van die wetsbepaling in het geding, merkt op dat de toepassing ervan de weigering van de schuldvorderingen met betrekking tot de uitgaven en de kosten van de tenuitvoerlegging in ieder geval niet zou kunnen verantwoorden, en merkt op dat de curator niet uiteenzet waarom hij die laatste schuldvorderingen heeft betwist. De curator bevestigt dat er een overschot op de definitieve rekening van het faillissement zal staan. De Rechtbank is van oordeel dat de regel van artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ertoe leidt dat de schuldeiser van een dwangsom zich niet zal kunnen laten betalen uit het overschot van de rekening van het faillissement, dat, met toepassing van artikel 79 van de faillissementswet, aan de gefailleerde zal toekomen. De Rechtbank vraagt zich af of de in artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regel gerechtvaardigd is wanneer het feit dat een schuldvordering van dwangsommen wordt toegelaten in het passief van het faillissement niet ertoe leidt dat het bedrag van de sommen die aan de andere schuldeisers worden toegekend, vermindert. De Rechtbank beslist dus om, op voorstel van de vennootschap Ladavid, aan het Hof de hiervoor weergegeven eerste prejudiciële vraag te stellen. De Rechtbank merkt bovendien op dat, indien met toepassing van artikel 80 van de Faillissementswet de verschoonbaarheid van de gefailleerde wordt uitgesproken, de schuldeiser zijn schuldenaar niet meer zal kunnen vervolgen teneinde de betaling van de verschuldigde dwangsommen te verkrijgen en beslist ook de hiervoor weergegeven tweede prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen A.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vragen mogelijk niet nuttig zouden zijn voor de beslechting van het geschil voor de Ondernemingsrechtbank die de vragen stelt, zodat zij geen antwoord zouden behoeven. A.
- In verband met twee prejudiciële vragen merkt de Ministerraad op dat de lezing van de verwijzingsbeslissing niet toelaat na te gaan of de vanaf januari 2010 verbeurde dwangsom niet verjaard was op het ogenblik dat het faillissement van de schuldenaars van die dwangsom bij vonnis van 18 augustus 2017 werd uitgesproken. Hij merkt op dat, indien die dwangsom verjaard was, de schuldvordering die er betrekking op heeft en die op 2 november 2017 werd aangegeven, niet in het passief van het faillissement zou kunnen worden toegelaten, zelfs indien het Hof de ongrondwettigheid van de in het geding zijnde wetsbepalingen zou vaststellen. A.
- In verband met de tweede prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat een antwoord niet nuttig zou zijn voor de beslechting van het geschil dat hangende is voor de Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik, indien zou vaststaan dat de vennootschap Ladavid ten aanzien van Michel Ladavid aangegeven schuldvorderingen heeft met een ander voorwerp dan de dwangsommen. De Ministerraad merkt op dat de tweede prejudiciële vraag de situatie betreft waarin een schuldeiser van dwangsommen niet zijn advies kan geven over de verschoonbaarheid van de gefailleerde. Hij merkt op dat, te 4 dezen, de toelating van de andere schuldvorderingen van de vennootschap Ladavid in het passief van het faillissement aan die vennootschap het recht zal geven haar advies over die verschoonbaarheid te formuleren, met toepassing van artikel 79 van de Faillissementswet. Ten aanzien van het op de eerste prejudiciële vraag te geven antwoord A.
- In ondergeschikte orde zet de Ministerraad uiteen dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.
- Hij voert ten eerste aan dat de situatie van een schuldeiser niet kan worden vergeleken met die van zijn gefailleerde schuldenaar, aangezien die personen zich in volledig verschillende situaties bevinden en hun relatie duidelijk uit evenwicht is. De Ministerraad merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 187/2006 van 29 november 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.187), reeds heeft geoordeeld dat de situatie van de gefailleerde niet te vergelijken valt met die van zijn borg onder bezwarende titel. A.
- De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat de in de eerste prejudiciële vraag vermelde verschillen in behandeling in ieder geval verantwoord zijn door doelstellingen van algemeen belang. Hij merkt op dat het omwille van de logica en de billijkheid, en in het bijzonder om de andere schuldeisers van de gefailleerde te beschermen, is dat de auteurs van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, ondertekend op 26 november 1973, hebben beslist dat de vóór het vonnis van faillietverklaring verbeurde dwangsommen niet in het passief van het faillissement zouden worden toegelaten. De Ministerraad merkt op dat de opeisbaarheid van die dwangsommen nadeliger zou zijn voor die andere schuldeisers dan voor de gefailleerde die ervoor zou hebben gekozen schuldenaar van een dwangsom te worden in plaats van een veel minder zware hoofdverbintenis na te komen. De Ministerraad benadrukt dat de auteurs van de voormelde Overeenkomst ook erop hebben toegezien de belangen van de schuldeiser van de gefailleerde die houder is van een schuldvordering van een dwangsom te vrijwaren door te beslissen dat het faillissement een schorsingsgrond voor de verjaring van de dwangsom is. Hij merkt op dat dankzij die regel, wanneer het faillissement wordt afgesloten, die schuldeiser opnieuw van de schuldenaar de betaling van de vóór het vonnis van faillietverklaring verbeurde dwangsom kan eisen. A.
- De Ministerraad zet ten slotte uiteen dat de in het geding zijnde wetsbepaling geen gevolgen met zich meebrengt die onevenredig zijn met de doelstellingen die zij nastreeft. Hij preciseert dat de in de eerste prejudiciële vraag vermelde verschillen in behandeling niet kennelijk onredelijk zijn indien rekening wordt gehouden met alle aanwezige economische en sociale belangen. Hij merkt op dat de auteurs van de Faillissementswet hebben geprobeerd een systeem te creëren dat op een evenwichtige manier rekening houdt met de belangen en rechten van alle bij een faillissement betrokken partijen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
- Artikel 2 van de wet van 31 januari 1980 « houdende goedkeuring van de Benelux- Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, en van de Bijlage 5 (eenvormige wet betreffende de dwangsom), ondertekend te 's-Gravenhage op 26 november 1973 » (hierna : de wet van 31 januari 1980) heeft een hoofdstuk betreffende de dwangsom in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd. Luidens artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals geformuleerd vóór de wijziging ervan bij artikel 42 van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen », is de dwangsom een geldsom waartoe een partij in een gerechtelijk proces kan worden veroordeeld, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. De rechter kan de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen (artikel 1385ter, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek). Eenmaal verbeurd komt de dwangsom ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Die partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld (artikel 1385quater, eerste lid, van hetzelfde Wetboek), te weten krachtens het vonnis van veroordeling (Parl. St., Kamer, 1977-1978, nr. 353/1, p. 2). B.
- Artikel 1385sexies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De dwangsom kan gedurende het faillissement van de veroordeelde niet worden verbeurd. Dwangsommen die vóór de faillietverklaring verbeurd zijn, worden in het passief van het faillissement niet toegelaten ». B.
- Vóór de opheffing ervan bij artikel 70 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » (hierna : de wet van 11 augustus 2017), bepaalde artikel 79 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna : de Faillissementswet) : « Wanneer de vereffening van het faillissement beëindigd is, worden de schuldeisers en de gefailleerde bijeengeroepen door de curators, op bevel van de rechter-commissaris gewezen na inzage van de rekeningen van de curators. De vereenvoudigde rekening van de curators, die het totale bedrag van het actief, de kosten en het ereloon van de curators, de boedelschulden en de verdeling tussen de verschillende categorieën van schuldeisers vermeldt, wordt bij deze oproeping gevoegd. 6 Op die vergadering wordt de rekening besproken en afgesloten. De schuldeisers geven hun advies over de verschoonbaarheid van de gefailleerde. Het saldo van de rekening dient voor de laatste uitdeling. Indien er een overschot is, komt dit rechtens toe aan de gefailleerde ». Die bepaling blijft van toepassing op de faillissementsprocedures die liepen op 1 mei 2018, datum waarop de wet van 11 augustus 2017 in werking is getreden (artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Uit de dossierstukken die de Ondernemingsrechtbank te Doornik met de verwijzingsbeslissing aan het Hof heeft overgemaakt, blijkt dat de schuldvordering van de dwangsom die aan de basis van de gerechtelijke procedure ligt niet verjaard is. B.
- Er kan dus niet worden geoordeeld dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag niet nuttig zou zijn voor de oplossing van het geschil wegens de verjaring van die schuldvordering. B.
- Het Hof wordt verzocht te onderzoeken of artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 79, laatste zin, van de Faillissementswet, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling tussen een gefailleerde en zijn schuldeiser die van hem de betaling van dwangsommen eist, doet ontstaan. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 7 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bevat een regel die aan de curator van een faillissement verbiedt om bij de verdeling van het actief van dat faillissement een bepaald type van schuldvordering in aanmerking te nemen. Aangezien de gefailleerde schuldenaar geen schuldvorderingen heeft in het passief van het faillissement, is er geen verschil in behandeling wat de toelating van schuldvorderingen in dat passief betreft, tussen de gefailleerde en de schuldeiser die van hem de betaling van dwangsommen eist. B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof ook wordt verzocht te onderzoeken of artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 79, laatste zin, van de Faillissementswet, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van gewone schuldeisers van een natuurlijk persoon die failliet werd verklaard en van wie de rekening van het faillissement een overschot zal bevatten : enerzijds, de schuldeiser van een dwangsom en, anderzijds, de andere gewone schuldeisers van wie de schuldvordering in het passief van het faillissement kan worden toegelaten. In tegenstelling tot de schuldvordering van die laatsten kan de schuldeiser van een dwangsom, rekening houdend met artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn schuldvordering van een dwangsom nooit in het passief van het faillissement laten opnemen, noch de betaling van zijn schuldvordering van een dwangsom verkrijgen vanuit het actief van het faillissement. B.10.
- De dwangsom in de zin van artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is een « dwangmiddel om de uitvoering van een rechterlijke uitspraak te verkrijgen », een « bedreiging tegen de schuldenaar ingeval deze zijn verplichting niet nakomt » (Parl. St., Kamer, 1977-1978, nr. 353/1, p. 2). 8 De invoering van de dwangsom werd gemotiveerd, enerzijds, door het belang van de schuldeiser om de werkelijke nakoming, door de schuldenaar, van zijn verbintenis te verkrijgen en, anderzijds, door het belang van de maatschappij bij de naleving van een door de rechter gegeven gebod of verbod (ibid., pp. 2 en 15). B.10.
- Artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bevat het verbod om de door de gefailleerde verschuldigde dwangsommen die vóór de faillietverklaring verbeurd zijn, in het passief van het faillissement toe te laten. Die regel is identiek aan die welke is vermeld in artikel 5 van de « eenvormige wet betreffende de dwangsom », regel in verband waarmee de Staten die partij zijn bij de Benelux- Overeenkomst van 26 november 1973 zich ertoe hebben verbonden die in hun wetgeving in te voegen. In de toelichting bij dat laatste artikel, die in de « gemeenschappelijke memorie van toelichting » van die Overeenkomst staat, wordt gesteld dat de voormelde regel is gerechtvaardigd « uit een oogpunt van logica en billijkheid, in het bijzonder met het oog op bescherming van de andere schuldeisers van de gefailleerde, die meer nadeel zouden ondervinden van de schuldigheid van de dwangsom dan hijzelf » (Parl. St, Kamer, 1977-1978, nr. 353/1, p. 20). Die toelichting preciseert : « De dwangsom heeft ten doel de veroordeelde te dwingen aan een veroordeling te voldoen. Zij bedreigt de schuldenaar voor het geval hij niet nakomt. Slechts wanneer hij voor die bedreiging niet opzij gaat, ontstaat voor hem de verplichting tot betaling van een dwangsom doorgaans een hoog bedrag in verhouding tot de waarde van de hoofdveroordeling. [...] Het [...] toelaten in het faillissement van dwangsommen die voor [...] het faillissement zijn verbeurd, zou niet zozeer de schuldenaar zelf treffen, als wel zijn andere schuldeisers. [...] [Het] is [...] onbillijk de andere schuldeisers schade te doen lijden door de koppigheid van de veroordeelde die er de voorkeur aan geeft een hoog bedrag aan dwangsommen schuldig te worden in plaats van een veel minder zware hoofdverplichting na te komen. [...]. Uit de regel van lid 2 [van artikel 5] volgt niet alleen dat een vordering wegens een vóór de faillietverklaring verbeurde dwangsom niet in het faillissement kan worden ingediend, maar tevens dat daarop ook geen uitkering uit het faillissement kan worden verkregen [...]. Zij laat 9 evenwel toe dat vóór de faillietverklaring verbeurde dwangsommen na het einde van het faillissement alsnog worden geëxecuteerd » (ibid., pp. 20-21). De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de oorsprong ligt van de wet van 31 januari 1980, voegt, met betrekking tot artikel 5, tweede lid, van « eenvormige wet betreffende de dwangsom », toe dat « [in] geval van faillissement [...] het belang van de schuldeisers [opkomt] tegen het feit dat een van hen het passief van de schuldenaar zou kunnen verzwaren met de overlegging van dwangsommen die vóór het faillissement verbeurden » (ibid., p. 2). B.
- Uit het voorgaande blijkt dat het verschil in behandeling tussen de twee in B.9 beschreven categorieën van schuldeisers een legitieme doelstelling nastreeft. B.
- Zoals wordt opgemerkt in de memorie van toelichting van de « eenvormige wet betreffende de dwangsom », die de in artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde regel bevat, belet die regel geenszins de schuldeiser van een dwangsom om van de gefailleerde natuurlijke persoon, wanneer het faillissement is gesloten, de betaling van de dwangsom die voor de faillietverklaring werd verbeurd, te eisen. Wanneer het saldo van de rekening van het faillissement positief is, kan de schuldeiser van de dwangsom zo de betaling van zijn schuldvordering nastreven vanuit het overschot dat aan de gefailleerde toekomt met toepassing van artikel 79, laatste zin, van de Faillissementswet. B.
- Uit het voorgaande volgt dat het in B.9 beschreven verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.
- Artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 79, laatste zin, van de Faillissementswet, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht te onderzoeken of de in het geding zijnde bepalingen al dan niet een discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan ten nadele van de schuldeiser van een gefailleerde, die, in het kader van de vereffening van het faillissement, niet zijn advies kan verlenen over de verschoonbaarheid van de gefailleerde omdat hij slechts een schuldvordering van een dwangsom heeft aangegeven die met toepassing van artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is uitgesloten van het passief van het faillissement. B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing, alsook uit het dossier dat de Ondernemingsrechtbank te Doornik met die beslissing aan het Hof heeft overgemaakt, blijkt echter dat de enige schuldeiser die partij is in het geding dat tot de prejudiciële vraag aanleiding heeft gegeven niet enkel een schuldvordering van een dwangsom heeft aangegeven, maar ook andere schuldvorderingen waarvan het werkelijke karakter niet wordt betwist en waarvan de niet-toelating niet wordt gemotiveerd. Artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek verbiedt niet die laatste schuldvorderingen in het passief van een faillissement toe te laten. Zoals de Ministerraad opmerkt, laat de toelating van die schuldvorderingen in het passief van het faillissement die schuldeiser toe om, met toepassing van artikel 79, tweede lid, van de Faillissementswet, zijn advies te verlenen over de verschoonbaarheid van de betrokken gefailleerde, en dus over de vraag of die wel « ongelukkig en te goeder trouw » in de zin van artikel 80, tweede lid, van die wet is, alsook over de vraag naar het eventuele bestaan van « gewichtige omstandigheden », in de zin van diezelfde bepaling, die de rechtbank zouden kunnen verbieden de verschoonbaarheid uit te spreken. De situatie van de enige schuldeiser in het bodemgeschil, is dus niet die van de schuldeiser bedoeld in B.
- 11 B.
- Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de situatie van een andere schuldeiser die verschilt van die van de enige schuldeiser die partij is in het geschil dat hangende is voor de rechter die aan het Hof vragen stelt, kan niet nuttig zijn voor de beslechting van dat geschil. B.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel 1385sexies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 79, laatste zin, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.037 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.