← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.075

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.075 Arrest- Rolnummer: 75/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-29 Raadplegingen: 1601 - laatst gezien 2026-06-19 02:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging - van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021 en van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door Bernadette Weyers en anderen en door Luc Lamine en anderen, - van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021 en van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door Luc Lamine en anderen en door Bernadette Weyers en anderen, en - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Luc Lamine en anderen. Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Initiatieven om de verspreiding van COVID-19-besmettingen tegen te gaan - Samenwerkingsakkoord - COVID Safe Ticket -

  1. Exhaustieve opsomming van de plaatsen waarvoor het voorleggen van het CST kan worden vereist -
  2. Verwerking van de in het CST opgenomen persoonsgegevens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 75/2023 van 17 mei 2023 Rolnummers : 7658, 7666 en 7685 In zake : de beroepen tot vernietiging - van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door Bernadette Weyers en anderen en door Luc Lamine en anderen, - van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door Luc Lamine en anderen en door Bernadette Weyers en anderen, en - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Luc Lamine en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 oktober 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 oktober 2021, is beroep tot vernietiging van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie) ingesteld door Bernadette Weyers, Dominique Liesse, Frédéric Porphyre, Sylvie Leblanc, Valérie Colon en de vzw « Notre Bon Droit », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. de Bandt, Mr. R. Gherghinaru en Mr. L. Panepinto, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 november 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 november 2021, is beroep tot vernietiging : 1) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie), 2) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie 3 betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) en 3) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) ingesteld door Luc Lamine, Marguerite Weemaes en Michel Lamine. Bij dezelfde verzoekschriften vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde normen. Bij het arrest nr. 10/2022 van 20 januari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.010), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 september 2022, heeft het Hof de vorderingen tot schorsing verworpen. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 november 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 november 2021, is beroep tot vernietiging van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) ingesteld door Bernadette Weyers, Dominique Liesse, Frédéric Porphyre, Sylvie Leblanc, Valérie Colon en de vzw « Notre Bon Droit », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. de Bandt, Mr. R. Gherghinaru en Mr. L. Panepinto. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde normen. Bij het arrest nr. 21/2022 van 3 februari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.021), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2022, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7658, 7666 en 7685 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys, advocaat bij de balie te Gent; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys; 4 - de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 1 februari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 februari 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 15 februari 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaken nrs. 7658 en 7685 A.1.
  3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 zijn vijf natuurlijke personen, enerzijds, en de vzw « Notre Bon Droit », anderzijds. In de zaak nr. 7658 vorderen zij de vernietiging van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021). In de zaak nr. 7685 vorderen zij de vernietiging van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021). A.1.
  4. Die natuurlijke personen voeren aan dat zij belang hebben om in rechte te treden omdat de in die zaak bestreden bepalingen hun grondrechten, met name het recht op eerbiediging van het privéleven dat wordt 5 gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing dat wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, en het recht om vreedzaam te vergaderen dat wordt gewaarborgd bij artikel 26 van de Grondwet, rechtstreeks aantasten. De samenwerkingsakkoorden waaraan de in die zaken bestreden bepalingen instemming verlenen, voorzien in de mogelijkheid om de toegang tot een zeer groot aantal plaatsen afhankelijk te stellen van het overleggen van het COVID Safe Ticket (hierna : het CST), hetgeen een verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt. Die verzoekende partijen bevestigen dat zij die plaatsen heel regelmatig bezoeken, waardoor zij verplicht zijn zich te onderwerpen aan een vaccinatie tegen COVID-19 of aan een intrusieve test, en een verwerking van zeer gevoelige persoonsgegevens te ondergaan. Zij voeren bovendien aan dat de bestreden bepalingen een verhulde vaccinatieplicht inhouden voor diegenen die een normaal leven willen leiden. Wat betreft de verzoekende partijen die zich niet wensen te laten vaccineren, impliceert het voorleggen van het CST een verplichting om zich heel regelmatig te laten testen, hetgeen in de praktijk onuitvoerbaar– a fortiori voor diegenen die geen smartphone hebben –, en financieel onhaalbaar is. Daarnaast toont elk van die verzoekende partijen aan op welke manier de bestreden bepalingen haar persoonlijke situatie raken, aangezien bepaalde activiteiten niet meer mogelijk zijn zonder het CST voor te leggen. De eerste verzoekende partij kan niet langer een bezoek brengen aan een familielid dat in een woonzorgcentrum verblijft. De tweede verzoekende partij kan niet langer badminton spelen, terwijl zij die sport gedurende gemiddeld tien uur per week beoefent. De derde verzoekende partij kan niet langer deelnemen aan handelsbeurzen in het kader van de uitoefening van haar activiteit van wijnkelner-keldergast als zelfstandige in bijberoep. De vierde verzoekende partij kan niet langer naar de sportzaal, de bioscoop en het theater gaan waarvoor zij een abonnement heeft, noch andere personen ontmoeten in restaurants of cafés. De vijfde verzoekende partij zal de door haar aangevatte opleiding tot yogalerares moeten stopzetten. A.1.
  5. De vzw « Notre Bon Droit » zet uiteen dat zij de grondrechten van de Belgische burgers verdedigt in het kader van de aanpak van de COVID-19-pandemie, hetgeen een doel van collectief belang vormt dat onderscheiden is van het algemeen belang. Zij verklaart dat dit statutair doel actief wordt nagestreefd, meer bepaald door het organiseren van activiteiten, het verspreiden van informatie op de website van die vzw en het instellen van verschillende rechtsvorderingen. De vzw « Notre Bon Droit » is van mening dat de bestreden bepalingen haar statutair doel raken, omdat personen die zich willen begeven naar de in de voormelde samenwerkingsakkoorden bedoelde plaatsen, geen andere keuze hebben dan de verwerking van hun persoonsgegevens te aanvaarden en zich aan de toegangsvoorwaarden te onderwerpen. Zij voert overigens aan dat die samenwerkingsakkoorden een verhulde vaccinatieplicht inhouden voor niet-gevaccineerde personen die een normaal leven willen leiden. De bestreden bepalingen vormen bijgevolg zeer aanzienlijke beperkingen van de vrijheid van vergadering en vereniging, van het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing en van het recht op eerbiediging van het privéleven. Wat de zaak nr. 7666 betreft A.2.
  6. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 zijn drie natuurlijke personen. Zij vorderen de vernietiging van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (hierna : het CST-decreet van 29 oktober 2021). A.2.
  7. De verzoekende partijen voeren aan dat zij een belang hebben om in rechte te treden omdat zij niet gevaccineerd zijn tegen COVID-19, omdat zij zich niet zullen laten vaccineren zolang die profylactische maatregel geen gebruikelijk vaccin is in de zin van het arrest Vavřička van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en omdat zij zich niet zeer geregeld willen laten testen. Hun situatie wordt bijgevolg door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig geraakt, meer bepaald omdat zij niet meer op een gewone wijze naar horecazaken kunnen gaan. De verzoekende partijen beroepen zich vervolgens op bepaalde persoonlijke omstandigheden. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7666 maakt zich zorgen over het risico van het vaccin voor personen die bloedverdunners innemen. Zij verklaart overigens dat zij geen smartphone heeft, waardoor zij niet over de applicatie kan beschikken die nodig is om het CST voor te leggen. De derde verzoekende partij heeft een zoon die in 2008 is geboren, en die dus niet zelf die applicatie kan downloaden. Voor het overige voeren de verzoekende 6 partijen aan dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het niet vereist is dat zij een belang hebben bij elk middel dat zij aanvoeren, als zij maar een belang hebben bij het beroep. A.2.
  8. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 verduidelijken tot slot dat zij hun belang om in rechte te treden zouden behouden zelfs wanneer het Hof uitspraak zou doen na het verstrijken van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, omdat zij nu reeds onder de druk leven die uitgaat van dat samenwerkingsakkoord en omdat de Vlaamse decreetgever het voorleggen van het CST op elk ogenblik verplicht kan maken. Zij voeren aan dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen, zelfs na de datum waarop die bepalingen zijn opgeheven, hen zou toelaten een morele schadevergoeding te vorderen van de overheidsinstanties. Ten gronde Wat betreft de zaken nrs. 7658 en 7685 Eerste middel in de zaken nrs. 7658 en 7685 A.3.
  9. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 leiden een eerste middel af uit de schending, door de in die zaken respectievelijk bestreden bepalingen, van de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Volgens hen staat noch artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), noch het evenredigheidsbeginsel toe een samenwerkingsakkoord te sluiten over de aangelegenheid die wordt beoogd in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en in het samenwerkingsakkoord van 28 oktober
  10. A.3.2.
  11. In een eerste onderdeel voeren die partijen aan dat de deelentiteiten niet bevoegd zijn om de toegang tot een groot aantal sectoren en activiteiten te regelen door middel van het CST. In een eerste subonderdeel verklaren zij dat die maatregelen niet vallen onder de bevoegdheid van de preventieve geneeskunde bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in tegenstelling tot wat wordt aangegeven in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, daar, enerzijds, die maatregelen van toepassing zijn op de hele bevolking en op zeer talrijke sectoren en activiteiten die raken aan de meest essentiële aspecten van het maatschappelijk leven en, anderzijds, zij niet gericht zijn, doordat zij niet de personen beogen die besmet zijn of een risico van besmetting vertonen. Die maatregelen vertonen overigens geen enkel nauw verband met de geneeskunde of met de gezondheidszorg, aangezien zij alleen tot doel hebben de toegang tot sommige sectoren en activiteiten toe te staan of te weigeren op basis van een kruising van gegevens. Het gegeven dat die gegevens zeer gevoelige medische inlichtingen zijn, volstaat niet om het voormelde verband aan te tonen, anders zouden zeer talrijke maatregelen die indirect samenhangen met de geneeskunde, onder die bevoegdheid kunnen vallen, wat niet zou stroken met het voornemen van de bijzondere wetgever. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State opmerkt, moet die bevoegdheid immers niet ruim worden geïnterpreteerd. Ten slotte beogen het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 de hele bevolking, alsook een groot aantal sectoren en activiteiten die geen enkel verband vertonen met de geneeskunde en die niet zijn geregeld door of in naam van de overheid, zodat, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft benadrukt, die samenwerkingsakkoorden niet onder de bevoegdheid van de deelentiteiten inzake preventieve geneeskunde vallen. In een tweede subonderdeel verklaren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 dat de reglementering inzake de toegang tot de sectoren en activiteiten door middel van het CST, bepaald in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en in het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, valt onder de bevoegdheid van de federale overheid op het vlak van de maatregelen inzake profylaxis, overeenkomstig artikel 5, § 1, I, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  12. Zoals in de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt aangegeven, heeft die bevoegdheid uitsluitend betrekking op de verplichte vaccinaties. Te dezen beogen de maatregelen die de deelentiteiten mogen nemen op grond van verschillende bepalingen van de voormelde samenwerkingsakkoorden, impliciet maar zeker de bevolking ertoe te verplichten zich te laten vaccineren, zodat het gaat om een verhulde vaccinatieplicht, zoals wordt onderstreept in de verklaringen van verschillende politieke partijen. De bestreden bepalingen maken bijgevolg inbreuk op de bevoegdheid van de federale overheid met betrekking tot de maatregelen inzake profylaxis. In een derde subonderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 aan dat, in de veronderstelling dat het systeem waarin het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en dat van 28 oktober 7 2021 voorzien, niet valt onder de voormelde bevoegdheid van de federale overheid met betrekking tot de maatregelen inzake profylaxis, dat systeem in elk geval ressorteert onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake bestuurlijke politie, zoals wordt onderstreept in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en door de afdeling wetgeving van de Raad van State. Indien de federale overheid evenwel bevoegd is om, in het kader van haar bevoegdheid inzake bestuurlijke politie, de toegang te reglementeren tot de plaatsen en activiteiten die worden beoogd in de voormelde samenwerkingsakkoorden, dan kan die reglementering niet vallen onder de bevoegdheid van de deelentiteiten inzake preventieve geneeskunde. In een vierde subonderdeel, dat alleen wordt aangevoerd in de zaak nr. 7658, zijn de verzoekende partijen in die zaak van mening dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de democratische waarborgen omzeilt die zijn ingevoerd bij de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (hierna : de wet van 14 augustus 2021), die bepaalt dat de bevoegdheden van de Kamer van volksvertegenwoordigers om maatregelen te nemen die de fundamentele rechten beperken alleen in het uitzonderlijke geval van de « epidemische noodsituatie » kunnen worden gedelegeerd aan de federale Regering. Zelfs in die situatie voorziet de wet van 14 augustus 2021 in een mechanisme van parlementaire controle door middel van een bekrachtiging bij wet van de afkondiging van de noodsituatie en van de genomen maatregelen, waarbij de Kamer van volksvertegenwoordigers en het publiek voortdurend worden ingelicht en onafhankelijke experts de gevolgen van de genomen maatregelen grondig onderzoeken. Het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 voorziet daarentegen niet in dergelijke waarborgen. De regeling waarin dat samenwerkingsakkoord voorziet, regeling die de fundamentele rechten en de democratische vereisten in veel mindere mate beschermt dan die van de wet van 14 augustus 2021, is des te minder verantwoord daar die niet van toepassing is in een epidemische noodsituatie, toelaat maatregelen te nemen die de fundamentele rechten aantasten onder minder strikte voorwaarden dan in de voormelde situatie, en automatisch geldt, namelijk bij ontstentenis van een epidemische noodsituatie of wanneer die is beëindigd. Aangezien het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de in de wet van 14 augustus 2021 bepaalde waarborgen omzeilt, schendt het het beginsel van de rechtstaat, maakt het inbreuk op de bevoegdheden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en tast het het beginsel van de democratie aan. A.3.2.
  13. In een tweede onderdeel, dat zij in ondergeschikte orde aanvoeren, doen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 gelden dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, zelfs in de veronderstelling dat het valt onder de bevoegdheid inzake preventieve geneeskunde, de bevoegdheidverdelende regels schendt. In een eerste subonderdeel verklaren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 aan de deelentiteiten een bevoegdheid inzake preventieve geneeskunde toekent waarover die laatste reeds beschikken krachtens artikel 5, § 1, I, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zodat het niet nodig is, via een samenwerkingsakkoord, te voorzien in een coördinatie met de federale overheid. In een tweede subonderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 aan dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de bevoegdheid van de deelentiteiten inzake preventieve geneeskunde beperkt en de uitoefening ervan afhankelijk maakt van een eenzijdige beslissing van de federale overheid, daar de maatregelen die de deelentiteiten op grond van dat samenwerkingsakkoord hebben genomen, worden opgeschort of niet meer van toepassing zijn wanneer een epidemische noodsituatie wordt afgekondigd door de federale overheid op grond van de wet van 14 augustus 2021, en totdat zulks die overheid beslist de voormelde noodsituatie te beëindigen. Het tweede onderdeel in de zaak nr. 7685 is in hoofdzaak identiek aan het voormelde tweede subonderdeel, onder voorbehoud van het feit dat het betrekking heeft op het samenwerkingsakkoord van 28 oktober
  14. A.3.2.
  15. In een derde onderdeel verklaren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685 dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en dat van 28 oktober 2021 voorzien in een afbakening van de bevoegdheden van de federale overheid en van de deelentiteiten volgens het al dan niet bestaan van een epidemische noodsituatie, hetgeen niet kan worden bepaald door een samenwerkingsakkoord, maar uitsluitend door de Grondwet of door de bijzondere wet. A.3.2.
  16. In een vierde onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en dat van 28 oktober 2021 de deelentiteiten de mogelijkheid bieden een bevoegdheid uit te oefenen volgens de criteria en onder de voorwaarden die zij zelf bepalen, hetgeen in strijd is met artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat niet toelaat een deelentiteit ertoe te machtigen een 8 samenwerkingsakkoord geheel of gedeeltelijk ten uitvoer te leggen, noch die deelentiteit de mogelijkheid te bieden dat akkoord geheel of gedeeltelijk te activeren in het kader van haar eigen bevoegdheden. Die mogelijkheid is overigens in strijd met het evenredigheidsbeginsel, daar zij niet noodzakelijk is voor de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden of de gezamenlijke ontwikkeling van initiatieven, temeer daar het te dezen erom gaat aan de deelentiteiten de mogelijkheid te bieden bevoegdheden uit te oefenen waarover zij reeds beschikken en waarvan de tenuitvoerlegging geen enkele coördinatie met de andere deelentiteiten en met de federale overheid vereist. Dat systeem is evenmin noodzakelijk om het doel van de voormelde samenwerkingsakkoorden te verwezenlijken, doel dat erin bestaat de coördinatie tussen de federale overheid en de deelentiteiten te verzekeren op het vlak van de verwerking van de gegevens waarvan sprake is in die samenwerkingsakkoorden. A.3.2.
  17. In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7685 aan dat het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 de bevoegdheidverdelende regels schendt in zoverre het een uitvoeringsbevoegdheid delegeert aan de federale Regering. Volgens hen voorziet artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet in de mogelijkheid om de uitvoering van het hele akkoord of van een deel ervan op een andere manier toe te vertrouwen dan via een uitvoerend samenwerkingsakkoord, hetgeen nochtans is bepaald in artikel 2bis, § 3, vierde lid, i), van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober
  18. A.4.
  19. Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7658 en 7685 voeren het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Ministerraad, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Regering en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap (hierna : de institutionele overheden) allereerst aan dat de deelentiteiten de toegang tot sectoren en activiteiten via het CST kunnen reglementeren op basis van hun bevoegdheid inzake preventieve geneeskunde. Het betreft immers een aangelegenheid die is toegewezen aan de gemeenschappen op basis van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waarvoor zij beschikken over een volle bevoegdheid, onder voorbehoud van de uitzonderingen die uitdrukkelijk worden opgesomd door de bijzondere wetgever, namelijk de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de nationale maatregelen inzake profylaxis. Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 betreffende de Zesde Staatshervorming, het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 34.339 van 29 april 2003 en het arrest van het Hof nr. 69/92 van 12 november 1992 (ECLI:BE:GHCC:1992:ARR.069) blijkt overigens dat de bevoegdheid van de deelentiteiten in die aangelegenheid niet strikt en evolutief moet worden geïnterpreteerd. Volgens de institutionele overheden blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen dat het CST een middel is dat bijdraagt aan de strijd tegen overdraagbare ziekten, en nauw verbonden is met het voorkomen en opsporen van sommige ziekten en besmettingen, aangezien het ertoe strekt het risico te voorkomen dat het virus wordt overgedragen, en dat de erin vervatte gegevens, gevoelige medische gegevens zijn. De bestreden bepalingen vertonen bijgevolg onvermijdelijk een verband met de preventieve geneeskunde. Bovendien is het CST niet op algemene wijze van toepassing, maar uitsluitend op sommige sectoren. Het is overigens niet omdat een regel op de gehele bevolking is gericht, dat die niet tot doel heeft een besmetting of een overdraagbare ziekte te voorkomen of bij te dragen aan het verbeteren van de gezondheid door de geneeskunde. In het voormelde advies van 29 april 2003 heeft de afdeling wetgeving van de Raad onderstreept dat de voormelde bevoegdheid van de gemeenschappen precies personen en niet voorzieningen moest beogen. De bestreden bepalingen nemen dat beginsel in acht daar zij van toepassing zijn op de bezoekers van de voorzieningen die worden beoogd in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en in het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, zoals overigens blijkt uit de parlementaire voorbereiding daarvan. De institutionele overheden voegen daaraan toe dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren, de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet vereist dat de activiteiten en diensten inzake preventieve geneeskunde worden geregeld namens de overheid. De institutionele overheden voeren daarnaast aan dat de bestreden bepalingen niet vallen onder de bevoegdheid van de federale overheid met betrekking tot de nationale maatregelen inzake profylaxis, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren. Die bevoegdheid is immers strikt beperkt tot de vaccinaties die bij wet zijn vereist en omvat niet de preventieve maatregelen die de verspreiding van een epidemie moeten tegengaan. De institutionele overheden verklaren in hoofdorde dat de bestreden bepalingen niet neerkomen op een verhulde vaccinatieplicht, aangezien het voornaamste doel erin bestaat de verspreiding van het virus tegen te gaan en tegelijk de hervatting van de economische activiteiten en van een maatschappelijk leven mogelijk wordt gemaakt, ook al is het juist dat zij ertoe aanzetten zich te laten vaccineren. Dat aanzetten is slechts een van de mogelijke gevolgen van de bestreden bepalingen, daar het CST kan worden gegenereerd via andere middelen dan een vaccinatiebewijs. In ondergeschikte orde verklaren de voormelde institutionele overheden dat, zelfs in de veronderstelling dat de bestreden bepalingen een verhulde vaccinatieplicht zouden inhouden, een dergelijke maatregel een grondslag zou vinden in de bevoegdheid inzake preventieve geneeskunde, daar de gemeenschappen 9 bevoegd zijn om elk initiatief in die materie te nemen. Het voornemen van de bijzondere wetgever bestond erin de bevoegdheden van de federale overheid in dat kader te beperken en te voorkomen dat de federale overheid preventie-initiatieven voortzet zoals vaccinatiecampagnes op basis van haar bevoegdheid inzake volksgezondheid. Wat betreft de bevoegdheid inzake bestuurlijke politie van de federale overheid verklaren de institutionele overheden dat die aangelegenheid zich niet uitstrekt tot de verwerking van gegevens die door middel van het CST worden aangemaakt. Die bevoegdheid is overigens residuair, in die zin dat de uitoefening ervan uitsluitend tot gevolg heeft de aangelegenheid te onttrekken aan het toepassingsgebied van het begrip « gemeentelijk belang » en, bijgevolg, de gemeenten te beletten normen in die materie aan te nemen. Anders gezegd, de bevoegdheden van de gemeenschappen worden niet aangetast. Bovendien, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de bestreden bepalingen vallen onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake bestuurlijke politie, is het toch zo dat de gemeenschappen eveneens bevoegd zijn inzake preventieve geneeskunde. Artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt immers dat een samenwerkingsakkoord vrij kan worden gesloten tussen de componenten van de federale Staat in geval van samenloop van bevoegdheden teneinde eigen bevoegdheden gezamenlijk uit te oefenen. De enige beperking bij het sluiten van een dergelijk akkoord is de afstand of de uitwisseling van bevoegdheden. Te dezen heeft de federale overheid geenszins afstand gedaan van haar bevoegdheid inzake bestuurlijke politie, maar uitsluitend een gecoördineerd beleid tot stand willen brengen met de gemeenschappen teneinde de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. Het Hof heeft in zijn rechtspraak overigens herhaaldelijk besloten tot de afwezigheid van een afstand van bevoegdheid wanneer de aangelegenheden dermate met elkaar verweven zijn. Het sluiten van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 was bijgevolg noodzakelijk. De institutionele overheden voeren aan dat het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7658 niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de rechtsstaat, van het beginsel van de democratie en van de democratische waarborgen die zijn ingevoerd in het kader van de wet van 14 augustus 2021, daar die beginselen en waarborgen niet vallen onder de bevoegdheid van het Hof. In verband met de vermeende schending van de bevoegdheidverdelende regels en met name van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in zoverre het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de burgers de minimale waarborgen ontzegt die zijn ingevoerd bij de wet van 14 augustus 2021, voeren de institutionele overheden in hoofdorde aan dat het voormelde artikel 92bis, § 1, geen enkele voorwaarde bepaalt voor minimale waarborgen die gepaard gaan met het facultatief sluiten van een samenwerkingsakkoord. In ondergeschikte orde voeren zij aan dat de verschillende betrokken parlementaire vergaderingen geenszins werden omzeild bij de aanneming van de bestreden bepalingen, daar zij precies werden besproken en goedgekeurd binnen elke wetgevende vergadering. De wet van 14 augustus 2021 is overigens uitsluitend bedoeld om van toepassing te zijn op het geval van de epidemische noodsituatie wanneer maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen. Met andere woorden, zij bevat geen enkele juridische grondslag voor de gegevensverwerking die tot stand is gebracht door het CST. Ten slotte is het gebruik van het CST alleen mogelijk gemaakt wanneer een deelentiteit een wetgevende handeling aanneemt ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, zodat een daadwerkelijke parlementaire controle bestaat en de wetgevende vergaderingen zijn betrokken bij de concrete totstandkoming van de maatregelen. A.4.
  20. Wat betreft het eerste subonderdeel van het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7658 voeren de institutionele overheden aan dat de bestreden bepalingen aan de deelentiteiten geen bevoegdheid toekennen waarover zij reeds beschikken, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren. Op grond van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kunnen de componenten van de federale Staat vrij een samenwerkingsakkoord sluiten teneinde de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden te verzekeren, onder voorbehoud van de afstand of de uitwisseling van bevoegdheden die zijn toegekend op basis van of krachtens de Grondwet. Te dezen beperkt het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 zich ertoe te herinneren aan de bevoegdheden van de deelentiteiten inzake preventieve geneeskunde om de toegang tot sommige sectoren door middel van het CST te reglementeren, hetgeen geenszins is verboden bij het voormelde artikel 92bis, §
  21. Wat betreft het tweede subonderdeel van het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7658 en het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7685 verklaren de institutionele overheden dat de bestreden bepalingen de bevoegdheden van de deelentiteiten inzake preventieve geneeskunde niet beperken en de uitoefening ervan niet afhankelijk maken van een eenzijdige beslissing van de federale overheid. Die bepalingen zijn immers uitgewerkt door de verschillende wetgevende vergaderingen en de samenwerkingsakkoorden van 27 september 2021 en 28 oktober 2021 hebben het voorwerp uitgemaakt van onderhandelingen tussen de verschillende regeringen. Die samenwerkingsakkoorden zijn met andere woorden geenszins door de federale overheid opgelegd aan de deelentiteiten, maar zijn vrij vastgelegd door de verschillende ondertekenende partijen. De deelentiteiten hebben dus vrij beslist dat zij hun bevoegdheden pas zouden uitoefenen zolang geen epidemische noodsituatie is afgekondigd. 10 A.4.
  22. Wat betreft het derde onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7658 en 7685 herinneren de institutionele overheden eraan dat voor de akten houdende instemming met een samenwerkingsakkoord een parlementaire procedure wordt gevolgd, naar het voorbeeld van de « gewone » wetgevende handelingen. In verband met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en dat van 28 oktober 2021 vonden daarnaast onderhandelingen plaats tussen de betrokken regeringen. Het gaat dus niet om normen die eenzijdig zijn opgelegd door de federale overheid, maar om een samenwerking die vrij is vastgelegd door elke ondertekenende partij. Die samenwerkingsakkoorden hebben hoofdzakelijk tot doel de rolverdeling van elke partner van de federale Staat, en in herinnering te brengen op vrijwillige basis te organiseren. De deelentiteiten hebben dus vrij kunnen bepalen dat zij hun bevoegdheden alleen zouden uitoefenen zolang geen epidemische noodsituatie is afgekondigd. In de zaak nr. 7685 preciseren de institutionele overheden dat, in verband met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de deelentiteiten alleen van toepassing is op de bepalingen betreffende het CST voor de massa-evenementen en de proef- en pilootprojecten, alsook in de discotheken en de dancings, en dat de deelentiteiten steeds de mogelijkheid behouden striktere bepalingen aan te nemen. A.4.
  23. Wat betreft het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7658 en 7666 voeren de institutionele overheden aan dat de verzoekende partijen een verkeerde lezing maken van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus
  24. Een uitvoerend samenwerkingsakkoord strekt immers niet ertoe de uitvoering van een samenwerkingsakkoord door een andere entiteit dan die welke beschikt over de betrokken bevoegdheid toe te laten, maar uitsluitend de uitvoering van een samenwerkingsakkoord mogelijk te maken zonder een instemming door een wetskrachtige norm te vereisen, met andere woorden op een snellere en doeltreffendere manier. Bovendien verbiedt het voormelde artikel 92bis, § 1, de ondertekenaars van het samenwerkingsakkoord niet om over een beoordelingsmarge te beschikken bij de uitvoering van de gezamenlijk besliste maatregelen, daar zij de voorwaarden van de samenwerking vrij bepalen, temeer wanneer, zoals de verzoekende partijen dat verklaren, het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 aan de deelentiteiten een bevoegdheid toekent waarover zij reeds beschikken. A.4.
  25. Wat betreft het vijfde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7685 voeren de institutionele overheden aan dat de verzoekende partijen een verkeerde lezing maken van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus
  26. Artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt immers niet dat een samenwerkingsakkoord uitsluitend kan worden uitgevoerd door het sluiten van een uitvoerend samenwerkingsakkoord, maar laat toe een samenwerkingsakkoord uit te voeren zonder dat een instemming bij een wetskrachtige norm vereist is, zoals dat normaal gezien de regel is. Sinds de Zesde Staatshervorming is het mogelijk een samenwerkingsakkoord uit te voeren door middel van een samenwerkingsakkoord dat uitwerking heeft zonder dat de instemming van de parlementaire vergaderingen vereist is. De mogelijkheid om een samenwerkingsakkoord uit te voeren door middel van een uitvoerend samenwerkingsakkoord doet de mogelijkheid dat parlementaire instemming wordt verleend niet teniet. Volgens de institutionele overheden verbiedt artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de ondertekenaars immers niet om over een beoordelingsmarge te beschikken bij de uitvoering van de gezamenlijk besliste maatregelen, en voorziet artikel 2bis, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, in die beoordelingsmarge. A.
  27. In hun memorie van antwoord verklaren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7658 en 7685, in verband met het eerste subonderdeel van het eerste onderdeel van het eerste middel, dat, op grond van het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, dat het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 heeft gewijzigd, dat zelf is gewijzigd bij dat van 27 september 2021, de deelentiteiten niet kunnen opleggen dat de toegang tot de massa-evenementen, proef- en pilootprojecten, dancings en discotheken afhankelijk wordt gemaakt van het voorleggen van het CST in een epidemische noodsituatie. Het komt de federale overheid toe over een dergelijke maatregel te beslissen, met dien verstande dat de deelentiteiten niettemin striktere regels kunnen aannemen. De deelentiteiten blijven daarentegen bevoegd om te beslissen voorwaarden te stellen aan de toegang tot de voorzieningen en activiteiten die worden opgesomd in artikel 1, § 1, 21°, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 27 september
  28. Aangezien de toegang tot de massa-evenementen, proef- en pilootprojecten, dancings en discotheken afhankelijk te maken van het voorleggen van het CST, volgens de institutionele overheden, niet valt onder de bevoegdheid van de deelentiteiten inzake preventieve geneeskunde, dient, nog steeds volgens hen, tot een soortgelijke conclusie te worden gekomen wanneer die maatregel wordt genomen in verband met de toegang tot de voorzieningen en activiteiten die zijn opgesomd in artikel 1, § 1, 21°, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
  29. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het onderscheid tussen de bevoegdheden volgens de sectoren louter willekeurig is en niet te verzoenen valt met de 11 gemeenschapsbevoegdheid inzake preventieve geneeskunde. Zij merken op dat de algemene toelichtingen bij de samenwerkingsakkoorden van 27 september 2021 en 28 oktober 2021 geen enkele uitleg verschaffen omtrent dat onderscheid. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het gegeven dat alleen de bezoekers worden onderworpen aan een toegangscontrole, niet in het geding brengt dat die controles worden uitgevoerd omdat de activiteiten van de bezochte voorzieningen als risicovol worden beschouwd. De Zesde Staatshervorming heeft overigens niet in het geding gebracht dat de bestreden maatregelen niet vallen onder artikel 5, § 1, I, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  30. De bevoegdheid van de deelentiteiten om « elk initiatief inzake preventieve geneeskunde » te nemen, beoogt uitsluitend een einde te maken aan de initiatieven inzake preventieve geneeskunde van de federale overheid. Ten slotte verklaren de verzoekende partijen dat de Europese Unie van mening is dat het gebruik van het digitaal EU-COVID-certificaat voor verplaatsingen binnen de Europese Unie, een niet-medisch gebruik van dat certificaat vormt, zodat noodzakelijkerwijs hetzelfde moet gelden voor een gebruik met het oog op de controle van de toegang tot plaatsen betreffende het maatschappelijk en het beroepsleven. Wat betreft het tweede subonderdeel van het voormelde eerste onderdeel preciseren de verzoekende partijen, in hun memorie van antwoord, dat de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 aangeeft dat diezelfde wet niet tot doel heeft de bevoegdheid van de federale overheid met betrekking tot maatregelen inzake profylaxis te wijzigen. Die bevoegdheid is overigens behouden in de huidige versie van artikel 5, § 1, I, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  31. Wat betreft het derde subonderdeel van het voormelde eerste onderdeel verklaren de verzoekende partijen, in hun memorie van antwoord, dat de redenering van de institutionele overheden berust op het mechanisme van de concurrerende bevoegdheden, hetgeen niet is toegestaan in België buiten de hypothese bedoeld in artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet. A.
  32. In hun memories van wederantwoord voeren de institutionele overheden, in verband met het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7658 en 7666, aan dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de voorzieningen bedoeld in artikel 1, § 1, 21°, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals nadien gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, en, anderzijds, de massa-evenementen, de proef- en pilootprojecten en de dancings. In een epidemische noodsituatie kunnen de deelentiteiten voorzien in het gebruik van het CST voor de eerstgenoemde, terwijl de federale overheid in die maatregel voorziet voor de laatstgenoemde. Volgens de institutionele overheden zijn de massa-evenementen, de proef- en de pilootprojecten en de dancings van een andere aard dan de voorzieningen die worden opgesomd in artikel 1, § 1, 21°, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd. De eerstgenoemde verenigen immers een veel groter aantal personen dan een restaurant of een fitnesscentrum en vormen bijgevolg een andere bedreiging voor de volksgezondheid. Het komt bijgevolg daadwerkelijk de federale overheid toe de toegang van de bezoekers tot die plaatsen en activiteiten te reglementeren door middel van het CST, gelet op haar bevoegdheid inzake bestuurlijke politie. Wat betreft de voorzieningen opgesomd in artikel 1, § 1, 21°, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd, zijn de deelentiteiten bevoegd op grond van de preventieve geneeskunde, maar ook op basis van hun bevoegdheden inzake sport of cultuur. De institutionele overheden preciseren dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren, de verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 « betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren » (hierna : de verordening (EU) 2021/953) niet tot doel heeft een uniek gebruik van het digitaal EU-COVID-certificaat op te leggen. Het gebruik van het CST moet dus niet worden beperkt tot het gebruik waarin die verordening voorziet, daar de lidstaten vrij zijn om te voorzien in meer beschermende regels en het toepassingsgebied van een juridisch instrument uit te breiden in hun eigen land teneinde de volksgezondheid van de burgers te beschermen, zoals dat overigens is gepreciseerd in de voormelde verordening. Voor het overige zou geen enkele conclusie kunnen worden afgeleid uit die bepaling van het afgeleid Unierecht in verband met de bevoegdheidsverdeling tussen de componenten van de Belgische Staat, die is geregeld door het intern recht. Wat betreft de gevolgen van de Zesde Staatshervorming voor de bevoegdheden inzake preventieve geneeskunde, herinneren de institutionele overheden eraan dat het aanmoedigen tot vaccinatie krachtens artikel 5, § 1, I, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 onder de gemeenschapsbevoegdheden valt. De institutionele overheden voegen eraan toe dat zij, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, niet steunen op het mechanisme van de concurrerende bevoegdheden. Wanneer aangelegenheden kunnen raken aan de 12 bevoegdheden van verschillende partners van de federale Staat hebben die laatste de mogelijkheid een samenwerkingsakkoord te sluiten om de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden te regelen. Tweede middel in de zaak nr. 7658 A.7.
  33. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 22, 23 en 26 van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat vervat is in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 11 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 12, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 9, lid 2, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). A.7.2.
  34. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de bepalingen en beginselen vermeld in het tweede middel, in zoverre het gebruik van het CST dat is toegestaan door het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, in het recht op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op culturele en sociale ontplooiing, alsook het recht om vreedzaam te vergaderen, een inmenging vormt waarvan de noodzaak niet is aangetoond in het licht van de nagestreefde doelstellingen. De persoonsgegevens betreffende de gezondheidstoestand worden immers beschouwd als bijzonder gevoelig en genieten krachtens artikel 9 van de AVG een versterkte bescherming, zodat de verwerking ervan het voorwerp moet uitmaken van een bijzonder strikte controle, zoals de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft onderstreept in haar adviezen naar aanleiding van de instemming met het samenwerkingsakkoord van 14 juli
  35. De toegang tot de activiteiten en plaatsen bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 valt overigens onder het recht op culturele en sociale ontplooiing, alsook onder het recht om vreedzaam te vergaderen, zodat het feit dat de voormelde toegang afhankelijk wordt gemaakt van het voorleggen van het CST een inmenging vormt in de uitoefening van die rechten. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 merken op dat noch het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, noch het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de doelstellingen van de invoering en de uitbreiding van het CST duidelijk identificeren. Uit de algemene toelichting bij het tweede samenwerkingsakkoord en uit het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 163/2021 van 23 september 2021 blijkt dat het nagestreefde doel erin bestaat te voorkomen dat een verspreiding van het virus tot een overbelasting van het ziekenhuissysteem leidt, waardoor de voorzieningen die tot de betrokken sectoren behoren, zouden moeten worden gesloten. Ten aanzien van in het bijzonder de redenen die het noodzakelijk zouden maken om de deelentiteiten toe te laten de toegang tot alle voorzieningen die behoren tot de beoogde sectoren, afhankelijk te maken van het voorleggen van het CST, wordt in de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 aangegeven dat geen enkel alternatief bestaat buiten de volledige sluiting indien men de overbelasting van het ziekenhuissysteem wil voorkomen. Volgens de verzoekende partijen zijn de adviezen van de Groep van Experts voor Managementstrategie van COVID-19 (hierna : de GEMS), die volgens de algemene toelichting die stelling zouden ondersteunen, niet relevant om de maatregelen te verantwoorden waarin dat samenwerkingsakkoord voorziet. Het advies van de GEMS van 18 augustus 2021 beperkt zich tot enkele algemene overwegingen betreffende het CST, terwijl het advies van 31 augustus 2021 onderstreept dat alternatieve maatregelen voor het gebruik van het CST, zoals het houden van afstand, het verluchten en het dragen van een mondmasker, bestaan en zouden moeten volstaan. Die adviezen verantwoorden bijgevolg niet het bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 ingevoerde systeem maar tonen integendeel aan dat er maatregelen bestaan die de grondrechten in mindere mate aantasten dan die waarin is voorzien. De inmenging in de uitoefening ervan is bijgevolg niet noodzakelijk, zoals de Gegevensbeschermingsautoriteit had benadrukt in haar voormeld advies van 23 september 2021, waarmee de partijen bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 geen rekening hebben gehouden. Bovendien toont de uiterst vage definitie van de meeste sectoren waarop het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 van toepassing is, ook de ontstentenis aan van de noodzaak van het ingevoerde systeem. A.7.2.
  36. In het tweede onderdeel verklaren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 dat de bestreden bepalingen een discriminatie creëren tussen de personen die niet over een vaccinatie- of herstelcertificaat beschikken, enerzijds, en diegenen die wel over een van die certificaten of zelfs over beide certificaten beschikken, 13 anderzijds, in zoverre de eerstgenoemden niet langer toegang kunnen krijgen tot de plaatsen beoogd in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, noch de erin bedoelde activiteiten kunnen uitoefenen. De personen die niet beschikken over de voormelde certificaten zijn immers, teneinde toegang te hebben tot de in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 bedoelde plaatsen, ertoe verplicht veelvuldig de tests te ondergaan die in dat akkoord worden opgesomd. Volgens de verzoekende partijen zijn die tests echter intrusief, maar ook riskant, daar zij bloedingen en letsels aan het neustussenschot kunnen veroorzaken, of zelfs in sommige gevallen breuken in de anterieure schedelbasis, die een risico van hersenvliesontsteking kunnen inhouden. Bovendien zijn de voormelde tests duur. Volgens de verzoekende partijen zal een persoon die een normaal sociaal leven wil leiden, ongeveer 100 euro per week moeten betalen om zich regelmatig aan die tests te onderwerpen. Bovendien leidt die situatie tot aanzienlijke organisatorische verplichtingen voor de personen. De verzoekende partijen benadrukken dat de vaccinatie tegen COVID-19 niet verplicht is en dat zij dus niet kan dienen als verantwoording voor een discriminerend verschil in behandeling ten nadele van de niet-gevaccineerde personen, zoals voortvloeit uit de verordening (EU) 2021/
  37. Volgens de partijen blijkt uit verschillende studies dat het voormelde verschil in behandeling niet verantwoord is door het gegeven dat de gevaccineerde of herstelde personen minder risico lopen dan de anderen om ernstige vormen van COVID-19 te ontwikkelen en dat virus over te dragen naar andere personen. In werkelijkheid kunnen de gevaccineerde of herstelde personen besmet worden of besmettelijk zijn, zodat het verschil in behandeling niet toelaat het nagestreefde doel te bereiken. In elk geval bevat de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 geen enkele uitleg die het verschil in behandeling tussen de gevaccineerde of herstelde personen, enerzijds, en diegenen die zich onderwerpen aan de tests, anderzijds, verantwoordt. A.7.2.
  38. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen de bezoekers van de in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 vermelde voorzieningen en die van de voorzieningen die niet in dat akkoord worden beoogd, in zoverre de eerstgenoemden enkel op vertoon van hun digitaal EU-Covid-certificaat toegang kunnen krijgen tot de betrokken voorzieningen, in tegenstelling tot de laatstgenoemden. Volgens die verzoekende partijen bestaat immers geen enkele verantwoording die kan verklaren waarom alleen de bezoekers van de in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 bedoelde voorzieningen zich moeten onderwerpen aan de daarin opgesomde voorwaarden inzake de toegang, met uitsluiting van de bezoekers van andere voorzieningen, zoals de commerciële centra. A.7.2.4 In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen de bezoekers van de in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 vermelde voorzieningen en de personen die er werken, in zoverre het CST enkel voor de eerstgenoemden kan worden geëist. De verantwoording die de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 aan dat verschil in behandeling geeft, is ongegrond. Daarbij wordt allereerst aangevoerd dat het zogenaamd veel moeilijker is om te controleren of de gezondheidsregels die gelden voor de bezoekers worden nageleefd. Volgens de verzoekende partijen is dat argument te vaag en steunt het op geen enkele feitelijke of wetenschappelijke basis. Het lijkt ook in strijd met het advies van de GEMS van 31 augustus
  39. Bovendien laat artikel 15, § 2, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020, zoals het van kracht was op het ogenblik van de aanneming van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, sommige bijeenkomsten binnen tot 3 000 personen toe zonder voorlegging van het CST, mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd, hetgeen niet heeft geleid tot een significante stijging van het aantal besmettingen. De voormelde algemene toelichting steunt ook op het verschil in frequentie waarmee de bezoekers, enerzijds, en de personeelsleden en werknemers, anderzijds, het CST zouden moeten voorleggen, met dien verstande dat de laatstgenoemden zich vaker aan die verplichting zouden moeten onderwerpen. Volgens de verzoekende partijen is ook die verklaring ongegrond, daar een persoon die een normaal sociaal leven wil hebben, een CST vier tot vijf keer per week zal moeten voorleggen, zodat de situatie van een werknemer in werkelijkheid niet verschilt van die van iedere persoon die een normaal leven leidt. Tenzij wordt afgezien van een normaal sociaal leven, zal de niet-gevaccineerde of niet-herstelde persoon bijgevolg ertoe worden verplicht zich te laten vaccineren, zodat het voormelde samenwerkingsakkoord een vaccinatieplicht inhoudt. A.8.
  40. Wat betreft het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7658 stellen de institutionele overheden vast dat de verzoekende partijen de wettigheid van de bestreden maatregelen niet betwisten, maar uitsluitend de noodzaak ervan. De wettigheidsvoorwaarde is te dezen echter in elk geval vervuld. Wat betreft het noodzakelijke karakter van de bestreden maatregelen onderstrepen de institutionele overheden allereerst dat het digitaal EU-COVID-certificaat en het CST passen in het juridisch kader van de Europese Unie, dat het gebruik ervan voor nationale doeleinden toestaat, op voorwaarde dat een juridische grondslag wordt 14 aangereikt, hetgeen precies het voorwerp uitmaakt van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals het is gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september
  41. Uit de algemene toelichting van dat tweede akkoord blijkt dat het CST een van de middelen is waarmee de besmettingsgraad en de hospitalisatiegraad kan worden beperkt door de mogelijke haarden veiliger te maken, met dien verstande dat geen enkele andere maatregel dan een volledige sluiting van de niet-essentiële sectoren en activiteiten, toelaat de veiligheid op het vlak van de gezondheid te garanderen wegens het zeer besmettelijke karakter van het virus. Het CST strekt dus ook ertoe die sluiting te voorkomen. De institutionele overheden preciseren daarnaast dat het doel van het CST eveneens erin bestaat de niet-gevaccineerde personen te beschermen, daar zij een hoger risico van ziekenhuisopname vertonen dan de anderen. De sectoren waarvoor het CST is opgelegd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 zijn overigens sectoren waar het risico, ondanks de vaccinatie, van een snelle verspreiding van het virus hoog blijft, wegens de delta-variant. Ten slotte voeren de institutionele overheden aan dat het CST deel uitmaakt van een geheel van maatregelen om het risico van verspreiding van het virus en van een overbelasting van de ziekenhuizen te beperken, teneinde zoveel mogelijk diensten en instellingen open te houden. De institutionele overheden stellen vervolgens vast dat de verzoekende partijen, in hun tweede middel, niet de evenredigheid van de inmenging betwisten. Aan die voorwaarde is echter voldaan, zoals blijkt uit de elementen waarop de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gewezen in haar advies nr. 70.159/VR van 23 september
  42. Wat betreft inzonderheid het recht op eerbiediging van het privéleven, het recht op culturele en sociale ontplooiing, alsook het recht op vreedzame vergadering voeren de institutionele overheden aan dat die niet absoluut zijn, en dat zij hun beperkingen vinden in de vrijheden van anderen of in het algemene belang. Zij onderstrepen dat het CST alleen kan worden opgelegd voor de hoogrisicosectoren indien de epidemiologische omstandigheden dat verantwoorden op het grondgebied van de respectieve deelentiteiten, na advies van de Risk Assessment Group (RAG) en na het verkrijgen van het akkoord van de bevoegde ministers van de deelentiteiten. De institutionele overheden verklaren dat de Gegevensbeschermingsautoriteit, in haar voormelde advies nr. 163/2021, niet heeft gesteld dat de verplichting tot het voorleggen van het CST niet noodzakelijk was, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren. De institutionele overheden preciseren daarnaast dat het CST een maatregel is om de veiligheid op het vlak van de gezondheid te vergroten en niet te waarborgen. Naar gelang van de situatie en de sector moeten andere maatregelen worden toegepast, zoals het mondmasker, hetgeen het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 niet uitsluit. Indien de epidemiologische situatie kritiek is, indien de andere maatregelen ontoereikend blijken in de risicosectoren en indien de deelentiteiten geen verplichting tot het voorleggen van het CST hebben kunnen opleggen, zou de enige alternatieve oplossing overigens erin bestaan de voorzieningen van die sectoren te sluiten totdat de situatie betert. Een dergelijke maatregel blijkt drastischer in het licht van de fundamentele rechten dan het opleggen van het CST. Een andere, mindere drastische maatregel zou erin bestaan die voorzieningen uitsluitend open te stellen voor de gevaccineerde personen, hetgeen de overheden willen voorkomen door middel van het opleggen van het CST. In haar voormelde advies nr. 70.159/VR deelt de afdeling wetgeving van de Raad van State die analyse. Er zij ook op gewezen dat het CST niet de essentiële diensten en activiteiten beoogt, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State ook heeft opgemerkt. Bovendien voeren de institutionele overheden aan dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven, het recht op culturele en sociale ontplooiing, alsook het recht op vreedzame vergadering moet worden afgewogen tegen andere fundamentele rechten, te beginnen met het recht van de burgers op gezondheid. Ten slotte vormt het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 een toereikende juridische grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 9 van de AVG. A.8.
  43. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de institutionele overheden aan dat, zoals wordt aangegeven in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, het CST een tijdelijke maatregel vormt die een verantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de personen die zijn gevaccineerd tegen COVID-19 of diegenen die minder dan 180 dagen voordien zijn besmet en, anderzijds, diegenen die niet voldoen aan die voorwaarden en een PCR-test of een antigeensneltest moeten ondergaan teneinde een geldig CST te verkrijgen. Zoals blijkt uit de adviezen van de GEMS van 18 en 31 augustus 2021 kan het CST ertoe bijdragen de besmettingsgraad te verminderen en de ziekenhuizen te ontlasten wanneer de besmettingsgraad en de hospitalisatiegraad sterk toenemen. De in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 beoogde sectoren zijn overigens plaatsen waar het virus snel kan verspreiden. Het CST maakt het dus mogelijk om in een meer veilige omgeving gebruik te maken van de voorzieningen van die sectoren die niet essentieel zijn maar onder de vrije tijd ressorteren. Het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling is verantwoord door het feit dat de tegen COVID-19 gevaccineerde personen of de personen die onlangs daarvan zijn hersteld, minder besmettelijk zijn en een lager hospitalisatierisico vertonen dan de anderen. Wanneer de epidemiologische situatie dat vereist, is 15 het bijgevolg niet onevenredig een verplichting tot het voorleggen van een CST in te voeren in de sectoren waar het besmettingsrisico zeer hoog is en waar risicopersonen verblijven. De personen die niet gevaccineerd, noch onlangs hersteld zijn, kunnen toch toegang hebben tot die sectoren, mits zij een PCR- of antigeentest ondergaan, waardoor zij een geldig CST kunnen verkrijgen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren, wordt de toegankelijkheid tot die tests verzekerd zowel op organisatorisch als op financieel vlak, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar voormelde advies nr. 170.159/VR heeft opgemerkt. Het argument van het gevaar van de tests op medisch vlak dient overigens niet ernstig te worden genomen. De ongemakken waarop de verzoekende partijen wijzen, zijn niet te vergelijken met het gevaar dat de besmette personen vertegenwoordigen voor de rest van de maatschappij. De institutionele overheden onderstrepen daarnaast dat iedere persoon de keuze heeft zich al dan niet te laten vaccineren en, wanneer zij dat niet doen, kunnen zij toch een CST verkrijgen, dat overigens steeds in de tijd beperkt is, zolang de epidemiologische omstandigheden dat vereisen. De institutionele overheden voegen eraan toe dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 voorziet in uitzonderingen op het CST. Behoudens andersluidende bepaling zijn de jongeren onder de zestien jaar niet verplicht het CST voor te leggen wanneer zij de betrokken voorzieningen bezoeken. Dat verschil in behandeling is verantwoord in de algemene toelichting bij dat akkoord. De institutionele overheden stellen ten slotte vast dat de verzoekende partijen in het tweede onderdeel van het tweede middel geen enkel argument uiteenzetten betreffende de schending van het recht op eerbiediging van het privéleven, het recht op sociale en culturele ontplooiing, alsook het recht op vreedzame vergadering. A.8.
  44. Wat betreft het derde onderdeel van het tweede middel verwijzen de institutionele overheden naar hun opmerkingen in verband met de eerste twee onderdelen van dat middel, daar dat derde onderdeel op dezelfde argumenten steunt. Zij voegen eraan toe dat de verzoekende partijen niet in concreto aantonen in welke zin hun kritiek betrekking heeft op een ongelijke behandeling. Volgens de institutionele overheden gaat het om verschillende sectoren die derhalve verschillend moeten worden behandeld, zoals wordt vermeld in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september
  45. Dat onderscheid berust op de wetenschappelijke stelling volgens welke sommige sectoren gevoeliger zijn voor een algemene besmetting door COVID-19, zodat het opleggen van het CST zinvoller is in die sectoren dan in andere sectoren waar de « normale » maatregelen inzake de strijd tegen COVID-19 voldoende blijken. Het is dus verantwoord het CST verplicht op te leggen aan de bezoekers van de sectoren die een verhoogd risico van besmetting of ziekenhuisopname vertonen. Het opleggen van een verplichting om het CST voor te leggen in alle sectoren zonder het minste onderscheid ten aanzien van het besmettingsrisico, zou overigens onevenredig zijn met het nagestreefde doel, hetgeen de ondertekenaars van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 precies willen vermijden. Het door de verzoekende partijen aangehaalde geval van de commerciële centra is niet relevant, aangezien daarin essentiële winkels zijn gevestigd, zodat zij logischerwijs zijn uitgesloten van de verplichting om het CST voor te leggen. Wat betreft die centra zijn andere maatregelen gemakkelijker toe te passen, zoals ventilatie, de naleving van de regels inzake het houden van afstand, de beperking van het aantal bezoekers per winkel, of nog, het dragen van een mondmasker. De verplichting om het CST voor te leggen, zou dus in dat geval geen maatregel zijn die in verhouding staat tot het nagestreefde doel. In werkelijkheid, wat de essentiële diensten en voorzieningen betreft, zou een dergelijke verplichting neerkomen op een impliciete vaccinatieplicht, die niet wenselijk is en een verregaandere inmenging in de fundamentele rechten zou inhouden. Ten slotte merken de institutionele overheden op dat de verzoekende partijen, in het derde onderdeel van het tweede middel, geen enkel argument uiteenzetten betreffende de schending van het recht op eerbiediging van het privéleven, van het recht op sociale en culturele ontplooiing, alsook van het recht op vreedzame vergadering. A.8.
  46. Wat betreft het vierde onderdeel van het derde middel voeren de institutionele overheden aan dat de bezoekers en het personeel van de betrokken voorzieningen categorieën van personen zijn die niet op dezelfde manier kunnen worden behandeld, zoals wordt gepreciseerd in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september
  47. Een eventuele verplichting om het CST voor te leggen voor het personeel van de voorzieningen en van de activiteiten beoogd in het voormelde samenwerkingsakkoord zou het personeel immers praktisch ertoe verplichten zich te laten vaccineren, daar een PCR- of een antigeentest voor het werk een aanzienlijke financiële last zou inhouden voor de werkgever, de keuze inzake vaccinatie in het gedrang zou brengen en een impliciete vaccinatieplicht zou vormen. Het betreft een wezenlijk verschil tussen de categorieën van personen die de verzoekende partijen met elkaar vergelijken, aangezien het voormelde personeel dagelijks moet gaan werken, 16 terwijl de bezoekers vrij kunnen kiezen de betrokken voorzieningen waarvoor het voorleggen van een CST verplicht is, te bezoeken. Het verschil tussen die categorieën van personen is ook gelegen in de toepassing van de ingevoerde maatregelen. In sommige situaties is het immers gemakkelijker voor de werkgever andere maatregelen dan het CST toe te passen, zoals het dragen van een mondmasker, hetgeen volstaat om de verspreiding van het virus te beperken. Het dragen van dat mondmasker kan gemakkelijk worden opgelegd aan bijvoorbeeld het personeel van een discotheek, maar het is praktisch onmogelijk om het op te leggen aan de bezoekers van een dergelijke voorziening. Om de voormelde redenen zijn het personeel en de bezoekers van de voorzieningen bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 niet vergelijkbaar en kunnen zij niet op dezelfde manier worden behandeld, zodat er geen enkele discriminatie bestaat. Ten slotte merken de institutionele overheden andermaal op dat de verzoekende partijen, in het derde onderdeel van het tweede middel, geen enkel argument uiteenzetten betreffende de schending van het recht op eerbiediging van het privéleven, van het recht op sociale en culturele ontplooiing, alsook van het recht op vreedzame vergadering. A.9.
  48. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen, wat betreft het eerste onderdeel van het tweede middel, aan dat zij wel degelijk de schending bekritiseren van het gelijkheidsbeginsel dat van toepassing is inzake de beperking van de grondrechten, zoals dat is benadrukt in hun verzoekschrift, ook al wordt de kritiek uiteengezet in het kader van andere vernietigingsmiddelen. Zij herinneren eraan dat de verordening (EU) 2021/953 en de verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 « betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) ten aanzien van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen tijdens de COVID-19-pandemie » (hierna : de verordening (EU) 2021/954) geen juridische gronden vormen die de lidstaten toelaten inmengingen in de grondrechten te verantwoorden, zoals blijkt uit overweging nr. 14 van de verordening (EU) 2021/
  49. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat het CST niet toelaat de besmettings- en hospitalisatiegraad te verminderen, en dat de institutionele overheden geen enkele concreet en relevant wetenschappelijk gegeven voorleggen waaruit blijkt dat de verplichte voorlegging van het CST ingevolge het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 moest worden uitgebreid. Zij preciseren overigens dat zij, in het voormelde onderdeel, niet de gevaccineerde personen plaatsen tegenover de niet-gevaccineerde personen, en dat met de voorgelegde cijfers voorzichtig moet worden omgesprongen door de institutionele overheden gelet op alle relevante gegevens. Volgens de verzoekende partijen tonen recente studies aan dat de virale last van de gevaccineerde personen en die van de niet-gevaccineerde personen vrijwel identiek zijn. De noodzaak van de verplichting tot het voorleggen van het CST wordt dus geenszins aangetoond. Wat inzonderheid het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 preciseert dat het CST geen andere maatregelen toelaat. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat, om de noodzaak na te gaan van een inmenging in een grondrecht, er moet worden gecontroleerd of er maatregelen bestaan die een beperktere aantasting inhouden, en niet, zoals de institutionele overheden doen, de theoretische mogelijkheid moet worden onderzocht om maatregelen aan te nemen die een grotere aantasting inhouden, zoals de sluiting van sommige sectoren of de opening ervan voor uitsluitend gevaccineerde personen. De verzoekende partijen voeren daarnaast aan dat het toepassingsgebied van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 heel veel activiteiten van het dagelijks leven dekt die essentieel zijn voor het psychologisch en sociaal welzijn van de verzoekende partijen en van de bevolking in het algemeen. Bovendien stelt de AVG de institutionele overheden niet ervan vrij concreet aan te tonen dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op de bescherming van persoonsgegevens noodzakelijk is. De verzoekende partijen voeren ook aan dat de door de institutionele overheden aangehaalde bepaling van de AVG, namelijk artikel 9, lid 2, i) en h), niet toelaat dat persoonsgegevens worden verwerkt door de personen die worden beoogd in het samenwerkingsakkoord van 27 september
  50. Ten slotte preciseren de verzoekende partijen dat in het verzoekschrift wel degelijk wordt uiteengezet in welke zin het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 het recht op culturele en sociale ontplooiing en het recht op vreedzame vergadering schendt, daar daarin wordt aangetoond dat dat samenwerkingsakkoord niet noodzakelijk is in het licht van alle fundamentele rechten waarvan de schending wordt aangevoerd. A.9.
  51. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel onderstrepen de verzoekende partijen, in hun memorie van antwoord, dat de doeltreffendheid van de vaccinatie tegen het overdragen van COVID-19 reeds 17 beperkt was vooraleer de omikron-variant vrijwel alle besmettingen uitmaakte, en dat die wordt beschouwd als zeer beperkt tegen die variant. De situatie is niet anders voor de personen die een boosterprik hebben gekregen. Uit de gegevens van Sciensano blijkt overigens dat het risico om te worden besmet, zeer groot blijft voor een gevaccineerde persoon, zelfs na een boosterprik, hoewel dat risico minder hoog ligt in vergelijking met de niet-gevaccineerde personen. Er bestaat dus geen enkele wetenschappelijke basis om de in het tweede onderdeel aangeklaagde discriminatie te verantwoorden. De verzoekende partijen verklaren ten slotte dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de personen die mogelijk besmet en besmettelijk zijn, toelaat contact te hebben met andere personen die mogelijk besmet zijn, hetgeen kan leiden tot de overbelasting van het ziekenhuissysteem, en dat het CST dat precies wil voorkomen. A.9.
  52. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen, in verband met het derde onderdeel van het tweede middel, aan dat het door de institutionele overheden aangevoerde onderscheid niet berust op enige wetenschappelijke studie. In werkelijkheid betreft het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 talrijke sectoren waarvoor andere maatregelen dan het CST volstaan. A.10.
  53. In hun memorie van wederantwoord voeren de institutionele overheden, wat betreft het eerste onderdeel van het tweede middel, aan dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 voldoet aan de wettigheidsvereiste vervat in artikel 22 van de Grondwet, daar de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven is bepaald in een samenwerkingsakkoord waaraan het Parlement instemming heeft verleend. De bewoordingen van dat samenwerkingsakkoord zijn bovendien voldoende duidelijk en nauwkeurig, zodat iedere persoon redelijkerwijs de gevolgen van zijn handelen in de gegeven omstandigheden kan voorzien, zoals de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat vereist. Het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 is ook voorzienbaar, daar het voldoende informatie aanreikt over het bestaan, de draagwijdte en de voorwaarden van de inmenging in het privéleven. De institutionele overheden voegen eraan toe dat de bestreden maatregelen het recht op vrij verkeer en het recht op eerbiediging van het privéleven niet schorsen, maar zich ertoe beperken die grondrechten op weloverwogen, noodzakelijke, tijdelijke en gedeeltelijke wijze in te dijken, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State herhaaldelijk heeft bevestigd, met name in haar voormelde advies nr. 70.159/VR. Volgens de institutionele overheden hebben de Europese verordeningen (EU) 2021/953 en 2021/954 tot doel het vrije verkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie te reglementeren. Op nationaal niveau is de juridische grondslag voor het gebruik van een digitaal EU-COVID-certificaat gelegen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij de samenwerkingsakkoorden van 27 september 2021 en 28 oktober
  54. De voormelde verordeningen beletten niet dat dat certificaat op nationaal niveau ruimer wordt gebruikt. Zij geven daarnaast aan dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen, op voorwaarde dat die strikt beperkt zijn wat de draagwijdte ervan betreft en in de tijd, en dat zij niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de volksgezondheid te beschermen. Het gebruik van het CST bepaald in de voormelde samenwerkingsakkoorden voldoet aan die vereisten. Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, gewijzigd bij dat van 27 september 2021, voorziet immers uitdrukkelijk in een einddatum voor het gebruik van het CST. Bovendien is de draagwijdte van dat instrument beperkt tot de sectoren en activiteiten die op limitatieve wijze worden opgesomd. Ten slotte worden de redenen voor het gebruik van het CST op gedetailleerde wijze gemotiveerd. De institutionele overheden preciseren vervolgens dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 steunt op de verslagen van de GEMS van 18 en 31 augustus 2021 en dat het voorziet in de noodzaak om verslagen van de RAG te verkrijgen betreffende de evaluatie van de epidemiologische maatregelen vooraleer striktere maatregelen betreffende het gebruik van het CST kunnen worden genomen. Zij herinneren eraan dat het CST kan worden verkregen op andere manieren dan de vaccinatie, zodat het niet gaat om een verhulde vaccinatieplicht. Zij halen daarnaast een verslag aan van het Federaal Instituut voor de Bescherming en de Bevordering van de Rechten van de Mens, alsook een bijdrage uit de rechtsleer, waaruit het evenredige karakter van het CST blijkt. Vervolgens geven de institutionele overheden een opsomming en een gedetailleerd overzicht van verschillende wetenschappelijke studies die de doeltreffendheid van het CST aantonen om de verschillende doelstellingen ervan te bereiken, namelijk de overdracht van COVID-19 tussen personen beperken, het aantal personen verminderen die zijn aangetast door een ernstige vorm van de ziekte na een besmetting, de verzadiging van de diensten voor intensieve zorg in de ziekenhuizen voorkomen, de belasting van het gezondheidszorgsysteem in zijn geheel verminderen en de economie opnieuw aanzwengelen door de sectoren te openen die gesloten zouden moeten blijven indien het CST niet bestond. A.10.
  55. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel verklaren de institutionele overheden in hun memorie van wederantwoord allereerst dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 is gesloten op 18 een ogenblik dat er geen sprake was van de omikron-variant, maar wel van de delta-variant, die bijzonder krachtig was en waarop de vaccinatie een groot effect heeft gehad. Zij voegen eraan toe dat een boosterprik wel degelijk een impact heeft op de bescherming tegen het virus, op het aantal ziekenhuisopnames en op de besmetting. Volgens de institutionele overheden voldoet het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 aan het gelijkheidsbeginsel, daar het de volledige bevolking beoogt en niet verschillende subgroepen van individuen, zodat het niet aan de verzoekende partijen staat om zelf zogenoemde subgroepen te identificeren en discriminaties daartussen te analyseren. Het verschil in behandeling waartoe het voormelde samenwerkingsakkoord leidt, vloeit voort uit de vrije keuze van de bevolking zelf om zich al dan niet te laten vaccineren of te testen. De institutionele overheden benadrukken dat het CST ook kan worden verkregen op basis van een test en niet uitsluitend op basis van een herstel- of vaccinatiecertificaat. Naast het feit dat het voormelde samenwerkingsakkoord geen enkele discriminatie teweegbrengt, tonen wetenschappelijke verslagen en studies duidelijk aan dat de vaccinatie tegen COVID-19 werkt, zodat het toepassingsgebied van het CST een gefundeerde basis heeft en niet leidt tot meer besmettingen met het virus. A.10.
  56. De institutionele overheden voeren, ten aanzien van het derde onderdeel van het tweede middel, aan dat de wetenschappelijke studies effectief aantonen dat het CST een noodzakelijke en evenredige maatregel is en dat er geen minder intrusieve instrumenten bestaan die hetzelfde effect zouden hebben. Het gaat overigens om een van meerdere maatregelen in de strijd tegen COVID-19 waarbij verschillende middelen worden gecombineerd. Tweede middel in de zaak nr. 7685 A.11.
  57. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7685 leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, van het wettigheidsbeginsel, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 5 en 6 van de AVG, en van het beginsel van de rechtszekerheid. A.11.2.
  58. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 28 oktober 2021, de verplichte voorlegging van het CST niet reglementeert als voorwaarde voor de toegang tot sommige plaatsen of activiteiten, daar er geen enkele bepaling bestaat die erin voorziet dat het gebruik van het CST verplicht of toegestaan is. Overigens, in een epidemische noodsituatie, worden de deelentiteiten hun bevoegdheden ontnomen inzake de toegang tot massa-evenementen, proef- en pilootprojecten en discotheken en dancings, behoudens de mogelijkheid om striktere maatregelen te nemen. In werkelijkheid laat het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 aan het koninklijk besluit bedoeld in artikel 4 van de wet van 14 augustus 2021 en aan een uitvoerend samenwerkingsakkoord de zorg over om al dan niet te voorzien in de verplichte voorlegging van het CST. Dat mechanisme is strijdig met het gelijkheidsbeginsel en met de in het tweede middel vermelde bepalingen. Bovendien zijn de plaatsen waarvan de toegang is onderworpen aan het voorleggen van het CST, essentiële elementen van de gegevensverwerking ingevolge die voorlegging. Het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 verantwoordt geenszins de voormelde delegatie aan de uitvoerende macht. In elk geval vloeit uit de rechtspraak van het Hof voort dat de zorg om het normatieve kader van het CST gemakkelijker te kunnen wijzigen en het technische karakter van de materie, in dat kader geen verantwoording kunnen vormen. Bij haar advies nr. 70.384/VR van 27 oktober 2021 deelt de afdeling wetgeving van de Raad van State dat standpunt. De verzoekende partijen merken op dat, volgens het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, de deelentiteiten een decreet of een ordonnantie moeten aannemen om te voorzien in het gebruik van het CST, hetgeen leidt tot een opvatting van het wettigheidsbeginsel tegen twee snelheden. De in de zaak nr. 7685 bestreden bepalingen, in zoverre zij een artikel 2bis, § 3, eerste lid en vierde lid, i), invoegen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, dienen bijgevolg te worden vernietigd. A.11.2.
  59. In een tweede onderdeel stellen de voormelde verzoekende partijen vast dat artikel 2bis, § 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, bepaalt dat het gebruik van het CST is vastgelegd, in sommige gevallen, overeenkomstig de reglementering die geldig is tot 31 oktober
  60. Zij voeren niet alleen aan dat het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 niet preciseert in welke zin die datum relevant is, maar ook dat het niet mogelijk is te begrijpen welke reglementering van toepassing is op het gebruik van het CST, terwijl dat laatste een verwerking van persoonsgegevens impliceert. De bestreden bepalingen schenden bijgevolg de vereisten van voorzienbaarheid en duidelijkheid die voortvloeien uit de in het middel vermelde bepalingen, alsook het beginsel van rechtszekerheid, 19 in zoverre zij instemming verlenen met artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, daar dat samenwerkingsakkoord artikel 2bis, § 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 wijzigt. A.11.2.
  61. In een derde onderdeel merken de voormelde verzoekende partijen op dat artikel 2bis, § 3, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, preciseert dat de regels inzake het gebruik van het CST niet in strijd mogen zijn met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig de wet van 14 augustus
  62. Die verzoekende partijen voeren aan dat het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 niet vermeldt wat die mogelijke strijdigheid inhoudt, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State ook heeft opgemerkt in haar advies nr. 70.386 van 27 oktober
  63. De preciseringen in de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 laten niet toe die vraag te beantwoorden. Een dergelijke onduidelijkheid is niet verenigbaar met de vereisten van voorzienbaarheid en duidelijkheid vervat in de in het middel vermelde bepalingen, daar het, in geval van tegenstrijdige maatregelen, niet mogelijk is te bepalen welke van toepassing is, zodat ook het beginsel van rechtszekerheid geschonden is. De in de zaak nr. 7685 bestreden bepalingen schenden derhalve de in het middel vermelde bepalingen in zoverre zij instemming verlenen met artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, aangezien dat artikel 2bis, § 3, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 wijzigt. A.11.2.
  64. In een vierde onderdeel voeren de voormelde verzoekende partijen aan dat artikel 2bis, § 3, vierde lid, iii), van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, ingevoegd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, slecht is geformuleerd en moeilijk te begrijpen is. Het schendt bijgevolg de vereisten van nauwkeurigheid en voorzienbaarheid vervat in de in het middel vermelde bepalingen, alsook het beginsel van rechtszekerheid. Die bepaling lijkt overigens te steunen op het beginsel dat de burgemeesters en de gouverneurs in een epidemische noodsituatie bevoegd zijn om striktere maatregelen te nemen dan de maatregelen van bestuurlijke politie die door de federale Regering worden genomen op grond van artikel 4, § 1, van de wet van 14 augustus
  65. Er is echter reeds voorzien in dat beginsel bij artikel 4, § 2, van de wet van 14 augustus 2021, zodat die maatregel niet nodig is om de bevoegdheden van de partijen bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 te coördineren, noch in overeenstemming is met artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  66. A.11.2.
  67. In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2bis, § 3, vijfde en zesde lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, in strijd is met artikel 33, § 1, 2°, en § 2, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
  68. Uit die bepalingen vloeit immers voort dat artikel 2bis, § 2, van dat samenwerkingsakkoord in werking treedt op 16 juni 2021, terwijl artikel 13ter in werking treedt op de dag van de laatste instemmingsakte. De bestreden bepalingen schenden dus de in het middel vermelde bepalingen in zoverre zij instemming verlenen met artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, daar dat artikel een vijfde en een zesde lid invoegt in artikel 2bis, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli
  69. A.12.
  70. Wat betreft het eerste onderdeel van het tweede middel voeren de institutionele overheden aan dat, gelet op de ontwikkeling van de epidemiologische omstandigheden, het redelijk verantwoord is de uitvoerende macht ertoe te machtigen de omvang van een massa-evenement te definiëren, teneinde soepel te kunnen reageren op de ontwikkelingen die zich voordoen in de epidemiologische situatie. Indien die omvang moest worden opgenomen in de tekst zelf van het samenwerkingsakkoord, dan zou de regel nutteloos en doelloos worden, daar hij ertoe strekt het gezondheidssysteem te beschermen en erover te waken dat het niet wordt overbelast noch instort. Wanneer de epidemiologische situatie verergert, in voorkomend geval snel en exponentieel, moet het mogelijk zijn om hierop soepel en doeltreffend te reageren. De institutionele overheden preciseren dat, in het kader van het beheer van de pandemie, alle ministeriële en koninklijke besluiten die de bestrijding ervan beogen, zijn voorafgegaan door besprekingen in het overlegcomité, en dat de auteurs van het samenwerkingsakkoord voortdurend in contact staan met de FOD Volksgezondheid om na te gaan of de huidige definitie van de omvang van een massa-evenement gepast blijft. Bovendien komt de redenering van de verzoekende partijen erop neer dat geen enkele uitvoering van het samenwerkingsakkoord kan worden vastgelegd in een norm met reglementaire draagwijdte. Ten slotte is het bepalen van het aantal bezoekers voor massa-evenementen en proef- en pilootprojecten geen essentieel element van de verwerking van persoonsgegevens, maar een loutere uitvoeringsmodaliteit. A.12.
  71. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het tweede middel verklaren de institutionele overheden dat artikel 2bis, § 3, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 voldoende duidelijk is, daar in de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 heel duidelijk wordt gepreciseerd wat moet worden begrepen onder de reglementering die van toepassing is tot 31 oktober 2021, zodat het voor de betrokken personen niet onmogelijk is de verwijzing naar die reglementering te begrijpen. 20 A.12.
  72. Wat betreft het derde onderdeel van het tweede middel voeren de institutionele overheden aan dat de algemene uiteenzetting van het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 de conflictsituatie preciseert waarvan sprake is in artikel 2bis, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd. Die bepaling betekent immers dat striktere maatregelen, zoals de vergrendeling of de sluiting van een bepaalde sector, genomen op federaal niveau op grond van de wet van 14 augustus 2021, niet kunnen worden omzeild door het opleggen, door de deelentiteiten, van een verplichting tot het voorleggen van het CST. De institutionele overheden preciseren dat het samenwerkingsakkoord niet uitsluit dat een door een deelentiteit opgelegde verplichting tot het voorleggen van het CST kan bestaan naast een federale maatregel die steunt op de wet van 14 augustus 2021, op voorwaarde dat die maatregelen complementair zijn en elkaar niet tegenspreken. A.12.
  73. Ten aanzien van het vierde onderdeel van het tweede middel stellen de institutionele overheden vast dat de definitie van de bevoegdheden van de burgemeesters en de gouverneurs in artikel 2bis, § 3, vierde lid, iii), van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, reeds was opgenomen in het samenwerkingsakkoord van 27 september
  74. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7685 hebben in de zaak nr. 7658 echter niet gewezen op het vermeende gebrek aan duidelijkheid van die definitie. Daarnaast voegen de institutionele overheden eraan toe dat die niet onnauwkeurig is, daar de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 een voldoende duidelijke en gedetailleerde uitleg bevat over de bevoegdheden van de burgemeesters en de gouverneurs in verband met het gebruik van het CST. A.12.
  75. Wat betreft het vijfde onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7685 preciseren de institutionele overheden dat de inwerkingtreding van de artikelen 2 tot 8 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 vanaf 16 juni 2021 te verklaren is door het feit dat het digitaal EU-COVID-certificaat toepasselijk is verklaard vanaf die datum. Het CST is echter pas voor het eerst in augustus 2021 toegepast. De wijziging van artikel 2bis, § 3, vijfde en zesde lid, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 past in het kader van het einde van de epidemische noodsituatie die kan worden afgekondigd op grond van de wet van 14 augustus
  76. Die bepaling regelt de toepassing van de bestaande reglementering van het CST wanneer de epidemische noodsituatie eindigt gedurende de toepassingsperiode van het samenwerkingsakkoord bepaald in artikel 33 ervan, met andere woorden tot 30 juni
  77. Het betreft bijgevolg geen bepaling die de inwerkingtreding en de uitvoering van de daarin vervatte regel vaststelt, maar een bepaling die de reglementering verduidelijkt die van kracht zal zijn wanneer de epidemische noodsituatie eindigt. Wanneer een dergelijke situatie wordt afgekondigd, is het logisch dat sommige bepalingen geen uitwerking meer hebben, maar die schorsing tast de inwerkingtreding van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord niet aan. De institutionele overheden merken ten slotte op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen enkele opmerking in dat verband heeft geformuleerd. A.13.
  78. In hun memorie van antwoord verklaren de verzoekende partijen, ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel, dat de uiteenzettingen van de institutionele overheden in strijd zijn met de rechtspraak van het Hof en met het voormelde advies nr. 70.384 van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Daarnaast voeren zij aan dat het doel inzake snelheid en flexibiliteit wordt tegengesproken door de feiten van het geding, gelet op de snelheid waarmee instemming is verleend met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober
  79. De voorafgaande besprekingen in het overlegcomité en de permanente contacten met de FOD Volksgezondheid laten overigens niet toe de schending te verantwoorden van de in het tweede middel vermelde bepalingen. A.13.
  80. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord aan dat in de normen die het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 wijzigen, de relevante bepalingen van de toepasselijke reglementering duidelijk hadden moeten worden uiteengezet, in plaats van op algemene wijze te verwijzen naar de reglementering die van toepassing is tot 31 oktober
  81. Door die tekortkoming zijn de betrokken personen niet in staat de regels die gelden inzake de verwerking van hun persoonsgegevens duidelijk en nauwkeurig te begrijpen. A.13.
  82. Wat betreft het vierde onderdeel van het tweede middel verklaren de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord dat artikel 2bis, § 3, vierde lid, iii), van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 slecht geformuleerd is, hetgeen het begrip ervan vermoeilijkt maakt en een schending van de in het middel vermelde bepalingen inhoudt. A.13.
  83. Wat betreft het vijfde onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord aan dat uit de bewoordingen van artikel 2bis, § 3, vijfde en zesde lid, en artikel 33, § 1, 2°, 21 en § 2, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 uitdrukkelijk voortvloeit dat die betrekking hebben op de vraag op welk ogenblik de artikelen 2bis, § 3, en 33 van het samenwerkingsakkoord van kracht zullen zijn. De voormelde artikelen 2bis en 33 spreken elkaar echter op dat punt tegen. A.
  84. In hun memories van wederantwoord voeren de institutionele overheden, ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel, aan dat, sinds het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, de werkmethode onveranderd is gebleven : de grote lijnen zijn vastgelegd op wetgevend niveau, terwijl de concrete voorwaarden zijn uitgewerkt door de uitvoerende macht, hetgeen steeds is aanvaard door de afdeling wetgeving van de Raad van State. De institutionele overheden herinneren eraan dat het sluiten van elk samenwerkingsakkoord is voorafgegaan door overleg binnen elke parlementaire vergadering, dat de vereiste adviezen steeds zijn verkregen en dat rekening is gehouden met de ontwikkeling van de epidemie. Volgens hen moet snel kunnen worden gereageerd wanneer de epidemiologische omstandigheden plots verslechteren, teneinde de volksgezondheid en de sector van de gezondheidszorg zo goed mogelijk te vrijwaren en de impact op de nationale economie te beperken. Hoewel noodprocedures mogelijk zijn voor de verzoeken om advies, blijken die te traag om meteen te kunnen reageren op de ontwikkelingen van de pandemie. Het bepalen van het aantal bezoekers voor de massa-evenementen en proef- en pilootprojecten vormt overigens geen essentieel element van de verwerking van persoonsgegevens. Ten slotte voeren de institutionele overheden aan dat de snelheid waarmee instemming is verleend met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, te verklaren is door het feit dat de wijzigingen die zijn aangebracht in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 miniem waren. Zij voeren ook aan dat de werklast van diegenen die betrokken waren bij het totstandkomingsproces, extreem zwaar is geweest en dat zulks geen gangbare praktijk mag worden om het hoofd te bieden aan de crisis. Derde middel in de zaak nr. 6758 A.15.
  85. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 leiden een derde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, van het wettigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 5, 6 en 9 van de AVG. A.15.2.
  86. In een eerste onderdeel voeren de voormelde verzoekende partijen aan dat de artikelen 2, § 2, 3, § 1, en 6 van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de definitie van sommige essentiële elementen van de gegevensverwerking delegeren aan de uitvoerende macht. In een eerste subonderdeel verklaren zij dat het begrip « voorziening die behoort tot de culturele, feestelijke en recreatieve sector » een essentieel element vormt bij het bepalen van de doelstelling van de gegevensverwerking geregeld bij de artikelen 12 en 13 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 27 september
  87. Volgens hen vloeit uit de rechtspraak van het Hof betreffende de in het middel vermelde grondwetsbepalingen en de internationaalrechtelijke bepalingen, alsook uit de praktijk van de Gegevensbeschermingsautoriteit voort dat het doeleinde van de voormelde verwerking moet worden gedefinieerd in een formele wet. Te dezen delegeert het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, door te bepalen dat de voorzieningen die behoren tot de voormelde sectoren, worden gedefinieerd in een uitvoerend samenwerkingsakkoord, echter de vaststelling van de essentiële elementen van de gegevensverwerking, hetgeen niet toelaatbaar is. A.15.2.
  88. In een tweede subonderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de definitie van de massa-evenementen, gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, een essentieel element vormt van het bepalen van het doeleinde van de gegevensverwerking geregeld bij de artikelen 12 en 13 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 27 september
  89. Door te bepalen dat een massa-evenement een evenement is « van een zekere omvang » met « een bepaald aantal » bezoekers waarvan de modaliteiten betreffende de organisatie en de veiligheid worden bepaald door de uitvoerende macht, delegeert het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 het bepalen van de essentiële elementen van de gegevensverwerking, hetgeen niet toelaatbaar is. In een derde subonderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 aan dat de definitie van de voorwaarden waaronder de toegang tot de plaatsen en de evenementen bedoeld in het samenwerkingsakkoord kan worden verkregen op basis van het digitaal EU-COVID-certificaat of op basis van andere maatregelen, een 22 essentieel element vormt van het doeleinde van de gegevensverwerking geregeld bij de artikelen 12 en 13 van samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 27 september
  90. Zij wijzen overigens erop dat de digitale EU-COVID-certificaten in de zin van de verordening (EU) 2021/953 alleen toelaten om gegevens aan te tonen die zijn opgenomen in de bijlage van die verordening. Het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 delegeert aan de uitvoerende macht echter de zorg om, in een uitvoerend samenwerkingsakkoord, te bepalen welke de in het geding zijnde toegangsvoorwaarden zijn en, bijgevolg, met het oog op welke controles en verificaties de persoonsgegevens worden verwerkt, hetgeen niet toelaatbaar is. Bovendien bepaalt dat samenwerkingsakkoord dat de uitvoerende macht ertoe gemachtigd is de voormelde toegangsvoorwaarden niet alleen op basis van het digitaal EU-COVID-certificaat, maar tevens op basis van andere maatregelen te bepalen die dus een verwerking kunnen inhouden van andere persoonsgegevens dan die welke worden opgesomd in de bijlage van de verordening (EU) 2021/953, hetgeen evenmin toelaatbaar is. A.15.2.
  91. In een tweede onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 niet toelaat de situaties waarin de persoonsgegevens van de betrokkenen worden verwerkt, voldoende nauwkeurig en duidelijk te begrijpen. In een eerste subonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de definitie van de handelsbeurzen en congressen een essentieel element vormt van het doeleinde van de gegevensverwerking geregeld bij de artikelen 12 en 13 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 27 september 2021, verwerking die moet worden vastgelegd in een wetsbepaling. Artikel 3, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 preciseert immers niet wat moet worden begrepen onder « een grootschalige bijeenkomst rond een bepaald thema », noch wat het onderscheid is tussen een grootschalige bijeenkomst en een massa-evenement. Die opmerkingen gelden eveneens voor de « tentoonstellingen », de « handelsbeurzen » en de « congressen ». Die punten worden niet verduidelijkt in de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, noch in de artikelsgewijze toelichting van dat samenwerkingsakkoord. In een tweede subonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de personen die ertoe gemachtigd zijn het CST te genereren en te lezen door middel van de COVIDscan-applicatie, alsook het identiteitsbewijs van de betrokkene te vragen, niet nauwkeurig worden geïdentificeerd in artikel 6 van het samenwerkingsakkoord van 27 september
  92. Dat artikel preciseert immers niet welke personen zijn belast met de toegangscontrole, noch hoe die worden aangewezen. Het is bijgevolg niet mogelijk met voldoende voorzienbaarheid en nauwkeurigheid te identificeren wie de adressaten van de verwerkte persoonsgegevens zijn, hetgeen in beginsel vereist is. A.15.2.
  93. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 4, 5 en 7 van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de betrokken deelentiteiten toestaan te voorzien in een facultatief gebruik van het CST, terwijl een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op de bescherming van persoonsgegevens betreffende de gezondheid alleen mogelijk is wanneer die absoluut noodzakelijk is om het met die inmenging nagestreefde doel te bereiken, wat door dat facultatieve karakter niet wordt aangetoond. Uit verschillen bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij dat van 27 september 2021, blijkt immers dat de deelentiteiten de mogelijkheid hebben te voorzien in een facultatief gebruik van het CST, dat wordt overgelaten aan het oordeel van de organisatoren van evenementen of de verantwoordelijken van de betrokken voorzieningen. In haar voormelde advies van 23 september 2021 heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit gesteld dat dat systeem niet toelaatbaar was. Volgens de verzoekende partijen bewijst de voormelde mogelijkheid het niet-vereiste karakter van de aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven. Volgens hen is ofwel het gebruik van het CST noodzakelijk om de overbelasting van het ziekenhuissysteem te voorkomen, in welk geval het aan de wetgever staat zulks aan te tonen, ofwel is een dergelijk gebruik niet noodzakelijk om de voormelde overbelasting te voorkomen, zodat het gebruik, verplicht of facultatief, van het CST niet toelaatbaar is. A.16.
  94. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het derde middel voeren de institutionele overheden allereerst aan dat de definitie van de voorzieningen van de culturele, feestelijke en recreatieve sector geen essentieel element vormt voor de verwerking van persoonsgegevens. In werkelijkheid is het essentiële element van die verwerking gelegen in het feit dat de voormelde voorzieningen eventueel ertoe zouden kunnen worden verplicht het CST te gebruiken, hetgeen effectief is bepaald in het samenwerkingsakkoord van 27 september
  95. De definitie van die voorzieningen kan dus worden gedelegeerd aan de uitvoerende macht, daar het gaat om de uitvoering van wat reeds is bepaald in het samenwerkingsakkoord. In ondergeschikte orde preciseren de institutionele overheden dat zij voornemens zijn die definitie op te nemen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals het is gewijzigd bij dat van 27 september
  96. 23 De institutionele overheden voegen, ten aanzien van de definitie van de massa-evenementen, eraan toe dat het, gelet op de constante ontwikkeling van de epidemiologische omstandigheden, redelijk is dat de uitvoerende macht ertoe wordt gemachtigd de omvang, en dus het aantal bezoekers van dergelijke evenementen te definiëren teneinde soepel te kunnen reageren op die evolutie. In werkelijkheid, indien die criteria moesten worden opgenomen in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, dan zou de regel nutteloos en doelloos worden, daar die ertoe strekt het gezondheidssysteem te beschermen en te voorkomen dat het wordt overbelast. Wanneer de epidemiologische situatie verergert, moet het dus mogelijk zijn daarop soepel en doeltreffend te reageren. De voorwaarden waaronder de toegang kan worden verkregen op basis van het digitaal EU-COVID-certificaat, een ander certificaat of andere maatregelen die, krachtens artikel 6 van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, zijn vastgelegd in een uitvoerend samenwerkingsakkoord, vormen overigens uitsluitend praktische regels en hebben alleen betrekking op een technische verduidelijking en de uitvoering van bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 27 september
  97. Het gaat dus niet om de delegatie van een essentieel element. A.16.
  98. Wat betreft het tweede onderdeel van het derde middel merken de institutionele overheden allereerst op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar voormelde advies nr. 70.159 geen enkele commentaar heeft geformuleerd over de definitie van de handelsbeurzen en congressen. Zij merken daarnaast op dat die definitie is overgenomen van die welke is gebruikt in het ministerieel besluit van 28 oktober
  99. Volgens hen bestaan duidelijke verschillen tussen het massa-evenement, enerzijds, en de handelsbeurzen en congressen, anderzijds, met name ten aanzien van de duur en de gezondheidsomstandigheden ervan. De institutionele overheden voegen eraan toe dat het adagium lex specialis derogat generalibus dient te worden toegepast, zodat de definitie van de massa-evenementen ook kan overeenstemmen met de definitie van andere evenementen. Het betreft in werkelijkheid een ruim begrip. Echter, wanneer een activiteit die wordt gekwalificeerd als een massa-evenement eveneens beantwoordt aan een meer nauwkeurige definitie in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, is de bijzondere regeling die daarin is bepaald, van toepassing, met name ten aanzien van de handelsbeurzen en de congressen. De institutionele overheden merken overigens op dat artikel 13, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, een exhaustieve en goed gedefinieerde lijst bevat van de personen die het CST mogen lezen. De controle van de identiteit van de bezoeker vormt daarentegen een antifraudemaatregel die de evenredigheid, met andere woorden de doeltreffendheid en het gebruik, van het CST waarborgt, daar zonder die controle het met die maatregel nagestreefde doel niet zou kunnen worden bereikt. Bovendien vormt de controle van de identiteit van de bezoeker geen verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG, daar het alleen gaat om het lezen van de naam op het identiteitsbewijs, zonder registratie van de identiteit van de bezoekers, noch opslag of geautomatiseerde verwerking van gegevens. Die redenering is analoog aan die van de Gegevensbeschermingsautoriteit betreffende het nemen van de temperatuur van de personen die een ziekenhuis willen betreden. De bepalingen van de AVG dienen bijgevolg niet te worden toegepast. A.16.
  100. Wat betreft het derde onderdeel van het derde middel voeren de institutionele overheden aan dat de verzoekende partijen ten onrechte verklaren dat de mogelijkheid om het CST facultatief te gebruiken, de operatoren en organisatoren die worden bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 toelaat de plaats in te nemen van de wetgever, daar het wel degelijk de deelentiteiten zijn die beslissen om het CST al dan niet verplicht te maken. Zo niet staat het aan de voormelde operatoren en organisatoren na te gaan of de gezondheidsregels die van kracht zijn, voldoende bescherming bieden aan hun bezoekers. Wanneer dat niet het geval is moet in ondergeschikte orde gebruik worden gemaakt van het CST, rekening houdend met de epidemiologische omstandigheden en de mogelijkheden voor elke voorziening om andere maatregelen te nemen dan het CST. Wat betreft de vermeende afwezigheid van een juridische grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens, herinneren de institutionele overheden eraan dat het scannen van de QR-code van het CST en de extra controle van het identiteitsbewijs volgens hen geen verwerking van persoonsgegevens vormen. A.17.
  101. Wat betreft het eerste subonderdeel van het eerste onderdeel van het derde middel merken de verzoekende partijen, in hun memorie van antwoord, op dat het voornemen van de institutionele overheden om de definitie van de voorzieningen die vallen onder de culturele, feestelijke en recreatieve sector op te nemen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, niet concreet gestalte heeft gekregen, zodat de aangevoerde grieven blijven bestaan. In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen, ten aanzien van het tweede subonderdeel van het voor

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.