id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.074 Arrest- Rolnummer: 74/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-15 Raadplegingen: 597 - laatst gezien 2026-06-18 19:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 58bis van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », ingesteld door Agnès Santin. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Immobilisering van het voertuig als beveiligingsmaatregel - Verzoek van de eigenaar van het voertuig om een einde te maken aan de immobilisering - Weigering van het openbaar ministerie - Ontstentenis van een recht van hoger beroep Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 74/2023 van 4 mei 2023 Rolnummer : 7853 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 58bis van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », ingesteld door Agnès Santin. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 september 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 september 2022, heeft Agnès Santin, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Baudts en Mr. Y. Semey, advocaten bij de balie te Brussel, naar aanleiding van het arrest van het Hof nr. 36/2022 van 10 maart 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.036), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 september 2022, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 58bis van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De verzoekende partij zet uiteen dat zij overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de vernietiging vordert van artikel 58bis van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer ». Zij meent dat haar belang blijkt uit het feit dat het parket van Halle- Vilvoorde op 21 mei 2022 met toepassing van de bestreden bepaling is overgegaan tot de immobilisering van haar voertuig en vervolgens heeft geweigerd in te gaan op de verzoeken van haar raadsman tot vrijgave van dat voertuig, weigering die zij niet heeft kunnen betwisten bij een rechter. Zij meent dat haar belang ook blijkt uit het feit dat zij stallingskosten heeft moeten betalen en uit het feit dat zij haar voertuig gedurende de immobilisering niet heeft kunnen verhuren aan, dan wel heeft kunnen laten gebruiken door een andere persoon. In haar memorie van antwoord geeft de verzoekende partij aan dat zij door het openbaar ministerie op 12 december 2022 ervan op de hoogte werd gebracht dat haar voertuig werd vrijgegeven op 28 november
- Zij meent dat dit gegeven haar belang niet aantast daar zij de rechtsgevolgen van de bestreden bepaling reeds heeft moeten ondergaan en daar een vernietiging van die bepaling haar zou toelaten een vordering in te leiden tot vergoeding van de geleden schade. A.
- De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij geen belang meer heeft bij haar beroep, daar haar voertuig werd vrijgegeven op 28 november
- Hij meent dat de verzoekende partij, door de vrijgave van het voertuig, geen voordeel meer kan halen uit een vernietiging van de bestreden bepaling en dat haar beroep daardoor dient te worden gekwalificeerd als een actio popularis. Het door de verzoekende partij aangevoerde belang betreffende de mogelijkheid om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de Staat, volstaat volgens hem niet in het kader van een beroep tot vernietiging, daar zulk een beroep gericht is op het verdwijnen van de bestreden norm uit de rechtsorde. -B– B.1.
- Bij een beroep dat is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, vordert de verzoekende partij de vernietiging van artikel 58bis van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet). Het Hof onderzoekt het beroep in zoverre het is gericht tegen dat artikel, zoals het van kracht was op de datum van het instellen van het beroep, zijnde vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de wet van 6 december 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 3 betreffende de politie over het wegverkeer wat het instellen van een beroepsmogelijkheid tegen de immobilisering van een voertuig betreft » (hierna : de wet van 6 december 2022). B.1.
- Vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de wet van 6 december 2022, bepaalde artikel 58bis van de Wegverkeerswet : « §
- De immobilisering van het voertuig als beveiligingsmaatregel kan worden bevolen in de gevallen bedoeld in artikel 30, §§ 1 tot 3, en in artikel
- De immobilisering als beveiligingsmaatregel wordt bevolen door de in artikel 55, § 1, derde lid bedoelde personen. Ingeval de officier van gerechtelijke politie toepassing maakt van artikel 55, § 2, kan hij eveneens de immobilisering van het voertuig als beveiligingsmaatregel bevelen. §
- Het voertuig wordt geïmmobiliseerd op kosten en op risico van de overtreder. Indien de eigenaar van het voertuig niet de overtreder is, kan hij het zonder kosten terugkrijgen. De kosten en de risico's zijn ten laste van de overtreder. §
- De immobilisering als beveiligingsmaatregel wordt beëindigd door de personen die de immobilisering hebben bevolen, of ingeval van toepassing van artikel 55, § 2, door de procureur des Konings of de procureur-generaal, bedoeld in artikel 55, § 2, tweede lid, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de overtreder. De immobilisering mag niet langer duren dan tot het tijdstip waarop het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs wordt teruggegeven in de gevallen bedoeld in § 1 of wanneer een rechter het einde van het verval van het recht tot sturen heeft uitgesproken. §
- Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 100 euro tot 1 000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft hij die gebruik maakt of aan een derde toelaat gebruik te maken van een voertuig waarvan hij weet dat de immobilisering als beveiligingsmaatregel is bevolen ». B.2.
- De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij op grond van het feit dat het openbaar ministerie haar voertuig, dat met toepassing van de bestreden bepaling op 21 mei 2022 werd geïmmobiliseerd, heeft vrijgegeven op 28 november
- Daar de verzoekende partij het ontbreken van een beroepsmogelijkheid tegen een beslissing tot weigering van de opheffing van de immobilisering van een voertuig bekritiseert, doet zij volgens hem niet langer blijken van een belang bij haar beroep. B.2.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, 4 doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
- Dat belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest. B.2.
- Op het ogenblik waarop de verzoekende partij haar verzoekschrift heeft ingediend, was haar voertuig met toepassing van de bestreden bepaling geïmmobiliseerd door het openbaar ministerie. In die omstandigheden deed zij blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de wetsbepaling die een dergelijke immobilisering van een voertuig regelt. Zoals de verzoekende partij in haar bij het Hof ingediende memorie van antwoord zelf aangeeft, heeft het openbaar ministerie haar voertuig evenwel vrijgegeven op 28 november
- In die omstandigheden wordt de verzoekende partij niet langer rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepaling. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat haar belang volgt uit het feit dat een vernietigingsarrest in voorkomend geval zou kunnen worden aangewend in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat, dient te worden vastgesteld dat een arrest waarbij de bestreden bepaling wordt vernietigd, in het kader van een dergelijke vordering niets zou toevoegen aan het arrest nr. 36/2022 van 10 maart 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.036), waarbij het Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag heeft geoordeeld dat het bestreden artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, « in zoverre het voor de eigenaar van het voertuig niet voorziet in een effectieve beroepsmogelijkheid bij een rechter met betrekking tot een beslissing tot weigering van de opheffing van de immobilisering van het voertuig ». B.
- Het beroep tot vernietiging is niet ontvankelijk. 5 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.074 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div