id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.056 Arrest- Rolnummer: 56/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-04-10 Raadplegingen: 735 - laatst gezien 2026-06-18 20:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in het geval van een draagmoederschap door een gehuwde vrouw, wanneer die laatste, namelijk de draagmoeder, en haar echtgenoot geen wensouderschap ten aanzien van het nog ongeboren kind hebben, hetgeen het rechtscollege in concreto dient na te gaan) - Geen schending (artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in het geval van een draagmoederschap door een gehuwde vrouw, wanneer die laatste, namelijk de draagmoeder, en haar echtgenoot geen wensouderschap ten aanzien van het nog ongeboren kind hebben, hetgeen het rechtscollege in concreto dient na te gaan) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Burgerlijk recht - Afstamming van vaderszijde - Kind dat is geboren uit een draagmoederschap ingevolge een medisch begeleide voortplanting - Ontstentenis van wensouderschap tussen de draagmoeder en haar echtgenoot - Vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder, ingesteld door de biologische vader - Grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 56/2023 van 30 maart 2023 Rolnummer : 7746 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 januari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 februari 2022, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een absolute grond van niet-ontvankelijkheid, die te wijten is aan de door de echtgenoot gegeven toestemming tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind niet het gevolg ervan kan zijn, invoert voor de vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot die is ingesteld door de man die beweert de vader van het kind te zijn, in het geval waarin dat kind is verwekt in het kader van een draagmoederschap dat past in een wensouderschap van die man en niet van de moeder van het kind en haar echtgenoot ? ». Memories zijn ingediend door : - R.G., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pire, advocaat bij de balie Luik-Hoei; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 21 december 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 januari 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 januari 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil R.G. en zijn partner G.S. vormen een mannelijk homoseksueel paar met een kinderwens. R.G. en de zus van G.S., V.S., zijn het daarom eens geworden over een draagmoederschap, dat inhoudt dat in de baarmoeder van V.S. eicellen van een anonieme donor worden ingeplant die zijn bevrucht met de gameten van R.G. V.S. is gehuwd met V.O. Vóór de bevalling stelt R.G. bij de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, een vordering in tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot van V.S., die wordt vermoed de vader van het nog ongeboren kind te zijn. R.G. verzoekt de Rechtbank eveneens om zijn vaderschap ten aanzien van dat kind vast te stellen. Het kind wordt geboren op 24 augustus 2021. Ter terechtzitting geven de partijen aan dat zij hebben ingestemd met het draagmoederschap en dat het kind samenleeft met R.G en G.S. De verwijzende rechter stelt vast dat artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek een grond van niet-ontvankelijkheid invoert van de vordering van R.G. met betrekking tot de toestemming van de echtgenoot tot kunstmatige inseminatie, die R.G., met andere woorden de biologische vader van het kind, verhindert om het vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten en zijn eigen vaderschap vast te stellen. De verwijzende rechter beslist dan ook om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. R.G. geeft aan dat het doel van artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek erin bestaat te vermijden dat een onvruchtbare man die aanvaardt dat zijn echtgenote zwanger raakt door kunstmatige inseminatie, zijn eigen vaderschap later betwist om reden dat er geen biologische afstammingsband tussen hem en het kind bestaat. De wetgever heeft de grond van niet-ontvankelijkheid van de in die bepaling bedoelde vordering tot betwisting van het vaderschap in geen geval willen uitbreiden tot het geval waarin de echtgenote met een derde een draagmoederschapsproject uitwerkt. 3 A.1.2. In hoofdorde doet R.G. gelden dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. Hoewel de echtgenoot van de moeder op de hoogte is van de ingreep inzake medisch begeleide voortplanting van zijn echtgenote, heeft hij nooit formeel ermee ingestemd. De echtgenoot heeft in casu de draagmoederschapsovereenkomst trouwens niet ondertekend. De toestemming van de echtgenoot is hoe dan ook geenszins vereist, aangezien hij geen gezag heeft over het lichaam van zijn echtgenote. De in het geding zijnde bepaling is dus enkel van toepassing indien de echtgenoot zelf een partner is in het project van medisch begeleide voortplanting, hetgeen te dezen niet het geval is. A.1.3. In ondergeschikte orde betoogt R.G. dat de in het geding zijnde bepaling de aangevoerde referentienormen niet schendt, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op het geval waarin de echtgenoot niet is betrokken bij het wensouderschap, zoals te dezen het geval is. De in het geding zijnde bepaling heeft betrekking op het geval van een onvruchtbare echtgenoot die stappen inzake medisch begeleide voortplanting onderneemt om met zijn echtgenote een kind te krijgen en die zich later bedenkt. Dit is te dezen niet het geval. De echtgenoot dient hoe dan ook niet in te stemmen met het project van zijn echtgenote om het kind van een derde te dragen. Het feit dat de echtgenote de mening van haar echtgenoot vraagt om zich contractueel met een derde te verbinden in een dergelijk project, heeft niet tot gevolg dat de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot de ingreep in de juridische betekenis van het woord. A.1.4.1. In nog meer ondergeschikte orde doet R.G. gelden dat de bepaling de referentienormen schendt indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op het geval waarin de echtgenoot niet is betrokken bij het wensouderschap. In dat geval is de individuele vrijheid in het geding van de personen die een wensouderschap opvatten. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het recht op eerbiediging van het privéleven waarborgt, wordt geschonden aangezien de in het geding zijnde bepaling, in die interpretatie, eraan in de weg staat dat de biologische vader zijn vaderschap kan vaststellen. Het recht van de moeder wordt eveneens geschonden. Het wensouderschap wordt gedwarsboomd door de in het geding zijnde bepaling, zonder redelijke verantwoording. A.1.4.2. In verband met artikel 22 van de Grondwet voert R.G. aan dat het belang van het kind bestaat in het vaststellen van de afstamming van zijn biologische vader en van zijn wensvader. Indien de vordering van R.G. zou worden verworpen, zou de echtgenoot van de moeder de vader blijven van een kind dat hij niet wil en zal de biologische vader zijn vaderschap niet kunnen vaststellen. A.1.4.3. Wat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, geeft R.G. aan dat hij zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met andere situaties, namelijk die waarin de moeder niet gehuwd is. Indien de moeder niet gehuwd was, zou R.G. het vaderschap kunnen betwisten ten aanzien van de man die het kind heeft erkend. Indien de moeder gehuwd was maar een kind met een derde had en haar echtgenoot « het niet eens was », zou bovendien de in het geding zijnde bepaling paradoxaal genoeg niet van toepassing zijn. Tussen die vergelijkbare situaties bestaat er dus een verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag berust op een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. Uit de tekst zelf van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de grond van niet-ontvankelijkheid verband houdt met de toestemming van de echtgenoot tot een wensouderschap, en niet alleen tot kunstmatige inseminatie van zijn echtgenote. Het concept « daad die de voortplanting tot doel had » kan niet anders worden geïnterpreteerd. Het is dus onjuist om de in het geding zijnde bepaling in die zin te interpreteren dat zij een absolute grond van niet-ontvankelijkheid invoert voor de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap omdat de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie. A.2.2. De Ministerraad preciseert dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming » stelt dat het doel erin bestond de vaststelling van de afstamming te regelen door de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen, hetgeen vereist dat de mogelijkheden tot betwisting van een afstamming ruim worden opengesteld, onder voorbehoud van het geval waarin de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot een daad die de voortplanting tot doel had, in het kader van een gemeenschappelijk wensouderschap. In dat geval zou het onrechtvaardig zijn dat het vaderschap nog kan worden betwist, aangezien het doel erin bestaat onbillijke en onrechtvaardige situaties in geval van kunstmatige inseminatie te vermijden. Bijgevolg moet de grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot in die zin worden geïnterpreteerd dat hij enkel van toepassing is wanneer de kunstmatige inseminatie, waartoe de echtgenoot toestemming heeft gegeven, werd voorafgegaan door een 4 wensouderschap dat de echtgenoten bindt, met andere woorden door een beslissing van de echtgenoten om het ouderschap van het nog ongeboren kind op zich te nemen. De wetgever heeft de echtgenoot die nooit de bedoeling heeft gehad de vader van het kind te zijn, geenszins de mogelijkheid willen ontzeggen om het vermoeden van vaderschap met betrekking tot dat kind te betwisten. In het voorliggende geval, wanneer de echtgenoot aldus toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie zonder evenwel ermee in te stemmen de vader van het nog ongeboren kind te worden, is artikel 318, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek dus niet van toepassing. Dit geldt des te meer daar er in dergelijke situaties geen risico van onbillijke of onrechtvaardige situaties bestaat dat door de grond van niet-ontvankelijkheid zou moeten worden getemperd. De niet-toepassing van de in het geding zijnde bepaling op een geval zoals het voorliggende geval wordt bevestigd door de werkzaamheden van de commissie voor de Justitie betreffende het wetsontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de wet van 31 maart 1987. Bijgevolg valt het draagmoederschap door een gehuwde vrouw niet onder het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling, hetgeen wordt bevestigd door de rechtspraak en de rechtsleer. De ratio legis van de in het geding zijnde bepaling werd opnieuw bevestigd bij het aannemen van de wet van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan ». In de parlementaire voorbereiding wordt gepreciseerd dat de in het geding zijnde paragraaf 4 werd aangenomen om het vaderschap van de wensvader te beschermen, zodat de grond van niet-ontvankelijkheid enkel van toepassing kan zijn wanneer de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie in het kader van een wensouderschap met de moeder van het nog ongeboren kind. De grond van niet-ontvankelijkheid houdt dus verband met de toestemming van de echtgenoot tot kunstmatige inseminatie met het oog op een gemeenschappelijk wensouderschap. De artikelen 27 en 56 van de wet van 6 juli 2007 « betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten » bevestigen de interpretatie volgens welke het wensouderschap een essentieel element is waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van de regels met betrekking tot de betwisting van het vermoeden van vaderschap. Ten slotte konden de evolutie van de maatschappij en de velerlei situaties die zich kunnen voordoen, niet worden overwogen door de toenmalige wetgever, zodat de in het geding zijnde grond van niet-ontvankelijkheid moet worden geïnterpreteerd in het licht van het specifieke doel ervan. A.2.3. De Ministerraad besluit dat de in het geding zijnde bepaling de aangevoerde referentienormen niet schendt indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij de betwisting van het vermoeden van vaderschap niet verhindert wanneer de echtgenoot van de moeder toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie in het kader van een draagmoederschap dat past in een wensouderschap van de man die beweert de vader van het kind te zijn, en niet van de moeder en haar echtgenoot. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. Artikel 318 van het oud Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in artikel 315 van het oud Burgerlijk Wetboek. Artikel 318 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, 5 de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat[,] de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist. § 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is[.] De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn. […] § 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is. […] § 4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn. […] ». B.1.2. Paragraaf 4 van artikel 318 van het oud Burgerlijk Wetboek, de in het geding zijnde bepaling, voert een grond van niet-ontvankelijkheid in voor de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap, ongeacht de houder van de vordering, wanneer de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie van zijn echtgenote of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind niet het gevolg daarvan kan zijn. B.1.3.1. De in het geding zijnde grond van niet-ontvankelijkheid werd ingevoerd bij de wet van 31 maart 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming » (hierna : de wet van 31 maart 1987). 6 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt : « De wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen behoort het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg te hebben. Een voorbehoud wordt nochtans gemaakt indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking beoogt b.v. kunstmatige inseminatie (art. 318, § 4). In dat geval zou het onbillijk zijn tegenover de moeder en het kind dat het vaderschap nog zou kunnen betwist worden. Met de uitdrukking ‘ toegestemd met een daad die de verwekking tot doel had ’ bedoelt men niet iedere daad die de verwekking tot gevolg kan gehad hebben (vgl. Nederlands Burgerlijk Wetboek, art. 201 e.v.), maar enkel die daden die tot doel hebben zwangerschap tot stand te brengen; het gaat nl. in de huidige stand van zaken om :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.