← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.073

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 mei 2023 ECLI nr: EC

§ 3

, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 november 2022 « houdende diverse fiscale

financiële bepalingen ») Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Btw - Nalatigheids-

moratoriuminteresten - Tarief van van 0,8 pct. per maand - Evolutie van de marktrente Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 73/2023 van 4 mei 2023 Rolnummer : 7763 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul

L. Lavrysen,

de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt

K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen

rechtspleging Bij vonnis van 4 februari 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 februari 2022, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 91, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde de artikelen 10

11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat een nalatigheidsinterest van 0,8 pct. per maand - wat neerkomt op een jaarlijkse rentevoet van 9,6 % - van rechtswege verschuldigd is wanneer de belasting niet voldaan is, terwijl artikel 414, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat, bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412, 413

413/1 van hetzelfde Wetboek gestelde termijnen, de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist, voor de duur van het verwijl, in afwijking van artikel 2, § 2, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, een interest opbrengen tegen een rentevoet die jaarlijks wordt aangepast

die overeenkomt met het gemiddelde van de referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op 10 jaar van de maanden juli, augustus

september van het laatste jaar dat het jaar waarin de rentevoet van toepassing is voorafgaat, zonder dat deze minder dan 4 pct. of meer dan 10 pct. mag bedragen, gelet op onder meer de verschillende behandeling van,

erzijds, de personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn krachtens artikel 91, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (die onevenredig kunnen blijken

die niet worden aangepast aan de 2 economische realiteit)

, anderzijds, de personen die de nalatigheidsinteresten bepaald bij artikel 414, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verschuldigd zijn (die wel worden aangepast aan de economische realiteit)

de personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn die zijn berekend tegen de wettelijke rentevoet, op de sommen die zij, hetzij als belasting, hetzij op een andere grond verschuldigd zijn ? Indien het Hof, in zijn antwoord op de voorgaande vraag, zou oordelen dat artikel 91, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde discriminerend

ongrondwettig is, zou de Belgische Staat, in zoverre hij, krachtens artikel 91, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, moratoriuminteresten verschuldigd is die zijn berekend tegen dezelfde rentevoet van 0,8 pct. per maand, op sommen die moeten worden teruggegeven, een onverantwoord verschil in behandeling ondergaan wanneer men hem vergelijkt met personen die een niet-voldane belasting verschuldigd zijn, doordat die laatsten in dat geval geen nalatigheidsinterest verschuldigd zijn die is berekend tegen dezelfde rentevoet ? Ondergaat de Belgische Staat, in zoverre hij, krachtens artikel 91, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, moratoriuminteresten verschuldigd is die zijn berekend tegen dezelfde rentevoet van 0,8 pct. per maand, op sommen die moeten worden teruggegeven, een onverantwoord verschil in behandeling wanneer men hem vergelijkt met andere publiekrechtelijke personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn op terug te geven belastingen, of met personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn die zijn berekend tegen de wettelijke rentevoet, op sommen die zij verschuldigd zijn ? ». De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. J. Fekenne, advocaat bij de balie Luik-Hoei, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 15 februari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet

S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 maart 2023

de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten

de rechtspleging in het bodemgeschil Op 7 maart 2018 stelt de Bijzondere Belastinginspectie een proces-verbaal van navordering van btw op voor een bedrag van 809 840,66 euro tegen een bvba, om reden dat die, voor de jaren 2010 tot 2016, btw-vrijstellingen ten onrechte zou hebben toegekend op de verkoop van juwelen

luxehorloges. Op 15 maart 2018 wordt op grond van dat proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd. Dat dwangbevel wordt uitvoerbaar verklaard op 22 maart 2018

betekend bij deurwaardersexploot op 7 maart 2018. De bvba maakt de zaak vervolgens aanhangig bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel om de tegen haar ingestelde navordering van btw, te betwisten. Bij een vonnis van 4 februari 2022 oordeelt die Rechtbank dat de btw-vrijstelling gedeeltelijk ten onrechte werd toegepast door de bvba, zodat er wel degelijk aanleiding bestaat om btw na te vorderen. Wat betreft de vaststelling van de nalatigheids-

moratoriuminteresten, stelt de Rechtbank vast dat de berekening die is bedoeld in artikel 91, 3 § 1, eerste lid,

§ 3

, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : het BTW-Wetboek), met name verschilt van de berekening die is vastgesteld in artikel 414, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). Bijgevolg vraagt het verwijzende rechtscollege zich af of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10

11 van de Grondwet

stelt het, op verzoek van de partijen, de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 168/2018 van 29 november 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.168), heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de belastingplichtige die moratoriuminteresten terugvordert op grond van het WIB 1992 tegen de jaarlijkse rentevoet van 2 %

de belastingplichtige die dergelijke interesten terugvordert op grond van het BTW-Wetboek tegen de maandelijkse rentevoet van 0,8 %, niet discriminerend was. De eerste prejudiciële vraag vereist een soortgelijke redenering, aangezien zij betrekking heeft op de nalatigheidsinteresten, waarvan de rentevoet 4 % per jaar bedraagt met betrekking tot de inkomstenbelastingen

0,8 % per maand met betrekking tot de btw, zodat het verschil in rentevoeten, bedoeld in het WIB 1992

in het BTW-Wetboek, beperkter is in het geval van de nalatigheidsinteresten dan in het geval van de moratoriuminteresten. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 december 2017 « tot hervorming van de vennootschapsbelasting » blijkt bovendien dat de wetgever bewust heeft geoordeeld dat een verschil in behandeling inzake inkomstenbelastingen verantwoord was. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof geniet de wetgever een grote beoordelingsmarge in fiscale zaken. Aangezien het WIB 1992

het BTW-Wetboek een geheel van onderscheiden procedureregels bevatten, is het verschil in behandeling verantwoord. De Ministerraad preciseert dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de btw

de inkomstenbelastingen, aangezien elke btw-plichtige, in het btw-stelsel, in werkelijkheid een belastingheffer is

niet de persoon die de btw draagt. De belastingen die hij aanrekent aan zijn klanten, vertegenwoordigen,

erzijds, de belastingen die aan zijn leveranciers of bij de invoer zijn betaald

die hij door aftrek terugvordert

, anderzijds, een overschot aan belastingen die hij de Staat verschuldigd is. Bijgevolg kan de btw-plichtige zich niet beroepen op het feit dat hij niet tijdig heeft beschikt over de bedragen die aan de Schatkist moesten worden gestort binnen de wettelijk vastgestelde periodes. Omgekeerd draagt de belastingplichtige inzake inkomstenbelastingen daadwerkelijk de last ervan. De rentevoet inzake btw moet dus voldoende stimulerend zijn om het goede gedrag van de btw-plichtigen te waarborgen

te vermijden dat die rentevoet wordt omgezet in goedkope kaskredieten voor de economische operatoren. De Ministerraad wijst daarenboven met nadruk op het feit dat de btw bijna een derde van de fiscale ontvangsten van de federale overheid vertegenwoordigt, zodat de inning ervan van vitaal belang is voor de rijksbegroting

voor de financiering van de deelentiteiten. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling berust op een onderscheid tussen belastingplichtigen die zich, volgens de aard van de schuld, in juridische situaties bevinden die verschillend zijn. Het essentiële verschil tussen de btw

de inkomstenbelastingen verantwoordt immers het verschil in behandeling tussen de rentevoeten van de nalatigheidsinteresten. Daarenboven is de duur van een geschillenprocedure inzake inkomstenbelastingen langer dan de duur die inzake btw van toepassing is, aangezien in het eerste geval wordt voorzien in een administratief beroep vóór de aanhangigmaking bij de rechter, terwijl de belastingplichtige zijn betwisting in het tweede geval rechtstreeks voor een rechtscollege kan brengen. Bijgevolg bevinden de btw-belastingplichtigen

de belastingplichtigen inzake inkomstenbelasting zich zowel op het vlak van de eigenlijke belasting als op het vlak van de geschillenprocedure niet in vergelijkbare situaties. A.

  1. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Indien het Hof zou oordelen dat artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek een discriminatie doet ontstaan tussen de belastingplichtigen die nalatigheidsinteresten inzake directe belastingen of inzake btw verschuldigd zijn, zou hetzelfde immers gelden ten aanzien van de Staat wanneer hij ertoe is gehouden moratoriuminteresten terug te betalen aan diezelfde belastingplichtigen, aangezien het verschil in rentevoet waarop de eerste prejudiciële vraag berust, groter is in het geval van de in die tweede prejudiciële vraag bedoelde moratoriuminteresten. Krachtens artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek is de Staat immers moratoriuminteresten 4 verschuldigd tegen de maandelijkse rentevoet van 0,8 %, terwijl krachtens artikel 79 van het WIB 1992 de jaarlijkse rentevoet van dergelijke interesten 2 % bedraagt. A.
  2. In het geval waarin de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig zou worden bevonden, vraagt de Ministerraad dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd met toepassing van artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Volgens hem zou de belastingadministratie die bepaling in dat geval niet meer kunnen toepassen, zodat daaruit een onverantwoord verschil in behandeling zou voortvloeien tussen de belastingplichtigen die nalatigheids- of moratoriuminteresten riskeren, naargelang het inkomstenbelastingen of btw betreft, aangezien in het tweede geval de voormelde interesten aan de belastingplichtigen zouden worden ontzegd. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

de draagwijdte ervan B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : het BTW-Wetboek), in zoverre het de rentevoet van de nalatigheidsinteresten

van de moratoriuminteresten vaststelt op 0,8 % per maand. B.1.2. Vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 november 2022 « houdende diverse fiscale

financiële bepalingen » (hierna : de wet van 20 november 2022) voorzag artikel 91, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek in verschillende gevallen waarin een nalatigheidsinterest van 0,8 % per maand van rechtswege verschuldigd was over de sommen die moesten worden teruggegeven in geval van niet-tijdige betaling van de btw door de belastingplichtige. Artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek voorzag dan weer in verschillende gevallen waarin een moratoriuminterest tegen dezelfde rentevoet van rechtswege verschuldigd was over de door de Staat terug te geven sommen. Daarenboven werd in artikel 91, § 5, van het BTW-Wetboek gepreciseerd dat de Koning de in artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, bedoelde rentevoet kon aanpassen « wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is ». B.1.3. Artikel 17 van de wet van 20 november 2022 heeft de in artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3, van het BTW-Wetboek vastgestelde rentevoet van 0,8 % later gewijzigd.

Voortaan wordt de rentevoet bepaald overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 mei 1865 « betreffende de lening tegen intrest », verhoogd met vier procentpunten in het geval van nalatigheidsinteresten (artikel 91, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek)

verminderd met 5 twee procentpunten in het geval van moratoriuminteresten (artikel 91, § 5, eerste lid, van het BTW-Wetboek). Bij het voormelde artikel 17 werd de mogelijkheid voor de Koning om de rentevoet van de nalatigheids-

moratoriuminteresten te wijzigen daarenboven afgeschaft. B.1.4. De inwerkingtreding van artikel 17 van de wet van 20 november 2022 wordt vastgesteld op 1 januari 2023 bij artikel 38 van diezelfde wet. Oorspronkelijk voorzag artikel 37 van het voorontwerp dat aan de oorsprong van de wet van 20 november 2022 lag, in een onmiddellijke toepassing van de nieuwe rentevoet van de nalatigheidsinteresten op alle lopende situaties (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2899/001, p. 92). In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State dienaangaande opgemerkt : « De onmiddellijke werking op alle lopende situaties waarin artikel 37 van het voorontwerp voorziet, is slechts verenigbaar met het verbod op non-retroactiviteit indien dit zo wordt opgevat dat bij de berekening van de verschuldigde interesten voor het tijdvak tot de inwerkingtreding van de aan te nemen wet, de toen geldende interestvoeten worden toegepast,

voor het tijdvak na de inwerkingtreding van die wet, de nieuw ingevoerde interestvoeten » (ibid., p. 140). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat punt is gevolgd : « […] artikel 37 van het voorontwerp [werd] geschrapt, zodat het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet moet worden uitgelegd in de zin van punt 2 van bovengenoemd advies » (ibid., pp. 21-22). B.1.5. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de rentevoet van 0,8 % die is vastgesteld in artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, van het BTW-Wetboek, zoals die luidde vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 november 2022, van toepassing is op het geschil voor het verwijzende rechtscollege, zodat de prejudiciële vragen niet zonder voorwerp zijn geworden ingevolge het aannemen van die wet. B.2.1. Artikel 91 van het BTW-Wetboek maakt deel uit van hoofdstuk XIV van dat Wetboek, met als opschrift « Vervolgingen

gedingen ». Uit de parlementaire voorbereiding van het BTW-Wetboek blijkt dat dat hoofdstuk is geïnspireerd op de regeling van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen - het huidige Wetboek diverse rechten

taksen (Parl. 6 St., Kamer, 1968, nr. 88/1, pp. 70-72). In de parlementaire voorbereiding van de bepaling die aan de oorsprong van artikel 2043 van het Wetboek diverse rechten

taksen ligt, dat met name bepaalt dat de in te vorderen of terug te geven sommen aanleiding geven tot interesten, wordt gepreciseerd dat het doel van de wetgever erin bestond de juiste inning van de belasting te verzekeren, fiscale fraude te voorkomen

de toepasselijke wetgeving inzake nalatigheidsinteresten in fiscale zaken te uniformiseren (Parl. St., Kamer, 1946-1947, nr. 44, pp. 74

86). B.2.2. De rentevoet van 0,8 % die is vastgesteld in artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, van het BTW-Wetboek, vloeit voort uit de wet van 4 augustus 1986 « houdende fiscale bepalingen » (hierna : de wet van 4 augustus 1986). Door de vroegere rentevoet, die 1 % bedroeg, te verlagen, heeft de wetgever « de rentevoet die van rechtswege verschuldigd is inzake de in te vorderen of terug te geven inkomstenbelastingen

belasting over de toegevoegde waarde[, dichter willen brengen bij de rentestand van de geldmarkt] » (Parl. St., Senaat, 1985-1986, nr. 310/1, p. 3). B.2.3. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 augustus 1986 wordt dienaangaande gepreciseerd : « Gelet op het huidige tarief van de wettelijke rentevoet (10 pct.)

op de daling van de rentetarieven, is de Regering van oordeel dat het tarief van de momenteel aangerekende nalatigheids-

moratoriuminteresten (nl. 1 pct. per kalendermaand of 12 pct. per jaar) zowel inzake directe belastingen als inzake belasting over de toegevoegde waarde niet meer verantwoord is. Daarom wordt voorgesteld dat tarief terug te brengen tot 0,8 pct. Daarenboven wordt voorzien dat de Koning in de toekomst de bedoelde tarieven kan aanpassen wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is » (ibid., p. 16).

: « Een commissielid vraagt hoe de Minister het tarief van 0,8 pct. heeft vastgesteld : het lijkt hem immers te hoog in vergelijking met de andere thans toegepaste tarieven. Tevens vraagt spreker de kostprijs van deze maatregel te bevestigen. Wat betreft de berekening van die 0,8 pct., erkent de Minister dat interest wegens vertraging op dit ogenblik achterhaald is sedert de rentevoet op de markt is gedaald. Daarom wordt aan de Koning de mogelijkheid geboden dit tarief te wijzigen. […] De Minister is van oordeel dat in voorkomend geval de rentevoet jaarlijks zal dalen. 7 Een ander lid vraagt zich af of het niet wijzer zou zijn het tarief van 0,8 pct. te schrappen

de vaststelling ervan aan de Koning over te laten. De Minister is van oordeel dat dit tarief moet behouden blijven in de wet omdat de maatregel voor 1986 niet meer mag kosten dan 200 miljoen frank. Hij vindt het overigens nuttig dat de belastingbetaler in de wet zelf een indicatie vindt. Van de andere kant is het zinvol aan de Koning de macht te geven om dit tarief te wijzigen » (Parl. St., Senaat, 1985-1986, nr. 310/2-1, p. 92). Overigens werd een amendement verworpen dat ertoe strekte de Koning uitdrukkelijk te verplichten het tarief van de nalatigheids-

moratoriuminteresten te wijzigen zodra dat tarief meer dan 1,5 % zou afwijken van de wettelijke rentevoet (ibid., nr. 310/3, p. 2). De minister van Financiën onderstreepte daaromtrent dat « in geval van een te grote afwijking van de rentevoet die op de markt wordt toegepast, de logica gebiedt dat de Regering de tarieven van de interesten aanpast ». Hij was van mening « dat geen dwingende maatregelen nodig zijn voor wat in feite van de markt zelf afhangt »

achtte « het niet opportuun dat aan de Regering dergelijke bepalingen op een dwingende

mechanische wijze worden opgelegd » (ibid., nr. 310/58, pp. 5-6). Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.3.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10

11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling tussen de personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn op grond van artikel 91, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek in zoverre het een rentevoet van 0,8 % per maand vaststelt

,

erzijds, de personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn op grond van artikel 414, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), dat voorziet in een rentevoet die jaarlijks wordt aangepast aan de economische realiteit, zonder dat die minder dan 4 % of meer dan 10 % mag bedragen,

, anderzijds, de personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn die zijn berekend tegen de wettelijke rentevoet, op de sommen die zij, hetzij als belasting, hetzij op een andere grond verschuldigd zijn. B.3.2. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10

11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling tussen de Belgische Staat die moratoriuminteresten verschuldigd is op grond van artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek, 8 in zoverre het een rentevoet van 0,8 % per maand vaststelt,

verschillende andere categorieën van personen, namelijk, ten eerste, de personen die de niet-voldane belasting verschuldigd zijn, waarbij die laatsten in dat geval geen nalatigheidsinterest verschuldigd zijn die is berekend tegen dezelfde rentevoet gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag; ten tweede, andere publiekrechtelijke personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn op terug te geven belastingen

, ten derde, personen die nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn die zijn berekend tegen de wettelijke rentevoet, op sommen die zij verschuldigd zijn. B.4. De prejudiciële vragen betreffen de hoogte van de nalatigheids-

moratoriuminteresten van toepassing op de belasting over de toegevoegde waarde. Krachtens artikel 91, §§ 1,

3, van het BTW-Wetboek, zoals het van toepassing was voor het verwijzende rechtscollege, bedragen die interesten 0,8 % per maand. Die interestvoet zou niet langer de evolutie van de marktrente weerspiegelen, in tegenstelling tot onder meer de interestvoeten van toepassing op de personen-

vennootschapsbelasting, die van rechtswege worden aangepast, overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 mei 1865 « betreffende de lening tegen intrest » (artikel 414 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). Gelet op hun onderlinge samenhang, onderzoekt het Hof de beide prejudiciële vragen samen. B.5. Zoals is vermeld in B.1.2, bepaalt artikel 91, § 5, zoals het van toepassing was voor het verwijzende rechtscollege, dat, teneinde rekening te houden met de rentevoeten op de geldmarkt, « de Koning […] de in de §§ 1, 2

3 bedoelde interestvoeten [kan] aanpassen ». B.

  1. Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Dat is met name het geval wanneer hij de nadere regels voor de berekening van de door de belastingplichtige inzake btw verschuldigde nalatigheidsinteresten bepaalt. Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij zonder redelijke verantwoording zouden zijn. Voor zover het niet de wezenlijke bestanddelen van de belasting betreft, behoort het eveneens tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever om een bevoegdheid te delegeren aan de Koning. De bevoegdheid om de bedoelde interestvoeten aan te passen maakt geen deel uit van de wezenlijke bestanddelen van de belasting. 9 B.
  2. Het Hof mag zich slechts uitspreken over het al dan niet verantwoorde karakter van een verschil in behandeling, ten aanzien van de bepalingen van de Grondwet op de naleving waarvan het Hof mag toezien, wanneer dat verschil aan een norm met wetgevend karakter kan worden toegeschreven. Uit hetgeen is vermeld in B.5, blijkt dat de concrete verschillen in behandeling waarover het Hof wordt gevraagd zich uit te spreken, niet dienen te worden toegeschreven aan een norm met wetgevend karakter, maar aan het uitblijven van een koninklijk besluit tot aanpassing van de in artikel 91, §§ 1,

3, bedoelde interestvoeten. Wanneer een wetgever een machtiging verleent, moet worden aangenomen - behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin - dat hij de gemachtigde

kel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, noch

ige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de wijze waarop de Koning de Hem door de wetgever toegekende machtigingen al dan niet heeft uitgeoefend. Die bevoegdheid komt toe aan de gewone rechter

aan de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, die overeenkomstig artikel 14, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, overigens bevoegd is uitspraak te doen over beroepen tot nietigverklaring van een stilzwijgen van de overheid. B.8. Wanneer de wetgever een verschil in behandeling doet ontstaan, schendt hij de artikelen 10

11 van de Grondwet indien niet wordt aangetoond dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen

het beoogde doel. Aangezien de wetgever een aanpassing van de intrestvoeten mogelijk heeft gemaakt, heeft hij de beginselen van redelijkheid

evenredigheid nageleefd. B.9. Bijgevolg is artikel 91, §§ 1,

3, van het BTW-Wetboek, zoals het van toepassing is voor het verwijzende rechtscollege, bestaanbaar met de artikelen 10

11 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 91, § 1, eerste lid,

§ 3

, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 november 2022 « houdende diverse fiscale

financiële bepalingen », schendt de artikelen 10

11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans

het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 mei 2023. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.073 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.