id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.039 Arrest- Rolnummer: 39/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 1118 - laatst gezien 2026-06-18 14:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van artikel 8 van het Vlaamse decreet van 2 juli 2021 « tot wijziging van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 », ingesteld door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen » en anderen, door de vzw « Privacy Salon », door de vzw « Vlaamse Vereniging van Journalisten » en anderen, door Pascal Malumgré en door Stijn Verbist en de bv « Verbist Advocaten ». Bestuursrecht - Vlaamse overheid - Toegang tot bestuursdocumenten - Aanvraag tot openbaarmaking - Nieuwe uitzonderingsgrond - Interne communicatie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 39/2023 van 9 maart 2023 Rolnummers : 7660, 7699, 7722, 7724 en 7725 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 8 van het Vlaamse decreet van 2 juli 2021 « tot wijziging van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 », ingesteld door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen » en anderen, door de vzw « Privacy Salon », door de vzw « Vlaamse Vereniging van Journalisten » en anderen, door Pascal Malumgré en door Stijn Verbist en de bv « Verbist Advocaten ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 oktober 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 oktober 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 8 van het Vlaamse decreet van 2 juli 2021 « tot wijziging van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juli 2021) door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », Denis Malcorps, Jan Creve en Peter Verhaeghe, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 december 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 december 2021, heeft de vzw « Privacy Salon », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Wens, advocaat bij de balie van Antwerpen, en door Mr. P. Vande Casteele, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde decreetsbepaling. c. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 6, 7 en 10 januari 2022 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 7 en 11 januari 2022, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van dezelfde decreetsbepaling respectievelijk door de 2 vzw « Vlaamse Vereniging van Journalisten », de vzw « Journalismfund.eu », de vzw « Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop » en de cvba « Verbruikers Unie Test Aankoop », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verstraeten, advocaat bij de balie te Leuven, door Pascal Malumgré en door Stijn Verbist en de bv « Verbist Advocaten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7660, 7699, 7722, 7724 en 7725 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 23 november 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 7 december 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaken nrs. 7660 en 7699 A.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7660 zijn de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen » en drie natuurlijke personen. De verzoekende partij in de zaak nr. 7699 is de vzw « Privacy Salon ». Zij vorderen allen de vernietiging van artikel 8 van het Vlaamse decreet van 2 juli 2021 « tot wijziging van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 » (hierna : het decreet van 2 juli 2021). A.1.2. De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekende partijen hun belang niet aantonen, waardoor de verzoekschriften als onontvankelijk dienen te worden afgewezen. A.1.3. De verzoekende partijen menen dat noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch artikel 142 van de Grondwet bepalen dat de verzoekende partijen hun belang reeds moeten aantonen in hun verzoekschrift. Bovendien heeft de verwerende partij te dezen een « stelplicht », aangezien excepties, net als middelen, pertinent en zowel feitelijk als juridisch voldoende concreet moeten zijn. Een loutere stijlformule is niet voldoende en kan niet worden gevolgd wanneer het belang van de verzoekende partijen kan worden afgeleid uit het geheel van de verzoekschriften en de Vlaamse Regering niet aantoont dat de verzoekende partijen geen belang zouden hebben. 3 Het volstaat dat zij een eventuele exceptie beantwoorden en hun belang toelichten in hun memorie van antwoord. De beoordeling van de verplichting om blijk te geven van een belang, mag niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze worden toegepast omdat een te hoge drempel voor de toegang tot het Hof afbreuk doet aan en onverzoenbaar is met het effectieve recht op toegang tot het Hof. Toegepast op verzoekschrift in de zaak nr. 7660 menen de verzoekende partijen dat eenieder belang heeft bij de vernietiging van de nieuwe uitzonderingsgrond, aangezien eenieder een grondwettelijk recht op openbaarheid van bestuursdocumenten heeft. Bovendien wordt het recht van de verzoekende partijen om beroep bij de Raad van State of de justitiële gerechten in te stellen illusoir wanneer er geen openbaarheid is. Toegepast op elk van de verzoekende partijen in de onderscheiden verzoekschriften, dient te worden vastgesteld dat de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen » een vijftigjarige procesbekwame vereniging is, die optreedt namens een groep wiens collectieve belangen door de bestreden bepaling worden bedreigd of geschaad en die beschikt over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig haar statuten. De verzoekende partijen Jan Creve en Denis Malcorps, zijn inwoners van Doel en hebben altijd toegang gehad tot alle informatie van de overheid; zonder die informatie kunnen zij zich niet met gehele kennis van zaken wenden tot de rechter. De verzoekende partij Peter Verhaeghe kan met de openbaarheid van bestuur inzicht verkrijgen in het reilen en zeilen van de overheid en ook in haar communicatie. Openbaarheid van bestuur dient de informatievergaring, die op haar beurt alle burgers en de rechtsstaat dient. Toegepast op het verzoekschrift in de zaak nr. 7699 meent de vzw « Privacy Salon » dat haar statutaire activiteit en doelstelling van enerzijds « kritisch informeren en sensibiliseren van zowel het bredere publiek als beleidsmakers en industrie in België » en anderzijds « pers en publieke berichtgeving over privacy gerelateerde zaken, nieuwsgaring, opinievorming en verspreiding van informatie » haar belang verantwoordt. A.2. Als enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11, 13, 19, 23 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het beginsel van de rechtsstaat, met het redelijkheidsbeginsel, met het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus), met de richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 « inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad » (hierna : de richtlijn 2003/4/EG) en met de artikelen 11, 20, 21, 47, 52 en 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het middel wordt opgesplitst in vier onderdelen. A.3.1. Als eerste onderdeel wordt door de verzoekende partijen de schending opgeworpen van de « escapeclausule » van artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat de bestreden uitzonderingsgrond niet valt onder de limitatief bepaalde uitzonderingsgronden van artikel 10, lid 2. De nieuwe uitzondering kan niet worden beschouwd als een krachtens artikel 10, lid 2, aanvaardbare doelstelling, namelijk « om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen », en dit met als enige mogelijke aanneembare verantwoording « het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen ». Bovendien is de invoering van een nieuwe uitzonderingsgrond, mede gelet op de reeds bestaande uitzonderingsgronden, manifest onredelijk, aangezien die nieuwe uitzonderingsgrond de uitholling van de principiële openbaarheid van bestuursdocumenten tot gevolg heeft. Openbaarheid van bestuur en formele motivering dragen bij tot het daadwerkelijk karakter van het recht van toegang tot een rechter, en zonder de openbaarheid is het recht van beroep van de rechtsonderhorigen voor de Raad van State of de justitiële gerechten een illusoir recht. Bovendien is het niet-kennen van de overwogen alternatieven voorafgaand aan een beslissing tevens strijdig met het evenredigheidsbeginsel. A.3.2. De Vlaamse Regering meent dat het Hof in zijn arrest nr. 43/2020 van 12 maart 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.043) duidelijk het verband heeft uiteengezet tussen artikel 32 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarbij het Hof niet heeft geoordeeld dat het grondrecht van artikel 32 van de Grondwet gebonden is door de limitatieve uitzonderingsgronden van artikel 10, lid 2. De bestreden bepaling voorziet slechts in een facultatieve uitzonderingsgrond op het principe van de openbaarheid van bestuursdocumenten; tenzij het belang van de openbaarheid primeert, mogen overheidsinstanties 4 een aanvraag tot openbaarheid van bestuursdocumenten afwijzen als de aanvraag betrekking heeft op interne communicatie. De uitzondering is decretaal vastgelegd en beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving. De maatregel is evenredig met het nagestreefde doel, aangezien er een zeer strikte invulling wordt gegeven aan de term « interne communicatie ». De vaststelling dat de bestreden bepaling een implementatie is van artikel 4, lid 1, e, van de richtlijn 2003/4/EG en van artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus bevestigt het evenredige karakter van de maatregel. Bovendien dient het belang dat ingevolge de uitzonderingsgrond wordt beschermd, steeds in concreto te worden afgewogen tegen het belang van de openbaarmaking van de bestuursdocumenten, waardoor het principe van de openbaarheid van bestuursdocumenten behouden blijft. De loutere omstandigheid dat de decreetgever bij de totstandkoming van het Bestuursdecreet er (nog) niet voor opteerde in een uitzonderingsgrond te voorzien voor interne communicatie, ontneemt de decreetgever niet de mogelijkheid om dit op een later tijdstip alsnog te doen. A.3.3. De verzoekende partijen antwoorden dat, in zoverre het algemeen grondrecht van artikel 32 van de Grondwet samenvalt met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het recht op openbaarheid hooguit kan worden beperkt door de limitatieve uitzonderingsgronden van artikel 10, lid 2. Niet alleen heeft artikel 10 een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 32 van de Grondwet, bovendien primeert artikel 10 als lex superior en lex specialis op artikel 32 van de Grondwet, in zoverre daarin het recht op toegang tot overheidsinformatie wordt erkend. Derhalve is de decretale doelstelling geen doelstelling en geen belang dat is toegelaten met toepassing van artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.4. De Vlaamse Regering benadrukt dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 november 2016 in zake Magyar Helsinki Bizottság t. Hongarije (ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011) duidelijk blijkt dat het Hof van oordeel is dat, in zoverre artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een recht op toegang tot overheidsinformatie bevat, beperkingen op dat recht slechts toegelaten zijn in zoverre dit noodzakelijk is in een democratische rechtsstaat. Rekening houdend met hetgeen in de parlementaire voorbereiding is uiteengezet, moet worden aangenomen dat de bestreden norm in overeenstemming is met artikel 32 van de Grondwet en met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Daarnaast wijst de Vlaamse Regering op artikel II.9 van het Bestuursdecreet, dat expliciet voorziet in een actieve openbaarheidsplicht van de overheid. De nieuwe uitzonderingsgrond uit de bestreden bepaling doet geen afbreuk aan die actieve openbaarheidsplicht voor reglementaire besluiten en voor individuele besluiten blijft de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen » van toepassing. Voor wat het latere tijdstip van de omzetting van de uitzondering betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat in het Vlaamse regeerakkoord het engagement is aangegaan om bij het omzetten van Europese regelgeving geen strengere regels te hanteren dan die welke de regelgeving dwingend oplegt. De essentie van de richtlijn 2003/4/EG is om voor iedereen toegang te verzekeren tot administratieve beslissingen en de eventuele rechtvaardiging daarvan, maar niet tot die documenten die intern uitgewisseld worden tijdens de totstandkoming van de beslissing. Daarom laat de richtlijn 2003/4/EG de lidstaten toe in een uitzondering te voorzien voor interne mededelingen die een administratieve beslissing voorbereiden opdat de administratie de verschillende argumenten voor of tegen een beslissing over een specifiek probleem schriftelijk kan vastleggen, zonder dat die interne beraadslagingen openbaar worden gemaakt. Daarnaast brengt het massale gebruik van nieuwe communicatiemiddelen binnen de overheid met zich mee dat interne gedachtewisselingen thans veel meer op drager beschikbaar zijn. De noodzaak om die documenten af te schermen van de openbaarheid wordt groter, omdat het niet wenselijk is dat telkens verantwoording moet worden afgelegd over documenten die louter voor interne communicatie bedoeld zijn of dat die documenten worden geïnterpreteerd in een andere context dan die waarin ze tot stand kwamen, of dat er een openbaar debat wordt opgestart nog vóór er een aanzet tot beslissing van een overheidsinstantie is. Door die evolutie heeft de decreetgever het aldus noodzakelijk geacht de bestreden uitzondering alsnog in te voeren. A.4.1. Als tweede onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de nieuwe uitzonderingsgrond niet temporeel wordt beperkt. Volgens hen is het onredelijk dat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt naar gelang van het ogenblik waarop de interne communicatie wordt opgevraagd, zijnde, enerzijds, het ogenblik voordat de beslissing is genomen waarop de interne communicatie betrekking heeft, dan wel, anderzijds, het ogenblik nadat de desbetreffende beslissing is genomen. Zodra de overheid van gedachten heeft gewisseld over een bepaald dossier, beleidsproces, advies of ontwerpregelgeving en de beslissing is 5 genomen, is er geen geldige reden meer om na het nemen van de beslissing, de « interne communicatie » aan de openbaarheid te onttrekken. Het doel van de decreetgever, namelijk « het niet ernstig ondermijnen van het besluitvormingsproces » komt immers niet meer in het gedrang nadat de beslissing is genomen. Bovendien wordt de bestreden bepaling tevens niet beperkt door de temporele voorschriften van artikel II.37 van het Bestuursdecreet, waardoor de nieuwe uitzonderingsgrond door het tijdsverloop niet onwerkzaam wordt gemaakt. A.4.2. De Vlaamse Regering merkt op dat de decreetgever, met de invoering van de bestreden bepaling, het besluitvormingsproces in zijn geheel heeft willen vrijwaren. Niet alleen vooraleer de beslissing is genomen, maar ook daarna moeten de personeelsleden van de overheid erop kunnen vertrouwen dat zij hun standpunten, ideeën en opvattingen vrijelijk kunnen uitwisselen onder elkaar, zonder dat de schriftelijke neerslag daarvan op verzoek openbaar wordt gemaakt. De parlementaire voorbereiding bevestigt voormelde stelling, waardoor er nog steeds een dwingende maatschappelijke behoefte aanwezig kan zijn die zal vereisen dat interne communicatie na het nemen van de beslissing niet openbaar wordt gemaakt. Bovendien moet het belang dat ingevolge de uitzonderingsgrond wordt beschermd, steeds in concreto worden afgewogen tegenover het belang van de openbaarmaking van bestuursdocumenten. Daardoor is een koppeling aan de voorschriften van artikel II.37 van het Bestuursdecreet niet noodzakelijk, want wanneer het belang van de openbaarmaking primeert boven het belang van de bescherming van de interne communicatie, zal de interne communicatie moeten worden vrijgegeven. A.4.3. De vaststelling dat de beoordeling van de uitzonderingsgrond steeds in concreto dient te gebeuren is, volgens de verzoekende partijen, niet relevant om het gebrek aan temporele beperking te verantwoorden. Artikel II.37 van het Bestuursdecreet waarborgt een subjectief recht op openbaarheid na verloop van tijd zonder dat een concrete beoordeling wordt vereist. Die waarborg geldt derhalve niet voor de bijzondere clausule « interne communicatie ». A.4.4. De Vlaamse Regering herhaalt dat er een dwingende maatschappelijke behoefte kan zijn die vereist dat interne communicatie na het nemen van de beslissing niet openbaar wordt gemaakt. « Een zekere mate van ‘ beleidsintimiteit ’ en vertrouwelijkheid is noodzakelijk om te komen tot een effectieve besluitvorming ». Volgens de Vlaamse Regering maken de verzoekende partijen het in hun memorie van antwoord geenszins aannemelijk waarom de niet-toepasselijkheid van artikel II.37 van het Bestuursdecreet in strijd zou zijn met een grondwettelijke norm. A.5.1. Het derde onderdeel van het enige middel vloeit, volgens de verzoekende partijen, voort uit de schending van de standstill van artikel 23 van de Grondwet en van artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Aarhus. De nieuwe uitzonderingsgrond is aangenomen ondanks de reeds bestaande relatieve en absolute uitzonderingsgronden en ondanks het bezwaar van « overlappingen » aangehaald in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. De bestreden bepaling bouwt op onaanvaardbare wijze het niveau van de rechtsbescherming af. De geoorloofdheid van het terugschroeven van de openbaarheid van bestuur moet worden getoetst aan het standstill-beginsel. Volgens de verzoekende partijen laten, noch artikel 23 van de Grondwet, noch de artikelen 3, lid 1, 4, lid 3, en 9 van het Verdrag van Aarhus de nieuwe uitzonderingsgrond toe, omdat artikel II.33, 3°, van het Bestuursdecreet het grondwettelijk en verdragsrechtelijk standstill-beginsel schendt. Voor die vermindering van rechtsbescherming en openbaarheid en toegang tot de rechter bestaat geen aanneembare verantwoording. De nieuwe uitzondering is geen « noodzakelijke maatregel » om de uitvoering van het Verdrag van Aarhus te bewerkstelligen. A.5.2. De Vlaamse Regering meent dat artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Aarhus geen duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting bevat voor de verdragspartijen, zodat daaruit geen standstill kan worden afgeleid. Vervolgens merkt de Vlaamse Regering op dat overheidsinstanties zich slechts onder strikte voorwaarden kunnen beroepen op de uitzonderingsgrond van de bestreden bepaling, die op zijn beurt beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is aan het nagestreefde wettelijke doel. Daarenboven dient het belang van de uitzonderingsgrond steeds in concreto te worden afgewogen tegen het belang van de 6 openbaarmaking van de bestuursdocumenten. Derhalve brengt de bestreden bepaling geen aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van de burgers met zich mee. Tevens is de bestreden bepaling een rechtstreekse implementatie in intern recht van artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG en van artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus. De verzoekende partijen zijn, volgens de Vlaamse Regering, niet ernstig waar zij menen dat de decreetgever artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus niet mocht implementeren in het intern recht, aangezien een verdrag in zijn geheel moet worden gelezen en artikel 4, lid 3, c), evenzeer deel uitmaakt van het Verdrag als artikel 3, lid 1. A.5.3. De verzoekende partijen herhalen dat artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Aarhus een standstill-bepaling invoert, omdat het aan de lidstaten een onthoudingsplicht oplegt. Maatregelen die de rechtsbescherming afbouwen, zijn geen « noodzakelijke maatregelen » om de uitvoering van het Verdrag te bewerkstelligen en dragen niet bij tot « het instellen en in standhouden van een duidelijk, transparant en samenhangend kader voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag ». Wat betreft de mogelijke toepassing van de formele motiveringsplicht, merken de verzoekende partijen op dat die motiveringsplicht niet geldt voor reglementaire beslissingen, waardoor, in elk geval, ten aanzien van die beslissingen, een aanzienlijke achteruitgang inzake de bescherming aanwezig is. Daarnaast stellen de verzoekende partijen vast dat de openbaarheidsregeling van artikel 4 van de richtlijn 2003/4/EG en van artikel 4 van het Verdrag van Aarhus in overeenstemming moet zijn met artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hetgeen niet het geval is. A.5.4. De Vlaamse Regering herhaalt dat overheidsinstanties zich slechts onder strikte voorwaarden kunnen beroepen op de uitzonderingsgrond van de bestreden bepaling. De uitzondering beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en is evenredig aan het nagestreefde doel. Daarenboven dient het belang van de uitzonderingsgrond steeds in concreto te worden afgewogen tegen het belang van de openbaarmaking. Aldus kan er geen sprake zijn van een achteruitgang van het beschermingsniveau. A.6.1. Als laatste onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG de artikelen 11, 20, 21, 47, 52 en 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schendt, zodat een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.6.2. De Vlaamse Regering werpt op dat, gelet op hetgeen zij heeft uiteengezet aangaande de eerste drie middelonderdelen, het stellen van de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie niet nuttig is. A.6.3. De verzoekende partijen menen dat het betoog van de Vlaamse Regering niet relevant en niet gegrond is. Zomaar uitsluitend verwijzen naar « de uiteenzetting onder de eerste middelonderdelen » is immers geen geldige verantwoording voor de dilatoire stelling dat het « stellen van de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet nuttig is ». A.6.4. De Vlaamse Regering stelt vast dat de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie enkel betrekking heeft op de richtlijn 2003/4/EG. Echter, de bestreden norm vormt niet enkel een omzetting in het intern recht van artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG, maar ook van artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus, waardoor de prejudiciële vraag niet dienend is voor de behandeling van het vernietigingsberoep. Zaak nr. 7722 A.7. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7722 zijn de vzw « Vlaamse Vereniging van Journalisten », de vzw « Journalismfund.eu », de vzw « Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop » en de cvba « Verbruikers Unie Test Aankoop ». Zij vorderen de vernietiging van artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021 en tonen daartoe hun belang aan. 7 A.8. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7722 voeren als enig middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 32 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het enige middel wordt opgesplitst in twee onderdelen. A.9.1. Als eerste onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 32 van de Grondwet, doordat de nieuwe uitzonderingsbepaling niet redelijk verantwoord is en onevenredige gevolgen met zich meebrengt. De decreetswijziging heeft invloed op het recht van de burger, de journalisten en de consumentenorganisaties om bestuursdocumenten te raadplegen. Allereerst is de regeling niet redelijk verantwoord omdat het belang dat de decreetgever met die uitzondering beoogt te beschermen, reeds voldoende wordt gewaarborgd door de bestaande uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten. De beraadslagingen van de organen van de Vlaamse overheid, lokale overheden, instellingen met een publieke taak en milieu-instanties zijn geheim. Ook is reeds in een uitzondering op de openbaarheid voorzien voor handelingen van een overheidsinstantie als de vertrouwelijkheid daarvan noodzakelijk is voor de politieke besluitvorming. Ten slotte kan een aanvraag tot openbaarmaking ook worden afgewezen wanneer die aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die « niet volledig af zijn ». Daarnaast brengt de bestreden regeling onevenredige gevolgen met zich mee. De decreetgever gaat veel verder dan wat door de richtlijn 2003/4/EG en het Verdrag van Aarhus wordt gevraagd. De voormelde richtlijn en het Verdrag hebben immers enkel betrekking op milieu-informatie, terwijl de bestreden regeling ook van toepassing is op andere informatie. Bovendien zorgt het facultatieve karakter van de uitzondering voor een grotere rechtsonzekerheid, meer ruimte voor willekeur en een onevenredige inperking van het grondrecht op openbaarheid van bestuursdocumenten. Het blijft onduidelijk wanneer men kan stellen dat de openbaarmaking van « interne communicatie » het besluitvormingsproces ernstig kan ondermijnen, tenzij een hoger openbaar belang de openbaarmaking gebiedt. A.9.2. De Vlaamse Regering meent dat het Hof in zijn voormelde arrest nr. 43/2020 van 12 maart 2020 duidelijk het verband tussen artikel 32 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft uiteengezet. De bestreden bepaling voorziet in een facultatieve uitzonderingsgrond op het principe van de openbaarheid van bestuursdocumenten; tenzij het belang van de openbaarheid primeert, mogen overheidsinstanties een aanvraag tot openbaarheid van bestuursdocumenten afwijzen als de aanvraag betrekking heeft op « interne communicatie ». De uitzondering is decretaal vastgelegd en beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving. De maatregel is evenredig met het nagestreefde doel, aangezien er een zeer strikte invulling wordt gegeven aan de term « interne communicatie ». De draagwijdte van het begrip « interne communicatie » dient te worden geïnterpreteerd rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De vaststelling dat de bestreden bepaling een implementatie is van artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG en van artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus bevestigt het evenredige karakter van de maatregel. De opmerking van de verzoekende partijen dat de richtlijn 2003/4/EG en het Verdrag van Aarhus enkel betrekking zouden hebben op milieu-informatie verandert hieraan niets. Het Verdrag van Aarhus is erop gericht de toegang tot milieu-informatie zo ruim mogelijk te maken; uitzonderingen op het principiële recht op toegang tot milieu-informatie dienen beperkt gehouden te worden. Het is derhalve, volgens de Vlaamse Regering, niet onredelijk dat een uitzonderingsgrond, die haar oorsprong vindt in het strengere internationale en supranationale kader van toegang tot milieu-informatie, middels artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021, op algemene wijze wordt ingevoerd. Tot slot dient het belang dat ingevolge de uitzonderingsgrond wordt beschermd, steeds in concreto te worden afgewogen tegenover het belang van de openbaarmaking van de bestuursdocumenten, waardoor het principe van de openbaarheid van bestuursdocumenten behouden blijft. In geval van afwijzing van een informatieverzoek door een overheid op basis van artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021, kan de rechtsonderhorige administratief beroep instellen bij de beroepsinstantie (artikelen II.48 en volgende van het Bestuursdecreet) en in voorkomend geval tegen die beslissing van de beroepsinstantie jurisdictioneel beroep instellen bij de Raad van State. Er wordt de rechtsonderhorige de nodige rechtsbescherming tegen willekeur en rechtsonzekerheid geboden. A.9.3. De verzoekende partijen herhalen dat zij menen dat de bestreden regeling niet redelijk verantwoord is en dat zij onevenredige gevolgen met zich meebrengt. De dwingende maatschappelijke behoefte die er volgens 8 de Vlaamse Regering in bestaat de interne beraadslaging te beschermen, wordt niet bewezen en zelfs amper toegelicht door de decreetgever. Het blijft, volgens de verzoekende partijen, onduidelijk waarom de maatschappij nood heeft aan het beschermen van de interne beraadslagingen en raadplegingen, waarom die nood er voordien niet was en hoe die bescherming op enige effectieve wijze bijdraagt tot de doeltreffendheid van de besluitvorming. De verzoekende partijen wijzen er tevens op dat de belangenafweging in concreto geen bescherming kan vormen tegen willekeur. Het gevaar voor willekeur komt net voort uit de onzekere toepassing van de bestreden norm en de grote mate waarin de overheid bij het toepassen van de norm de keuze krijgt om nog op het moment zelf te beslissen wanneer zij van toepassing is. Bovendien hanteert, volgens de verzoekende partijen, het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds een zeer ruime invulling van de begrippen « mededeling » en « intern », waarbij de afbakening zeer onduidelijk en onnauwkeurig is. A.9.4. De Vlaamse Regering meent dat de vrees voor willekeur ongegrond is daar, in geval van afwijzing van een informatieverzoek door een overheid, de rechtsonderhorige een georganiseerd administratief beroep kan instellen bij de beroepsinstantie (artikelen II.48 en volgende van het Bestuursdecreet) en in voorkomend geval tegen die beslissing. De noodzakelijkheid en evenredigheid van de bestreden bepaling staat derhalve buiten discussie. A.10.1. Het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7722 vloeit voort uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er bestaat een verschil in behandeling tussen personen die een document opvragen dat geen interne communicatie is, waarbij die categorie steeds zal kunnen rekenen op de openbaarmaking van het document, en de personen die een document opvragen dat wel interne communicatie is, waarbij die categorie enkel op de openbaarmaking kan rekenen wanneer het openbaar belang primeert maar niet het belang van het beschermen van de interne besluitvorming. Het verschil in behandeling kan niet op redelijke wijze worden verantwoord, omdat in artikel II.33 van het Bestuursdecreet reeds twee andere uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn ingeschreven. Die bestaande uitzonderingen zijn voldoende om het belang dat de decreetgever wenst te beschermen, voldoende te dekken. Bovendien is de individuele mening van een overheidsmedewerker die in voorkomend geval doorslaggevend kan zijn voor de besluitvorming, een inherent element van interne besluitvorming, dat geen extra bescherming behoeft. Daarnaast bestaat geen dwingende maatschappelijke behoefte die de beperking van het recht op openbaarmaking rechtvaardigt, zodat er tevens sprake is van een schending van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.10.2. De Vlaamse Regering merkt allereerst op dat er geen vergelijkbare categorieën van personen zijn. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen gewone bestuursdocumenten en « interne communicatie », zodat een gelijke behandeling niet nodig is. Voor zover de te vergelijken categorieën van personen toch vergelijkbaar zouden zijn, meent de Vlaamse Regering dat het verschil in behandeling in redelijkheid te verantwoorden is. Het bestreden artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021 streeft een legitiem doel na en heeft een noodzakelijk karakter. Daarnaast is de maatregel proportioneel met het nagestreefde doel en is de maatregel een implementatie van artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG en van artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van Aarhus. Tevens is de uitzonderingsgrond niet absoluut want er moet steeds in concreto worden beoordeeld of het belang dat wordt beschermd door artikel 8, opweegt tegen het belang van de openbaarmaking van de bestuursdocumenten. Voor wat de schending van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, volstaat het te verwijzen naar het voormelde arrest nr. 43/2020 van 12 maart 2020, waarin het Hof heeft verduidelijkt dat, in zoverre artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op toegang tot overheidsinformatie erkent, dat artikel een draagwijdte heeft die analoog is aan die van artikel 32 van de Grondwet, zodat dit niet nader dient te worden onderzocht. A.10.3. De verzoekende partijen menen dat besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid vanwege het feit dat « interne communicatie » geen bestuursdocumenten zouden zijn, de deur zou openzetten naar misbruiken. Beide categorieën van documenten dragen immers bij tot de besluitvorming en kunnen valabel zijn naar transparantie toe. Er wordt bovendien geen volstrekt zelfde identiteit vereist voor de vergelijkbaarheid; een bepaalde mate van analogie is voldoende. 9 Voor het overige wordt herhaald wat ten aanzien van het eerste middelonderdeel werd opgemerkt. A.10.4. De Vlaamse Regering meent dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord geen nieuwe elementen aanbrengen. Zaken nrs. 7724 en 7725 A.11.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7724 is een natuurlijke persoon en de verzoekende partijen in de zaak nr. 7725 zijn een natuurlijke persoon en de rechtspersoon bv « Verbist Advocaten ». Zij vorderen allen de vernietiging van artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021. A.11.2. De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7724 en 7725 hun belang niet aantonen, waardoor die verzoekschriften als onontvankelijk dienen te worden afgewezen. A.11.3. De verzoekende partijen menen dat noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch artikel 142 van de Grondwet bepalen dat de partijen hun belang reeds moeten omschrijven in hun verzoekschrift. Het volstaat dat de verzoekende partijen een eventuele exceptie beantwoorden en hun belang toelichten in hun memorie van antwoord. Toegepast op hun verzoekschrift, menen de verzoekende partijen dat eenieder belang heeft bij de vernietiging van de nieuwe uitzonderingsgrond, aangezien eenieder een grondwettelijk recht op openbaarheid van bestuursdocumenten heeft. Toegepast op elk van de verzoekende partijen, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet alleen burgers zijn, maar ook advocaten. Als advocaat hebben zij er belang bij hun cliënten in de beste omstandigheden te kunnen bijstaan, vertegenwoordigen en verdedigen. De bijkomende uitzondering op de openbaarheid van bestuursdocumenten bemoeilijkt de uitoefening van hun beroep omdat zij niet meer met gehele kennis van zaken hun cliënten afdoende kunnen adviseren en bijstaan, inzonderheid ook niet in procedures waarin de cliënten bestuurlijk of disciplinair worden vervolgd. A.12.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10, 11, 13 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van het recht van verdediging en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ter ondersteuning van hun middel verwijzen de verzoekende partijen naar de beslissing van de Beroepsinstantie nr. OVB/2021/400 van 24 november 2021. Zij stellen vast dat de nieuwe decretale uitzonderingsgrond van interne communicatie primeert op het belang van de persoon die zich beroept op zijn recht van verdediging, aangezien het recht van verdediging slechts een privaat en geen openbaar belang dient. A.12.2. De Vlaamse Regering is allereerst van oordeel dat het middel onontvankelijk is. Het Hof wordt immers ondervraagd over de wettigheid van het besluit nr. OVB/2021/400, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De Vlaamse Regering wijst erop dat voormeld besluit het voorwerp uitmaakt van een vernietigingsberoep bij de Raad van State (G/A 235.135/X – 18039). Ten gronde meent de Vlaamse Regering dat het belang steeds in concreto moet worden beoordeeld. Er zal steeds een afweging moeten gebeuren ten aanzien van het openbaar belang dat kan gediend zijn met de openbaarmaking van de gevraagde bestuursdocumenten. Daarnaast merkt de Vlaamse Regering op dat zij niet inziet waarom artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021 in strijd zou zijn met het recht op toegang tot de rechter en de rechten van verdediging. Het niet openbaar maken van interne communicatie doet geen afbreuk aan de op de overheid rustende plicht tot formele motivering van individuele bestuurshandelingen. Het is de motivering van bestuurshandelingen, en niet de « interne communicatie » die voorafgaat aan de handeling, die de rechtsonderhorige in staat moet stellen om te oordelen of er aanleiding bestaat om beroep in te stellen tegen die beslissing. De toepassing van de bestreden bepaling beperkt het recht op toegang tot de rechter dan ook niet. A.12.3. Voor wat de onontvankelijkheid betreft, merken de verzoekende partijen op dat zij de vernietiging vorderen van artikel 8 van het decreet van 2 juli 2021 en dat het besluit nr. OVB/2021/400 enkel wordt aangehaald om de draagwijdte van de uitzonderingsclausule te illustreren. 10 Ten gronde menen de verzoekende partijen dat er geen belangenafweging plaatsvindt omdat de overheid steevast beslist dat « er in casu geen openbaar belang, zoals geduid in de parlementaire voorbereiding, gemoeid is met de openbaarmaking van de betrokken documenten ». A.12.4. Volgens de Vlaamse Regering zal een primerend belang altijd een openbaar belang zijn en niet een privaat belang van de aanvrager. Er zal dus steeds een afweging moeten gebeuren ten aanzien van het openbaar belang dat gediend kan zijn met de openbaarmaking van de gevraagde documenten. Daarnaast meent de Vlaamse Regering dat de verwijzing naar het besluit nr. OVB/2021/400 niet dienstig is, aangezien dit een louter toepassingsbesluit is dat niet tot de toetsingsbevoegdheid van het Hof behoort. -B- B.1. De verzoekende partijen vorderen allen de vernietiging van artikel 8 van het Vlaamse decreet van 2 juli 2021 « tot wijziging van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 » (hierna : het decreet van 2 juli 2021). Het bestreden artikel 8 voegt aan artikel II.33 van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna : het Bestuursdecreet) een 3° toe, dat als volgt luidt : « 3° als de aanvraag betrekking heeft op interne communicatie ». Bijgevolg bepaalt artikel II.33 van het Bestuursdecreet : « Tenzij het belang van de openbaarheid primeert, mogen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag afwijzen : 1° als de aanvraag kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42; 2° als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die niet af of onvolledig zijn; 3° als de aanvraag betrekking heeft op interne communicatie ». B.2.1. In artikel II.33 van het Bestuursdecreet wordt aldus een nieuwe uitzonderingsgrond op het recht op toegang tot bestuursdocumenten toegevoegd wanneer de aanvraag tot openbaarheid van bestuursdocumenten betrekking heeft op « interne communicatie ». Die uitzondering is, volgens de parlementaire voorbereiding, een implementatie van artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 28 januari 2003 « inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad » (hierna : de richtlijn 2003/4/EG) en van artikel 4, lid 3, c), van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus) (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 780/1, p. 90). Artikel 4, lid 1, e), van de richtlijn 2003/4/EG luidt : « 1. De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien : […]
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.