id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.040 Arrest- Rolnummer: 40/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 1081 - laatst gezien 2026-06-19 00:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017, gesteld door de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Verbod om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon die failliet kan worden verklaard te verbinden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 40/2023 van 9 maart 2023 Rolnummer : 7728 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017, gesteld door de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 december 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 januari 2022, heeft de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de ondernemingsrechtbank een verbod kan uitspreken, ten laste van de erin beoogde personen, om enige functie uit te oefenen die het mogelijk maakt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden, terwijl het verbod om rechtsgeldig te verbinden dat door de correctionele rechtbank kan worden uitgesproken op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, enkel betrekking heeft op de erin beoogde rechtspersonen, met uitsluiting van de vereniging zonder winstoogmerk, de Europese economische groepering en de gewone commanditaire vennootschap ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem en Mr. J. Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 21 december 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 januari 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 januari 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Na het faillissement van een onderneming te hebben uitgesproken, wordt bij de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel door de procureur des Konings een vordering aanhangig gemaakt op grond van artikel XX.229, §§ 1 en 4, van het Wetboek van economisch recht, die ertoe strekt aan de zaakvoerder van die onderneming een verbod op te leggen om persoonlijk of via een tussenpersoon een onderneming uit te baten, voor een periode van tien jaar. De procureur des Konings vermeldt verschillende elementen die volgens hem kennelijke grove fouten zijn die hebben bijgedragen tot het faillissement, en leidt eruit af dat de betrokkene niet over de vereiste competenties lijkt te beschikken voor het uitbaten van een onderneming. Op verzoek van de verweerder stelt de Rechtbank het Hof de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad doet gelden dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon die worden beoogd in artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht en, anderzijds, de personen die veroordeeld zijn als dader van of medeplichtige aan verschillende strafbare feiten opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen » (hierna : het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934) op een objectieve verantwoording berust en niet onevenredig is. A.2. Hij herinnert eraan dat, vóór de invoeging van boek XX in het Wetboek van economisch recht, artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 de faillissementsrechter de mogelijkheid bood om een beroepsverbod uit te spreken ten aanzien van de gefailleerde of de leider van de failliet verklaarde rechtspersoon, teneinde derden te beschermen tegen de onbekwaamheid van de persoon aan wie dat verbod is opgelegd, onbekwaamheid die is aangetoond door een kennelijke grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement. Hij geeft aan dat, vanaf het begin, het toepassingsgebied van het beroepsverbod samenviel met die van het faillissementsrecht en zich bijgevolg beperkte tot de handelsvennootschappen, die als enige vennootschappen failliet konden worden verklaard, hetgeen beantwoordt dat het verbod kon worden uitgesproken voor de bestuurders en zaakvoerders van die vennootschappen, en niet voor de bestuurders van een vzw of van groeperingen met economische belangen. Hij voegt eraan toe dat, bij de invoeging van boek XX in het Wetboek van economisch recht bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht », artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 werd opgeheven om plaats te ruimen voor artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht, dat niet langer verwijst naar « de in staat 3 van faillissement verklaarde handelsvennootschap », maar wel naar elke « rechtspersoon ». Hij geeft aan dat die verandering kan worden verklaard door de hervorming van het insolventierecht die werd doorgevoerd door de invoeging van boek XX in het Wetboek van economisch recht, dat het toepassingsgebied ervan uitbreidt tot elke « onderneming », met inbegrip van de vzw’s en de stichtingen. Hij besluit eruit dat, aangezien de burgerrechtelijke sanctie voortvloeit uit de vaststelling dat de zaakvoerder of bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon wegens een fout heeft bijgedragen tot het faillissement, het toepassingsgebied ervan logischerwijs samenvalt met dat van het insolventierecht. A.3. Hij doet gelden dat de ratio legis van het strafrechtelijke verbod, dat beperkt is tot bepaalde rechtspersonen, overigens losstaat van het begrip « faillissement » omdat die moet worden gezien in de context van de economische crisis van de jaren dertig en beantwoordt aan de noodzaak om het vertrouwen van de spaarders, aandeelhouders van de handelsvennootschappen en van de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben, te versterken, door te verbieden dat het bestuur, het toezicht of het beheer van die vennootschappen wordt toevertrouwd aan onwaardige of klaarblijkelijk onbetrouwbare personen. Hij wijst erop dat het strafrechtelijke beroepsverbod beperkt is tot de vennootschappen die gelinkt zijn aan bepaalde misdrijven. Hij geeft aan dat dit oorspronkelijke doel werd uitgebreid via de wet van 4 augustus 1978 tot « economische heroriëntering » die artikel 3bis heeft ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, artikel 3bis dat vervolgens werd vervangen bij het in het geding zijnde artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht. A.4. De Ministerraad besluit eruit dat het doel van de burgerrechtelijke sanctie en dat van de strafrechtelijke sanctie fundamenteel verschillen, doordat de eerstgenoemde sanctie de leider of de bestuurder beoogt wiens onbekwaamheid ertoe heeft bijgedragen dat de rechtspersoon die hij leidde of bestuurde failliet is verklaard, terwijl de laatstgenoemde sanctie betrekking heeft op de persoon die in hoofdzaak is veroordeeld wegens het plegen van bepaalde misdrijven. Hij leidt eruit af dat het logisch is dat de strafrechtelijke sanctie beperkt is tot bepaalde vennootschappen waarin die misdrijven zouden kunnen worden gepleegd en dat de burgerrechtelijke sanctie betrekking heeft op alle rechtspersonen die sinds de invoeging van boek XX in het Wetboek van economisch recht onderworpen zijn aan het insolventierecht. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 144/2007 van 22 november 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.144), dat volgens hem dat besluit bevestigt. -B- B.1.1. Artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « § 1. De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. § 2. Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.18 na te leven, kan de insolventierechtbank te Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 59 van het Wetboek van vennootschappen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen. 4 De rechtbank spreekt zich uit over het verbod na dagvaarding bepaald in artikel XX.230 dan wel ambtshalve en met inachtname van artikel XX.231 bij de sluiting van het faillissement. § 3. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. § 4. Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden. […] ». De prejudiciële vraag heeft betrekking op de vierde paragraaf van die bepaling. Het Hof stelt vast dat de Franse versie van die paragraaf verschilt van de Nederlandse versie. De Franse versie van de paragraaf bepaalt namelijk dat het verbod van toepassing is op « telles personnes morales », terwijl de Nederlandse versie bepaalt dat het verbod kan worden opgelegd ten aanzien van de bevoegdheid om « een rechtspersoon » te verbinden. Het Franse woord « telles » heeft geen equivalent in de Nederlandse tekst. Gelet op de plaats van die bepaling in boek XX van het Wetboek, dat is gewijd aan de « insolventie van ondernemingen », en op de tekst van de Franse versie, dient ervan te worden aangenomen dat, met de term « rechtspersoon », de wetgever uitsluitend een rechtspersoon wilde beogen die failliet kan worden verklaard. B.1.2. Het Hof wordt verzocht paragraaf 4 van die bepaling te vergelijken met artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen », dat bepaalt : « Onverminderd bijzondere verbodsbepalingen kan de rechter die, hetzij in België, hetzij in de gebieden die onder Belgisch gezag of bestuur hebben gestaan, een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader van of medeplichtige aan een van de volgende strafbare feiten of poging daartoe : 5
- a)valse munt;
- b)namaking of vervalsing van openbare effecten, aandelen, obligaties, rentebewijzen en bankbiljetten uitgegeven door de Schatkist, of bankbiljetten waarvan de uitgifte toegestaan is door of krachtens een wet;
- c)namaking of vervalsing van zegels, stempels, keurstempels en -merken;
- d)valsheid en gebruik van valsheid in geschriften;
- e)omkoping van openbare ambtenaren of knevelarij;
- f)diefstal, afpersing, verduistering of misbruik van vertrouwen, (oplichting, heling of andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voorkomen) (private omkoping);
- g)een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis) van het Strafwetboek, fictief in omloop brengen van handelseffecten of overtreding van de bepalingen betreffende fondsbezorging van cheques of andere titels tot een contante betaling of betaling op zicht op beschikbare gelden;
- h)overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 40, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
- i)overtreding van de strafbepalingen die zijn vastgesteld in hoofdstuk XXIV van de algemene wet inzake douane en accijnzen, hoofdstuk XII van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 133 tot 133octies van het Wetboek der successierechten, de artikelen 66 tot 67octies van het Wetboek van zegelrechten, de artikelen 207 tot 207octies van het Wetboek van met het zegel gelijkgestelde taksen, de artikelen 449 tot 453 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 2, derde lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de artikelen 73 tot 73octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 395 tot 398 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur,
- j)inbreuken op de artikelen 324bis en 324ter van het Strafwetboek; zijn veroordeling doen gepaard gaan met het verbod om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198, § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent- effectenmakelaar uit te oefenen. De rechter stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen ». 6 B.2. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling tussen een persoon ten aanzien van wie de insolventierechtbank een verbod heeft uitgesproken met toepassing van artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht, en een persoon ten aanzien van wie een strafgerecht een verbod heeft uitgesproken met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934. Terwijl het verbod dat wordt uitgesproken op grond van de in het geding zijnde bepaling betrekking heeft op enige taak die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon die failliet kan worden verklaard rechtsgeldig te verbinden, betreft het verbod dat wordt uitgesproken op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 enkel de uitoefening van de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of in een coöperatieve vennootschap. Dat verschil in behandeling berust op het criterium van de kwalificatie van de feiten die ten grondslag liggen aan het uitgesproken verbod. In het eerste geval gaat het om een kennelijke grove burgerrechtelijke fout, die niet verbonden is aan een strafrechtelijke incriminatie en die heeft bijgedragen tot het faillissement van een rechtspersoon, terwijl in het tweede geval het gaat om de veroordeling, als dader van of medeplichtige aan een van de strafbare feiten of poging daartoe opgesomd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934. Een dergelijk criterium is objectief. B.3.1. Artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht vindt zijn oorsprong in het vroegere artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, dat de rechtbank van koophandel die een faillissement had uitgesproken de mogelijkheid bood een gefailleerde te verbieden om « enige taak van beheerder, zaakvoerder of commissaris uit te oefenen in een handelsvennootschap of een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen ». Toen boek XX dat aan de insolventie van ondernemingen is gewijd in het Wetboek van economisch recht werd ingevoegd, bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht », « [werden] de bepalingen die verband hielden met de insolvabiliteit […] uit het KB gelicht en in dit boek opnieuw ingevoerd, zij het met een licht gewijzigde vorm » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 105). 7 B.3.2. Artikel 3bis werd ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 bij artikel 87 van de wet van 4 augustus 1978 « tot economische heroriëntering ». De memorie van toelichting bij die bepaling geeft aan : « [Men] wil uit het handelscircuit bannen, iedere beheerder, zaakvoerder of andere persoon die werkelijk deze bevoegdheid hebben gehad, wiens kennelijke grove fout heeft bijgedragen tot de faling van hun vennootschap » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415/1, p. 46). Uit diezelfde memorie van toelichting blijkt dat de wetgever de bedoeling had de handelwijzen te ontraden van bepaalde bedrijfsleiders die hun vennootschappen « failliet laten gaan zonder enig schadelijk gevolg, noch voor hun persoonlijk patrimonium, noch voor de mogelijkheid om met hun ongeoorloofde handel te herbeginnen onder een andere dekmantel » (ibid., p. 47). B.3.3. Artikel I.22, 8°, van het Wetboek van economisch recht, dat van toepassing is op boek XX van hetzelfde Wetboek betreffende insolventie, neemt in de definitie van het begrip « schuldenaar » de ondernemingen op, met uitzondering van iedere publiekrechtelijke rechtspersoon. Overeenkomstig artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht wordt de onderneming gekwalificeerd : iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, iedere rechtspersoon en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, met uitsluiting van de organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk hebben en die ook in feite geen uitkeringen verrichten aan hun leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op hun beleid, de publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten aanbieden op een markt en de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. B.3.4. Die definitie van het begrip « schuldenaar » weerspiegelt de wil van de wetgever om een ruime toepassing van de insolventiewetgeving toe te laten. In de toelichting bij de bepaling die deze definitie in het Wetboek van economisch recht invoegt, wordt aangegeven : 8 « Dit artikel omschrijft het toepassingsgebied van het boek[ XX]. Het boek is toepasselijk op ondernemingen overgenomen in dit artikel. Dit toepassingsgebied laat toe de insolventiewetgeving zeer ruim toe te passen. Dit is wenselijk gelet op de complexiteit van een vereffening en de noodzaak van een deskundige aanpak. De overname van het algemeen begrip onderneming in boek XX impliceert een verruiming van het toepassingsgebied van de insolventieregeling. Deze is niet meer gericht op ‘ kooplieden ’ en ‘ handelsvennootschappen ’, maar strekt ertoe alle mogelijke vormen van organisaties te omvatten, zodat zij én kunnen genieten van de mogelijkheden van een reorganisatie én onderworpen kunnen worden aan een faillissementsprocedure die leidt tot vereffening. De vraag rees naar de toepassing van de wet op de verenigingen. Verenigingen zijn ondernemingen in de zin van het WER. Het lijkt overigens bijzonder wenselijk, gelet op de ervaring van de rechtbanken van koophandel in het vereffenen van rechtspersonen, om de insolventieproblemen van verenigingen toe te vertrouwen aan deze rechtbanken » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, pp. 24-25). B.4. Aangezien de wetgever, met het verbod waarin eerst artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 en vervolgens artikel XX.229 van het Wetboek van economisch recht voorzag, wilde vermijden dat een persoon die door een kennelijke grove fout te hebben begaan reeds heeft bijgedragen tot het faillissement van een rechtspersoon, hetzelfde gedrag handhaaft en bijdraagt tot het faillissement van een andere rechtspersoon, is het verantwoord dat hij het toepassingsgebied van het in het geding zijnde verbod op dezelfde manier heeft verruimd als die waarop hij overigens het toepassingsgebied van de rechtspersonen die failliet kunnen worden verklaard verruimde. B.5.1. Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 werd daarentegen niet uit dat koninklijk besluit gehaald om te worden opgenomen in boek XX van het Wetboek van economisch recht, aangezien het niet om een bepaling betreffende insolventie gaat. B.5.2. In het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 voorafgaat, is de doelstelling van het besluit als volgt omschreven : « Om het vertrouwen in bedoelde instellingen [- bedoeld zijn de vennootschappen die een beroep doen op de spaargelden van derden -] te versterken komt het er op aan het bestuur, het toezicht en het beheer er van te ontzeggen aan onwaardige personen, wier gebrek aan rechtschapenheid duidelijk blijkt of aan personen, zoals gefailleerden, die, waar ze zich ongeschikt hebben betoond om hun eigen zaken te beheren, niet zonder gevaar geroepen kunnen worden om andermans belangen waar te nemen. 9 […] De veroordeelingen, in artikel 1 van het ontwerp opgesomd, worden slechts uitgesproken voor feiten die niet strooken met de meeste elementaire eerlijkheid, of voor feiten waaruit blijkt dat de persoon, die ze beging, tot het beheeren van een handelszaak of nijverheidsbedrijf onbevoegd is. De feiten moeten reeds van vrij ernstigen aard zijn, daar het verbod slechts kan toegepast worden, indien de uitgesproken straf een vrijheidsstraf is van ten minste drie maanden. Of de straf al dan niet voorwaardelijk was doet weinig ter zake. Eenerzijds wordt een veroordeeling tot drie maanden gevangenisstraf, zelfs met uitstel, nooit uitgesproken voor een gering vergrijp; anderzijds ware het onrechtvaardig het verbod te doen afhangen van een omstandigheid vreemd aan het gepleegd vergrijp, bijvoorbeeld van een vroegere veroordeeling tot een correctioneele boete uit hoofde van een politieovertreding op het wegverkeer » (Belgisch Staatsblad, 27 oktober 1934, p. 5768). B.5.3. Die bepaling heeft tot doel het vertrouwen van het publiek in de vennootschappen die een beroep doen op de spaargelden van derden te versterken door de rechter in staat te stellen om personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven die het vertrouwen van de spaarders kunnen ondermijnen, uit te sluiten van het beheer of de leiding van zulke vennootschappen. Aangezien zij niet verbonden is aan het insolventierecht, is het verantwoord dat de draagwijdte van het in die bepaling bedoelde verbod niet afgestemd is op de draagwijdte van het verbod bedoeld in artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht. B.6. Ten slotte, in zoverre zij de rechtbank die een rechtspersoon failliet heeft verklaard de mogelijkheid biedt om aan de bestuurders en zaakvoerders van die rechtspersoon die een kennelijke grove fout hebben begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement een verbod op te leggen om enige functie uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden, heeft de bepaling ook geen onevenredige gevolgen. De rechtbank kan immers, enerzijds, rekening houdend met de omstandigheden, voor het verbod een kortere duur vastleggen dan tien jaar, het verbod gepaard laten gaan met uitstel voor een periode van drie jaar of nog de uitspraak van het verbod opschorten voor een periode van drie jaar op grond van artikel XX.229, §§ 5 en 6, en, anderzijds, houden, krachtens artikel XX.235 van het Wetboek van economisch recht, de arresten en vonnissen waarbij het verbod wordt opgelegd, op gevolg te hebben indien het vonnis van faillietverklaring wordt ingetrokken of indien de gefailleerde rehabilitatie verkrijgt. B.7. Artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de ondernemingsrechtbank, ten laste van 10 de erin beoogde personen, een verbod kan uitspreken om enige functie uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon die failliet kan worden verklaard rechtsgeldig te verbinden. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XX.229, § 4, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 maart 2023. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.040 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.144 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div