id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.038 Arrest- Rolnummer: 38/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 546 - laatst gezien 2026-06-14 19:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Terugzending naar de verwijzende rechtscollege Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over de artikelen 40bis, § 2, eerste lid, 3°, en 40ter, § 1 en § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Vreemdelingen - Toegang tot het grondgebied, verblijf, vestiging en verwijdering - Voorwaarden tot gezinshereniging - Familieleden van een Belgische onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer - Meerderjarige herenigde ten laste van de gezinshereniger Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 38/2023 van 9 maart 2023 Rolnummer : 7639 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 40bis, § 2, eerste lid, 3°, en 40ter, § 1 en § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 251.479 van 14 september 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 september 2021, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 40bis, § 2, eerste lid, 3°, 40ter, § 1, en 40ter, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, geïnterpreteerd en toegepast in die zin dat zij eisen, zowel van een meerderjarige herenigde die bloedverwant in neergaande lijn is van een sedentaire Belg als van een meerderjarige herenigde die bloedverwant in neergaande lijn is van een Belgisch of Unieonderdaan die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend, ten laste te zijn van de gezinshereniger in het land van oorsprong of van herkomst, terwijl die vereiste, volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, het gevolg is van de uitoefening, door de Belgische of Unieburger, van diens recht op vrij verkeer ? ». Memories zijn ingediend door : 2 - Amirouche Djabri, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Andrien, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Matray, advocaat bij de balie Luik-Hoei. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 9 november 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak nog niet in gereedheid kan worden verklaard, - de partijen uit te nodigen om de volgende vragen te beantwoorden in een aanvullende memorie, met in voorkomend geval elk nuttig document, die uiterlijk op 9 december 2022 moet worden ingediend en binnen dezelfde termijn aan de andere partij moet worden overgezonden : « In zijn memorie van antwoord beweert de Ministerraad dat Amirouche Djabri op 14 november 2019 een nieuwe aanvraag voor een verblijfskaart heeft ingediend en dat hem, ingevolge die aanvraag, op 29 juni 2020 een F-kaart werd toegekend voor een periode van 5 jaar. Elke partij wordt uitgenodigd om te antwoorden op de volgende vragen :
- Wat is de huidige verblijfssituatie van Amirouche Djabri ? Amirouche Djabri wordt in het bijzonder uitgenodigd om te laten weten of hij de voormelde bewering van de Ministerraad al dan niet bevestigt.
- Welk eventueel gevolg leidt u af uit het antwoord op de vorige vraag, voor de voorliggende prejudiciële vraag ? ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - Amirouche Djabri; - de Ministerraad. Bij beschikking van 21 december 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 januari 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 januari 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is een persoon met de Algerijnse nationaliteit geboren in 1977 en in België aangekomen in 2006 met een visum dat 30 dagen geldig was. Na tevergeefs verschillende aanvragen voor een machtiging tot verblijf te hebben ingediend, dient die persoon op 6 juli 2017 een aanvraag in voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Europese Unie in de hoedanigheid van bloedverwant in neergaande lijn van een Belg. Op 3 januari 2018 maakt die aanvraag het voorwerp uit van een weigeringsbeslissing. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bij zijn arrest nr. 226.051 van 12 september 2019 verwerpt die laatste het beroep tot nietigverklaring. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt bij het verwijzende rechtscollege een cassatieberoep in dat tegen dat arrest is gericht. Bij zijn arrest nr. 251.479 van 14 september 2021 stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van het nut van de prejudiciële vraag A.1.
- In zijn memorie van antwoord wijst de Ministerraad erop dat, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Europese Unie, aan de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege op 29 juni 2020 een kaart F is uitgereikt die geldig is voor een duur van vijf jaar. Volgens de Ministerraad was het verwijzende rechtscollege niet op de hoogte van het bestaan van die kaart F wanneer het heeft beslist de prejudiciële vraag te stellen. Met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State voert hij aan dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege geen belang meer heeft bij het cassatieberoep dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. Hij besluit hieruit dat de prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor het oplossen van het geschil en derhalve geen antwoord behoeft. In de aanvullende memorie die hij heeft ingediend naar aanleiding van de beschikking van het Hof van 9 november 2022 bevestigt de Ministerraad dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege sinds 29 juni 2020 over een kaart F beschikt die geldig is voor vijf jaar. Met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State voert hij aan dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege geen actueel belang meer heeft bij het cassatieberoep, daar zij een verblijfsrecht heeft verkregen dat overeenstemt met datgene dat oorspronkelijk was aangevraagd. Hij voegt eraan toe dat een eventuele vernietiging van de in het geding zijnde weigeringsbeslissing generlei verblijfsvoordeel kan inhouden voor de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, daar een eventueel heronderzoek van de oorspronkelijke aanvraag alleen zou kunnen leiden tot de vaststelling van een gebrek aan voorwerp. De Ministerraad formuleert opnieuw zijn besluit volgens hetwelk de prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor het oplossen van het geschil en derhalve geen antwoord behoeft. A.1.
- In de aanvullende memorie die zij heeft ingediend naar aanleiding van de beschikking van het Hof van 9 november 2022 bevestigt de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege dat op 29 juni 2020 een kaart F aan haar is uitgereikt. Zij voert aan dat de prejudiciële vraag niettemin van belang blijft. Zij onderstreept dat, aangezien bij het verwijzende rechtscollege een cassatieberoep en niet een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, dat rechtscollege zich moet uitspreken over het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en niet over de administratieve beslissing tot weigering van het verblijf. Zij verwijst in dat verband naar het arrest van de Raad van State nr. 254.038 van 17 juni
- In ondergeschikte orde merkt zij op dat de Ministerraad niet beweert dat de in het geding zijnde weigering tot verblijf zou zijn ingetrokken. Ten slotte onderstreept zij dat, indien het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vernietigd en de in het geding zijnde weigering tot verblijf vervolgens nietig wordt verklaard, een nieuwe beslissing zal moeten worden genomen in verband met de aanvraag die zij op 6 juli 2017 heeft ingediend. Volgens haar zal zij, met toepassing van artikel 42quinquies van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het 4 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », aanspraak kunnen maken op een definitief verblijf met ingang van 7 juli 2022 en zelfs op het verkrijgen van de Belgische nationaliteit vanaf die datum. Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie A.2.
- In haar argumentatie ten gronde vraagt de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege dat twee prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.2.
- Volgens de Ministerraad dienen de door de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voorgestelde prejudiciële vragen niet te worden gesteld. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 40bis, § 2, eerste lid, 3°, 40ter, § 1, en 40ter, § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». B.
- De verzoekende partij voor het verwijzend rechtscollege heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Europese Unie in de hoedanigheid van bloedverwant in neergaande lijn van een Belg. Die aanvraag maakt het voorwerp uit van een weigeringsbeslissing genomen op 3 januari
- Uit de informatie die de partijen hebben meegedeeld, blijkt dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, op 29 juni 2020 een verblijfskaart als familielid van een burger van de Europese Unie (kaart F) heeft gekregen die geldig is voor een duur van vijf jaar. Hieruit kan een verlies voortvloeien van het belang van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege bij het cassatieberoep dat is gericht tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij het beroep tot nietigverklaring van de op 3 januari 2018 genomen beslissing tot weigering van het verblijf is verworpen, namelijk het arrest dat wordt bestreden voor het verwijzende rechtscollege (zie o.a. RvSt, 29 juni 2022, nr. 254.153). B.
- Bijgevolg dient de zaak te worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, opdat het beslist of het antwoord op de prejudiciële vraag nog steeds noodzakelijk is om zijn 5 arrest te wijzen en dienen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de door de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voorgestelde prejudiciële vragen niet te worden gesteld. 6 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div