id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.061 Arrest- Rolnummer: 61/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-04-24 Raadplegingen: 1145 - laatst gezien 2026-06-18 17:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Overheidssector - Renten - Niet-indexatie van renten bij blijvende arbeidsongeschiktheid van minder dan 16 % Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 61/2023 van 13 april 2023 Rolnummer : 7755 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 15 februari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 februari 2022, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Schendt, in de interpretatie volgens welke artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, dat van toepassing is op de leden van het vastbenoemd, het stagedoend, het tijdelijk personeel en het hulppersoneel en op de personeelsleden die bij een arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen, die behoren tot de onderwijsinrichtingen die door een van de gemeenschappen of door de Franse Gemeenschapscommissie worden gesubsidieerd ter uitvoering van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, elke indexering - indexering waarin is voorzien overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld op basis van de spilindex 138.01 - van de rente uitsluit wanneer de blijvende arbeidsongeschiktheid geen 16 % bereikt en dus ook een indexering van de rente op de datum van het ongeval, dat artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre : 2 - enerzijds, het de slachtoffers van een arbeidsongeval (dat zich na 1 juli 1962 heeft voorgedaan) die tot de overheidssector behoren, verschillend behandelt op grond van de graad van hun blijvende arbeidsongeschiktheid (die al dan niet 16 % bereikt), terwijl hun referentiebezoldiging op dezelfde wijze wordt berekend (in artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 bedoeld mechanisme van loskoppeling van de index) en de in artikel 13, eerste lid, van de wet van 3 juli 1969 [lees : 1967] bedoelde indexering van de rente bestemd is om, op de datum van het ongeval, de interne samenhang van de in de overheidssector toepasselijke regeling te verzekeren met het oog op artikel 4, eerste lid [lees : artikel 4, § 1, eerste lid], van dezelfde wet van 3 juli 1967, dat bepaalt dat de rente wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan, los van het feit of de arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer al dan niet 16 % bereikt; - anderzijds, het de slachtoffers die tot de overheidssector behoren en die een ‘ geringe arbeidsongeschiktheid ’ ondergaan, op een vergelijkbare manier behandelt als de slachtoffers die een zelfde ‘ geringe arbeidsongeschiktheid ’ in de privésector ondergaan, terwijl zij zich niet in dezelfde situatie bevinden ? Hun referentiebezoldiging wordt niet op dezelfde wijze berekend (artikelen 34 en volgende van de wet van 10 april 1971 in de privésector, waarbij rekening wordt gehouden met een geïndexeerde bezoldiging, versus artikel 4 van de wet van 3 juli 1967, in samenhang gelezen met artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, waarbij rekening wordt gehouden met een van de index losgekoppelde bezoldiging). Die berekening, die eigen is aan elk mechanisme, ontzegt aan de slachtoffers met een blijvende ‘ geringe arbeidsongeschiktheid ’ die tot de overheidssector behoren, een indexering voor de toekomst - hetgeen ook het geval is voor de slachtoffers van de privésector met toepassing van artikel 27bis van de wet van 10 april 1971 - maar ook een indexering die bestemd is om het bedrag van hun rente opnieuw in evenwicht te brengen en dus om de interne samenhang van hun regeling te verzekeren, interne samenhang die niet wordt aangetast door de afschaffing van de indexering van de ‘ geringe arbeidsongeschiktheden ’ in de privésector, waarbij eraan wordt herinnerd dat met die interne samenhang, in beide sectoren, hetzelfde doel wordt nagestreefd dat erin bestaat aan het slachtoffer een vergoeding te geven die is aangepast aan zijn nadeel. 2) Schendt artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke de niet-indexering van de rente wanneer de blijvende arbeidsongeschiktheid geen 16 % bereikt, pas van toepassing is nadat het bedrag van de rente correct werd bepaald - met andere woorden berekend op grond van de van de index losgekoppelde referentiebezoldiging die verschuldigd is op de datum van het arbeidsongeval waarop het vaste wettelijke maximumbedrag van toepassing is, en op dezelfde datum opnieuw geïndexeerd ? ». Memories zijn ingediend door : - D.R., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Delfosse, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers en Mr. M. Kerkhofs, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. 3 Bij beschikking van 15 februari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, wordt een geschil aanhangig gemaakt met betrekking tot de schadeloosstelling van de gevolgen van een arbeidsongeval dat zich op 21 juni 1996 heeft voorgedaan. Bij een vonnis van 18 juni 2006 gelast die Rechtbank een deskundige vast te stellen of de letsels waarover het slachtoffer klaagt, het gevolg zijn van het voormelde arbeidsongeval, te bepalen of het slachtoffer door een volledige of gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt getroffen, de graad en de duur ervan vast te stellen en, ten slotte, te bepalen of het slachtoffer door een gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid wordt getroffen en de graad ervan vast te stellen. Op 5 maart 2018 legt de deskundige zijn eindverslag neer ter griffie van de Arbeidsrechtbank. Bij een vonnis van 2 maart 2021 wordt het voormelde verslag geweerd en wordt een nieuwe deskundige gelast. De werkgever van het slachtoffer stelt hoger beroep in tegen dat vonnis bij het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Het slachtoffer stelt incidenteel hoger beroep in. Bij een arrest van 15 februari 2022 oordeelt het Arbeidshof te Luik dat de gezondheidsproblemen van het slachtoffer het gevolg zijn van het voormelde arbeidsongeval. Het is bovendien van oordeel dat het slachtoffer geen gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleden, dat vier periodes van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid moeten worden vergoed door de werkgever en dat de graad van gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid 5 % bedraagt. Wat de berekening van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid betreft, stelt het Arbeidshof te Luik vast dat de partijen om de toepassing van verschillende berekeningsmethoden verzoeken. De werkgever past de normatieve teksten strikt toe en is van mening dat het wettelijke maximumbedrag van de basisbezoldiging niet kan worden geïndexeerd, terwijl het slachtoffer van het voormelde arbeidsongeval vraagt dat de toepassing van het in de wet bedoelde maximumbedrag wordt geherwaardeerd en dat de referentiebezoldiging wordt geïndexeerd na toepassing van het maximumbedrag of, minstens, dat de rente eenmalig wordt geïndexeerd. Het Arbeidshof te Luik stelt vast dat het het voormelde wettelijke maximumbedrag niet kan herwaarderen zonder artikel 4 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967) te schenden. Wat betreft het verzoek tot indexering van de rente op de datum van het ongeval, stelt het Arbeidshof vast dat de wet van 3 juli 1967 niet meer in die indexering voorziet voor de blijvende arbeidsongeschiktheden waarvan de graad minder dan 16 % bedraagt, zoals dat te dezen het geval is. Het stelt evenwel vast dat het Arbeidshof te Brussel, dat bij een arrest van 5 maart 2018, oordeelde dat de loskoppeling van de index van de basisbezoldiging op de datum van het ongeval moet worden geneutraliseerd door de rente tot die datum te indexeren, de voorrang heeft gegeven aan een « systemische interpretatie » van de wet van 3 juli 1967. Het Arbeidshof te Luik is van oordeel dat het geen voorrang kan geven aan een dergelijke interpretatie zonder aan het Hof vragen te stellen over de grondwettigheid van artikel 13, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967. Bijgevolg houdt het de uitspraak op dat punt aan en stelt het het Hof de hiervoor weergegeven vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. De geïntimeerde partij in het kader van het hoofdberoep voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, aangezien een ontkennend antwoord erop zou neerkomen dat wordt geoordeeld dat het slachtoffer van een arbeidsongeval dat zich na 1 juli 1962 heeft voorgedaan, dat tot de overheidssector behoort en wiens graad van blijvende arbeidsongeschiktheid minder dan 16 % bedraagt, vergoed zou wordt op grond van een referentiebezoldiging die niet overeenstemt met de jaarlijkse bezoldiging waarop het recht had op het tijdstip van het ongeval, in tegenstelling tot het slachtoffer wiens graad van arbeidsongeschiktheid meer dan 16 % bedraagt. In tegenstelling tot hetgeen het Hof in zijn arrest nr. 40/96 van 27 juni 1996 (ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.040) heeft geoordeeld, bestaat er te dezen geen objectief criterium dat dat verschil in behandeling kan verantwoorden. Volgens de geïntimeerde partij verantwoordt niets dat het slachtoffer van een arbeidsongeval, naargelang van de erkende graad van arbeidsongeschiktheid, al dan niet wordt vergoed op grond van de jaarlijkse bezoldiging die overeenstemt met de jaarlijkse bezoldiging waarop het recht had op het tijdstip van het ongeval, noch dat het al dan niet wordt vergoed door daarbij rekening te houden met de tijd die is verlopen tussen de berekeningsbasis en de datum van het ongeval. A.1.2. Wat het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de geïntimeerde partij aan dat dat ook bevestigend moet worden beantwoord, aangezien het slachtoffer, in het in dat onderdeel bedoelde eerste geval, wordt vergoed door daarbij rekening te houden met de bezoldiging die op de datum van het ongeval werd ontvangen, terwijl het, in het tweede geval, wordt vergoed op grond van een van de index losgekoppelde bezoldiging die niet overeenstemt met de bezoldiging die het op de datum van het ongeval ontving. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967) wordt evenwel aangegeven dat het doel van de wetgever erin bestaat dat de slachtoffers worden vergoed door de uitbetaling van een rente waarvan het bedrag zou worden bepaald door twee factoren, waaronder de jaarlijkse bezoldiging zoals zij op het tijdstip van het schadegeval wordt ontvangen. Bijgevolg is het onverenigbaar met de wettekst en met de parlementaire voorbereiding ervan om artikel 13 van die wet in die zin te interpreteren dat het elke indexering verbiedt om het tijdsverloop tussen de berekeningsbasis en de datum van het ongeval aldus te neutraliseren. Die interpretatie doet daarenboven een discriminatie ontstaan tussen de in het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag bedoelde personen, aangezien die personen zich in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien niet objectief wordt verantwoord het verschil in behandeling bestaat en aangezien de ontstentenis van indexering van het maximumbedrag niets verandert aan die vaststelling. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag op een verkeerd postulaat berust volgens hetwelk de loskoppeling van de index van de basisbezoldiging in de overheidssector wordt verantwoord door de latere indexering van de vergoedingen. Het staat echter niet aan het verwijzende rechtscollege te oordelen over de grondwettigheid van de wetsbepalingen. Wat de reglementaire bepalingen betreft, komt het het verwijzende rechtscollege toe de toepassing ervan te weren indien het ze in strijd acht met de hiërarchisch hogere normen. In werkelijkheid heeft de wetgever aan de Koning de zorg toevertrouwd om de nadere regels voor het bepalen van de arbeidsongeschiktheid vast te stellen, zodat het niet aan de rechter staat de redenen ervoor te beoordelen, noch de tegenprestatie. Daarenboven is het niet omdat de referentiebezoldiging voor de berekening van de rente die wegens een « kleine » arbeidsongeschiktheid wordt ontvangen, niet wordt geïndexeerd in de regeling die op de overheidssector van toepassing is, dat de op die grond berekende rente noodzakelijkerwijs later moet worden geïndexeerd. De niet-indexering van de basisbezoldiging wordt verklaard door het feit dat voor de bezoldiging schalen zijn vastgesteld. Het bepalen van de forfaitaire vergoeding voor een arbeidsongeval betreft dan weer de politieke keuze van de wetgever om de renten wegens « kleine » arbeidsongeschiktheden niet te indexeren, vanwege budgettaire redenen die ertoe strekken het voortbestaan van het systeem te waarborgen. De voormelde niet-indexering werd in artikel 13 van de wet van 3 juli 1967 ingevoerd bij de wet van 30 maart 1994 « houdende sociale bepalingen » (hierna : de wet van 30 maart 1994). De parlementaire voorbereiding van de wet van 30 maart 1994 toont aan dat er een keuze werd gemaakt tussen, enerzijds, de afschaffing van de vergoeding van de « kleine » arbeidsongeschiktheden en, anderzijds, de uitbetaling van een niet-geïndexeerde rente. De wetgever heeft de voorrang gegeven aan de tweede optie, die gunstiger is, door een maatschappelijke 5 keuze te maken waarbij eveneens rekening wordt gehouden met het feit dat het niet mogelijk is om alle renten en bezoldigingen te indexeren, zodat die keuze op budgettaire redenen berust en erdoor wordt verantwoord. Dat systeem is noch onsamenhangend, noch onredelijk, aangezien enkel de renten wegens « kleine » arbeidsongeschiktheden niet worden geïndexeerd, in tegenstelling tot de renten met betrekking tot de arbeidsongeschiktheden waarvan de graad 16 % of meer bedraagt. Het is niet onredelijk om ervan uit te gaan dat de slachtoffers van een arbeidsongeval die een « kleine » arbeidsongeschiktheid ondergaan, hun activiteit op normale wijze zullen kunnen voortzetten en een ongewijzigde bezoldiging zullen kunnen ontvangen. In werkelijkheid compenseert de vergoeding in essentie de grotere inspanningen die die slachtoffers moeten leveren om hun verdienvermogen te behouden. De redenering die door het Hof in het voormelde arrest nr. 40/96 van op de voorgrond is gesteld, kan te dezen worden overgenomen. De Ministerraad voegt eraan toe dat de vaststelling van de graad van arbeidsongeschiktheid op internationale standaarden berust waarnaar de wetgever uitdrukkelijk heeft verwezen, hetgeen niet onredelijk is en bewijst dat België normaal voorzichtig en bedachtzaam te werk is gegaan door te handelen zoals andere Staten. Bijgevolg moet het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. A.2.2. Wat het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad op dat dat onderdeel zeer soortgelijk is aan de vraag die aan de oorsprong ligt van het arrest van het Hof nr. 178/2014 van 4 december 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.178), zodat een soortgelijk antwoord erop moet worden gegeven, namelijk dat de loskoppeling van de index van de referentiebezoldiging in de regeling van de overheidssector wordt geregeld bij een koninklijk besluit en dus niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Bovendien voert de Ministerraad aan dat dat tweede onderdeel op hetzelfde verkeerde postulaat berust als het eerste. Daarenboven wordt niet vereist dat de regeling van de werknemers van de overheidssector en de regeling van de werknemers van de privésector soortgelijk zijn, voor zover elke regeling over eigen regels beschikt en voor zover die in overeenstemming zijn met de logica van het systeem waartoe zij behoren. Omgekeerd zouden identieke regels tussen de sectoren kunnen ingaan tegen die interne samenhang. Te dezen voorzien zowel de regeling die van toepassing is op de overheidssector als de regeling die van toepassing is op de privésector erin dat de renten wegens kleine arbeidsongeschiktheden niet worden geïndexeerd, om budgettaire redenen die ertoe strekken het socialezekerheidsstelsel te bestendigen. In werkelijkheid heeft het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag geen betrekking op artikel 13 van de wet van 3 juli 1967, maar wel op de wijze waarop de basisbezoldiging wordt vastgesteld, zodat de vraag onontvankelijk is. Daarenboven worden de in dat tweede onderdeel bedoelde personen op dezelfde wijze behandeld en bevinden zij zich in vergelijkbare situaties. A.3. In zijn memorie van antwoord geeft de Ministerraad verschillende preciseringen. Eerst stelt hij dat de vergoeding van de « kleine » arbeidsongeschiktheden werd behouden, met de garantie dat het systeem levensvatbaar blijft en een aan die vergoedingen inherente logica, die dezelfde is voor de overheidssector en voor de privésector. Bij het uitbetalen van de vervangingsinkomsten die het arbeidsongeval vergoeden, wordt immers rekening gehouden met de evolutie van de gevolgen van het ongeval in de tijd. Dat tijdsaspect staat centraal bij het bepalen van het vervangingsinkomen. Het sleutelmoment in die evolutie is dat van consolidatie van de schade, met andere woorden wanneer de letsels vaststaan en een blijvend karakter hebben, zodat een behandeling niet meer nodig is, tenzij om een verergering te voorkomen. Het is dan mogelijk om het eventuele bestaan van een blijvende aantasting van de lichamelijke en psychische integriteit te beoordelen. De Ministerraad voegt eraan toe dat de regeling van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen voorziet in een volledige en forfaitaire vergoeding van de materiële schade die voortvloeit uit het arbeidsongeval. Daarenboven wordt ook in een schadeloosstelling voor de door het slachtoffer geleden lichamelijke schade voorzien. Die strekt ertoe de lichamelijke schade te vergoeden die de werknemer ondervindt doordat hij een grotere inspanning moet leveren om zijn activiteit en zijn bezoldiging te behouden, alsook het verlies aan verdienvermogen, dat wordt beoordeeld op het tijdstip van de consolidatie. Dat verlies betreft het economische potentieel dat is verminderd ingevolge het ongeval. De wetgever heeft beslist om de renten van de kleine arbeidsongeschiktheden niet te indexeren, zowel in de overheidssector als in de privésector, aangezien het nadeel van de werknemer in dat geval voornamelijk verband houdt met de voormelde grotere inspanning. Hoewel hij in werkelijkheid een inspanning moet leveren om zijn verdienvermogen te behouden, verliest hij dat niet echt en lijdt hij geen inkomensverlies, hetgeen de ontstentenis van indexering verklaart. Omgekeerd, wanneer de arbeidsongeschiktheid groter is, wordt het slachtoffer doorgaans geconfronteerd met een geringer vermogen om zijn loopbaan uit te bouwen en dus met een kleiner verdienvermogen. In dat geval doet het ongeval een inkomensverlies ontstaan, dat moet evolueren. 6 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.4. De geïntimeerde partij voert aan dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, aangezien de interpretatie van de wet van 3 juli 1967 waarop zij is gebaseerd, de enige interpretatie is die verenigbaar is met de bedoeling van de wetgever. Het doel van de wetgever bestaat immers erin een regeling aan te nemen die vergelijkbaar is met de regeling die op de privésector van toepassing is, zonder de regeling van de privésector evenwel zonder meer uit te breiden tot de overheidssector, gezien het feit dat het ambtenarenstatuut bijzondere kenmerken bevat waarmee rekening moet worden gehouden en die bepaalde onderscheiden regels verantwoorden. Te dezen maakt de logica die eigen is aan het systeem van de overheidssector, het niet mogelijk om een verschil in behandeling te verantwoorden met betrekking tot de basisbezoldiging waarmee rekening moet worden gehouden. Niets verklaart immers waarom bepaalde personen worden vergoed op grond van een bezoldiging waarbij het tijdstip van het ongeval als referentie gold, terwijl anderen worden vergoed op grond van een bezoldiging waarbij geen rekening wordt gehouden met het tijdstip van het ongeval. Wat de problematiek van het maximumbedrag betreft, voegt de geïntimeerde partij eraan toe dat de wetgever oorspronkelijk heeft gewild dat dat bedrag strikt identiek zou zijn in beide systemen. De invoering van een vast maximumbedrag heeft niet tot doel gehad dat bedrag te onderscheiden van het maximumbedrag dat van toepassing is in de privésector, maar beoogde gewoon het in de wet van 3 juli 1967 bedoelde maximumbedrag te actualiseren. De interpretatie die in de tweede prejudiciële vraag op de voorgrond is gesteld, leidt ertoe dat bij de berekening van de rente rekening wordt gehouden met de van de index losgekoppelde bezoldiging die verschuldigd is op de datum van het ongeval, waarop het wettelijke maximumbedrag van toepassing is, en dat het bedrag van de verkregen rente vervolgens wordt geherwaardeerd, rekening houdend met de datum van het ongeval, hetgeen bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.5.1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de in de tweede prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen niet kunnen worden geïdentificeerd. Het verwijzende rechtscollege identificeert immers maar één categorie van personen, namelijk de slachtoffers van een arbeidsongeval die onder de regeling van de wet van 3 juli 1967 vallen en wier arbeidsongeschiktheid geen 16 % bereikt, en vermeldt daarbij niet met welke categorie van personen die slachtoffers moeten worden vergeleken. Bijgevolg behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord. A.5.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het Hof niet bevoegd is om die prejudiciële vraag te beantwoorden, aangezien het verwijzende rechtscollege in werkelijkheid de niet-indexering van de berekeningsbasis van de rente wegens arbeidsongeschiktheid beoogt die, zoals het Hof bij het voormelde arrest nr. 178/2014 reeds heeft geoordeeld, voortvloeit uit het koninklijk besluit van 24 januari 1969 « betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk » (hierna : het koninklijk besluit van 24 januari 1969). A.5.3. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. De vraag heeft volgens hem ofwel betrekking op de vergelijking tussen, enerzijds, de slachtoffers van een arbeidsongeval wier arbeidsongeschiktheid niet meer dan 16 % bedraagt en die onder de regeling van de overheidssector vallen en, anderzijds, de slachtoffers van een arbeidsongeval die onder de regeling van de privésector vallen, zodat zij identiek is aan het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag, ofwel heeft de vraag betrekking op de vergelijking van, enerzijds, de slachtoffers van een arbeidsongeval die onder de regeling van de wet van 3 juli 1967 vallen en wier arbeidsongeschiktheid niet meer dan 16 % bedraagt met, anderzijds, die wier arbeidsongeschiktheid meer dan 16 % bedraagt, zodat zij identiek is aan het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag. 7 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de draagwijdte ervan B.1.1. Artikel 13 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967) bepaalt : « De in artikel 3, eerste lid, bedoelde renten, de in artikel 4, § 2, bijkomende vergoedingen, de verergerings- en overlijdensbijslagen worden vermeerderd of verminderd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De Koning bepaalt hoe zij aan de spilindex 138,01 worden gekoppeld. Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de renten wanneer de blijvende arbeidsongeschiktheid geen 16 % bereikt ». Artikel 3, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 bepaalt : « Volgens de in artikel 1 bepaalde regelen : 1° heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte recht op :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.