id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.068 Arrest- Rolnummer: 68/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-08 Raadplegingen: 1247 - laatst gezien 2026-06-18 21:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, in zoverre het niet voorziet in criteria en uitzonderingen die het voor de bezoekers van de in die bepaling vermelde voorzieningen voorzienbaar maken of het gebruik van een CST al dan niet verplicht is) - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging 1) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Jo Smolders, door Luc Lamine, door Valérie Leroi, door Robbe Tack, door Rosita Hesbeens, door Sofie Vanleenhove, door Walter Digneffe, door Bart Van Humbeeck, door Yves Soers, door Nico Devos, door Frédéric Van der Stock, door Johan Steynen, door Hilde Steynen, door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert en door Luc Lamine en anderen, 2) van het decreet van het Waalse Gewest van 15 juli 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 19 juli 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 juli 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », - van de wet van 20 juli 2021 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF, en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert, 3) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021 en van de wet van 1 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », - van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 en van de wet van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert en door Luc Lamine en anderen, 4) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 oktober 2021 « betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie », - van het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 2021 « betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht », - van het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021 « tot wijziging van de artikelen 2, 5 en 8 van het decreet van 21 oktober 2021 betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht en tot invoeging van een artikel 10/1 », - van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 januari 2022 « tot verlenging van het temporele toepassingsgebied van de ordonnantie van 14 oktober 2021 betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie », ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert. Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Initiatieven om de verspreiding van COVID-19-besmettingen tegen te gaan - Samenwerkingsakkoord - COVID Safe Ticket (CST) -
- Exhaustieve opsomming van de plaatsen waarvoor het voorleggen van het CST kan worden vereist -
- Verwerking van de in het CST opgenomen persoonsgegevens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 68/2023 van 27 april 2023 Rolnummers : 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692, 7694, 7739 en 7743 In zake : de beroepen tot vernietiging 1) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Jo Smolders, door Luc Lamine, door Valérie Leroi, door Robbe Tack, door Rosita Hesbeens, door Sofie Vanleenhove, door Walter Digneffe, door Bart Van Humbeeck, door Yves Soers, door Nico Devos, door Frédéric Van der Stock, door Johan Steynen, door Hilde Steynen, door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert en door Luc Lamine en anderen, 2) van het decreet van het Waalse Gewest van 15 juli 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 19 juli 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 juli 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », - van de wet van 20 juli 2021 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF, en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert, 3) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021 en van de wet van 1 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de 2 Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », - van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 en van de wet van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert en door Luc Lamine en anderen, 4) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 oktober 2021 « betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie », - van het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 2021 « betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht », - van het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021 « tot wijziging van de artikelen 2, 5 en 8 van het decreet van 21 oktober 2021 betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht en tot invoeging van een artikel 10/1 », - van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 januari 2022 « tot verlenging van het temporele toepassingsgebied van de ordonnantie van 14 oktober 2021 betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie », ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij dertien verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 9, 10, 17 en 30 november 2021 en 6 en 7 december 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 12, 18 en 22 november 2021 en 1, 7 en 8 december 2021, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 3 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) respectievelijk door Jo Smolders, door Luc Lamine, door Valérie Leroi, door Robbe Tack, door Rosita Hesbeens, door Sofie Vanleenhove, door Walter Digneffe, door Bart Van Humbeeck, door Yves Soers, door Nico Devos, door Frédéric Van der Stock, door Johan Steynen en door Hilde Steynen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 januari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 januari 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld door de private stichting « Ministry of Privacy » en Matthias Dobbelaere-Welvaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. De Groote, advocaat bij de balie te Dendermonde, en door Mr. N. Somers, advocaat bij de balie van Antwerpen : 1) van het decreet van het Waalse Gewest van 15 juli 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 19 juli 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 juli 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 juli 2021, derde editie), 2) van de wet van 20 juli 2021 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF, en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 juli 2021, derde editie), 3) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021 en van de wet van 1 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie), 4 4) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 oktober 2021 « betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 oktober 2021), 5) van het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 2021 « betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021), 6) van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 en van de wet van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie), 7) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie), 8) van het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021 « tot wijziging van de artikelen 2, 5 en 8 van het decreet van 21 oktober 2021 betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht en tot invoeging van een artikel 10/1 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2021), 9) van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 januari 2022 « tot verlenging van het temporele toepassingsgebied van de ordonnantie van 14 oktober 2021 betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 januari 2022, tweede editie). c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 januari 2022, is door Luc Lamine, Marguerite Weemaes en Michel Lamine beroep tot vernietiging ingesteld : 1) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke 5 Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie), 2) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) en 3) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie). Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde normen. Bij het arrest nr. 71/2022 van 19 mei 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.071), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 oktober 2022, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692, 7694, 7739 en 7743 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde, advocaten bij de balie te Gent (in alle zaken); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert en Mr. A. Van de Meulebroucke, advocaten bij de balie te Brussel, en door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde (in alle zaken); - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde, en door Mr. P. Slegers, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaken nr. 7739 en 7743); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde, en door Mr. M. Uyttendaele en Mr. P. Minsier, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaken nr. 7739 en 7743); 6 - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde (in de zaken nr. 7739 en 7743); - het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde (in de zaken nr. 7739 en 7743); - de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys en Mr. E. Van den Eynde (in de zaken nr. 7739 en 7743). De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7681 en 7739 hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 1 februari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 februari 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7739 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 15 februari 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 15 maart
- Op de openbare terechtzitting van 15 maart 2023 : - zijn verschenen : . Mr. J. De Groote en Mr. T. Bronselaer, advocaat bij de balie van Antwerpen, loco Mr. N. Somers, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7739; . Mr. M. Feys, voor de Ministerraad, de Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap; . Mr. T. Moonen, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert en Mr. A. Van de Meulebroucke, Mr. M. Feys en Mr. H. Abraham, advocaat bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering; . Mr. M. Feys en Mr. P. Slegers, voor het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; . Mr. M. Feys en Mr. E. Lippens, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. M. Uyttendaele, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 7 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de beroepen in de zaken nrs. 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692 en 7694 betreft A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7668, 7669, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687 en 7694 voeren ter staving van hun belang aan dat zij zich niet hebben laten vaccineren tegen COVID-
- Zij willen geen smartphone kopen of gebruiken en willen zich niet om de twee dagen laten testen. De situatie van de verzoekende partijen zou rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (hierna : het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021), nu zij door het COVID Safe Ticket (hierna : het CST) niet op een gewone wijze naar de horeca kunnen gaan. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7672 en 7687 voegen daaraan toe dat het gebruik van het CST een inbreuk op de privacy uitmaakt en de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG) schendt. De verzoekende partij in de zaak nr. 7681 stelt nog dat haar leven momenteel, sinds maanden, sociaal isolerend is. Dit zou een erg negatieve impact hebben op haar mentaal welzijn. Het bestreden decreet zou bovendien onethisch en onmenselijk zijn, nu de vaccins en de tests niet verplicht zijn. Haar persoonlijke beslissing om zich niet te laten vaccineren, zou niet mogen leiden tot een inperking van zijn grondrechten. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7671, 7691 en 7692 voeren aan dat zij wel gevaccineerd zijn, maar dat zij door het CST niet meer naar de horeca kunnen gaan met familie en vrienden die niet gevaccineerd zijn. Zij zijn eveneens van oordeel dat het CST hun privacy en de AVG schendt. A.2.
- De Ministerraad en de Vlaamse Regering betwisten het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692 en
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7668, 7669, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687 en 7694 vermelden in hun uiteenzetting over het belang slechts een modelformulering die op een satirische website werd aangereikt door een derde partij. Aangezien de verzoekende partijen die generieke uiteenzetting niet op hun persoonlijke situatie betrekken, is het onmogelijk te bepalen of de verzoekende partijen over het vereiste persoonlijke belang beschikken. Hun beroep zou aldus een niet-toelaatbare actio popularis betreffen. De bewering van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7672 en 7687 dat het gebruik van het CST een inbreuk op de privacy uitmaakt, zou louter een subjectief aanvoelen betreffen dat evenmin kan worden aanvaard. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7671, 7691 en 7692 zouden geen rechtstreeks verband aantonen tussen de bestreden norm en hun situatie in zoverre zij aanvoeren dat zij als gevaccineerde personen niet naar de horeca kunnen gaan met ongevaccineerde familieleden. In ieder geval is die bewering onjuist. Ongevaccineerde personen kunnen immers wel naar de horeca wanneer een CST verplicht is, door een herstel- of testcertificaat voor te leggen. De bewering dat de bestreden norm een schending uitmaakt van het recht op privacy en de AVG, betreft de gegrondheid van hun beroep en niet de ontvankelijkheid. In ieder geval zou de bewering dat het een hoogst onaangename ervaring is om tijdens een bepaalde periode van het jaar op het terras van een horecazaak te moeten zitten, niet kunnen worden beschouwd als een gevolg van de bestreden bepaling dat dermate ongunstig is dat het de verzoekers het rechtens vereiste belang verschaft. 8 A.2.
- Voorts voeren de Ministerraad en de Vlaamse Regering aan dat de beroepen tot vernietiging slechts ontvankelijk zijn in zoverre ze zijn gericht tegen artikel 5, § 2, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, dat voorziet in het verplichte gebruik van een CST in voorzieningen van horeca-activiteiten en fitnesscentra. Enkel tegen die bepaling worden daadwerkelijk middelen ontwikkeld. A.2.
- Tot slot is het enige middel volgens de Ministerraad en de Vlaamse Regering niet ontvankelijk in zoverre het een schending aanvoert van artikel 22 van de Grondwet, de artikelen 1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag. Geen van de verzoekende partijen zou immers uiteenzetten hoe die bepalingen geschonden zijn. Wat het beroep in de zaak nr. 7739 betreft A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7739 stellen dat zij belang hebben bij de vernietiging van de bestreden normen, gelet op de algemene strekking daarvan. De bestreden normen voorzien in een verregaande beperking van de bewegingsvrijheid van alle burgers, en zijn voorzien van sancties. Het is in een dergelijk geval niet nodig de door de verzoekers aangevoerde elementen betreffende hun persoonlijke toestand te onderzoeken. In ieder geval maken zowel de eerste verzoekende partij en haar leden als de tweede verzoekende partij gebruik van de publieke ruimte, met inbegrip van de voorzieningen in de socioculturele sector, de horeca en sportfaciliteiten. De bestreden normen beperken in ernstige mate de mogelijkheid tot deelname aan het maatschappelijke leven, hetgeen volstaat om vast te stellen dat beide verzoekende partijen belang hebben. De eerste verzoekende partij handelt met huidig geding bovendien in overeenstemming met haar statutair doel, zijnde « het streven naar het vrijwaren van het privé-leven van elke burger ». Wat het beroep in de zaak nr. 7743 betreft A.
- De verzoekende partijen verwijzen, wat hun belang betreft, naar het arrest nr. 10/2022 van 20 januari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.010), waarin het Hof hun belang bij de schorsing en vernietiging van dezelfde bestreden normen heeft aanvaard. Zij benadrukken dat zij thans geen toegang meer hebben tot de horecavoorzieningen in het hele Rijk, en dat er in het Franse taalgebied niet in een mogelijkheid is voorzien om zich van het terras naar het toilet te begeven. Ten aanzien van de aangevoerde middelen In de zaken nrs. 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692 en 7694 Wat het enige middel betreft A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692 en 7694 voeren in hun enig middel aan dat het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 afbreuk doet aan de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag. Artikel 5, § 2, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 verplicht het gebruik van het CST voor bezoekers van zestien jaar en ouder van voorzieningen van horeca-activiteiten en fitnesscentra. De COVID-19-vaccinatie is nochtans niet wettelijk verplicht. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 april 2021 in zake Vavřička e.a. t. Tsjechische Republiek (ECLI:CE:ECHR:2021:0408JUD004762113) zou voortvloeien dat het niet-gevaccineerd zijn in dat geval geen nadelige gevolgen kan hebben. Uit dat arrest zou bovendien voortvloeien dat een vaccinatieplicht enkel kan in specifieke omstandigheden : voor een specifieke groep, een eenmalige en efficiënte prik voor een zeer goed bekende ziekte en met een schadevergoeding voor nevenwerkingen. Bij het CST, dat een onrechtstreekse vaccinatieplicht uitmaakt, zijn die elementen niet in rekening genomen. De beperking van het recht om cafés, restaurants en fitnesszaken te bezoeken, zou aldus het recht op bescherming van het sociaal privéleven en de vrijheid van beweging schenden. 9 Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 zou voorts een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen verschillende categorieën van niet-gevaccineerde personen, namelijk tussen de gepensioneerde die zijn dagelijks pintje wil drinken in het dorpscafé en in weer en wind op het terras moet zitten en de bediende die met de trein naar zijn werk gaat en in de verwarmde wagon mag gaan zitten, evenals tussen de liefhebber van fitnessoefeningen die geen toegang heeft tot het fitnesscentrum en de worstelaar die vrij toegang heeft tot de worstelclub. Een negatieve PCR-test en een negatieve snelle antigeentest zouden alleen op nuttige wijze verkregen kunnen worden door bezitters van een smartphone. Aangezien het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 niet gepaard gaat met voldoende maatregelen die waarborgen dat de rechtsonderhorigen een gelijke toegang hebben tot de kennis of de app die nodig is voor het gebruik van het CST, zou het onevenredige gevolgen hebben ten nadele van bepaalde categorieën van personen en is het niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het recht op bescherming van het privéleven, het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van beweging zouden bijgevolg klaarblijkelijk worden geschonden ten nadele van personen die niet met het COVID-19-vaccin zijn ingeënt. A.6.
- De Ministerraad en de Vlaamse Regering voeren aan dat het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 noch expliciet, noch impliciet een verplichte vaccinatie oplegt. Burgers die zich niet wensen te laten vaccineren, kunnen immers nog altijd een CST verkrijgen op grond van een herstel- of testcertificaat. Voorts zouden de verzoekers verkeerde conclusies trekken uit het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 april 2021 in zake Vavřička e.a. t. Tsjechische Republiek. Het Europees Hof erkent in die zaak dat inmengingen in het privéleven door een wettelijke vaccinatieplicht met sancties, gerechtvaardigd kunnen zijn in het licht van de vrijwaring van de volksgezondheid. De Ministerraad voegt daaraan toe dat dat arrest in ieder geval geen toepassing kan vinden in de huidige zaken, nu dat arrest betrekking heeft op een expliciete vaccinatieverplichting, waarin in het bestreden decreet niet is voorzien. A.6.
- Wat de aangevoerde schending van het recht op eerbiediging van het privéleven en de vrijheid van beweging betreft, stellen de Ministerraad en de Vlaamse Regering vast dat de verzoekende partijen nalaten die beweerde schending te staven met argumenten. In ieder geval zijn het recht op eerbiediging van het privéleven en de vrijheid van beweging geen absolute rechten, doch impliceren zij ook het bestaan van overeenkomstige plichten, zoals de plicht om geen afbreuk te doen aan het recht op een menswaardig leven en het recht op gezondheid van anderen. A.6.
- De bestreden norm is volgens de Ministerraad en de Vlaamse Regering evenmin in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het eerste verschil in behandeling dat de verzoekende partijen aanvoeren, zou niet bestaan. Wanneer de ongevaccineerde werknemer een drankje gaat nuttigen in een horecazaak en niet beschikt over een CST, zal hij net zoals de ongevaccineerde gepensioneerde op het terras moeten plaatsnemen. En geen van beiden zal het CST moeten tonen wanneer zij de trein willen nemen. De Vlaamse Regering voegt daaraan in ondergeschikte orde toe dat de niet-gevaccineerde gepensioneerde die zijn stamcafé wenst te bezoeken, in het licht van de bestreden regeling niet kan worden vergeleken met een niet-gevaccineerde werknemer die gebruikmaakt van het openbaar vervoer voor de verplaatsingen naar zijn werk. Minstens verantwoorden de verschillen tussen de voorzieningen voor horeca-activiteiten en het openbaar vervoer het verschil in behandeling. Terwijl een volledige mondmaskerplicht moeilijk gecombineerd kan worden met de normale beleving van de horeca-activiteiten, zodat het gebruik van mitigerende maatregelen, zoals het CST, daar noodzakelijk is, kan het dragen van een mondmasker in het openbaar vervoer worden opgelegd zonder dat dit de normale beleving en de finaliteit van het gebruik van het openbaar vervoer hindert. In meer ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat het verschil in behandeling niet het gevolg is van het bestreden decreet, doch wel van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 dat het materieel toepassingsgebied van het CST bepaalt. De sectoren die in dat samenwerkingsakkoord zijn opgenomen, zijn bovendien de sectoren waar andere gezondheids- en veiligheidsmaatregelen moeilijk kunnen worden gehandhaafd, maar waar er tegelijk een groot risico op verdere verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 aanwezig is, zodat het alternatief vaak een algehele sluiting van die sectoren is. Het zou dan ook redelijk verantwoord zijn dat het gebruik van het CST voor die sectoren wordt opgelegd. Het tweede aangevoerde verschil in behandeling is volgens de Vlaamse Regering niet ontvankelijk bij gebrek aan uiteenzetting. De Ministerraad en de Vlaamse Regering stellen dat het in ieder geval manifest onjuist is dat de liefhebber van fitnessoefeningen geen toegang heeft tot het fitnesscentrum. Het volstaat immers dat de betrokkene over een geldig CST beschikt, hetgeen eveneens kan worden verkregen op basis van een geldig herstel- of testcertificaat. Het feit dat er geen vergelijkbare verplichting bestaat voor een « worstelaar die vrije toegang heeft 10 tot de worstelclub », zou kunnen worden verantwoord door het feit dat het aantal bezoekers in worstelclubs lager ligt dan in de fitnesscentra, waardoor het een lager risico vormt voor de overdracht van COVID-
- Wat betreft de bewering van de verzoekende partijen dat een testcertificaat zeer duur is en bovendien niet op nuttige wijze kan worden verkregen door personen die geen smartphone bezitten, stelt de Ministerraad dat de verzoekende partijen nalaten te vermelden welke wetsbepaling of welk principe aldus geschonden zou worden. De Vlaamse Regering begrijpt de kritiek zo dat de verzoekende partijen in wezen aanvoeren dat het bestreden decreet aanleiding zou geven tot een discriminatie van natuurlijke personen naargelang zij al dan niet over een smartphone beschikken. Zowel de Ministerraad als de Vlaamse Regering verwijzen naar de zienswijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State dat het verkrijgen van het CST financieel en organisatorisch laagdrempelig is. Het is niet enkel via de smartphoneapplicatie digitaal beschikbaar, maar ook via de bekende overheidsplatformen Mijn Burgerprofiel, mijngezondheid.be en MyHealthViewer. Via die websites kan de burger het CST afdrukken. Een burger die niet voldoende digitaal geletterd is, kan hulp vragen aan iemand uit de familie of de vriendenkring om in te loggen op één van die websites en het CST vervolgens af te printen. Bovendien beschikken veel steden en gemeenten over een digipunt waar gratis een computer met internet gebruikt kan worden en een begeleider klaarstaat om te helpen bij digitale vragen. Gelet op de grote hoeveelheid testen die worden afgenomen in de huidige pandemiecontext en gelet op de beperkte geldigheidsduur van een testcertificaat, zou het voor een overheid niet haalbaar zijn om alle testcertificaten op tijd per post te bezorgen bij de betrokkenen. Voor de vaccinatiecertificaten biedt de overheid wel de mogelijkheid om die certificaten per post te laten afleveren. De Vlaamse Regering voegt daaraan toe dat het nadeel om niet binnen in een café te kunnen gaan zitten maar op het terras te moeten plaatsnemen, niet voldoende zwaar doorweegt om tot de ongrondwettigheid te besluiten van een regeling die er onder meer toe strekt de volksgezondheid te beschermen. A.6.
- De Ministerraad en de Vlaamse Regering stellen tot slot dat het bestreden decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 slechts een beperkte periode van toepassing is geweest, zijnde van 30 oktober 2021 tot 7 maart
- Zodra de epidemiologische situatie het toeliet, heeft de Vlaamse Regering het nodige gedaan om het bestreden decreet buiten werking te stellen. In de zaak nr. 7739 A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7739 vorderen de vernietiging van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie « betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitale EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021), en van alle daaropvolgende wijzigingen, uitvoeringen en instemmingen ermee, meer in het bijzonder van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitale EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021), van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitale EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021), van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 oktober 2021 « betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie », van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 januari 2022 « tot verlenging van het temporele toepassingsgebied van de ordonnantie van 14 oktober 2021 betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie », van het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 2021 « betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht », van het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021 « tot wijziging van de artikelen 2, 5 en 8 van het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 11 2021 betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht en tot invoeging van een artikel 10/1 » en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober
- Wat het eerste middel in de zaak nr. 7739 betreft A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7739 is afgeleid uit de schending van artikel 187 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de grondrechten die zijn vervat in titel II van de Grondwet. De verzoekende partijen stellen dat, ofschoon artikel 187 van de Grondwet niet is vermeld in de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, die grondwetsbepaling een wezenlijke garantie behelst met betrekking tot de bepalingen van titel II van de Grondwet en aldus impliciet vervat is in artikel 1, 2°, van de bijzondere wet. Het zou onaanvaardbaar zijn dat het Hof wel bevoegd is om een gedeeltelijke schorsing van de Grondwet te toetsen (namelijk een schorsing van een bepaling die valt onder artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof), maar niet de schorsing van de gehele Grondwet door een schending van artikel 187 van de Grondwet. Uit de aard en de functie van artikel 187 van de Grondwet, dat behoort tot de kernwaarden van de Grondwet en dat in wezen hetzelfde uitdrukt als artikel 33 van de Grondwet, zou volgen dat het Hof bevoegd is om aan die grondwetsbepaling te toetsen. De bestreden normen zouden instemmen met een regeling waarbij de vrije deelname aan een essentieel deel van het maatschappelijke verkeer wordt onderworpen aan een voorafgaande voorwaarde, te weten het voorleggen van het CST. Dit zou niet louter een beperking van een grondrecht uitmaken, doch wel een schorsing daarvan, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 187 van de Grondwet. Een schorsing van een grondrecht zou immers meer zijn dan enkel de onmogelijkheid van een proportionaliteitstoetsing vanwege de rechter. Er zou sprake zijn van een schorsing zodra de substantie van het recht geraakt wordt. Minstens zouden de bestreden normen een schending uitmaken van artikel 187 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de grondrechten die worden vermeld in de overige aangevoerde middelen. A.
- De Ministerraad, de Vlaamse Regering, de Regering van de Franse Gemeenschap, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, de Waalse Regering, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en het College van de Franse Gemeenschapscommissie (hierna : de institutionele overheden) voeren in hun nagenoeg identieke memories aan dat, aangezien artikel 187 van de Grondwet niet voorkomt in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het eerste middel. De institutionele overheden stellen voorts dat de bestreden normen geen schorsing van de Grondwet inhouden. Zij houden immers niet in dat de wetgevende en de uitvoerende macht worden onttrokken aan rechterlijke toetsing. De huidige vernietigingsprocedure, evenals de kortgedingprocedure en de bodemprocedure die de verzoekende partijen hebben ingesteld tegen het gebruik van het CST, bewijzen het tegendeel. Het zou bovendien duidelijk zijn dat de bestreden normen het recht op vrij verkeer en de eerbiediging van het privéleven niet schorsen, nu de rechter de bestreden normen kan toetsen aan die grondrechten. Het betreft een weloverwogen, noodzakelijke en tijdelijke inperking van die grondrechten, hetgeen ook herhaaldelijk werd bevestigd door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar adviezen ter zake. Gelet op het gebrek aan schorsing van de Grondwet, zou het eerste middel moeten worden verworpen als ongegrond. Wat het tweede middel in de zaak nr. 7739 betreft A.10.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7739 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 22, 22ter, 23, 26 en 27 van de Grondwet, de artikelen 11, 14 en 38 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij dat Verdrag, de artikelen 1, 2, 3, 6, 7, 8, 12, 20, 21 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 12, 17, 21, 22 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.10.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden normen zouden een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoeren tussen de gevaccineerde en de niet-gevaccineerde personen, nu de gevaccineerden op een veel eenvoudigere wijze een CST zouden kunnen krijgen, terwijl het verschil tussen die onderscheiden categorieën van burgers vanuit 12 epidemiologisch oogpunt verwaarloosbaar zou zijn. Met de ongelijke behandeling zou een illegitiem doel worden nagestreefd, namelijk een verdoken vaccinatieplicht. Nochtans zou uit verschillende rapporten en adviezen blijken dat het CST geenszins de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegengaat. Voorts zouden de bestreden normen een ongerechtvaardigde gelijke behandeling invoeren van de niet-gevaccineerden onderling, naargelang zij al dan niet het inkomen hebben om zich voortdurend te laten testen teneinde te kunnen deelnemen aan het maatschappelijke leven. Tot slot ontwaren de verzoekende partijen een discriminatie tussen de niet- gevaccineerden, naargelang zij al dan niet een smartphone hebben. De burger zonder smartphone moet immers een papieren versie bestellen van het CST, hetgeen volstrekt onwerkbaar is. Tegen de tijd dat de test genomen is, het resultaat bekend is en het papieren CST is aangekomen, is het testresultaat immers al ongeldig. A.10.
- In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 12 en 22 van de Grondwet, die het recht inhouden om zonder overheidsbemoeienis gebruik te maken van de voor het publiek beschikbare faciliteiten. Het CST zou dat recht op een disproportionele wijze beperken. Voorts zou het voorzorgsbeginsel zijn geschonden, nu zou blijken dat het CST niet adequaat is om besmettingen in de geviseerde sectoren te verhinderen. A.10.
- In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van het legaliteitsbeginsel dat is vervat in de artikelen 12 en 22 van de Grondwet. De bestreden normen zouden een inmenging bevatten in het recht op vrij verkeer en het recht op eerbiediging van het privéleven waarin die niet is voorzien bij een regelmatige, wetskrachtige norm. De samenwerkingsakkoorden die het CST regelen, zouden immers in strijd zijn met de verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 « betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren » (hierna : de verordening (EU) 2021/953), nu het CST een verdoken vaccinatieplicht inhoudt. A.10.
- In het vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 22bis en 22ter van de Grondwet, doordat kwetsbare personen die zich niet kunnen laten vaccineren, op disproportionele wijze worden benadeeld door het CST. Zij zouden verhinderd worden om volledig te participeren aan de samenleving, nu zij hun toevlucht moeten nemen tot veelvuldige tests, hetgeen financieel en fysiek belastend is. Bovendien zijn de personen die worden geviseerd in artikel 22ter van de Grondwet in grote mate afhankelijk van zorgverleners en worden zij dus ook getroffen wanneer zij zelf wel een CST verkrijgen, doch hun begeleiders niet. Dit zou mutatis mutandis gelden voor de personen bedoeld in artikel 22bis van de Grondwet. A.10.
- In het vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 23 van de Grondwet, doordat het CST als preventieve maatregel de volwaardige deelname aan het maatschappelijke leven verhindert en de maatschappelijke ontplooiing van de ongevaccineerde personen ernstig beperkt. A.10.
- In het zesde onderdeel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 26 en 27 van de Grondwet. Het recht op vergadering en vereniging zou via het CST immers aan een verboden voorafgaande voorwaarde worden onderworpen. De bestreden normen zouden de proportionaliteits- en subsidiariteitstoets niet doorstaan, gelet op het gebrek aan adequaatheid van het CST en nu niet blijkt dat er geen minder ingrijpende voorwaarden konden worden opgelegd. A.11.
- Wat het eerste onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat de ongelijke behandeling tussen de gevaccineerde en de niet-gevaccineerde personen op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Personen die gevaccineerd zijn of die onlangs genezen zijn van COVID-19, zijn immers minder besmettelijk en hebben een veel lager risico op een ziekenhuisopname dan diegenen die niet gevaccineerd zijn of niet onlangs genezen zijn van COVID-
- Bovendien eerbiedigt het CST de vrije keuze om zich niet te laten vaccineren, aangezien de niet-gevaccineerden middels een test- en herstelcertificaat ook gebruik kunnen maken van het CST. De onderscheiden behandeling is dan ook het gevolg van de eigen, vrije en weloverwogen keuzes, waarvan men op voorhand wist welke de gevolgen zouden zijn. Voorts werd het gebruik van het CST beperkt in de tijd, en werd het CST gedesactiveerd zodra de epidemiologische omstandigheden dit toelieten. Wat de aangevoerde discriminatie tussen de niet-gevaccineerden onderling betreft, stellen de institutionele overheden dat de toegang tot zowel de vaccinaties als de testen voldoende algemeen en laagdrempelig is. Er zou een redelijk evenwicht zijn gezocht tussen het beperken en het voorkomen van het coronavirus SARS-CoV-2, enerzijds, en het hervatten van de sociale activiteiten, anderzijds. De sociale activiteiten werden bovendien gefaseerd hervat, waarbij het niet de bedoeling was om elke dag andere sociale contacten te hebben. Zolang er geen algemene lockdown is, zijn niet-gevaccineerden bovendien niet verplicht om een test te laten afnemen om 13 sociale contacten te onderhouden. De burger zonder smartphone zou evenmin worden gediscrimineerd, nu hij op eenvoudige wijze een papieren versie van het digitale EU-COVID-certificaat zou kunnen verkrijgen. A.11.
- Wat het tweede onderdeel betreft, voeren de institutionele overheden aan dat het gebruik van het CST subsidiair en proportioneel is ten aanzien van de vermeende ingeperkte grondrechten. Uit diverse adviezen en rechtspraak zou immers blijken dat het recht op vrij verkeer voldoende is gewaarborgd. Het CST zou des te meer proportioneel zijn, nu het gebruik ervan beperkt is tot de limitatief opgesomde evenementen en sectoren waar er een verhoogd risico op besmetting bestaat of waar een bijzonder kwetsbaar publiek samenkomt. Het CST heeft er bovendien toe bijgedragen dat degenen die erover beschikken, zich vrij konden bewegen in het socioculturele leven, nu het de heropening van een heel aantal sectoren mogelijk maakte. Tot slot zou uit studies blijken dat het CST een adequaat middel is om de besmettingsgraad, de ziekenhuisopnames en de sterfgevallen te verminderen, evenals om het bruto binnenlands product te verhogen en lockdowns met zware economische gevolgen te vermijden. De verzoekende partijen zouden niet aantonen dat andere, minder verregaande maatregelen voldoende waren om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken. A.11.
- Wat het derde onderdeel betreft, voeren de institutionele overheden aan dat het niet aan het Hof toekomt zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een wetgevende akte met een Europese verordening. In ieder geval zouden de samenwerkingsakkoorden die het CST regelen niet in strijd zijn met de verordening (EU) 2021/953, nu de samenwerkingsakkoorden geen vaccinatieplicht in het leven roepen. Het CST is immers niet louter aan vaccinatie gekoppeld. A.11.
- Wat het vierde onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat de verzoekende partijen niet aantonen waarin de schending van artikel 22bis van de Grondwet bestaat, zodat het middelonderdeel op dat vlak ongegrond moet worden verklaard. Wat de vermeende schending van artikel 22ter van de Grondwet betreft, stellen de institutionele overheden dat personen die om medische redenen niet kunnen worden gevaccineerd tegen COVID-19, met een medisch attest een terugbetaling kunnen krijgen voor een PCR-test of een antigeensneltest. Zij kunnen zich in Vaccinnet+ tevens laten registreren als volledig gevaccineerd, ook al is dit niet het geval. Personen met een handicap zouden zonder problemen een CST kunnen verkrijgen. Zij zouden op dezelfde wijze toegang hebben tot vaccinaties en tests als personen zonder een handicap. Er is voorts geen verplichting tot vaccinatie van het zorgpersoneel. Een kwetsbaar persoon kan dus worden verzorgd door zijn zorgverlener naar keuze, al dan niet met CST. Het voorleggen van een CST door de zorgverlener is immers niet verplicht voor het verstrekken van de zorg aan een persoon met een handicap. Tot slot betwisten de institutionele overheden het belang van de verzoekende partijen bij dat middel, nu zij niet behoren tot de categorie van personen die zijn geviseerd in de artikelen 22bis en 22ter van de Grondwet. A.11.
- Wat het vijfde onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat artikel 23 van de Grondwet evenzeer het recht op bescherming van de gezondheid en het recht op bescherming van een gezond leefmilieu omvat, waarbij de overheid een positieve verplichting heeft om die rechten te verzekeren. Het recht op culturele ontplooiing dient dan ook te worden afgewogen tegen het recht op gezondheid. Het CST zou proportioneel zijn in het licht van de doelstellingen om, enerzijds, de verspreiding van het virus te verminderen en, anderzijds, de economische gevolgen van de pandemie zoveel mogelijk te beperken. Gelet op het feit dat het gebruik van het CST slechts een beperkte tijd werd vooropgesteld, is de schade aan het maatschappelijke leven en de culturele of maatschappelijke ontplooiing van niet-gevaccineerden in ieder geval nagenoeg nihil. A.11.
- Wat het zesde onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat het CST proportioneel is ten aanzien van de inperking van de vrijheid van vergadering en vereniging. Het inzetten van het CST heeft ervoor gezorgd dat een lockdown of een sluiting van bepaalde sectoren werd vermeden of minstens beperkt in de tijd. Bij een lockdown of sluiting komen het recht op vereniging en het recht op vergadering immers nog veel meer in het gedrang. Wat het derde middel in de zaak nr. 7739 betreft A.
- Het derde middel in de zaak nr. 7739 is afgeleid uit de schending van artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 14 In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het CST het recht op bescherming van het privéleven schendt door op disproportionele wijze in te grijpen in het sociale leven, met inbegrip van de zakelijke activiteiten. Het wettigheidsbeginsel zou zijn geschonden, in zoverre de bestreden samenwerkingsakkoorden en instemmingsnormen evenals het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 voorzien in een optioneel gebruik van het CST en aldus niet voldoende voorzienbaar en duidelijk zijn. Voorts zou het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel zijn geschonden, nu de bestreden normen niet nuttig, relevant en toereikend zijn om het beoogde doel te bereiken en er minder ingrijpende maatregelen bestaan met een kleinere weerslag op het privéleven van de betrokkenen die hetzelfde doel bereiken. De verzoekende partijen verwijzen naar een uitbreiding van de mondmaskerplicht, meer inzetten op ventilatie en het gebruik maken van protocollen in de betrokken sectoren. Het gebruik van het CST zou in een korte tijd zijn uitgebreid tot buiten het doel waarvoor het oorspronkelijk bestemd was, namelijk de toegang tot massa-evenementen en proef- en pilootprojecten. Die functieverschuiving in het systeem van het CST zou onmiskenbaar leiden tot een inbreuk op het recht op bescherming van het privéleven en van persoonsgegevens. Doordat het CST de facto een dwangmaatregel tot vaccinatie zou zijn, zou bovendien afbreuk worden gedaan aan het recht op fysieke integriteit. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het CST het recht op bescherming van persoonsgegevens schendt. De verwerking van persoonsgegevens, met inbegrip van de gevoelige gezondheidsgegevens, zou niet in verhouding staan tot de nagestreefde doelstelling en zou afbreuk doen aan het beginsel van de minimale gegevensverwerking dat is neergelegd in artikel 5, lid 1, c), van de AVG. De organisatoren van evenementen en uitbaters van cafés zouden via het CST immers kennis krijgen van een belangrijk kenmerk van de gezondheidstoestand van verzoekers. Ook in zoverre het CST de volledige voor- en achternaam van de houder ervan toont, zou het niet in overeenstemming zijn met het beginsel van de minimale gegevensverwerking. Voorts zou het in artikel 5, lid 1, a), van de AVG neergelegde beginsel van de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens zijn geschonden door de mogelijkheid voor de organisatoren van evenementen en de uitbaters van bepaalde aangelegenheden en voorzieningen om al dan niet gebruik te maken van het CST. Er kan immers geen sprake zijn van een « wettelijke verplichting » in de zin van artikel 6, lid 1, c), van de AVG wanneer de bevoegdheid voor het gebruik van het CST als toegangsvoorwaarde bij de organisator of exploitant wordt gelegd. Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, dat de interne rechtsgrond vormt voor de verwerking van persoonsgegevens bij het gebruik van het CST, zou onvoldoende waarborgen bieden voor de bescherming van het privéleven van de betrokkenen. Tot slot zou het in artikel 5, lid 1, f), van de AVG neergelegde integriteits- en vertrouwelijkheidsbeginsel zijn geschonden, in zoverre het mogelijk is om als gebruiker van de COVIDScan-applicatie te veranderen tussen de optie om het digitale EU-COVID-certificaat van inkomende reizigers te scannen en de optie om het CST te scannen voor de toegang tot evenementen of andere plaatsen. De verzoekende partijen verwijzen ter zake ook naar een onderzoek dat de Gegevensbeschermingsautoriteit gestart is naar een mogelijk beveiligingslek in de COVIDScan-applicatie, waardoor de persoonsgegevens van 39 000 personen zouden zijn gelekt. A.
- De institutionele overheden voeren aan dat er een adequate rechtsgrond is voor de verwerking van de persoonsgegevens bij het gebruik van het CST. In de bestreden samenwerkingsakkoorden en de bestreden decreten en ordonnanties van de deelentiteiten zouden alle parameters van de verwerking worden uiteengezet overeenkomstig artikel 5 van de AVG. Voorts zouden de institutionele overheden hun transparantieplicht hebben vervuld, door te voorzien in een duidelijke en toegankelijke privacyverklaring voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de COVID-certificaten en voor de COVIDsafe-applicatie. De doeleinden van het CST zouden zeer restrictief worden geïnterpreteerd, en het CST zou het meest geschikte instrument zijn om dataminimalisering te bereiken door alleen een QR-code, een naam en een geboortedatum weer te geven. Het CST zou geen uitsluitsel geven over de vaccinatiestatus, nu het ook verkregen kan worden aan de hand van een test- of herstelcertificaat. Het enige persoonsgegeven dat bij de validatie zeer kortstondig wordt verwerkt, is dus het gegeven of de certificaathouder al dan niet een geldig certificaat heeft, hetgeen een beperkt persoonsgegeven betreft. De accuraatheid van de persoonsgegevens zou worden verzekerd door het inscannen van de QR-code van het CST te combineren met een controle van het identiteitsbewijs van de bezoeker. Ook het beginsel van de beperkte opslag van persoonsgegevens zou ter harte zijn genomen, nu de persoonsgegevens onmiddellijk na de verwerking ervan door het inlezen van het CST worden gewist en de toepassing van het CST door de deelentiteiten wordt begrensd met een maximumduur van drie maanden en in ieder geval eindigt op 30 juni 2022, zijnde de datum waarop de verordening (EU) 2021/953 buiten werking treedt. Het CST zou tot slot voldoen aan alle vereisten inzake integriteit en confidentialiteit die zijn uiteengezet in de AVG, hetgeen uitdrukkelijk wordt bevestigd in de artikelen 16 en 17 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
- De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zou reeds hebben vastgesteld dat er geen sprake is van enig gegevenslek of van enige onveiligheid in de COVIDScan-applicatie. In ieder geval zou het Hof niet bevoegd zijn om de genomen technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen in de COVIDScan-applicatie te beoordelen op hun adequaatheid en doeltreffendheid. 15 Het CST zou dan ook voldoen aan alle juridische voorwaarden om een inmenging in het recht op bescherming van het privéleven te verantwoorden. Het zou zijn ingevoerd met het oog op het verminderen van besmettingen en hospitalisaties en op het economisch en sociaal herstel van België. De impact op het privéleven zou ook zeer beperkt zijn, aangezien er geen gegevens worden geregistreerd en het verkrijgen van een CST zeer laagdrempelig is. De tijdelijke aard van het CST, de beperking omtrent het waar en wanneer het kan worden gebruikt en de vele wettelijke waarborgen voor de rechten en vrijheden die zijn opgenomen in de samenwerkingsakkoorden over het CST, maken dat die maatregel geen schending vormt van het recht op eerbiediging van het privéleven. Het CST was dan ook noodzakelijk en proportioneel, gelet op de uiterst precaire epidemiologische situatie waarin België zich bevond. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7739 betreft A.
- Het vierde middel in de zaak nr. 7739 is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels, in zoverre bij afkondiging van een epidemische noodsituatie de deelentiteiten hun principiële mogelijkheid zouden verliezen om het CST in te zetten en de federale regelgever eenzijdig de decreten en ordonnanties zou kunnen opheffen dan wel wijzigen. Dit zou des te problematischer zijn omdat dit gebeurt door de Koning. Een dergelijke delegatie van bevoegdheden zou niet toelaatbaar zijn. Ondergeschikt stellen de verzoekende partijen dat het CST geen maatregel van preventieve gezondheidszorg is, nu het een maatregel betreft die zich richt op alle burgers, ongeacht of er een risico op infectie is of niet. Het zou een maatregel van sanitaire politie zijn, waarvoor uitsluitend de federale regelgever bevoegd is. A.
- De institutionele overheden stellen dat de deelentiteiten geen bevoegdheid wordt ontnomen op basis van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
- Dat akkoord bepaalt gewoon de modaliteiten van het optreden van elke partner van de federale Staat. De ondertekenaars van het akkoord leggen vrij de modaliteiten van hun samenwerking vast. De deelentiteiten hebben dus vrij kunnen bepalen dat zij hun bevoegdheden niet zouden uitoefenen zolang er een epidemische noodsituatie is uitgeroepen. Voorts stellen de institutionele overheden dat de deelentiteiten op basis van hun bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg bevoegd zijn om maatregelen te nemen die ertoe strekken de verspreiding van besmettelijke ziektes te vermijden. De reglementering van de toegang tot bepaalde sectoren op basis van het CST zou aldus een maatregel zijn die valt binnen het kader van de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg. Wat de handhaving van de gevolgen betreft A.
- Ondergeschikt stellen de institutionele overheden dat de vernietiging van de bestreden bepalingen ongewenste gevolgen zou hebben voor de opmaak en de afgifte van vaccinatie-, test- en herstelcertificaten, aangezien het in België niet langer mogelijk zal zijn op die wijze een digitaal EU-COVID-certificaat te verkrijgen. Voorts zal het niet langer mogelijk zijn het CST voor binnenlandse doeleinden te gebruiken. Aangezien enerzijds de epidemiologische situatie in België precair blijft en in sommige delen van het land het aantal besmettingen met het coronavirus SARS-CoV-2 weer toeneemt, en anderzijds een heropflakkering van het virus nooit kan worden uitgesloten, zijn het digitale EU-COVID-certificaat en het CST niet enkel nuttige, maar tevens proportionele en noodzakelijke instrumenten in de strijd tegen dat virus. De vernietiging van de bestreden normen zou desastreuze en onoverkomelijke gevolgen veroorzaken voor de betrokken administraties en entiteiten en voor het beleid ter bestrijding van COVID-
- De institutionele overheden vorderen om die reden dat, indien het Hof de bestreden bepalingen vernietigt, de gevolgen worden gehandhaafd voor de periode van 16 juni 2021 tot de buitenwerkingtreding van de verordening (EU) 2021/953, of althans tot de aanneming en de goedkeuring van een nieuw samenwerkingsakkoord, onverminderd de handhaving van de gevolgen van de in het samenwerkingsakkoord bedoelde maatregelen, ook voor de toekomst, overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
- 16 In de zaak nr. 7743 A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7743 vorderen de vernietiging van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober
- De verzoekende partijen geven aan dat de inhoud van hun verzoekschrift deels gelijklopend is met de inhoud van het verzoekschrift dat zij hebben ingediend in de zaak nr. 7666, waarbij zij eveneens de vernietiging van de bestreden akten hebben gevorderd. In de onderhavige zaak voeren de verzoekende partijen, ten opzichte van de zaak nr. 7666, drie bijkomende middelen aan en ontwikkelen zij eveneens een aantal aanvullende beschouwingen met betrekking tot de context van de bestreden akten. A.18.1.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel, dat zij omschrijven als het « hoofdmiddel » en « belangrijkste middel », af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 15 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 14bis, 16, 19, 22, 22ter, 23, 25, 26, 27 en 187 van de Grondwet en, voor zover nodig, uit de schending van artikel 5, § 1, I, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de artikelen 128, 161 en 187 van de Grondwet, en al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 10, 13, 14, 15 en 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag, met de artikelen 2, 4, 6, 7, 9, 12, 14, 15, 17 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 1, 2, 3, 4, 6, 8, 11, 17, 20, 21, 47, 48 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het beginsel fraus omnia corrumpit, met het beginsel « alles wat niet bij wet verboden is, is toegelaten » zoals het reeds verwoord was in de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger van 1789, met het beginsel van behoorlijke wetgeving, met het algemeen transparantiebeginsel, met het algemeen beginsel van de menselijke waardigheid, met het algemeen beginsel van het recht op een eerlijk proces en toegang tot een rechter, met het algemeen beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten dat onder meer is neergelegd in artikel 16 van de Grondwet, met het beginsel van goede trouw, met het « beginsel van het verbod van rechtsregelontduiking », met het beginsel volgens hetwelk een grondrecht ook niet onrechtstreeks of indirect mag worden geschonden zoals blijkt uit de rechtspraak betreffende indirecte discriminatie, met het beginsel van het monopolie van geweld en dwang van de Staat, en met het voorzorgsbeginsel, en gelezen in het licht van de wet van 10 april 1990 « tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid », en in het bijzonder de artikelen 2 tot 13 en 13.9 tot 13.15 ervan, van artikel 1 van de wet van 10 januari 1977 « houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater », van artikel 8 van de wet van 30 juli 1979 « betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen », van artikel 2.7.3.20, § 1, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, van artikel 31, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 « houdende fiscale en andere bepalingen », van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek, van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van artikel 25, § 1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 « houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering », van artikel 1, eerste lid, 3°, van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » en van de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek. Dat middel bevat eenentwintig onderdelen. A.18.1.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de vaccinatie onrechtstreeks verplicht maken, terwijl de rechten van niet-gevaccineerden alleen kunnen worden beperkt als de vaccinatie wettelijk verplicht is. A.18.1.
- In een tweede onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat het verschil in behandeling tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden op valse, betwistbare of op zijn minst niet-transparante feiten steunt en dus niet redelijk verantwoord is. A.18.1.
- In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het CST een kennelijk onredelijk toepassingsgebied heeft, omdat de in de bestreden bepalingen bedoelde horecavoorzieningen essentiëler zijn dan 17 bepaalde plaatsen die niet in die bepalingen worden beoogd, zoals balletscholen, terwijl in de toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 wordt verklaard dat het CST niet geldt voor essentiële diensten. A.18.1.
- In een vierde onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat er geen enkele technische beperking is ten aanzien van de personen die het CST kunnen lezen, terwijl het met de moderne technologie mogelijk is onbevoegden te verhinderen om dat certificaat te lezen. A.18.1.
- In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen niet-gevaccineerden, naar gelang van hun financiële situatie, gelet op het feit dat de testen zeer duur zijn. Gelet op de kosten die zij noodzakelijk maken om van bepaalde essentiële rechten gebruik te maken, zouden de bestreden bepalingen dermate afbreuk doen aan de financiële toestand van de persoon tot wie ze gericht zijn dat ze een onevenredige maatregel vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel, waardoor zij een schending met zich meebrengen van het eigendomsrecht. A.18.1.
- In een zesde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de artikelen 22 en 22ter van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schenden, omdat de bestreden bepalingen geen rekening houden met de situatie van de personen die het vaccin niet mogen krijgen wegens medische contra-indicaties. A.18.1.
- In een zevende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet in toereikende procedurele waarborgen voorzien, en meer bepaald in het voorafgaand optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter, om de beslissing tot weigering van toegang tot een van de in de bestreden bepalingen bedoelde plaatsen te betwisten. Aldus zou het procedurele luik van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en dus ook van artikel 22 van de Grondwet worden geschonden. A.18.1.
- In een achtste onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen niet het recht waarborgen, van de burgers, op toegang tot het toilet wanneer zij zich buitenshuis begeven, hetgeen onder meer cystitis kan veroorzaken. De bestreden bepalingen brengen bijgevolg de gezondheid van die burgers in gevaar en schenden het recht op menselijke waardigheid. A.18.1.
- In een negende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het recht op eerbiediging van het privéleven schenden in zoverre zij de bezoekers van de geviseerde plaatsen verplichten om hun identiteitskaart te tonen, waaruit hun woonplaats kan worden afgeleid. De woonplaats is nochtans een element van het privéleven dat bescherming geniet. In een democratische samenleving zou er geen dwingende maatschappelijke behoefte bestaan om zijn woonplaats bekend te moeten maken aan onbeëdigde personen teneinde elementaire rechten te kunnen uitoefenen. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat het Hof het geweldmonopolie van de overheid erkent als een overheidskenmerk. De CST-controleurs zouden dus geen geweld mogen gebruiken om personen die geen wanorde veroorzaken aan de deur te zetten. Nochtans lijken de bestreden normen dat wel van hen te verwachten. A.18.1.
- In een tiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de uitsluiting van de door de bestreden bepalingen geviseerde activiteiten een hoofdzakelijk bestraffend karakter heeft, zodat zij een strafsanctie is in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg kan die sanctie alleen worden uitgesproken door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank. A.18.1.
- In een elfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling creëren tussen diegenen die zich laten vaccineren om het CST te verkrijgen en diegenen die zich laten vaccineren omdat het wettelijk verplicht is, doordat de aansprakelijkheid van de overheid verschillend is in geval van ernstige bijwerkingen. De bestreden bepalingen zouden een illegitiem doel nastreven, namelijk het impliciet verplichten van de bevolking om zich te laten vaccineren, zonder dat de betrokken overheden burgerrechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van bijwerkingen. A.18.1.
- In een twaalfde onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen van de twaalf- tot vijftienjarigen, aangezien zij niet zelf de applicatie kunnen downloaden die nodig is voor het overleggen van het CST en niet altijd met nuttig gevolg de hulp van hun ouders kunnen inroepen. 18 A.18.1.
- In een dertiende onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat de bestreden bepalingen geen begeleidende maatregelen bevatten voor diegenen die geen toegang hebben tot de voor het CST noodzakelijke mobiele applicatie of die niet de nodige kennis hebben om het CST te gebruiken, zodat die personen worden gediscrimineerd. A.18.1.
- In een veertiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een frauduleus doel nastreven, namelijk de overheden doen ontsnappen aan hun aansprakelijkheid in geval van bijwerkingen van het vaccin. A.18.1.
- In een vijftiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet transparant zijn en het publieke debat over vaccinatie niet aanmoedigen, in strijd met hetgeen wordt vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het voormelde arrest van 8 april 2021 in zake Vavřička e.a. t. Tsjechische Republiek. A.18.1.
- In een zestiende onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat er geen waarborg is dat het systeem van de QR-code de overheid niet toelaat de verplaatsingen van burgers te controleren. A.18.1.
- In een zeventiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er maatregelen zijn die minder afbreuk doen aan de vrijheden dan die waarin de bestreden bepalingen voorzien, bijvoorbeeld het gebruik van een temperatuurscanner. A.18.1.
- In een achttiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen toestaan dat tot bepaalde plaatsen toegang wordt geweigerd, zonder evenwel de omvang te preciseren van de bevoegdheden van de personen die belast zijn met de controle van het CST. Dat gebrek aan duidelijkheid tast het recht van de burgers op veiligheid aan. Voorts zou het gelijkheidsbeginsel worden geschonden doordat de personen die belast zijn met de controle van het CST meer bevoegdheden toegekend krijgen dan de gewone burgers, die iemand die hun huis in brand wil steken zelfs niet mogen aanraken in het kader van wettige verdediging. A.18.1.
- In een negentiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat er geen beperkingen zijn voor diegenen die een vaccinatie tegen polio – de enige verplichte vaccinatie in België – hebben geweigerd. De bestreden bepalingen creëren bijgevolg een discriminatie tussen diegenen die het poliovaccin weigeren en diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren. A.18.1.
- In een twintigste onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen niet in enige vrijstelling van het gebruik van het CST voorzien voor inzonderheid een horecabezoek om te eten, te drinken en naar het toilet te gaan bij een verplaatsing die ertoe strekt een dringende en noodzakelijke activiteit te vervullen die niet kan worden uitgesteld, zoals naar een testcentrum of de begrafenis van een naast familielid gaan. Het gaat bijgevolg om onevenredige maatregelen die afbreuk doen aan artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.18.1.
- In een eenentwintigste en laatste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet waarborgen dat diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren, niet strenger behandeld worden dan diegenen die een wettelijk verplicht vaccin weigeren. Zo zou niet worden gewaarborgd dat diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren slechts eenmalig veroordeeld kunnen worden tot een niet al te hoge geldboete en dat zij niet uitgesloten kunnen worden van deelname aan verplichte activiteiten zoals deelname aan het lager en hoger onderwijs voor minderjarigen en het uitoefenen van een beroepsbezigheid. De bestreden bepalingen zouden op een niet redelijk verantwoorde wijze geen onderscheid maken tussen een cafébezoek tijdens een plezieruitstap en een cafébezoek op de weg van en naar het werk. A.18.1.
- Wat enkel het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 betreft, voeren de verzoekende partijen bovendien aan dat het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre dat decreet het gebruik van het CST verplicht stelt voor de bezoekers die zich in binnenruimten van horecavoorzieningen en van fitnesscentra begeven, maar niet voor de bezoekers van andere sportcentra, handelsbeurzen, congressen en voorzieningen die behoren tot de culturele, de evenementen- en recreatiesector. Volgens hen laat het beoefenen van bepaalde activiteiten waarop die verplichting geen betrekking heeft, niet toe de social distancing in acht te nemen of een mondmasker te dragen, terwijl het die onmogelijkheid is die door de decreetgever als verantwoording wordt gegeven voor de verplichting om het CST voor te leggen. Dat verschil in behandeling is bijgevolg niet redelijk verantwoord. 19 De verzoekende partijen stellen overigens dat bepaalde restaurantuitbaters, die over de nodige technische vaardigheden op het vlak van websites beschikken, erin slagen de CST-verplichting te omzeilen, hetgeen discriminerend is tegenover diegenen die daartoe niet over de nodige kennis beschikken. A.18.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel, dat zij omschrijven als het « eerste nieuw middel », af uit de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partijen leidt het gebruik van het CST tot een vernederende behandeling in de zin van die verdragsbepaling, voor zover zij daardoor ertoe worden aangezet om zich tegen hun wil of geweten, op eigen risico, te laten vaccineren. De verzoekende partijen zouden eveneens een vernederende behandeling ondergaan doordat hun de toegang tot de binnenruimten van horecavoorzieningen wordt ontzegd. In bijkomende orde vragen de verzoekende partijen het Hof om de bestreden bepalingen te vernietigen en te schorsen, in zoverre die bepalingen niet voorzien in afdoende waarborgen met betrekking tot de vergoeding van de schade die het gevolg zou kunnen zijn van een vaccinatie tegen COVID-
- A.18.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel, dat zij omschrijven als het « tweede nieuw middel », af uit de schending van de artikelen 10, 11, 16, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag, met de preambule en artikel 10, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het recht op menselijke waardigheid. Volgens de verzoekende partijen leiden de bestreden bepalingen, in het bijzonder artikel 5 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, tot een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van personen die niet zijn gevaccineerd tegen COVID-19, naargelang zij een horecavoorziening of een fitnesscentrum wensen te bezoeken dan wel de trein wensen te nemen of zich naar een worstelclub wensen te begeven. Uit het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 april 2021 in zake Vavřička e.a. t. Tsjechische Republiek, leiden de verzoekende partijen af dat, wanneer een vaccinatie niet wettelijk is verplicht, het gebrek aan vaccinatie geen nadelige gevolgen kan hebben, zoals het ontzeggen aan niet-gevaccineerde personen van de toegang tot bepaalde plaatsen. Bovendien zijn de PCR-test en de antigeentest duur, waardoor personen met een beperkt inkomen die een testcertificaat wensen te verkrijgen harder worden getroffen, en kan een dergelijk certificaat enkel op nuttige wijze worden verkregen door personen die een smartphone bezitten. De bestreden bepalingen gaan niet gepaard met afdoende maatregelen die waarborgen dat ook de personen die geen smartphone bezitten, een CST kunnen verkrijgen en gebruiken. A.18.
- De verzoekende partijen leiden een vierde middel, dat zij omschrijven als het « derde nieuwe middel », af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 14, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 7, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag, met de preambule en artikel 10, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met het recht op menselijke waardigheid, met het rechtszekerheidsbeginsel, met het vertrouwensbeginsel, met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, met het verbod op terugwerkende kracht van de strafwet, met het beginsel van behoorlijke wetgeving en met het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen zetten uiteen dat het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 op diezelfde dag werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en reeds twee dagen later, op 1 november 2021, in werking is getreden en het gebruik van het CST dus verplicht was vanaf die datum. De onmiddellijke inwerkingtreding van het decreet heeft volgens de verzoekende partijen een verschil in behandeling gecreëerd tussen verschillende categorieën van inwoners van het Vlaamse Gewest, naar gelang zij over voldoende financiële middelen beschikten om naar het buitenland te reizen en zich vóór hun reis reeds hadden laten vaccineren, alsook tussen inwoners van het Vlaamse Gewest die zich niet hadden laten vaccineren en inwoners van Nederland of Frankrijk, die zich als gevolg van de in die landen geldende regelgeving reeds vroeger hadden laten vaccineren. Het gebrek aan een overgangsregeling miskent daarnaast de rechtmatige verwachtingen van de niet-gevaccineerde personen, zonder dat daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. Bovendien heeft het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 in werkelijkheid terugwerkende kracht, aldus de verzoekende partijen, in zoverre zij daardoor nadelen ondervinden als gevolg van hun keuze om zich niet te laten vaccineren, terwijl zij die keuze reeds vóór de inwerkingtreding van dat decreet hebben gemaakt. Het decreet van 29 oktober 2021 kan eveneens ertoe leiden dat geldboetes worden opgelegd aan niet-gevaccineerde personen die een horecavoorziening bezoeken, waardoor een strafrechtelijke sanctie zou worden ingevoerd met terugwerkende 20 kracht. Tot slot merken de verzoekende partijen op dat de mogelijkheid om zich te laten testen op COVID-19 niet kan worden beschouwd als een volwaardig alternatief voor een vaccinatie. A.18.
- De verzoekende partijen leiden een vijfde middel, dat zij omschrijven als het « vierde nieuw middel », af uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 2, 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partijen zijn die bepalingen geschonden voor zover de bestreden akten geen regeling bevatten die analoog is aan de regeling voorzien in artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Als gevolg daarvan beschikken personen die zich dienen te laten vaccineren op grond van een formele wet, niet over dezelfde mogelijkheden inzake schadeloosstelling als personen die zich dienen te laten vaccineren op grond van een koninklijk besluit. A.19.
- De institutionele overheden stellen in hun nagenoeg identieke memories voorafgaandelijk vast dat de inhoud van het verzoekschrift in de zaak nr. 7743, wat het enige middel betreft, nagenoeg identiek is aan de inhoud van het verzoekschrift in de zaak nr. 7666 dat werd ingediend door dezelfde verzoekende partijen. De zogenaamde nieuwe middelen in het verzoekschrift in de zaak nr. 7743, bevatten geen volledig nieuwe elementen doch nemen de standpunten uit het eerdere verzoekschrift over. De institutionele overheden weerleggen die standpunten in de onderdelen van het enige middel waar die het best passen. De institutionele overheden voeren voorts aan dat het enige middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van normen die niet in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn vermeld. A.19.
- Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 en het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 noch expliciet, noch impliciet een verplichte vaccinatie opleggen. Burgers die zich niet wensen te laten vaccineren, kunnen nog steeds een geldig CST verkrijgen op grond van een herstel- of testcertificaat. Er bestaan ook geen onevenredige gevolgen in het licht van de beoogde doelstellingen, nu de toegang tot zowel de vaccinaties als de testen voldoende algemeen en laagdrempelig is. A.19.
- Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat de verschillende samenwerkingsakkoorden die zijn afgesloten tussen de federale overheid en de betrokken deelentiteiten inzake Testing en Tracing, CoronAlert, Vaccinatiestrategie, het digitale EU-COVID-certificaat en het CST, allemaal getuigen van een respect voor de vrije keuze van de burger en de gelijke behandeling die daarmee gepaard gaat. A.19.
- Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat het argument dat horecavoorzieningen essentiëler zijn dan balletscholen omdat zij sanitaire voorzieningen hebben, geen steek houdt. Ook balletscholen hebben normaal gezien immers de nodige sanitaire voorzieningen. Voorts benadrukken de institutionele overheden dat balletscholen onderwijsactiviteiten verstrekken, en om die reden niet kunnen worden onderworpen aan het CST. Het recht op onderwijs en de ontplooiing van kinderen, op alle vlakken, worden immers als essentieel gezien door de verwerende partijen en zijn in ieder geval essentiëler dan een occasioneel bezoek aan een horecagelegenheid. A.19.
- Wat het vierde onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat artikel 13 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 zeer duidelijk bepaalt door welke personen het CST gelezen kan worden. Personen die het CST inlezen voor doeleinden waarin niet is voorzien in het samenwerkingsakkoord, worden gestraft met zowel gemeenrechtelijke als strafrechtelijke sancties. De bewering van de verzoekende partijen dat er geen beperking is van de personen die het CST kunnen lezen, is dus onjuist. A.19.
- Wat het vijfde onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat de verzoekende partijen een vergelijking lijken te maken tussen, enerzijds, de ongevaccineerde personen, die zich moeten laten testen op het coronavirus om toegang te hebben tot bepaalde plaatsen en activiteiten en, anderzijds, de andere personen, die zich niet moeten laten testen om toegang te hebben tot bepaalde plaatsen en activiteiten omdat zij wel beschikken over een vaccinatie- of herstelcertificaat. De institutionele overheden benadrukken dat de bestreden wetgeving voor iedereen op dezelfde manier geldt. Iedere persoon die toegang wenst tot een locatie waar een CST verplicht is, kan er volledig vrij voor kiezen zich te laten vaccineren, een herstelcertificaat te verkrijgen of zich te laten testen. Het gemaakte onderscheid steunt op een voldoende objectief criterium, namelijk de aanwezigheid van antistoffen, immuuncellen en witte bloedcellen die worden aangemaakt door vaccinatie of 21 herstel na een infectie met het coronavirus. De bestreden bepalingen streven bovendien legitieme doelen na, zijnde de verspreiding van het coronavirus tegengaan, de verdere verzadiging van het ziekenhuiswezen vermijden, de economie doen heropleven en de bevolking in staat stellen het sociale leven weer aan te vatten. Er bestaan tot slot geen onevenredige gevolgen in het licht van die doelstellingen, nu de toegang tot zowel de vaccinaties als de testen voldoende algemeen en laagdrempelig is, zowel vanuit financieel als vanuit organisatorisch oogpunt. Bovendien is er geen CST vereist op het terras van een horecazaak. Iedereen kan zonder CST sociale contacten onderhouden op café of restaurant, en in dat kader binnen betalen en de sanitaire voorzieningen gebruiken. Ongevaccineerde personen worden dus niet verplicht om een test te laten afnemen om sociale contacten te kunnen onderhouden, zolang er geen algemene lockdown heerst. Zij worden dan ook niet onevenredig of onbillijk geraakt in hun vermogen of beperkt in hun eigendomsrechten, in vergelijking met andere personen of in het licht van de vereisten van het algemeen belang. A.19.
- Wat het zesde onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat de bestreden bepalingen wel degelijk rekening houden met de situatie van de personen die het vaccin niet mogen krijgen wegens medische contra-indicaties. Zij kunnen immers volledig kosteloos een testcertificaat verkrijgen dat gebruikt kan worden als CST. Zo wordt het CST bewust toegankelijker gemaakt voor de ongevaccineerde personen die zich niet kunnen laten vaccineren om medische redenen en wordt er dus tegemoetgekomen aan de beperkingen die deze personen zouden ondervinden. A.19.
- Wat het zevende onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat het recht op eerbiediging van het privéleven niet vereist dat iedere maatregel die het privéleven zou kunnen raken, gekoppeld moet worden aan een specifieke, afzonderlijke procedure om de maatregel in kwestie te kunnen aanvechten. Iedere persoon heeft bovendien toegang tot de rechter, in die zin dat hij de betrokken wetgeving kan aanvechten voor het Grondwettelijk Hof. In ieder geval, stellen de institutionele overheden, is het recht op eerbiediging van het privéleven niet absoluut. De bestreden wetgeving is voldoende precies en beoogt de in A.3.6 vermelde wettige doelstellingen die beantwoorden aan de dwingende maatschappelijke behoefte om de huidige sanitaire crisis zo snel mogelijk te beëindigen en de tussentijd zo draaglijk mogelijk te laten verlopen. De bestreden wetgeving is daarnaast evenredig in het licht van de nagestreefde doelstellingen. A.19.
- Wat het achtste onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat zowel personen met een CST als personen zonder een CST steeds toegang hebben tot sanitaire voorzieningen. Bijgevolg zal niemand verplicht worden om op straat zijn behoefte te doen of zichzelf te bevuilen, en zullen er zich geen vernederende, mensonwaardige of integriteit schadende toestanden voordoen. A.19.
- Wat het negende onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat er geen adresgegevens worden weergegeven op het CST of de identiteitskaart en dus ook niet ter kennis worden gebracht van private personen. Voorts benadrukken de institutionele overheden dat de personen die het CST controleren, de persoon die geen geldig CST heeft enkel de toegang tot een bepaalde plaats of activiteit kunnen ontzeggen. Ze mogen hierbij op geen enkele manier geweld gebruiken. Indien er zich problemen voordoen of een conflict ontstaat, dienen zij het veiligheidspersoneel of de politie in te schakelen. A.19.
- Het tiende onderdeel is volgens de institutionele overheden onontvankelijk, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, nu de verzoekende partijen niet toelichten op welke wijze die bepaling geschonden zou zijn. In ieder geval zou die bepaling niet zijn geschonden. De genomen maatregelen zouden immers niet beantwoorden aan het begrip « straf » in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Een « rood signaal » of « geen toegang » op het CST zou immers geen gevolg zijn van een strafbaar feit, maar louter een preventieve maatregel die tot doel heeft de verspreiding van het coronavirus te voorkomen en te beperken. De verplichtingen die volgen uit de bestreden bepalingen zouden bovendien preventieve administratieve maatregelen betreffen. Er zou bijgevolg geen sprake zijn van een burgerrechtelijk of strafrechtelijk geschil in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.19.
- Wat het elfde onderdeel betreft, herhalen de institutionele overheden dat er vandaag geen vaccinatieverplichting in het kader van de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 bestaat in België. In zoverre de verzoekende partijen de vaccinatiestrategie betwisten, stellen de institutionele overheden dat de gevolgde vaccinatiestrategie geen onderdeel uitmaakt van de bestreden rechtsnormen. Voorts zien de institutionele overheden niet in hoe de verzoekende partijen zich in het kader van huidig objectief contentieux op het adagium 22 fraus omnia corrumpit zouden kunnen beroepen. In ieder geval zou in onderhavige zaak voor de overheid geen van de voorwaarden van dat adagium zijn vervuld. A.19.
- Wat het twaalfde onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat de nodige applicatie gedownload kan worden op elke smartphone, dus ook op de smartphone van twaalf- tot vijftienjarigen. Het enige dat de voormelde jongeren niet zelf kunnen, is het genereren van hun digitaal EU-COVID-certificaat binnen de applicatie. Hun ouders kunnen dit evenwel voor hen doen. Voorts komt het voort uit gezondheidsrechtelijke instrumenten dat de toegang tot de gezondheidsgegevens van twaalf- tot vijftienjarigen via hun ouders verloopt. Die grief heeft dus niets met het CST te maken. Ten slotte bestaat er voor de twaalf- tot vijftienjarigen die niet over een smartphone beschikken, de mogelijkheid om een papieren versie van het CST te krijgen. Er zou dus geen sprake zijn van een discriminatie van twaalf- tot vijftienjarigen, nu zij op een eenvoudige manier – zij het met of zonder smartphone – over de nodige certificaten kunnen beschikken. A.19.
- Wat het dertiende onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat het gebruik van de applicatie COVIDScan weinig tot geen technische kennis vereist en het CST op zeer eenvoudige wijze gegenereerd kan worden via de applicatie. Bovendien beschikt het merendeel van de bevolking vandaag de dag over een smartphone, en kunnen de mensen die niet over een smartphone beschikken op eenvoudige wijze een papieren versie van het CST verkrijgen. A.19.
- Wat het veertiende onderdeel betreft, verwijzen de institutionele overheden naar hun verweer inzake het elfde onderdeel van het middel. A.19.
- Wat het vijftiende onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat de verzoekende partijen een verkeerde lezing geven aan het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 april 2021 in zake Vavřička e.a. t. Tsjechische Republiek. In paragraaf 298 van dat arrest wordt net bepaald dat er niet kan worden gesteld dat de huidige regeling een ernstig gebrek aan transparantie vertoont. De verzoekende partijen laten na aan te tonen dat de bestreden normen strijdig zouden zijn met die rechtspraak. A.19.
- Wat het zestiende onderdeel betreft, betwisten de institutionele overheden dat het systeem met QR-codes geen waarborgen zou bieden dat de overheid niet ieders verplaatsingen of ontvangen klanten gaat controleren. De doeleinden van het gebruik van het CST zijn immers gedetailleerd en limitatief opgesomd in de samenwerkingsakkoorden van 14 juli 2021 en van 27 september
- Gelet op het principe van de doelbinding dat is vermeld in artikel 5, lid 1, b), van de AVG, is men derhalve niet gerechtigd gegevens voor andere doeleinden aan te wenden, wanneer daarin niet is voorzien in de wet. A.19.
- Wat het zeventiende onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat de door de verzoekende partijen voorgestelde temperatuurlezing in zeer veel gevallen zou leiden tot een verwerking van persoonsgegevens. Dit zou het geval zijn bij een temperatuurmeting in de horeca of bij massa-evenementen, waar men ook aanwezigheidslijsten heeft en er aldus een koppeling mogelijk zou zijn van een bepaalde persoon met een bepaalde temperatuur. Die verwerking van persoonsgegevens zou veel verregaander zijn dan de verwerking van persoonsgegevens bij het gebruik van het CST. A.19.
- Wat het achttiende onderdeel betreft, stellen de institutionele overheden dat het Hof niet bevoegd is om de bestreden normen te toetsen aan het recht op veiligheid, dat niet in de Grondwet verankerd is. Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, laten de verzoekende partijen volgens de institutionele overheden na duidelijk toe te lichten welk discriminerend verschil in behandeling er zou bestaan tussen welke vergelijkbare categorieën van personen. In zoverre een vergelijking wordt gemaakt tussen personen die doodslag plegen die geboden was door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander, stellen de institutionele overheden dat die categorieën van personen fundamenteel verschillend zijn en het dan ook gerechtvaardigd is dat die categorieën verschillend worden behandeld. Het verschil in behandeling is in ieder geval redelijk verantwoord in het licht van het bovenvermelde door de wetgever beoogde doel bij het opleggen van de bestreden wetgeving. A.19.
- Wat het negentiende onderdeel betreft, betwisten de institutionele overheden dat personen die een poliovaccin weigeren, minder streng bestraft zouden worden dan personen die zich niet laten vaccineren tegen COVID-
- Personen die een poliovaccinatie weigeren, riskeren immers een geldboete van maximaal 800 euro en een gevangenisstraf van maximaal een maand. Het vaccin tegen COVID-19 is niet verplicht, en geen enkele 23 strafrechtelijk vrijheidsberovende maatregel kan worden genomen tegen die personen. Het enige verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, zijnde het verschil in besmettingsgevallen, de vaccinatiegraad, de aanwezigheid op het Belgisch grondgebied, de geografische aanwezigheid wereldwijd en de economische groei. Het verschil in behandeling is redelijk verantwoord in het licht van het bovenvermelde door de wetgever beoogde doel bij het opleggen van de bestreden wetgeving. A.19.
- Wat het twintigste onderdeel betreft, zien de institutionele overheden niet in hoe de vrijheid van verplaatsing wordt beperkt door het feit dat een persoon niet zou kunnen halthouden bij een horecagelegenheid. Indien men minder dan vijftien minuten binnen moet zijn, dient men geen CST voor te leggen. Bijkomend hoeft er geen CST te worden voorgelegd om bijvoorbeeld de sanitaire voorziening van een tankstation te gebruiken. Voor het overige verwijzen de institutionele overheden naar hun antwoord inzake het achtste onderdeel van het eerste middel. A.19.
- Wat het eenentwintigste onderdeel betreft, benadrukken de institutionele overheden dat er geen sprake is van een bestraffing van niet-gevaccineerde personen, nu een CST ook kan worden verkregen op basis van een herstel- en testcertificaat. Voorts is in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 duidelijk vermeld dat het CST niet mag worden aangewend in de professionele context, ook niet in bedrijfsrestaurants. Het onderscheid dat volgens de verzoekende partijen moet worden gemaakt tussen horecabezoekers voor professionele doeleinden en die voor vrijetijdsdoeleinden, zou allereerst een grote schending van het recht op eerbiediging van het privéleven van de bezoekers van een horecagelegenheid inhouden, aangezien het personeel dan zou moeten informeren naar de reden van het bezoek. Voorts zou dat onderscheid een onverantwoord epidemiologisch risico inhouden. De personen die de horecagelegenheid kunnen betreden zonder CST, zouden immers zichzelf en anderen in gevaar kunnen brengen. A.19.
- Wat het bijkomende onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de institutionele overheden dat er geen verschil in behandeling wordt ingesteld tussen uitbaters van een horecazaak naargelang zij al dan niet de bestreden wetgeving kunnen omzeilen doordat zij privé-evenementen kunnen organiseren en ticketsystemen kunnen toepassen. Ongeacht de toepassing van een ticket- of reservatiesysteem, blijft het een voorziening van horeca-activiteiten waar bezoekers het CST dienen te tonen. In ieder geval is een norm niet ongrondwettig om de enkele reden dat ze wordt geschonden. A.19.
- Ondergeschikt stellen de institutionele overheden dat de verzoekende partijen enkel de bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 viseren, en dan nog enkel de bepalingen die voorzien in het gebruik van het CST in de bijkomende aangelegenheden en voorzieningen zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 21°, van dat samenwerkingsakkoord. De vernietiging zou in ieder geval tot die bepalingen moeten worden beperkt. Meest ondergeschikt wijzen de institutionele overheden erop dat, indien de samenwerkingsakkoorden van 14 juli 2021 en van 27 september 2021 in hun geheel zouden worden vernietigd, België niet meer in staat zal zijn om te voldoen aan de op dit land van toepassing zijnde Europese normen. Zij vorderen dat, indien het Hof de bestreden bepalingen vernietigt, de gevolgen worden gehandhaafd voor de periode van 16 juni 2021 tot de buitenwerkingtreding van de verordening (EU) 2021/953, of althans tot de aanneming en de goedkeuring van een nieuw samenwerkingsakkoord, onverminderd de handhaving van de gevolgen van de in het samenwerkingsakkoord bedoelde maatregelen, ook voor de toekomst, overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
- -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7668, 7669, 7671, 7672, 7676, 7677, 7678, 7681, 7682, 7687, 7691, 7692 en 7694 vorderen de vernietiging van het decreet van de Vlaamse 24 Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (hierna : het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021). B.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7739 vorderen de vernietiging van : - de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie « betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021); - de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021); - de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021); 25 - het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021; - het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 2021 « betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht » (hierna : het decreet van het Waalse Gewest van 21 oktober 2021) en het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021 « tot wijziging van de artikelen 2, 5 en 8 van het decreet van 21 oktober 2021 betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht en tot invoeging van een artikel 10/1 » (hierna : het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021); - de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 oktober 2021 « betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie » (hierna : de ordonnantie van 14 oktober 2021) en de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 januari 2022 « tot verlenging van het temporele toepassingsgebied van de ordonnantie van 14 oktober 2021 betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie » (hierna : de ordonnantie van 14 januari 2022). B.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7743 vorderen de vernietiging van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober
- B.
- Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie de uitbraak van het SARS-CoV-2-virus uitgeroepen tot een pandemie. Ook België is sedert maart 2020 geconfronteerd met die pandemie en de gevolgen ervan. Het SARS-CoV-2-virus is een zeer besmettelijk virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt, die voornamelijk voor ouderen en personen met een medische voorgeschiedenis ernstige medische problemen veroorzaakt of dodelijk kan zijn (Parl. St., Vlaams Parlement, 2019-2020, nr. 415/1, p. 2; Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, p. 2; Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2019-2020, B-41/1, p. 1). In het kader van die COVID-19-gezondheidscrisis en om een verdere verspreiding van de ziekte COVID-19 tegen te gaan, werd oorspronkelijk de Nationale Veiligheidsraad waarin 26 vertegenwoordigers van de federale overheid en van de deelentiteiten werden opgenomen, en daarna het Overlegcomité, belast om op elkaar afgestemde maatregelen te nemen teneinde de verdere verspreiding van COVID-19 te beperken (Parl. St., Vlaams Parlement, 2019-2020, nr. 415/1, p. 2; Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, p. 2). B.3.
- De bestreden wetten, decreten en ordonnanties passen in het kader van het aanvullen en het actualiseren van het arsenaal aan maatregelen die de verschillende overheden hebben genomen om de COVID-19-pandemie te bestrijden en de verdere verspreiding van het SARS-CoV-2-virus tegen te gaan. B.3.
- Zo werden in de beginfase van de pandemie strenge maatregelen genomen die ertoe strekten de overdracht van het SARS-CoV-2-virus tegen te gaan door onder meer alle fysieke contacten tussen personen en reizen te verbieden (bv. afstand van anderhalve meter bewaren; samenscholingsverbod, verbod op niet-essentiële verplaatsingen, enz.). Vanaf mei 2020, gelet op de dalende trend inzake het aantal ziekenhuisopnames en overlijdens, is een nieuwe fase in de pandemie ingegaan, die noopte tot andere maatregelen om de verdere verspreiding van het virus en COVID-19 tegen te gaan. Die maatregelen hadden in het bijzonder betrekking op het opsporen en begeleiden van (vermoedelijk) besmette personen en hun contacten. B.3.
- In juli 2020 werden in het licht van de nieuwe fase in de COVID-19 crisis, waarbij na een periode van zogenaamde « lockdown light » de beperkingen op fysieke contacten tussen personen werden versoepeld en reizen opnieuw mogelijk werd, verdere maatregelen genomen om de daarmee samenhangende risico’s van verdere verspreiding tegen te gaan. B.4.1 De verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 « betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren » (hierna : de verordening (EU) 2021/953) voorziet, luidens artikel 1, eerste alinea, ervan, in een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van het digitale EU-COVID-certificaat, zijnde een interoperabel certificaat met informatie over de vaccinatie, het testresultaat of het herstel van de houder ervan, afgegeven in de context van de COVID-19-pandemie, dit teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de houders van dergelijke certificaten tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren. 27 Het digitale EU-COVID-certificaat maakt de afgifte, de grensoverschrijdende verificatie en de aanvaarding van de volgende certificaten mogelijk : - een vaccinatiecertificaat : een certificaat met de bevestiging dat aan de houder ervan een COVID-19-vaccin is toegediend in de lidstaat die het certificaat afgeeft; - een testcertificaat : een certificaat met de bevestiging dat de houder ervan een NAAT-test of snelle antigeentest heeft ondergaan, die het type test, de datum van uitvoering van de test en het resultaat van de test vermeldt; - een herstelcertificaat : een certificaat met de bevestiging dat de houder ervan is hersteld van een SARS-CoV-2-infectie na een positief NAAT-testresultaat (artikel 3 van de verordening (EU) 2021/953). De verordening (EU) 2021/953 voorziet in de rechtsgrondslag voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig is voor de afgifte van die certificaten en voor de verwerking van de informatie die nodig is om de echtheid en geldigheid van die certificaten te verifiëren en te bevestigen (artikel 1, tweede alinea). Krachtens artikel 17 van de verordening (EU) 2021/953 is zij van toepassing met ingang van 1 juli 2021 tot 30 juni
- B.4.
- Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 voorziet in een wettelijke basis voor het binnenlandse gebruik van het digitale EU-COVID-certificaat. Luidens artikel 2, § 1, van dat akkoord vormt het de rechtsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn voor de opmaak en afgifte van het digitale EU-COVID-certificaat en voor het genereren van het COVID Safe Ticket (hierna : het CST) op basis van het digitale EU-COVID-certificaat. Volgens de algemene toelichting van dat samenwerkingsakkoord gaat dat laatste uit van de noodzaak om « de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken », maar tevens om « rekening [te houden] met de heropstart van de activiteiten van de burgers zoals deze werden uitgeoefend voor de COVID-19-pandemie » (Belgisch Staatsblad, 23 juli 2021, derde editie, p. 76170). 28 B.4.
- Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 definieert het CST als het resultaat van de lezing van het digitale EU-COVID-certificaat middels de COVIDScan-applicatie teneinde de toegang tot bepaalde plaatsen of bepaalde evenementen in de context van de coronavirus-COVID-19-pandemie te regelen (artikel 1, § 1, 4°). B.4.
- In de oorspronkelijke versie ervan voorzag het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 in het gebruik van het CST om de toegang te regelen tot een massa-evenement, enerzijds, en tot een proef- en pilootproject, anderzijds (artikelen 1, § 1, 4°, 11° en 12°, 12 en 13), en dit tot 30 september 2021 (artikel 33, § 1, 3°). B.5.
- Het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 verlengt de toepasselijkheid van de bepalingen inzake het gebruik van het CST voor massa-evenementen en proef- en pilootprojecten tot 31 oktober 2021 en breidt ze uit tot de dancings en discotheken. In de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 wordt ter zake vermeld : « In het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 werd het gebruik van het COVID Safe Ticket ingevoerd voor massa-evenementen en proef- en pilootprojecten en werd tevens bepaald dat deze maatregel maar van toepassing was tot en met 30 september
- Gezien enerzijds de epidemiologische situatie in België nog altijd precair blijf