id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.079 Arrest- Rolnummer: 79/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-29 Raadplegingen: 1167 - laatst gezien 2026-06-19 00:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de onteigeningsvergoeding na de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening door de rechter wordt vastgesteld op een lager bedrag dan het bedrag van de voorlopige vergoeding dat de onteigende voor de vrederechter heeft verkregen, de onteigende dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij) - Geen schending (artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de onteigeningsvergoeding na de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening door de rechter wordt vastgesteld op een lager bedrag dan het bedrag van de voorlopige vergoeding dat de onteigende voor de vrederechter heeft verkregen, de onteigende dient te worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte », gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Administratief recht - Onteigening voor het algemeen nut - Door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening - Bepaling van de onteigeningsvergoeding - Uitsluiting - Rechtsplegingsvergoeding Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 79/2023 van 17 mei 2023 Rolnummer : 7818 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte », gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 10 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 juni 2022, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, in samenhang gelezen met de artikelen 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de kosten verbonden aan de bijstand door een raadsman in het kader van een door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening uitsluit van het bestanddeel van de billijke schadeloosstelling waarop de onteigende krachtens artikel 16 van de Grondwet recht heeft, en in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de onteigende die zijn schadeloosstelling rechtstreeks en definitief vastgesteld ziet door de kantonmagistraat en die welke, om diezelfde schadeloosstelling te verkrijgen, een door de onteigenende overheid tegen hem gerichte procedure tot herziening moet ondergaan ? ». Memories zijn ingediend door : - Patricia Lambotte, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. de Lannoy, advocaat bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Sinds 1992 baat Patricia Lambotte een kaaswinkel uit. Zij huurt daarvoor een gebouw dat in het centrum van Andenne is gelegen. Bij vonnis van 2 oktober 2009 willigt de Vrederechter van Andenne de vordering tot onteigening in, die door de stad Andenne werd ingesteld, met betrekking tot het gebouw dat door Patricia Lambotte wordt betrokken. De Vrederechter bepaalt een provisionele onteigeningsvergoeding voor de eigenaar en voor Patricia Lambotte. Bij vonnis van 30 juni 2011 stelt de Vrederechter de voorlopige vergoeding vast die aan Patricia Lambotte verschuldigd is. Op 2 november 2011 stelt de stad Andenne een vordering tot herziening van dat vonnis in voor de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Bij vonnis van 24 februari 2014 oordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Namen dat de onteigeningsprocedure onregelmatig is. Bij arrest van 14 juni 2016, gewezen op beroep van de stad Andenne, doet het Hof van Beroep te Luik het voorgelegde vonnis teniet en oordeelt het dat de onteigeningsprocedure regelmatig is. Bij arrest van 7 februari 2017 stelt hetzelfde Hof de onteigeningsvergoeding vast op een minder hoog bedrag dan dat van de voorlopige vergoeding dat door de Vrederechter werd vastgesteld. Het veroordeelt Patricia Lambotte, bijgevolg, ertoe het te veel ontvangen bedrag terug te betalen. Op 31 januari 2019 vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep te Luik en verwijst het de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen. Bij arrest van 10 juni 2022 stelt het Hof van Beroep te Bergen de onteigeningsvergoeding vast op een minder hoog bedrag dan dat van de voorlopige vergoeding dat door de Vrederechter werd bepaald. Op verzoek van Patricia Lambotte, geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege, stelt dat laatste de voormelde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- De geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat de kosten van de onteigeningsprocedure voor de vrederechter ten laste van de onteigenende overheid worden gelegd, zelfs indien de rechter beslist om de vordering van die laatste in te willigen, aangezien de onteigende tegen zijn wil in een situatie wordt geplaatst die hem ertoe dwingt erover te waken dat zijn grondrechten worden nageleefd. Zij merkt op dat wanneer de onteigende wordt gedagvaard tot herziening, de kosten niet automatisch ten laste van de onteigenende overheid worden gelegd, terwijl de onteigende ook ertoe wordt gedwongen partij te zijn in een rechtsgeding waarin hij dezelfde rechten moet verdedigen. In die hypothese is de procedure tot herziening dus een noodzakelijk gevolg van de onteigening. Zij is van mening dat daaruit een discriminatie voortvloeit tussen de onteigenden van wie de onteigeningsvergoeding definitief is verworven na het vonnis van de vrederechter en de onteigenden van wie de vergoeding afhangt van een vordering tot herziening door de onteigenende overheid. De geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat sommige hoven van beroep de kosten ten laste van de onteigenende overheid hebben gelegd, zelfs wanneer de onteigende in het ongelijk werd gesteld. A.
- De geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege herinnert bovendien eraan dat het Hof van Cassatie van mening is dat er voor de procedure voor dat Hof geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is en dat er slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is in graad van beroep, die zowel de rechtspleging voor het rechtscollege waarvan de beslissing is verbroken als die voor het rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen dekt. Zij merkt niettemin op dat het Hof van Cassatie vóór de invoering van de regeling van de rechtsplegingsvergoedingen oordeelde dat de rechtsplegingskosten integraal moesten worden vergoed wanneer zij een noodzakelijk gevolg waren van het schadeverwekkende feit. Zij is van mening dat, in haar geval, de integrale vergoeding van de kosten van de rechtspleging in cassatie vereist is bij artikel 16 van de Grondwet. A.
- De geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat dezelfde conclusie zich opdringt ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter dat voortvloeit uit artikel 13 van de Grondwet en uit artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.
- De Ministerraad erkent dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie die door het verwijzende rechtscollege in aanmerking werd genomen, een verschil in behandeling tussen twee vergelijkbare categorieën van personen creëert. Hij is van mening dat dat verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord. Volgens hem moet op de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening dezelfde redenering worden toegepast als die welke werd toegepast in het arrest van het Hof nr. 186/2011 van 8 december 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.186) met betrekking tot de procedure voor het vastleggen van de voorlopige vergoeding. Net zoals de onteigende die de onteigeningsprocedure voor de vrederechter ondergaat, wordt de onteigende die de door de onteigenende overheid ingestelde vordering tot herziening ondergaat « noodgedwongen partij in een gerechtelijke procedure, die in essentie ertoe strekt het in artikel 16 van de Grondwet bedoelde grondrecht te waarborgen. Door die beslissing wordt de eigenaar, tegen zijn wil, geplaatst in een situatie waarin hij dient te waken over de naleving van zijn grondrechten » (arrest nr. 186/2011, B.25.4). Hij voert aan dat het wegens het juridische en technische karakter van het onderwerp van zowel de onteigeningsprocedure als van de procedure tot herziening, niet onredelijk is dat de onteigende van mening is dat hij zijn rechten slechts ten volle kan laten gelden wanneer hij zich door een advocaat laat bijstaan. De kosten en erelonen van die advocaat dienen aldus te worden beschouwd als een gevolg van de beslissing van de overheid om tot onteigening over te gaan of om de vordering tot herziening in te stellen. Opdat het nadeel overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet integraal kan worden hersteld, dienen die kosten en erelonen door de onteigenende overheid te worden vergoed. 4 A.
- De Ministerraad doet evenwel gelden dat een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen mogelijk is. Hij is van mening dat het in het kader van een door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening mogelijk is de onteigende te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, en zulks zelfs indien de onteigenende overheid de volledige of gedeeltelijke gevraagde herziening verkrijgt. Volgens hem is die interpretatie des te meer verantwoord daar artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter reeds toelaat om, geval per geval, te oordelen wie dient te worden beschouwd als de « in het gelijk gestelde » partij en, in voorkomend geval, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen of te verlagen naar gelang van de financiële draagkracht van de partijen, de complexiteit van de zaak of andere bijzondere omstandigheden. Hij is ook van mening dat de wetgever van 1962, aangezien artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de huidige versie ervan, werd ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », geen rekening heeft kunnen houden met die bepaling bij de aanneming van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » zodat het niet in strijd is met de wens van de wetgever om artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 in die zin te interpreteren dat in geval van een door de onteigenende overheid ingestelde vordering tot herziening de onteigende altijd als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. A.
- De Ministerraad benadrukt evenwel dat de verzoenende interpretatie die hij voorstelt op tweeërlei wijze beperkt is. Ten eerste betreft zij enkel de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening, en niet de door de onteigende ingestelde vordering tot herziening, aangezien de onteigende in het tweede geval niet de beslissing van de onteigenende overheid ondergaat. Ten tweede heeft de onteigende, zoals elke rechtzoekende die in het gelijk is gesteld in een gerechtelijke procedure, overeenkomstig artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek recht op een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van advocaten. A.
- Wat de kosten betreft die in aanmerking moeten worden genomen, herinnert de Ministerraad eraan dat het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat gelet op de bijzondere aard van het aanhangige cassatieberoep, geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. De rechter die uitspraak doet als rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen naar aanleiding van een cassatieberoep kan, bijgevolg, geen rechtsplegingsvergoeding toekennen voor de voor dat Hof gevoerde rechtspleging. Het cassatiegeding wordt immers beschouwd als een tussengeschil in een hangende rechtspleging ten gronde zodat er geen rechtsplegingsvergoeding is die enkel en alleen voor het cassatiegeding kan worden toegekend. Volgens de Ministerraad volgt uit de rechtspraak dat het hoger beroep, de voorziening in cassatie en de verwijzing na cassatie een en hetzelfde geding vormen voor de toepassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De Ministerraad merkt op dat die beginselen op analoge wijze van toepassing zijn in het geval van een prejudiciële verwijzing voor het Grondwettelijk Hof. Hij meent dat met het verzoek aan het Hof om uit te spreken over de vraag of de kosten en uitgaven van de cassatieprocedure in aanmerking dienen te worden genomen, de geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege probeert om de draagwijdte van de prejudiciële vraag uit te breiden. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag beperkt is tot de vraag of het overeenkomstig de Grondwet is dat een onteigende die zich in het kader van een procedure tot herziening dient te verdedigen wordt beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij voor de toepassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer de vordering van de onteigenende overheid wordt ingewilligd. De prejudiciële vraag heeft dus geen betrekking op de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie ervan volgens welke het hoger beroep, de voorziening in cassatie en de verwijzing na cassatie een en hetzelfde geding vormen voor de toepassing van de voormelde bepaling. A.
- De Ministerraad merkt op dat in elk geval uit de arresten van het Hof nrs. 186/2011, voormeld, en 192/2019 van 28 november 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.192) blijkt dat een forfaitaire vergoeding van de kosten en erelonen van een advocaat bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, zonder dat is vereist dat de onteigende een integrale vergoeding verkrijgt. 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » (hierna : de wet van 26 juli 1962), in samenhang gelezen met de artikelen 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre die bepalingen niet erin voorzien dat de billijke schadeloosstelling, waarop de onteigende krachtens artikel 16 van de Grondwet recht heeft, de kosten voor bijstand door een advocaat in het kader van een door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening bevat, terwijl uit een verzoenende interpretatie van de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met dezelfde grondwettelijke bepaling volgt dat de onteigende van wie de onteigeningsvergoeding definitief door de vrederechter is vastgesteld, bovendien, de rechtsplegingsvergoeding ontvangt, zelfs indien de onteigeningsvergoeding door de rechter op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag dat de onteigende had gevraagd. B.2.
- Artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 bepaalt : « De voorlopige vergoedingen die de rechter heeft toegekend, worden onherroepelijk, indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, 2e lid, bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft aangevraagd voor de rechtbank van eerste aanleg. De vordering tot herziening kan ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening. Zij wordt door de rechtbank behandeld overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ». B.2.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op artikel 16, tweede lid, tweede zin, van de wet van 26 juli
- 6 In het kader van de thans onderzochte prejudiciële vraag vormt die bepaling een coherent geheel met de artikelen 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek aangezien zij voorziet in de toepassing van de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtspleging, dat door het Gerechtelijk Wetboek werd vervangen. B.2.
- Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt ». B.2.
- Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil. Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. […] ». 7 Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vraag B.
- Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege aan het Hof een vraag stelt over het verschil in behandeling tussen de onteigende van wie de voorlopige onteigeningsvergoeding, die door de vrederechter werd vastgesteld, definitief is geworden en de onteigende die zich dient te verdedigen tegen een door de onteigenende overheid ingestelde vordering tot herziening en van wie de onteigeningsvergoeding dus na de procedure tot herziening wordt vastgesteld. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege wordt enkel de eerste automatisch beschouwd als de partij die in het gelijk is gesteld voor de toepassing van de artikelen 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat het in het geding zijnde verschil in behandeling betrekking heeft op de toepassing van artikel 16 van de Grondwet. Het Hof neemt die bepaling dus in overweging als referentienorm in het kader van zijn onderzoek. B.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het geding zijnde zaak de situatie betreft waarin, enerzijds, het de onteigenende overheid is die een vordering tot herziening heeft ingesteld, teneinde te verkrijgen dat de onteigeningsvergoeding op een minder hoog bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag dat door de vrederechter was vastgesteld en, bijgevolg, om de terugbetaling te verkrijgen van een deel van de voorlopige vergoeding en waarin, anderzijds, het bevoegde rechtscollege dat verzoek gedeeltelijk heeft ingewilligd. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.5.
- De wet van 26 juli 1962 regelt de rechtspleging voor onteigeningen bij hoogdringende omstandigheden. Wat de onteigeningsvergoeding betreft, verloopt die rechtspleging in verschillende fasen. In een eerste fase bepaalt de vrederechter, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal dient te storten aan ieder van de verweerders en van de als tussenkomend erkende partijen (artikel 8). In een tweede fase bepaalt de vrederechter, na de aanwezige partijen en de door hem aangestelde deskundige te hebben gehoord, voorlopig het bedrag van de vergoeding die voor de onteigening verschuldigd is 8 (artikel 14). De voorlopige vergoedingen die de rechter toekent, worden onherroepelijk, tenzij een van de partijen de herziening ervan aanvraagt bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 16). De vordering tot herziening wordt door de rechtbank behandeld « overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering » (artikel 16, tweede lid), wat inhoudt dat tegen het vonnis van de rechtbank de beroepen - hoger beroep en cassatieberoep - kunnen worden ingesteld waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet. De procedure tot herziening dient te worden beschouwd als een op zichzelf staande procedure (Cass., 3 februari 2000, C.97.0305.N, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.4). B.5.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de fase betreffende de procedure tot herziening. B.6.
- De geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat de artikelen 13 en 16 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereisen dat de kosten van de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening ten laste worden gelegd van die overheid, ongeacht de uitkomst van het proces, met inbegrip van de kosten van de procedure voor het Hof van Cassatie. B.6.
- Artikel 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden niet in de prejudiciële vraag beoogd. Het verwijzende rechtscollege heeft die vraag gesteld op verzoek van de geïntimeerde partij voor dit rechtscollege. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vraag van de geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege zich beperkt tot de rechtsplegingsvergoedingen voor de gedingen tot herziening voor de Rechtbank van eerste aanleg te Namen en voor het Hof van Beroep te Luik. Noch uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt daarentegen dat het verwijzende rechtscollege aan het Hof een vraag stelt over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen in zoverre zij erin voorzien dat het hoger beroep, de voorziening in cassatie en de verwijzing na cassatie een en hetzelfde geding vormen voor de berekening van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. 9 Nu de partijen voor het Hof de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet kunnen wijzigen, doen wijzigen of uitbreiden, vermag het Hof niet in te gaan op de door de geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege ontwikkelde argumenten. Ten gronde B.7.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». B.8.
- De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Ter waarborging van de rechten van de eigenaar bepaalt artikel 16 van de Grondwet evenwel dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. B.8.
- De schadeloosstelling moet, om billijk te zijn, in beginsel een integraal herstel van het geleden nadeel waarborgen. B.8.
- De in de wet van 26 juli 1962 geregelde procedure beoogt in hoofdzaak de eigenaars te beschermen tegen onrechtmatig optreden van de overheid, en dat in het kader van het 10 grondrecht gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet. Meer in het bijzonder beoogt die procedure de onteigende het recht op een billijke schadeloosstelling te waarborgen. B.8.
- Door de beslissing van de overheid om een vordering tot herziening in te stellen, wordt de onteigende noodgedwongen partij in een gerechtelijke procedure, die in essentie ertoe strekt het in artikel 16 van de Grondwet bedoelde grondrecht te waarborgen. Door die beslissing wordt de onteigende, tegen zijn wil, geplaatst in een situatie waarin hij dient te waken over de naleving van zijn grondrechten. Vanwege het juridische en het technische karakter van het onderwerp van de procedure tot herziening, is het daarbij niet onredelijk dat hij van oordeel is dat hij zijn rechten slechts ten volle kan laten gelden wanneer hij zich laat bijstaan door een advocaat. De kosten en de erelonen van die advocaat dienen aldus te worden beschouwd als een gevolg van de beslissingen van de overheid om over te gaan tot de onteigening en, vervolgens, een vordering tot herziening van het bedrag van de verkregen vergoeding in te stellen. Opdat het geleden nadeel integraal kan worden hersteld, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, dienen de kosten en erelonen van een advocaat door de onteigenende overheid te worden vergoed. B.
- In de interpretatie van de verwijzende rechter brengen de in het geding zijnde bepalingen met zich mee dat, na de procedure tot herziening, de onteigende ten aanzien van wie een onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld die lager is dan het bedrag van de voorlopige vergoeding die hij voor de vrederechter heeft verkregen, een rechtsplegingvergoeding dient te betalen aan de onteigenende overheid, als tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van die laatste. In die interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, en, gelet op de draagwijdte van de prejudiciële vraag zoals vastgesteld in B.3 tot B.5.2, evenmin met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.10.
- Zoals de Ministerraad aanvoert, kunnen de in het geding zijnde bepalingen echter ook op een andere manier worden geïnterpreteerd. B.10.
- Bij zijn arrest nr. 186/2011 van 8 december 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.186), betreffende de procedure voor de vrederechter, heeft het Hof geoordeeld : 11 « B.28.
- Vermits de in de wet van 26 juli 1962 geregelde procedure in het bijzonder beoogt de onteigende het recht op een billijke schadeloosstelling te waarborgen, kunnen de in het geding zijnde bepalingen, toegepast op die procedure, in die zin worden geïnterpreteerd dat de onteigenende overheid dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. De vonnissen tot vaststelling van de provisionele en voorlopige onteigeningsvergoedingen beogen immers in essentie de onteigenende overheid te dwingen tot het betalen van de in artikel 16 van de Grondwet bedoelde billijke schadeloosstelling. Dit blijkt onder meer uit de artikelen 9, eerste lid, en 15, eerste lid, van de wet van 26 juli 1962, naar luid waarvan de onteigenende overheid, krachtens de vonnissen betreffende de provisionele en voorlopige onteigeningsvergoeding, en zonder dat die dienen te worden betekend, het bedrag van de provisionele en voorlopige onteigeningsvergoeding dient te storten in de Deposito- en Consignatiekas ». B.10.
- Hoewel de procedure tot herziening onafhankelijk is, is zij een verlengde van de procedure voor de vrederechter en, als dusdanig, een gevolg van de beslissing van de overheid om tot onteigening over te gaan. Net als de procedure voor de vrederechter, moet zij waarborgen dat de onteigenende overheid aan de onteigende een billijke schadeloosstelling betaalt overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet. De in het geding zijnde bepalingen kunnen dus worden geïnterpreteerd in die zin dat de onteigenende overheid die de vordering tot herziening heeft ingesteld als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, zelfs wanneer het bedrag van de onteigeningsvergoeding dat na de procedure tot herziening is vastgesteld minder hoog is dan het bedrag dat daarvoor was vastgesteld. B.10.
- Hoewel die interpretatie ertoe kan leiden dat de kosten en de erelonen van de advocaat van de onteigende niet volledig worden vergoed - de rechtsplegingsvergoeding is immers een forfaitaire tegemoetkoming in die kosten en erelonen -, dient te worden vastgesteld, zoals het Hof reeds heeft gedaan in zijn arresten nrs. 182/2008 van 18 december 2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182) en 186/2011, dat de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen, teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, geen maatregel heeft genomen die zonder verantwoording is. Door overigens erin te voorzien dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de orden van de balies worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die 12 bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de toekenning van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding op zich niet kan worden geacht te leiden tot een onbillijke onteigeningsvergoeding. Uit artikel 1022, aangehaald in B.2.4, vloeit voort dat de rechter, op verzoek van een van de partijen, de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel verhogen, zonder evenwel de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter met name rekening met « het kennelijk onredelijk karakter van de situatie » (EHRM, 23 oktober 2018, Musa Tarhan t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2018:1023JUD001205517, §§ 86- 87). B.
- In de in B.10.3 vermelde interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de onteigeningsvergoeding na de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening door de rechter wordt vastgesteld op een lager bedrag dan het bedrag van de voorlopige vergoeding dat de onteigende voor de vrederechter heeft verkregen, de onteigende dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij, schenden artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de onteigeningsvergoeding na de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening door de rechter wordt vastgesteld op een lager bedrag dan het bedrag van de voorlopige vergoeding dat de onteigende voor de vrederechter heeft verkregen, de onteigende dient te worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij, schenden artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.079 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.4 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.186 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.192 ECLI:CE:ECHR:2018:1023JUD001205517 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div