← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.080

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.080 Arrest- Rolnummer: 80/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-05-29 Raadplegingen: 865 - laatst gezien 2026-06-18 20:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 45/1 van de wet van 8 juni 2006, in de interpretatie dat het de regularisatie uitsluit van het voorhanden hebben van een wapen, zonder munitie, waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet een vergunning werd afgegeven, door een persoon die dat wapen enkel in zijn vermogen wenst te behouden) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 45/1 van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens », gesteld door de Raad van State. Wapens - Vergunning - Regularisatie - Wettige reden - Voorhanden hebben van een wapen zonder munitie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 80/2023 van 17 mei 2023 Rolnummer : 7824 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 45/1 van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 254.084 van 23 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2022, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 45/1 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, aldus geïnterpreteerd dat het de regularisatie uitsluit van het voorhanden hebben van een wapen, zonder munitie, dat het voorwerp had uitgemaakt van een vergunning meer dan drie jaar vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet, door een persoon die het enkel in zijn vermogen wenst te behouden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat het die persoon verschillend behandelt ten opzichte van de andere personen die een regularisatie aanvragen op basis van dezelfde wettelijke bepaling om een van de andere wettige redenen waarin is voorzien in artikel 10 [lees : 11], § 3, eerste lid, 9°,

  1. a)tot
  2. f)van die wet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Alex Delvaux; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel. 2 Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 28 mei 2018 dient Alex Delvaux bij de gouverneur van de provincie Waals-Brabant een aanvraag in voor een vergunning tot het voorhanden hebben van vier vuurwapens, teneinde die zonder munitie in zijn vermogen te behouden (zogenaamd « passief wapenbezit »). Op 3 maart 2020 informeert de gouverneur Alex Delvaux dat hij, in het kader van de vijfjarige controle waarin is voorzien bij artikel 32, tweede lid, van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » (hierna : de Wapenwet), de twee vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens die in 2005 werden afgegeven voor twee karabijnen hernieuwt. Op 12 maart wordt de aanvraag voor een vergunning tot wapenbezit in verband met de twee andere wapens, namelijk een pistool van het merk FN en een revolver van het merk Webley, waarvoor in 1988 een vergunning tot wapenbezit werd afgegeven, onontvankelijk verklaard door de gouverneur. Volgens de gouverneur, die verwijst naar het advies van de federale wapendienst, kan het passieve wapenbezit niet worden ingeroepen als wettige reden voor het voorhanden hebben van een wapen in het kader van de regularisatieperiode waarin is voorzien in artikel 45/1, § 1, van de Wapenwet. Alex Delvaux vordert voor de Raad van State de nietigverklaring van die laatste beslissing. De Raad van State verwijst naar het arrest nr. 251.768 van 6 oktober 2021, dat de regularisatie betreft van het voorhanden hebben van een wapen om redenen die met hun vermogen verband houden en waarin artikel 45/1 van de Wapenwet in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een dergelijke regularisatie niet toelaat. Op verzoek van Alex Delvaux, die van mening is dat een dergelijke interpretatie discriminerend is, stelt de Raad van State de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bewoordingen van de prejudiciële vraag A.1. Inleidend voert de verzoekende partij voor de Raad van State aan dat de bewoordingen van de prejudiciële vraag twee materiële fouten bevatten en dat die bijgevolg dienen te worden rechtgezet. Enerzijds heeft de prejudiciële vraag betrekking op de wettige redenen waarin is voorzien in artikel 11, § 3, en niet in artikel 10, § 3. Anderzijds betreft de prejudiciële vraag de regularisatie van het voorhanden hebben van wapens zonder munitie waarvoor meer dan vijf jaar geleden, en niet meer dan drie jaar geleden, een vergunning werd toegekend vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele 3 activiteiten met wapens » (hierna : de Wapenwet). Het betreft de termijn van vijf jaar waarin artikel 48, tweede lid, van de Wapenwet voorziet. Ten aanzien van de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling A.2. De verzoekende partij voor de Raad van State betwist de interpretatie welke die laatste van de in het geding zijnde bepaling maakt, in zoverre die interpretatie niet zou toelaten dat zij het passief bewaren (zonder munitie) van het wapen in haar vermogen als reden aanvoert in de aanvraag tot regularisatie die zij op basis van die bepaling heeft ingediend. Volgens de verzoekende partij voor de Raad van State heeft de wetgever in 2018 in een nieuwe regularisatiemogelijkheid voorzien onder dezelfde voorwaarden als bij de regularisatie van 2008. Daartoe heeft de wetgever bij verwijzing gelegifereerd : artikel 45/1, zoals het in de Wapenwet werd ingevoegd bij de wet van 7 januari 2018 « tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek » (hierna : de wet van 7 januari 2018), verwijst naar artikel 11 van de Wapenwet, waarvan paragraaf 3, 9°, g), de reden bevat van het passieve behoud in het vermogen en op zijn beurt verwijst naar de in artikel 11/1 bedoelde voorwaarden. Daaruit volgt dat het voorhanden hebben van het wapen moet zijn vergund vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet en dat dat passief moet zijn. De omzendbrief van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 28 februari 2018 « met betrekking tot de regelgeving omtrent laders, de aangifteperiode voor vuurwapens in 2018 en het attest met het oog op neutralisering of vernietiging van vuurwapens » bevestigt dat. De verzoekende partij voor de Raad van State preciseert dat de wetgever, bij de wet van 7 januari 2018, heeft willen vermijden de ongrondwettigheden over te nemen die waren afgekeurd door het Hof bij zijn arrest nr. 154/2007 van 19 december 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.154), wat de vorige regularisatiefase betreft. Bij dat arrest had het Hof geoordeeld dat de onmogelijkheid om zich te beroepen op de reden van het passief voorhanden hebben van een wapen dat legaal in het bezit was vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet ongrondwettig was. De verzoekende partij voor de Raad van State doet bovendien gelden dat de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling door de Raad van State berust op een onderscheid dat de wet niet maakt tussen twee types van vergunningen : de vergunningen « artikel 11/1 » en de vergunningen « artikel 11 ». De aanvraag tot het passieve behoud « artikel 11/1 » bestaat niet als autonome vergunning in vergelijking met de vergunning bedoeld in artikel 11. Daaruit volgt dat artikel 11/1 van de Wapenwet het passieve behoud toelaat van wapens waarvoor op regelmatige wijze een vergunning werd verkregen vóór de inwerkingtreding van die wet, mits de andere in artikel 11 vastgelegde voorwaarden worden nageleefd. A.3. De Ministerraad voert aan dat de personen die de regularisatie wensen te genieten waarin in artikel 45/1 van de Wapenwet is voorzien, niet het passief voorhanden hebben van hun wapens mogen vragen zonder enig ander doel dan het aanleggen van een collectie of de deelname aan een historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteit, op basis van de artikelen 11/1 en 11/2 van de Wapenwet, aangezien zij die wapens niet legaal voorhanden hebben. Artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, g), van de Wapenwet verwijst overigens naar de in de artikelen 11/1 en 11/2, tweede en derde lid gepreciseerde voorwaarden. Het bezit zonder munitie in het vermogen is slechts in zeer beperkte gevallen mogelijk, voor de legaal voorhanden gehouden wapens. A.4. De verzoekende partij voor de Raad van State is van mening dat het argument van de Ministerraad volgens welk de artikelen 11/1 (legaal voorhanden gehouden wapens) en 45/1 (illegaal voorhanden gehouden wapens) elkaar onderling zouden uitsluiten op geen enkele grondslag berust. Het komt erop neer aan de voorwaarde volgens welke voor het betrokken wapen een vergunning moet zijn afgeleverd vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet (artikel 11/1) de vereiste toe te voegen dat die vergunning bovendien nog geldig moest zijn op het moment van de in 2018 ingediende aanvraag tot regularisatie. Enkel het criterium bedoeld in artikel 11/1 (doen blijken van een vergunning van vóór 9 juni 2006) is pertinent. De verzoekende partij voor de Raad van State verwijst naar een door die laatste, zitting houdend in algemene vergadering van de bestuursrechtspraak, gewezen arrest volgens hetwelk het verval van een vergunning dat voortvloeit uit artikel 48, tweede lid, van de Wapenwet, niet tot gevolg heeft dat het de houder van de vervallen vergunning belet een vergunning te vragen tot het voorhanden hebben van wapens op basis van artikel 11/1 van dezelfde Wet (RvSt, 18 december 2014, nr. 229.603). 4 De verzoekende partij voor de Raad van State betwist ten slotte de bewering volgens welke de wetgever in 2018 heeft beslist om terug te komen op hetgeen hij in 2008 heeft gedaan, teneinde zich te voegen naar het voormelde arrest van het Hof nr. 154/2007. De Ministerraad toont niet aan dat de wetgever een dergelijke keuze heeft gemaakt. A.5. De Ministerraad antwoordt dat zijn argumentatie berust op criteria waarin bij de wet is voorzien. In zoverre artikel 45/1 van de Wapenwet iedere persoon beoogt die « zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden heeft », betreft het ontegensprekelijk de personen die illegaal wapens voorhanden hebben. De Ministerraad wijst met nadruk op het feit dat de wetgever, bij de wet van 7 januari 2018, geenszins de mogelijkheid tot het passief voorhanden hebben van wapens, waarin in artikel 11/1 van de Wapenwet is voorzien, heeft willen uitbreiden in het kader van de regularisatieperiode van 2018. In de omzendbrief van 28 februari 2018 stellen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie geenszins dat het passief voorhanden hebben van wapens waarin in artikel 11/1 van de Wapenwet is voorzien, zou kunnen worden verkregen in het kader van de regularisatieperiode van 2018. De omzendbrief van het college van Procureurs-generaal van 17 mei 2018 « betreffende de Wapenwet » bevestigt dat een dergelijke mogelijkheid niet bestaat. De Ministerraad stelt dat de toevoeging van de reden van het « behoud in het vermogen » in artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, van de Wapenwet enkel beoogt de opsomming aan te vullen van de wettige redenen die het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen toelaten, zonder de ad hoc voorwaarden van die bijzondere reden te wijzigen. Het betreft een puur formele aanpassing. Indien de wetgever de regularisatieperiode had willen uitbreiden tot het passief voorhanden houden van een wapen in de zin van artikel 11/1, had hij dat uitdrukkelijk gedaan, door in artikel 45/1, § 1, eerste lid de in artikel 11/1 beoogde vergunning te vermelden. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt evenwel dat de wetgever die mogelijkheid opzettelijk heeft uitgesloten. Ten gronde A.6. De verzoekende partij voor de Raad van State voert aan dat in de prejudiciële vraag twee discriminaties worden opgeworpen onder de bezitters van wapens die waren vergund vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet. A.7.1. Zij voert ten eerste aan dat de in het geding zijnde bepaling, in de door de Raad van State eraan gegeven interpretatie, de personen discrimineert die wapens voorhanden hebben waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet een vergunning werd afgegeven en die hun wapens zonder munitie in hun vermogen wensen te behouden in vergelijking met dezelfde personen die wapens voorhanden hebben en die wensen te behouden op basis van een van de zes wettige redenen opgesomd in artikel 11, § 3, eerste lid, 9°,
  3. a)tot f), van de Wapenwet, in zoverre enkel die laatsten een regularisatieaanvraag kunnen indienen op basis van artikel 45/1 van dezelfde wet. Die discriminatie is dezelfde als die welke bij het arrest van het Hof nr. 154/2007 werd afgekeurd. Het gaat om dezelfde wapens. Volgens de verzoekende partij voor de Raad van State volstaat de mogelijkheid een wapen zonder munitie voorhanden te hebben om een historische collectie aan te leggen of deel te nemen aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten niet om de ongrondwettigheid weg te werken die werd vastgesteld in het voormelde arrest nr. 154/2007. Bovendien veronderstelt de vergunningsaanvraag die werd ingediend om een collectie aan te leggen het bezit van minstens vijf wapens, hetgeen de risico’s doet toenemen. Ten slotte voorziet artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, van de Wapenwet niet in een hiërarchie tussen de erin opgesomde wettige redenen. A.7.2. De verzoekende partij voor de Raad van State voert aan dat artikel 48, tweede lid, van de Wapenwet een tweede discriminatie doet ontstaan tussen de personen die wapens voorhanden hebben waarvoor vóór 9 juni 2006 een vergunning werd afgegeven, naargelang de vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan 9 juni 2006 of daarvoor werd afgeleverd. De prejudiciële vraag heeft impliciet maar zeker betrekking op die discriminatie. De verzoekende partij voor de Raad van State voert aan dat de personen die wapens voorhanden hebben waarvoor vóór 10 juni 2001 een vergunning werd afgegeven enkel een nieuwe vergunning kunnen verkrijgen indien zij ten laatste op 31 oktober 2008 een aanvraag tot hernieuwing hebben ingediend; zo niet vervalt hun vergunning. De personen die wapens voorhanden hebben waarvoor een vergunning werd afgegeven in de periode van vijf jaar vóór 9 juni 2006 behouden daarentegen hun oude vergunning zonder enig initiatief te moeten nemen, 5 voor een onbepaalde duur, zolang de gouverneur de vijfjarige controle niet uitvoert, in het kader waarvan de bezitter een nieuwe vergunning kan aanvragen. A.8.1. De Ministerraad is van mening dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen niet pertinent zijn. De eerste categorie lijkt de personen te omvatten die een wapen voorhanden hebben zonder munitie waarvoor meer dan drie jaar vóór de inwerkingtreding van de wet een vergunning werd afgegeven. De vergunningen die minder dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet werden afgegeven zijn evenwel geldig gebleven; enkel de vergunningen die meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de wet werden afgegeven zijn vervallen indien er op ten laatste 31 oktober 2008 geen aanvraag tot hernieuwing bij de bevoegde overheid werd ingediend, overeenkomstig artikel 48 van de Wapenwet. De eerste categorie van personen is niet pertinent, aangezien artikel 45/1 niet erop van toepassing is. Die personen bevinden zich in ieder geval kennelijk niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de personen die illegaal een vergunningsplichtig wapen voorhanden hebben en die een regularisatie aanvragen op basis van artikel 45/1 van dezelfde Wet. A.8.2. De Ministerraad voert aan dat alle personen die de regularisatie wensen te genieten waarin in artikel 45/1 van de Wapenwet is voorzien zich in een vergelijkbare situatie bevinden, in zoverre zij illegaal een of meerdere wapens voorhanden hebben en op dezelfde wijze worden behandeld, aangezien zij de in artikel 6 bedoelde erkenning, de in artikel 11 bedoelde vergunning of de in artikel 12, derde lid, bedoelde registratie kunnen aanvragen, ofwel hun wapens kunnen laten neutraliseren, ze overdragen of er afstand van kunnen doen. Het is voor hen in ieder geval onmogelijk om het passief voorhanden hebben van hun wapens aan te vragen, zonder enig ander doel, op basis van de artikelen 11/1 en 11/2 van de Wapenwet, aangezien zij de wapens niet legaal voorhanden hebben. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 3/2010 van 20 januari 2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.003) geoordeeld dat het niet discriminerend is dat de wetgever de gevallen van het passief voorhanden hebben van wapens op restrictieve wijze definieert. De Ministerraad is van mening dat artikel 45/1 van de Wapenwet, in tegenstelling tot hetgeen de Raad van State lijkt aan te voeren, niet iedere mogelijkheid tot regularisatie uitsluit voor de personen die een wapen zonder munitie wensen te behouden. Die personen voldoen evenwel niet aan de in artikelen 11/1 en 11/2, tweede en derde lid, van de Wapenwet gepreciseerde voorwaarden. Zij kunnen bijgevolg geen vergunning verkrijgen voor het passief voorhanden hebben van wapens in de zin van artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, g), van dezelfde Wet. Zij kunnen daarentegen een vergunning verkrijgen om hun wapen zonder munitie voorhanden te hebben indien zij de intentie hebben een historische collectie aan te leggen of aan bepaalde types van activiteiten deel te nemen of indien zij het wapen of de lader laten neutraliseren. Daaruit volgt dat artikel 45/1 van de Wapenwet effectief een mogelijkheid tot regularisatie toekent aan de personen die een wapen zonder munitie wensen te behouden en dat het dus geen onevenredige gevolgen veroorzaakt. De Ministerraad is van mening dat de motieven waarop het verschil in behandeling zou berusten niet vergelijkbaar zijn. De toevoeging van punt
  4. g)in artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, van de Wapenwet is immers een zuiver formele aanpassing die erin bestaat het « behoud in het vermogen » aan de opsomming van de wettige redenen toe te voegen. Die specifieke reden verschilt niettemin van de andere, aangezien het gaat om een uitzonderlijke regeling en zij slechts kan worden ingeroepen onder de in de artikelen 11/1 en 11/2 van de Wapenwet bepaalde voorwaarden. De Ministerraad herinnert eraan dat het Hof, bij het voormelde arrest nr. 3/2010, heeft geoordeeld dat het niet discriminerend was dat de wetgever de gunstige regeling van het passief voorhanden hebben van een wapen niet heeft uitgebreid naar iedere persoon die een wapen zonder munitie zou willen behouden wanneer de wettige reden die het voorhanden hebben van het wapen verantwoordt, verdwijnt. Een andere beslissing zou overigens in strijd zijn geweest met de doelstellingen van de Wapenwet, namelijk de openbare veiligheid waarborgen en het terugdringen van de gevaren die inherent zijn aan het voorhanden hebben van een wapen. Het passief voorhanden hebben van een wapen houdt voorzeker minder risico’s in dan het voorhanden hebben van een wapen met munitie, maar het risico is niet onbestaande, aangezien het wapen niet definitief werd geneutraliseerd. A.9. De verzoekende partij voor de Raad van State antwoordt aan de Ministerraad dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen niet pertinent zijn omdat de in de prejudiciële vraag vermelde termijn van drie jaar een materiële fout is. Volgens haar is het niet redelijk verantwoord om de bezitters die hun wapen in 2018 aangeven op basis van 45/1 van de Wapenwet en die zich op een van de wettige redenen voor het voorhanden hebben van een wapen beroepen waarin in de punten
  5. a)tot
  6. e)van artikel 11, § 3, eerste lid, 9° is voorzien, anders te behandelen dan diegenen die zich op de in punt
  7. g)opgenomen reden beroepen. 6 De verzoekende partij voor de Raad van State benadrukt dat volgens de redenering van de Ministerraad het voorhanden hebben van een wapen met dodelijke projectielen mogelijk zou zijn, naargelang de door de aanvrager gekozen reden bij zijn regularisatieaanvraag, maar dat het eenvoudige passieve behoud dat niet zou zijn. Die oplossing is onevenredig ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling inzake veiligheid. De verzoekende partij voor de Raad van State benadrukt dat de personen die onder de twee te vergelijken categorieën vallen zich in situaties bevinden die op alle punten vergelijkbaar zijn, met inbegrip van het feit dat het voorhanden hebben van hun wapen illegaal zou zijn. Volgens de verzoekende partij voor de Raad van State vormt de veiligheidsreden geen verantwoording voor het verschil in behandeling. De aanvrager die wapens voorhanden heeft waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet een vergunning werd afgegeven en die vraagt om ze zonder munitie te mogen behouden onder de in artikel 11/1 bepaalde voorwaarden, vormt objectief gezien geen groter gevaar dan de aanvrager die zich in dezelfde situatie bevindt en die kiest voor de wettige reden van bijvoorbeeld het sportief schieten en zijn wapen met dodelijke projectielen voorhanden mag hebben. A.10. De Ministerraad is van mening dat het Hof geen uitspraak hoeft te doen over de tweede door de verzoekende partij voor de Raad van State aangevoerde discriminatie, aangezien die laatste heeft beslist hierover geen vraag aan het Hof te stellen. Het komt een partij voor het verwijzende rechtscollege niet toe het voorwerp en de draagwijdte van de prejudiciële vragen te bepalen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.1. Artikel 45/1 van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » (hierna : de Wapenwet), zoals het in die wet werd ingevoegd bij artikel 27 van de wet van 7 januari 2018 « tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek » (hierna : de wet van 7 januari 2018), voorziet in een nieuwe aangifteperiode voor vergunningsplichtige wapens om een zo groot mogelijk aantal ervan uit de clandestiniteit te halen : « § 1. Eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden heeft, moet daarvan uiterlijk op 31 december 2018 aangifte doen bij de lokale politie : - hetzij met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6, van een vergunning bedoeld in artikel 11 of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, bij de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats; - hetzij met het oog op de neutralisering op eigen kosten van het wapen of de lader door de Proefbank voor vuurwapens; 7 - hetzij met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie aan een persoon die gemachtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend; - hetzij met de bedoeling er afstand van te doen. Aangiftes gedaan na 31 december 2018 met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6, van een vergunning bedoeld in artikel 11 of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, leiden tot de onontvankelijkheid van die aanvraag. § 2. In afwachting van de beslissing van de gouverneur, kan de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6 of van een vergunning bedoeld in artikel 11 als voorlopige erkenning of vergunning gelden volgens de nadere regels bepaald door de Koning. In het tegenovergestelde geval worden het wapen, de laders en de munitie in bewaring gegeven bij de lokale politie of bij een persoon die gerechtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, vanaf de dag van de aangifte tot het verkrijgen van de gevraagde erkenning of vergunning of tot de toepassing van het tweede lid. In geval van de weigering van de erkenning bedoeld in artikel 6 of de vergunning bedoeld in artikel 11, moet de betrokkene binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop die beslissing definitief is geworden, hetzij het wapen en de laders op eigen kosten laten neutraliseren bij de Proefbank voor vuurwapens, hetzij het wapen, de laders en de munitie overdragen aan een persoon die gerechtigd is ze voorhanden te hebben, hetzij afstand ervan doen bij de lokale politie van zijn verblijfplaats. § 3. Wanneer de betrokkene het wapen, de lader of de munitie aangeeft aan de lokale politie met het oog op toepassing van paragraaf 1, wordt hem een aangiftebewijs overhandigd. Dit aangiftebewijs wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen of hun gemachtigden en vermeldt om welk wapen of welke lader of munitie het gaat alsook de keuze voor één van de mogelijkheden voorzien in paragraaf 1, eerste lid. § 4. Hij die paragraaf 1 toepast, kan niet worden vervolgd wegens het gebrek aan de desbetreffende vergunning : 1° indien dat feit tot op het moment van de aangifte geen aanleiding heeft gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid; of 2° indien het wapen op zijn naam was geregistreerd in het Centraal Wapenregister voor de inwerkingtreding van deze wet. § 5. Wanneer ze betrekking hebben op dossiers die ingediend zijn tijdens de periode bedoeld in paragraaf 1, worden de hierna genoemde termijnen als volgt verlengd : 1° de termijn bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, wordt gebracht op vier maanden in plaats van drie maanden; 2° de termijn bedoeld in artikel 31, 2°, wordt gebracht op vijf maanden in plaats van vier maanden. 8 § 6. De Koning kan de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel bepalen ». Die bepaling verplicht de personen die zonder de vereiste erkenning of vergunning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden hebben om daarvan bij de lokale politie aangifte te doen van 1 maart 2018 tot uiterlijk 31 december 2018. Bij een dergelijke aangifte kunnen de betrokken personen niet worden vervolgd wegens het niet in het bezit zijn van de desbetreffende vergunning indien, op het moment van de aangifte, het illegaal voorhanden hebben van een wapen geen aanleiding had gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad of indien het wapen vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet was geregistreerd in het Centraal Wapenregister op naam van de persoon die de aangifte deed. De personen die aangifte doen hebben de keuze tussen :

(1)de in artikel 6 beoogde erkenning, de in artikel 11 beoogde vergunning of de in artikel 12, derde lid, van de Wapenwet beoogde registratie aanvragen;
(2)het wapen of de lader op eigen kosten laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens;
(3)het wapen, de lader of de munitie overdragen aan een persoon die gemachtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend; of
(4)er afstand van doen. B.1.2. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De vorige regularisatie, die plaatsgreep van 2006 tot 2008, was een succes, want er zijn ongeveer 200 000 wapens aangegeven. Aldus zijn 200 000 wapens niet langer in handen van onbekenden. De eigenaars ervan hebben een vergunning gekregen, of de wapens zijn geneutraliseerd of vernietigd. Niettemin hebben volgens schattingen nog veel mensen illegaal wapens in hun bezit. Het zou gaan om tienduizenden wapens. Die vormen in diverse opzichten een mogelijk gevaar voor de openbare veiligheid. Wanneer de politiediensten woningen moeten betreden, verdient het uiteraard de voorkeur dat geweten is of de bewoners wapens voorhanden hebben. Dankzij de regularisatie zullen de wapenregisters worden aangevuld en zullen ze vollediger zijn. Bovendien zijn er wellicht wapens in handen van mensen die niet aan de wettelijke eisen voldoen. Het wetsontwerp brengt wat dat betreft meer duidelijkheid en zal ervoor zorgen dat op dat vlak veel situaties worden bijgestuurd. Het wetsontwerp zorgt ervoor dat vanaf begin 2018 alle burgers opnieuw die wapens kunnen aangeven, in ruil voor een vrijstelling van strafrechtelijke vervolging. Zij kunnen een vergunning aanvragen voor hun wapens, ze verkopen, ze laten neutraliseren of er afstand van doen. De regularisatieperiode is niet van 9 toepassing op de verboden wapens, zoals de volledig automatische vuurwapens. Wie desondanks weigert zijn wapen aan te geven, loopt het risico een zware gevangenisstraf te krijgen, die kan oplopen tot vijf jaar, alsook een boete tot 25 000 euro » (Parl. St., Kamer, 2017- 2018, DOC 54-2709/004, pp. 3-4). Ten aanzien van de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling B.2. De verzoekende partij voor de Raad van State betwist de interpretatie welke die laatste geeft aan artikel 45/1 van de Wapenwet, in zoverre die interpretatie haar niet zou toelaten zich, in de regularisatieaanvraag die zij op basis van die bepaling doet, te beroepen op de reden van het passieve behoud (zonder munitie) van het wapen in haar vermogen. Zij is van mening dat artikel 45/1 van de Wapenwet, in zoverre het verwijst naar artikel 11 van dezelfde wet, waarvan paragraaf 3, eerste lid, 9°, g), de reden van het passieve behoud in het vermogen bevat en op zijn beurt naar de in artikel 11/1 gepreciseerde voorwaarden verwijst, aan de persoon die een wapen voorhanden heeft waarvoor een vergunning tot het voorhanden hebben was afgegeven vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet toelaat voor dat wapen een vergunning tot het passief voorhanden hebben te verkrijgen in het kader van de regularisatieperiode waarin in dat artikel 45/1 is voorzien. B.3. Het komt in de regel aan het verwijzende rechtscollege toe om de bepalingen te interpreteren die het toepast, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. B.4.1. Artikel 45/1 van de Wapenwet laat de persoon die zonder de vereiste erkenning of vergunning een vergunningsplichtig wapen voorhanden heeft toe de in artikel 11 van dezelfde wet beoogde vergunning aan te vragen. Een dergelijke vergunning wordt slechts afgegeven op voorwaarde dat de betrokken persoon een wettige reden opgeeft voor de aanschaf en het voorhanden hebben van het wapen, overeenkomstig artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, van de Wapenwet. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 januari 2018 vermeldde die bepaling de volgende wettige redenen : (
  1. a)de jacht en faunabeheersactiviteiten; (
  2. b)het sportief en recreatief schieten; (
  3. c)de uitoefening van een activiteit die bijzondere risico’s inhoudt of het voorhanden hebben van een vuurwapen noodzakelijk maakt; (
  4. d)de persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat het voorhanden hebben 10 van een vuurwapen dat grote risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen; (
  5. e)de intentie een verzameling historische wapens op te bouwen; (
  6. f)de deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten. Bij artikel 7, c), van de wet van 7 januari 2018 werd die opsomming aangevuld door de toevoeging van een nieuwe wettige reden voor het voorhanden hebben van een wapen, in de volgende bewoordingen : «
  7. g)het behouden van een wapen in een vermogen, onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen 11/1 en 11/2, tweede en derde lid ». In de parlementaire voorbereiding wordt die toevoeging als volgt verantwoord : « Bij arrest nr. 154/2007 d.d. 19 december 2007 (BS, 23 januari 2008, blz. 3612) heeft het Grondwettelijk Hof artikel 11, § 3, 9°, van de wet vernietigd ‘ in zoverre [het] het behoud van een legaal voorhanden wapen in een vermogen niet vermeldt als een wettige reden wanneer de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen betrekking heeft op een vergunningsplichtig wapen zonder munitie, waarvoor de vergunning tot het voorhanden hebben ervan was verleend of waarvoor een vergunning tot het voorhanden hebben ervan niet was vereist ’: […] De wet werd in die zin aangepast door de invoeging, bij de wet van 25 juli 2008, van de artikelen 11/1 en 11/2. Met het oog op duidelijkheid wordt voorgesteld die reden toe te voegen aan de opsomming van de wettige redenen in artikel 11, § 3, waarbij wordt gerefereerd aan de voorwaarden bepaald in voornoemde artikelen 11/1 en 11/2, leden 2 en 3 (het eerste lid is een tijdelijke bepaling die niet meer van toepassing is). Het gaat dus om een louter formele aanpassing, aangezien zij in geen enkele afwijking van die voorwaarden voorziet » (Parl. St., Kamer, 2017- 2018, DOC 54-2709/001, pp. 12-13). Wat de in het geding zijnde bepaling betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « [Het artikel in ontwerp] strekt ertoe in het hoofdstuk XVIII van de wet van 8 juni 2006 een artikel 45/1 in te voegen. De Juridische Dienst maakt de volgende opmerking : ‘ Het ontworpen artikel 45/1 voorziet in een nieuwe aangifteperiode voor wie illegaal een wapen bezit. Op basis van de ontworpen § 1, eerste lid, zullen die personen hun wapen bij de lokale politie kunnen aangeven tot 31 december 2018. Wie het wapen wenst te behouden, zal daartoe meer bepaald de provinciegouverneur om toestemming kunnen verzoeken in het raam 11 van de in artikel 11 beoogde procedure en zal moeten voldoen aan alle voorwaarden als bedoeld in § 3 van dat artikel. Ingevolge het artikel kan wie een illegaal wapenbezit en dat wapen louter in zijn vermogen wil behouden, zijn situatie echter niet in orde brengen op basis van artikel 11/1. Mocht men in die mogelijkheid willen voorzien, dan voege men in het ontworpen artikel 45/1, § 1, eerste streepje, na de woorden “ bedoeld in artikel 11 ” de woorden “ of in artikel 11/1 ” in. ’ De minister gaat niet akkoord met die suggestie : het is niet de bedoeling te voorzien in een veralgemeende mogelijkheid om wapens zonder munitie te bezitten. Wat het passief bezit van wapens betreft, is er de mogelijkheid zich als verzamelaar te laten registreren. De intentie om een verzameling op te bouwen moet evenwel worden bewezen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2709/007, pp. 13-14). B.4.2. Bij zijn arrest nr. 251.768 van 6 oktober 2021, waarnaar het verwijzingsarrest verwijst, heeft de Raad van State geoordeeld : « De bij artikel 45/1, § 1, van de Wapenwet, voorziene aangifte moet gebeuren vóór 31 december 2018 en uitsluitend met als doel om : - hetzij de in artikel 6 bedoelde erkenning, de in artikel 11 bedoelde vergunning of de in artikel 12, derde lid, bedoelde registratie bij de voor zijn verblijfsplaats bevoegde gouverneur aan te vragen; - hetzij het wapen of de lader op eigen kosten door de proefbank voor vuurwapens te laten neutraliseren; - hetzij het wapen, de lader of de munitie over te dragen aan een persoon die gemachtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend; - hetzij er afstand van te doen. De verzoekende partij betwist niet dat zij het betwiste wapen zonder munitie en in het kader van het ‘ behoud van het erfgoed ’ heeft willen houden. In die optie is evenwel niet voorzien bij artikel 45/1, § 1, eerste lid, van de Wapenwet, dat slechts de erkenningsaanvragen van personen die een collectie van meer dan vijf wapens voorhanden willen hebben, de in het kader van artikel 11 gedane vergunningsaanvragen tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de in artikel 12, derde lid, van dezelfde Wet beoogde registratieaanvragen betreft. Hoewel de voormelde wet van 7 januari 2018 in artikel 11, § 3, 9°, een nieuwe wettige reden heeft ingevoegd, namelijk het punt ‘
  8. g)het behouden van een wapen in een vermogen, onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen 11/1 en 11/2, tweede en derde lid ’ van de Wapenwet, gaat het niettemin over een wijziging die is doorgevoerd om te antwoorden op een arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 154/2007 van 19 december 2007. Aangezien uit die wijziging blijkt dat het passief voorhanden hebben van een wapen in een vermogen slechts is toegelaten in de in artikel 11/1 en 11/2, tweede en derde lid, van de Wapenwet voorziene gevallen, is het niet mogelijk voor de verzoekende partij om zich, te dezen, op die bepalingen 12 te beroepen, aangezien het voormelde artikel 45/1 slechts de in artikel 11 bedoelde vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens beoogt. Artikel 11/1 van de Wapenwet bepaalt : ‘ Een vergunning tot het voorhanden hebben wordt ook afgegeven aan de personen die wensen een wapen in hun vermogen te behouden, waarvoor een vergunning was afgegeven of waarvoor geen vergunning vereist was voor de inwerkingtreding van deze wet. Deze vergunning is slechts geldig voor het eenvoudig voorhanden hebben van het wapen, met uitsluiting van munitie. Artikel 11, 4, § 3, 6°, 7° en 9°, is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde personen ’. Daaruit volgt dat voor de aanvragen die in het kader van het voormelde artikel 11/1 worden gedaan niet de bij artikel 45/1, § 1, eerste lid, van de Wapenwet voorziene regularisatieregeling kan worden genoten. De tegenpartij kan derhalve niet worden verweten dat zij zich over de aanvraag heeft uitgesproken zoals die door de verzoekende partij werd ingediend. Zoals de tegenpartij terecht opmerkt in haar memorie van antwoord, heeft de verzoekende partij bijgevolg geen belang bij het onderhavige beroep. Zelfs in de veronderstelling dat de regularisatieaanvraag vóór 31 december 2018 werd ingediend, zou zij niet de bij artikel 45/1 van de Wapenwet voorziene regularisatieprocedure kunnen genieten, aangezien het doel enkel is om het betwiste wapen in het vermogen te behouden ». B.4.3. Uit het voorgaande volgt dat de interpretatie die de Raad van State geeft aan de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, g), van de Wapenwet, niet kennelijk verkeerd is. Het Hof antwoordt dus in die interpretatie op de prejudiciële vraag. Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vraag B.5. De Raad van State stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 45/1 van de Wapenwet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat « het regularisatie uitsluit van het voorhanden hebben van een wapen, zonder munitie, dat het voorwerp had uitgemaakt van een vergunning meer dan drie jaar vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet, door een persoon die het enkel in zijn vermogen wenst te behouden », in zoverre die persoon anders wordt behandeld dan diegenen die een regularisatie aanvragen op 13 basis van dezelfde bepaling « om een van de andere wettige redenen waarin is voorzien in artikel 10, § 3, eerste lid, 9°,
  9. a)tot f), van die Wet ». B.6.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht om in het kader van zijn onderzoek naar de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling, rekening te houden met de in artikel 10, § 3, eerste lid, 9°,
  10. a)tot f), van de Wapenwet voorziene wettige redenen. Het gaat kennelijk om een materiële fout. De Raad van State beoogde artikel 11, § 3, eerste lid, 9°,
  11. a)tot f), van dezelfde Wet, dat de wettige redenen bevat waarnaar wordt verwezen. B.6.2.1. De prejudiciële vraag betreft bovendien de regularisatie van het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie (ook het « passief » voorhanden hebben van een wapen genaamd) waarvoor een vergunning werd afgegeven « meer dan drie jaar vóór de inwerkingtreding van de [Wapenwet] ». De lezing van de motivering van het verwijzingsarrest laat niet toe te begrijpen waarmee die termijn van drie jaar die aan de inwerkingtreding van de Wapenwet is voorafgegaan, overeenstemt. B.6.2.2. Uit artikel 48, tweede lid, van de Wapenwet blijkt dat de vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens die op basis van de wet van 3 januari 1933 « op de vervaardiging van, den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie » meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van het voormelde artikel 48 werden afgegeven, zijn vervallen, indien daarvoor geen aanvraag tot hernieuwing ervoor bij de bevoegde overheid werd ingediend op ten laatste 31 oktober 2008. A contrario zijn de vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens die krachtens de voormelde wet van 3 januari 1933 minder dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van artikel 48 van de Wapenwet werden afgegeven geldig gebleven, ondanks de inwerkingtreding van de nieuwe Wapenwet, zonder dat de bezitter daartoe bijzondere stappen heeft moeten ondernemen. Zij kunnen dus niet het voorwerp uitmaken van een regularisatie. Zij zijn daarentegen onderworpen aan een vijfjarige controle waarin in artikel 32, tweede lid, van dezelfde wet is voorzien. 14 B.6.2.3. Uit het voorgaande volgt dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is wat de personen betreft die een vergunning tot het voorhanden hebben van wapens hebben verkregen tussen vijf jaar en drie jaar vóór de inwerkingtreding van artikel 48 van de Wapenwet, maar dat het dat wel is met betrekking tot de personen die meer dan vijf jaar vóór die datum een vergunning tot het voorhanden hebben van wapens hebben verkregen, hetgeen het geval is van de verzoekende partij voor de Raad van State. Bijgevolg antwoordt het Hof op de prejudiciële vraag in zoverre zij de regularisatie betreft van het voorhanden hebben van een wapen, zonder munitie, waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van artikel 48 van de Wapenwet een vergunning werd afgegeven. B.6.3. Die materiële fouten hebben de verzoekende partij voor de Raad van State en de Ministerraad niet belet hun argumenten op een pertinente wijze toe te lichten. B.7.1. De verzoekende partij voor de Raad van State is van mening dat het Hof niet enkel uitspraak dient te doen over het verschil in behandeling dat in de prejudiciële vraag wordt vermeld, maar ook over het verschil in behandeling dat artikel 48, tweede lid, van de Wapenwet in het leven roept tussen de bezitters van wapens waarvoor een vergunning werd afgegeven vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet, naargelang die vergunning in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan 9 juni 2006 of daarvoor werd afgegeven. B.7.2. De partijen voor het Hof kunnen de draagwijdte van een prejudiciële vraag niet wijzigen of uitbreiden. Het komt enkel het verwijzende rechtscollege toe te beslissen welke de prejudiciële vragen zijn die aan het Hof dienen te worden gesteld en zo de draagwijdte van de saisine te bepalen. Het Hof onderzoekt dus enkel het verschil in behandeling dat door de Raad van State in de prejudiciële vraag wordt aangevoerd. Ten gronde B.8. Het Hof dient te onderzoeken of artikel 45/1 van de Wapenwet, zoals het door de Raad van State werd geïnterpreteerd, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt 15 dat door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt gewaarborgd, in zoverre het de regularisatie uitsluit van het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van artikel 48 van de Wapenwet een vergunning werd afgegeven, door een persoon die het enkel in zijn vermogen wenst te behouden, doordat die persoon anders wordt behandeld dan diegenen die een regularisatie aanvragen op basis van dezelfde wetsbepaling en die zich op een van de andere in artikel 11, § 3, eerste lid, 9°,
  12. a)tot f), van die wet voorziene wettige redenen beroepen. B.9. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.10. In het kader van de regularisatie waarin in artikel 45/1 van de Wapenwet is voorzien, kan een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, in de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling door de Raad van State, slechts worden toegekend op basis van artikel 11 van dezelfde wet, om de volgende wettige redenen : de jacht en faunabeheersactiviteiten; het sportief en recreatief schieten; de uitoefening van een activiteit die bijzondere risico’s inhoudt of het voorhanden hebben van een vuurwapen noodzakelijk maakt; de persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dat grote risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen; de intentie een verzameling historische wapens op te bouwen; de deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten (artikel 11, § 3, eerste lid, 9°,
  13. a)tot f), van de Wapenwet). De reden van het passief behouden in het vermogen (artikel 11, § 3, eerste lid, 9°, g), van dezelfde Wet) is daarentegen niet toegestaan. B.11. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever de redenen te bepalen op grond waarvan het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen als legaal kan 16 worden beschouwd, en dat des te meer wanneer het gaat om een wapen waarvan het bezit illegaal is en dat het voorwerp zou kunnen uitmaken van een regularisatie. Het Hof zou zijn keuzes enkel kunnen afkeuren indien zij onredelijk zouden zijn. B.12. De in artikel 11, § 3, eerste lid, 9°,
  14. a)tot f), van de Wapenwet opgenomen en in B.10 vermelde wettige redenen voor het voorhanden hebben van een wapen, hebben gemeen dat ze verband houden met een activiteit waarvoor het voorhanden hebben van een wapen en, in voorkomend geval, van de bijbehorende munitie noodzakelijk is, een activiteit die de wetgever op zichzelf legitiem acht. De reden met betrekking tot het passieve behoud van een wapen in het vermogen is daarentegen niet verbonden aan een bepaalde activiteit. B.13. Bij zijn arrest nr. 3/2010 van 20 januari 2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.003), heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever ten aanzien van de doelstellingen van openbare veiligheid en van vermindering van de risico’s inherent aan het voorhanden hebben van een wapen in redelijkheid op restrictieve wijze de gevallen vermocht te definiëren waarin het passief voorhanden hebben van een wapen is toegelaten. B.14. Het is niet onredelijk dat het passief voorhanden hebben van een illegaal wapen, in het kader van een regularisatie niet in aanmerking wordt genomen wanneer dat voorhanden hebben louter berust op de wens van de bezitter om dat wapen in zijn vermogen te kunnen behouden. Het verschil in behandeling brengt geen onevenredige gevolgen voor de betrokken persoon met zich mee, rekening houdend met de mogelijkheid die hij heeft om het wapen over te dragen aan een persoon die gemachtigd is het voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, om het op eigen kosten door de proefbank voor vuurwapens te laten neutraliseren of om er afstand van te doen, overeenkomstig artikel 45/1, § 1, van de Wapenwet. B.15. Het arrest van het Hof nr. 154/2007 van 19 december 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.154), waarnaar door de verzoekende partij voor de Raad van State wordt verwezen, leidt niet tot een andere conclusie. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld : 17 « B.51.2. Hoewel de wetgever, met het oog op de openbare veiligheid, vermocht te beslissen het voorhanden hebben van vuurwapens aan strikte voorwaarden te onderwerpen, gelet op het mogelijke gevaar verbonden aan het voorhanden hebben van vuurwapens met munitie, is de beperking van de wettige redenen ter verantwoording van het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie - en bijgevolg van een wapen waarvan het mogelijke gevaar objectief gezien beperkt is - die voortvloeit uit artikel 11, § 3, 9°, niet pertinent en niet evenredig met de nagestreefde doelstellingen. Diegene die een wapen voorhanden wil houden, zonder gebruik ervan te maken in de hoofdfunctie ervan, die erin bestaat een projectiel af te vuren, vermits de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning de munitie uitsluit, noch in een andere bijkomende functie, zoals een verzameling of een historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteit, kan aldus geen enkele van de in de wet vermelde redenen aanvoeren voor het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie. Hoewel het ten aanzien van de door de bestreden wetgeving nagestreefde doelstellingen geoorloofd is alleen te voorzien in wettige redenen die een rechtstreeks verband vertonen met een beroep of een vrijetijdsbesteding voor wie een vergunningsplichtig wapen wenst te verwerven, is het echter niet evenredig het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie onmogelijk te maken, wanneer diegene die de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen aanvraagt en die voor het overige aan alle andere gestelde voorwaarden voldoet, een wapen dat legaal voorhanden werd gehouden, niet wenst te verwerven, maar in zijn vermogen wenst te bewaren, ofwel omdat een vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen was verleend, ofwel omdat die vergunning niet was vereist. B.51.3. Het middel is derhalve gegrond in zoverre artikel 11, § 3, 9°, het behoud van een legaal voorhanden gehouden wapen in een vermogen niet vermeldt als wettige reden wanneer de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen betrekking heeft op een vergunningsplichtig wapen zonder munitie ». Uit dat arrest blijkt dat het het behoud van een wapen betreft dat legaal door de betrokken persoon voorhanden werd gehouden, hetzij omdat er een vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen was afgegeven, hetzij omdat er geen enkele vergunning was vereist vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet. Die hypothese onderscheidt zich van die welke te dezen aan het Hof wordt voorgelegd en die geen wapens betreft die legaal voorhanden worden gehouden en waarvoor de bezitter dus niet kan verwachten een gunstregeling te kunnen genieten. Krachtens artikel 48, tweede lid, van de Wapenwet zijn, bij ontstentenis van een op ten laatste 31 oktober 2008 ingediende aanvraag tot hernieuwing – in het kader waarvan het mogelijk was zich op de reden van het passieve behoud in het vermogen te beroepen –, de in 1988 aan de verzoekende partij voor de Raad van State toegekende vergunningen immers vervallen en is het voorhanden hebben van de twee betreffende wapens illegaal geworden. 18 B.16. Artikel 45/1 van de Wapenwet, in de interpretatie dat het de regularisatie uitsluit van het voorhanden hebben van een wapen, zonder munitie, waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet een vergunning werd afgegeven, door een persoon die dat wapen enkel in zijn vermogen wenst te behouden, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 45/1 van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens », in de interpretatie dat het de regularisatie uitsluit van het voorhanden hebben van een wapen, zonder munitie, waarvoor meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet een vergunning werd afgegeven, door een persoon die dat wapen enkel in zijn vermogen wenst te behouden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 mei 2023. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.080 Gerelateerde publicatie(
  15. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.154 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.003 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.299 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.