id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.067 Arrest- Rolnummer: 67/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-01 Raadplegingen: 535 - laatst gezien 2026-06-14 19:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals van toepassing vr de wetswijziging van 1 maart 2019), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Fiscaal recht - Personenbelasting - Beroepsinkomen - Vergoedingen van vrijwillige hulpverleners-ambulanciers - Vrijstellingen - Voorwaarden - Personeel van een hulpverleningszone Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 67/2023 van 20 april 2023 Rolnummer : 7865 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zoals van toepassing vóór de wetswijziging van 1 maart 2019), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 15 september 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 september 2022, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, WIB ’92, zoals van toepassing vóór de wetswijziging van 1 maart 2019, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat de in deze bepaling bedoelde vrijstelling enkel de vergoedingen betreft van de vrijwilligers die een taak uitoefenen als ambulancier hulpverlener in het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening in de zin van de wet van 8 juli 1964 en die kwalificeren als operationeel personeel van een hulpverleningszone, maar niet van de vrijwilligers die dezelfde taak als ambulancier-hulpverlener uitoefenen in het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening (en derhalve eveneens gebrevetteerd zijn in de zin van artikel 12 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998) doch bij een private ambulancedienst ? ». Memories zijn ingediend door : 2 - Christiane Verborgt en Danny Boon, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Lauwers, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Leyns, advocaat bij de balie te Gent. Christiane Verborgt en Danny Boon hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 februari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een van de eisers in het bodemgeschil heeft gedurende het inkomstenjaar 2016 als vrijwillig hulpverlener-ambulancier prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening verstrekt bij een ambulancedienst met een privaatrechtelijke rechtsvorm. Bij het indienen van de gezamenlijke aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2017 zijn de eisers ervan uitgegaan dat zij, wat de door de ambulancedienst uitbetaalde vergoedingen betreft, aanspraak konden maken op de belastingvrijstelling van artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 1 maart 2019 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde ten behoeve van de vrijwilligers bij de korpsen van de openbare brandweer en bij de civiele bescherming het fiscaal vrijgesteld bedrag te verhogen » (hierna : de wet van 1 maart 2019). De belastingadministratie is evenwel van mening dat die vrijstelling slechts geldt voor vrijwillige hulpverleners-ambulanciers werkzaam bij een hulpverleningszone, en niet voor vrijwillige hulpverleners-ambulanciers werkzaam bij een private ambulancedienst. Zij heeft daarom een aanvullende aanslag gevestigd. Tegen die aanvullende aanslag hebben de eisers in het bodemgeschil een bezwaar ingediend, dat werd verworpen. Zij hebben vervolgens een beroep ingesteld bij het verwijzende rechtscollege, dat de voormelde prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A– A.1.
- De Ministerraad is van mening dat artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992, in de versie van toepassing op het bodemgeschil, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. 3 A.1.
- De Ministerraad zet uiteen dat de in het geding zijnde bepaling werd gewijzigd bij de wet van 1 maart
- Als gevolg van die wijziging kunnen ook de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers werkzaam bij een private ambulancedienst aanspraak maken op een belastingvrijstelling, met betrekking tot de vergoedingen betaald of toegekend vanaf 1 januari
- Die wetswijziging leidt evenwel niet tot de conclusie dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.1.
- Daarnaast merkt de Ministerraad op dat de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007) de hulpverleningssector heeft hervormd, waarbij de bestaande brandweerdiensten werden gehergroepeerd in hulpverleningszones. Het was niet de bedoeling van die hervorming om het toepassingsgebied van de belastingvrijstelling te wijzigen. Dat toepassingsgebied bleef bijgevolg beperkt tot de vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen die overeenkomstig de wet van 15 mei 2007 vrijwillig personeelslid van een hulpverleningszone waren geworden, zoals ook de bevoegde minister heeft aangegeven in antwoord op parlementaire vragen. A.1.
- Volgens de Ministerraad is het verschil in behandeling tussen de vrijwillige hulpverleners- ambulanciers van de hulpverleningszones en de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers van de private ambulancediensten redelijk verantwoord, rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt in fiscale aangelegenheden. Met de beperking van het toepassingsgebied van de belastingvrijstelling streefde de wetgever hoofdzakelijk een budgettaire doelstelling na. Het is pertinent ten aanzien van die doelstelling dat het criterium van onderscheid berust op het statuut van de ambulancedienst waarbij de vrijwillige hulpverlener-ambulancier werkzaam is, zoals ook blijkt uit het arrest van het Hof nr. 141/2005 van 13 september 2005 (ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.141). De Ministerraad is tot slot van mening dat de in het geding zijnde maatregel geen onevenredige gevolgen heeft. A.2.
- De eisers in het bodemgeschil menen dat de in het geding zijnde bepaling, in de aan het Hof voorgelegde interpretatie, niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. A.2.
- Volgens de eisers in het bodemgeschil bestaat geen redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling tussen vrijwillige hulpverleners-ambulanciers, naargelang zij werkzaam zijn bij een private ambulancedienst dan wel bij een hulpverleningszone. De beide categorieën van personen bevinden zich in vergelijkbare situaties, aangezien zij allebei prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening verstrekken in de zin van de wet van 8 juli 1964 « betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening » en daarvoor beschikken over het brevet bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998 « betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers ». De wetgever heeft, door bij de wet van 1 maart 2019 het toepassingsgebied van de belastingvrijstelling uit te breiden, zelf erkend dat alle vrijwillige hulpverleners-ambulanciers op dezelfde wijze dienen te worden behandeld, ongeacht het statuut van de ambulancedienst waarbij zij werkzaam zijn. Ook de belastingadministratie heeft in de circulaire nr. 2020/C/64 van 7 mei 2020 aangegeven dat de in het geding zijnde bepaling aanleiding gaf tot onbillijke situaties, aangezien de beide categorieën van hulpverleners-ambulanciers taken uitoefenen die niet fundamenteel van elkaar verschillen. Bovendien heeft het Hof van Beroep te Gent in een arrest van 12 mei 2020 geoordeeld dat vrijwillige brandweerlieden en beroepsbrandweerlieden op dezelfde wijze dienen te worden vergoed, in zoverre zij vergelijkbare taken uitoefenen. Die rechtspraak kan ook worden toegepast in deze zaak. De verwijzing door de Ministerraad naar het arrest van het Hof nr. 141/2005 leidt volgens de eisers in het bodemgeschil niet tot een andere conclusie. Luidens dat arrest dient de wetgever immers het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie na te leven wanneer hij een belastingvrijstelling invoert. Daarenboven streefde de belastingvrijstelling waarover het Hof zich bij zijn arrest nr. 141/2005 heeft uitgesproken een specifieke doelstelling na, waardoor dat arrest niet relevant is voor de beoordeling van de in het geding zijnde bepaling. A.2.
- De eisers in het bodemgeschil verwijzen voorts naar de wet van 6 augustus 1993 « houdende wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voor wat betreft de vrijwillige brandweerlieden » (hierna : de wet van 6 augustus 1993), die artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992 heeft ingevoerd. De memorie van toelichting van die wet vermeldt dat de vrijstelling « verantwoord [is] gelet op het bijzonder karakter van de door de vrijwillige brandweerlieden geleverde prestaties ». In het licht van die doelstelling dienen ook de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers werkzaam bij een private ambulancedienst de vrijstelling te genieten, aangezien ook zij prestaties leveren met een dergelijk bijzonder karakter. Overigens kan volgens de eisers in het bodemgeschil niet uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 augustus 1993 worden afgeleid dat de wetgever, zoals de Ministerraad aanvoert, het toepassingsgebied van de 4 belastingvrijstelling heeft beperkt om budgettaire redenen. De bevoegde minister verklaarde integendeel dat « men […] geen grote fiscalist [hoeft] te zijn om in te zien dat men niet kan berekenen hoeveel de uitvoering van dit wetsontwerp zal kosten ». Bij de latere wijzigingen van artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992 werd evenmin aandacht besteed aan de concrete budgettaire gevolgen van de belastingvrijstelling. A.2.
- De eisers in het bodemgeschil zijn tot slot van mening dat de in het geding zijnde bepaling voor een andere, grondwetsconforme interpretatie vatbaar is, volgens welke ook de vergoedingen van de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers werkzaam bij een private ambulancedienst onder de belastingvrijstelling vallen. Een dergelijke interpretatie vindt steun in de beslissingspraktijk van de Dienst Voorafgaande Beslissingen. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarden waaronder vergoedingen van vrijwillige hulpverleners-ambulanciers kunnen worden vrijgesteld van de personenbelasting. B.2.
- De in het geding zijnde bepaling is artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 1 maart 2019 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde ten behoeve van de vrijwilligers bij de korpsen van de openbare brandweer en bij de civiele bescherming het fiscaal vrijgesteld bedrag te verhogen » (hierna : de wet van 1 maart 2019). Krachtens die bepaling zijn « de vergoedingen van de vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen en de vrijwilligers van de Civiele Bescherming ten belope van 2 850 EUR » vrijgesteld van personenbelasting. B.2.
- Artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992 werd ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993 « houdende wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voor wat betreft de vrijwillige brandweerlieden ». Initieel voorzag die bepaling enkel in een belastingvrijstelling voor de vergoedingen van de vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen. Luidens de memorie van toelichting was de vrijstelling verantwoord « gelet op het bijzonder karakter van de door de vrijwillige brandweerlieden geleverde prestaties » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 994/1, p. 1). 5 Het verslag namens de Senaatscommissie voor de Financiën vermeldt : « Een ander lid is van oordeel dat de prestaties van vrijwillige brandweerlieden niet vergelijkbaar zijn met andere vrijwillige dienstverleningen. Brandweerlieden worden letterlijk het vuur ingejaagd. Hun werk is zeer zwaar en ontegensprekelijk gevaarlijk. Indien de formule van vrijwillige brandweerlieden niet zou bestaan, zou er zich hoogstwaarschijnlijk een probleem van aanwerving voordoen. De voorgestelde maatregel is dan ook verantwoord. Een volgende spreker voegt hieraan toe dat de rekrutering van vrijwilligers voor de brandweer niet meer zo vlot verloopt als vroeger. In zijn gemeente werden gedurende drie opeenvolgende jaren aanwervingen voor vrijwillige brandweerlieden georganiseerd zonder dat het quantum werd bereikt. De verklaring hiervoor kan gezocht worden in het feit dat de vergoedingen veel te laag zijn. Indien de gemeenten zouden overgaan tot het oprichten van een beroepscorps, dan zou dit een zeer dure aangelegenheid worden » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 828/2, p. 3). B.2.
- De wet van 8 juni 1998 « houdende wijziging van artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de vrijwilligers van de Civiele Bescherming » heeft de belastingvrijstelling uitgebreid tot de vergoedingen van de vrijwilligers van de civiele bescherming. De memorie van toelichting van die wet vermeldt : « De vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen genieten sinds het aanslagjaar 1993 een belastingvrijstelling van 60.000 frank (niet geïndexeerd bedrag) op de aan hen betaalde vergoedingen. Alhoewel ze zich in een vergelijkbare toestand bevinden, komen de vrijwillige personeelsleden van de diensten van de Civiele Bescherming niet voor deze vrijstelling in aanmerking. Dit verschil in behandeling tussen de vrijwilligers van hulpdiensten die enerzijds van de Staat en anderzijds van de gemeenten afhangen, stelt een probleem van rechtvaardigheid, vermits beide samen opgeroepen worden om gezamenlijk tussen te komen in een zeker aantal catastrofale situaties waarin ze elkaar onderling moeten steunen. Dit ontwerp, dat aan uw goedkeuring wordt onderworpen, beoogt deze twee categorieën van vrijwilligers van de openbare hulpdiensten op het fiscale vlak op een identieke manier te behandelen met ingang van het aanslagjaar 1998 » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1471/1, pp. 1-2). B.2.
- Artikel 2, 1°, van de voormelde wet van 1 maart 2019 heeft artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992 vervangen. Als gevolg van die wijziging worden vrijgesteld « de vergoedingen van de vrijwillige brandweerlieden, van de vrijwillige ambulanciers voor 6 prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening in de zin van artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, en de vrijwilligers van de Civiele Bescherming ten belope van 3.750 euro ». Die wijziging is van toepassing op de vergoedingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari
- Zij heeft bijgevolg geen invloed op het bodemgeschil, dat betrekking heeft op vergoedingen betaald in
- B.2.
- De artikelen 40, 1°, en 53 van de wet van 20 november 2022 « houdende diverse fiscale en financiële bepalingen » hebben in het aldus gewijzigde artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, de woorden « voor prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening in de zin van artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, » opgeheven met ingang van 1 januari
- Die opheffing heeft evenmin een invloed op het bodemgeschil. B.
- De wet van 8 juli 1964 « betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening » (hierna : de wet van 8 juli 1964) beoogt de inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening. Daaronder wordt verstaan « het onmiddellijk verstrekken van aangepaste hulp aan alle personen van wie de gezondheidstoestand ten gevolge van een ongeval, een plotse aandoening of een plotse verwikkeling van een ziekte een dringende tussenkomst vereist na een oproep via het eenvormig oproepstelsel waardoor de hulpverlening, het vervoer en de opvang in een aangepaste ziekenhuisdienst worden verzekerd » (artikel 1 van de wet van 8 juli 1964). Voor de toepassing van die wet mag uitsluitend een beroep worden gedaan op ambulancediensten erkend door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid (artikel 3bis van dezelfde wet). Een erkende ambulancedienst mag enkel werken met hulpverleners-ambulanciers die werden gebrevetteerd door een opleidingscentrum, in overeenstemming met de voorwaarden en regels bepaald in het koninklijk besluit van 13 februari 1998 « betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers » (artikel 6ter van dezelfde wet). B.4.
- Volgens het verwijzende rechtscollege dient de in het geding zijnde bepaling zo te worden geïnterpreteerd dat de vergoedingen van de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers die taken van dringende geneeskundige hulpverlening uitoefenen, slechts kunnen worden vrijgesteld van belastingen indien die vrijwilligers werkzaam zijn bij een hulpverleningszone. 7 B.4.
- Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling, wat te dezen niet het geval is. Weliswaar voorziet de in het geding zijnde bepaling slechts in een belastingvrijstelling voor « de vergoedingen van de vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen en de vrijwilligers van de Civiele Bescherming », en verwijst zij dus niet uitdrukkelijk naar de vergoedingen van de vrijwilligers van een hulpverleningszone. Bij de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007) werden de gemeentelijke brandweerdiensten evenwel geïntegreerd in de hulpverleningszones, die zijn samengesteld uit een bovengemeentelijk netwerk van brandweer- en reddingsposten (artikelen 2, § 1, 8°, en 5, van de wet van 15 mei 2007). Het operationele personeel van de hulpverleningszone is samengesteld uit de beroepsbrandweermannen en -ambulanciers en de vrijwillige brandweermannen en ambulanciers. De vrijwillige brandweermannen en ambulanciers zijn de personeelsleden voor wie hun functie in de hulpverleningszone niet hun hoofdactiviteit uitmaakt (artikel 103 van dezelfde wet). Het is bijgevolg niet kennelijk verkeerd ervan uit te gaan dat, na de bij de wet van 15 mei 2007 doorgevoerde hervorming van de civiele veiligheid, de in het geding zijnde belastingvrijstelling kon worden toegepast op de vergoedingen van de vrijwillige operationele personeelsleden van de hulpverleningszones, met inbegrip van de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers. B.
- In de aan het Hof voorgelegde interpretatie roept de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen vrijwillige hulpverleners-ambulanciers, dat wil zeggen personen van wie de functie als hulpverlener-ambulancier niet de hoofdactiviteit uitmaakt, naargelang de ambulancedienst waarbij zij die functie uitoefenen een hulpverleningszone of een privaatrechtelijke rechtspersoon is. Enkel in het eerste geval kunnen de vergoedingen voor prestaties in het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening worden vrijgesteld van personenbelasting ten belope van 2 850 euro (niet-geïndexeerd bedrag). Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof de bestaanbaarheid na te gaan van dat verschil in behandeling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 B.6.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- Krachtens artikel 172, tweede lid, van de Grondwet kan de wetgever vrijstelling of vermindering van belasting toekennen. Wanneer hij ten voordele van sommige belastingplichtigen een fiscale vrijstelling invoert, mag hij evenwel het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schenden. B.6.
- Het komt de wetgever toe de vrijstelling of vermindering van de belasting vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaaleconomische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociaaleconomische beleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de bevoegdheid van de wetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.7.
- Zoals kan worden afgeleid uit de in B.2.2 vermelde parlementaire voorbereiding, beoogde de wetgever met de in het geding zijnde belastingvrijstelling de aanwerving van vrijwilligers bij de brandweerdiensten te bevorderen, onder meer omdat het een « zeer dure aangelegenheid » zou zijn om met een beroepskorps te werken (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 828/2, p. 3). De memorie van toelichting van de wet van 15 mei 2007, waarbij de 9 brandweerdiensten werden geïntegreerd in de hulpverleningszones, bevestigt « de noodzaak van het gelijktijdig bestaan van beroeps- en vrijwillige brandweerlieden binnen de zones » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/001, p. 27). Tijdens de hoorzittingen in de bevoegde Kamercommissie werd bovendien opgemerkt dat vrijwilligers « onontbeerlijk » zijn opdat de diensten van de civiele veiligheid over voldoende personeel beschikken, alsook dat « het beroep kunnen doen op vrijwilligers belangrijk is voor de betaalbaarheid van het stelsel » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2928/005, pp. 21 en 23). B.7.
- Rekening houdend met de verschillen tussen de hulpverleningszones en de private ambulancediensten, alsook met het belang van de vrijwillige personeelsleden voor de goede werking van de hulpverleningszones, vermocht de wetgever redelijkerwijze van oordeel te zijn dat het niet nodig was de in het geding zijnde belastingvrijstelling uit te breiden tot de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers werkzaam bij private ambulancediensten, ook al oefenen die hulpverleners-ambulanciers taken van dringende geneeskundige hulpverlening uit en beschikken zij over het brevet bedoeld in artikel 6ter van de wet van 8 juli
- B.7.
- Overigens volstaat het voor de hulpverleners-ambulanciers van de hulpverleningszones niet om over een dergelijk brevet te beschikken, maar dienen zij daarnaast te slagen voor een vergelijkend examen en een aanwervingsstage te doorlopen, overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 « betreffende het administratief statuut van het ambulancepersoneel van de hulpverleningszones dat geen brandweerman is ». Zulke vereisten gelden niet voor de hulpverleners-ambulanciers van de private ambulancediensten. B.
- De omstandigheid dat het toepassingsgebied van de belastingvrijstelling van artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992 inmiddels werd uitgebreid tot de vergoedingen van de vrijwillige ambulanciers in het algemeen, zoals is vermeld in B.2.4 en B.2.5, leidt niet tot een andere conclusie. Om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te beoordelen, is het immers niet relevant twee wettelijke regelingen te vergelijken die op verschillende ogenblikken van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever een doelstelling na te streven die verschilt van die welke hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die ze kunnen verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de 10 wetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich geen erkenning van een discriminatie in. B.
- Artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het WIB 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 1 maart 2019, is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 38, § 1, eerste lid, 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 1 maart 2019 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde ten behoeve van de vrijwilligers bij de korpsen van de openbare brandweer en bij de civiele bescherming het fiscaal vrijgesteld bedrag te verhogen », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 april
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.067 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div