← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.042

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.042 Arrest- Rolnummer: 42/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 621 - laatst gezien 2026-06-17 18:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de klacht tegen verschillende beslissingen in verband met de onmogelijkheid tot het indienen van een voorziening in cassatie, ingediend door Willem Van Meldert. Weigering van een advocaat bij het Hof van Cassatie om een verzoekschrift in te dienen bij dat Hof - Niet-optreden van de minister van Justitie en de Koning Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 42/2023 van 9 maart 2023 Rolnummer : 7849 In zake : de klacht tegen verschillende beslissingen in verband met de onmogelijkheid tot het indienen van een voorziening in cassatie, ingediend door Willem Van Meldert. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de klacht en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 juli 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 juli 2022, dat werd bevestigd bij op 9 augustus 2022 ter post afgegeven brief, heeft Willem Van Meldert klacht ingediend tegen verschillende beslissingen in verband met de onmogelijkheid tot het indienen van een voorziening in cassatie. Geen enkele memorie werd ingediend. Bij beschikking van 23 november 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 december 2022 in beraad genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord en gelet op de vaststelling dat dit verzoek werd ingediend binnen de termijn van zeven dagen na de effectieve 2 terhandstelling van de kennisgeving, heeft het Hof bij beschikking van 21 december 2022 de debatten heropend en de dag van de terechtzitting bepaald op 1 februari

  1. Op de openbare terechtzitting van 1 februari 2023 : - is de verzoekende partij niet verschenen; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en K. Jadin verslag uitgebracht; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  2. De verzoekende partij zet uiteen dat zij op 8 februari 2021 van een advocaat bij het Hof van Cassatie heeft geëist om een verzoekschrift in te dienen bij dat Hof en dat die advocaat dat op 15 februari 2021 heeft geweigerd. Zij vervolgt dat zij vervolgens klacht heeft neergelegd bij de minister van Justitie, die haar heeft doorverwezen naar de stafhouder van de balie bij het Hof van Cassatie. Zij wijst erop dat zij zich nadien heeft gericht tot de Koning, die Zich echter heeft aangesloten bij het antwoord van de minister van Justitie, en dat zij tevens de stafhouder van de balie bij het Hof van Cassatie heeft aangesproken. A.
  3. De verzoekende partij klaagt aan dat de minister van Justitie, als « verantwoordelijke voor het gedrag van de advocaten bij het Hof van Cassatie », niet is opgetreden tegen de weigering van een advocaat bij het Hof van Cassatie om namens haar een verzoekschrift in te dienen bij dat Hof en dat de Koning het standpunt dat de minister van Justitie ter zake heeft ingenomen, heeft gevolgd. -B– B.
  4. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.
  5. Geen enkele bepaling van de bijzondere wet van 6 januari 1989, aangenomen ter uitvoering van artikel 142 van de Grondwet, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling 3 verlenen aan het Hof de bevoegdheid om uitspraak te doen over een klacht betreffende het niet- optreden van de minister van Justitie en de Koning tegen de weigering van een advocaat bij het Hof van Cassatie om een verzoekschrift in te dienen bij dat Hof. B.
  6. De klacht behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. 4 Om die redenen, het Hof stelt vast dat het niet bevoegd is. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 maart
  7. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.