← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.084

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.084 Arrest- Rolnummer: 84/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 1385 - laatst gezien 2026-06-18 20:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (wet van 2 april 2021, decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 april 2021, decreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 maart 2021, ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 2 april 2021, decreet van het Waalse Gewest van 1 april 2021 en decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 april 2021, in zoverre daarbij instemming wordt verleend met artikel 5 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, voor zover dat artikel betrekking heeft op de mededeling van de in artikel 3, § 2, van het voormelde samenwerkingsakkoord bedoelde gegevens die in de gegevensbank « Vaccinnet » zijn geregistreerd) - Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de wet van 2 april 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 april 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 maart 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 2 april 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 1 april 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 april 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 », ingesteld door Charlotte D'Hondt. COVID-19-pandemie - Vaccinaties - Registratie van gegevens in de gegevensbank met betrekking tot de vaccinaties tegen COVID-19 - Vaccinnet Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 84/2023 van 1 juni 2023 Rolnummer : 7648 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 2 april 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 april 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 maart 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 2 april 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 1 april 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 april 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 », ingesteld door Charlotte D’Hondt. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 oktober 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 oktober 2021, heeft Charlotte D’Hondt, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 2 april 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 april 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 maart 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 2 april 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 1 april 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 april 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de 2 Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 » (bekendgemaakt respectievelijk in het Belgisch Staatsblad van 12 april 2021, tweede editie, van 9 april 2021, van 6 april 2021, van 12 april 2021, tweede editie, van 9 april 2021, van 12 april 2021, tweede editie, en van 7 april 2021). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers, Mr. S. Ben Messaoud en Mr. J. Duval, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapsregering en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys, advocaat bij de balie te Gent. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de verschillende normen houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 (hierna : het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021), in zoverre die bepalingen betrekking hebben op de registratie van de vaccinaties tegen COVID-19 in de gegevensbank « Vaccinnet ». De bepalingen van dat samenwerkingsakkoord zijn grotendeels identiek aan die welke zijn vervat in het koninklijk besluit van 24 december 2020 « betreffende de registratie en de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit van 24 december 2020), waartegen de verzoekende partij ook een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingesteld. 3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.2. De verzoekende partij verantwoordt haar belang om in rechte te treden door het feit dat zij een natuurlijke persoon is die in België verblijft en dat zij zich zou kunnen laten vaccineren tegen COVID-19, zodat de bestreden bepalingen haar rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. Indien zij beslist om zich te laten vaccineren, zullen haar naam en haar verschillende persoonsgegevens immers worden vermeld in « Vaccinnet », met schending van haar recht op eerbiediging van het privéleven, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. Indien zij beslist om zich niet te laten vaccineren, bestaat er een ernstig risico dat er beperkingen zijn (bijvoorbeeld het verbod om een vliegtuig te nemen) waardoor zij wordt geraakt om reden van haar niet-vaccinatie. A.3. De Ministerraad, de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betwisten het belang om in rechte te treden van de verzoekende partij, die niet aantoont dat zij rechtstreeks en ongunstig zou worden geraakt door de bestreden normen, zodat haar beroep veel weg heeft van een actio popularis. Aldus toont de verzoekende partij niet aan dat zij gevaccineerd zou zijn, noch dat zij van plan is zich te laten vaccineren en dat de bestreden normen haar dat verhinderen. De hoedanigheid van « potentieel slachtoffer » volstaat niet om te doen blijken van een belang. Het nadeel dat verbonden is aan vermoeden van toekomstige beperkingen vanwege het gebrek aan vaccinatie is louter hypothetisch - het enige concrete voorbeeld van het mogelijke verbod om het vliegtuig te nemen is niet ernstig - en zou voortvloeien uit een andere norm dan die welke thans worden bestreden. Ten slotte komt het feit dat zij haar belang om in rechte te treden verantwoordt door de schending van haar grondrechten, erop neer dat het belang en de gegrondheid van het middel met elkaar worden verward. A.4. De Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn eveneens van mening dat het beroep tot vernietiging, dat op 7 oktober 2021 is ingesteld, klaarblijkelijk onontvankelijk is ratione temporis in zoverre het is gericht tegen het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap, dat op 6 april 2021 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. De klaarblijkelijke onontvankelijkheid van het beroep in zoverre het tegen dat instemmingsdecreet is gericht, brengt daarenboven het verlies van belang bij het beroep in zijn geheel met zich mee. Gesteld dat het Hof het beroep zou inwilligen in zoverre het tegen de andere bestreden normen is gericht, zou dat decreet immers in de rechtsorde blijven bestaan zodat, enerzijds, het steeds van toepassing zou kunnen zijn op de verzoekende partij en, anderzijds, het samenwerkingsakkoord niet zou kunnen worden opgezegd door alle auteurs ervan die gezamenlijk optreden. A.5.1. Wat de onontvankelijkheid ratione temporis betreft, antwoordt de verzoekende partij dat een samenwerkingsakkoord maar uitwerking heeft nadat het instemming heeft verkregen van alle betrokken entiteiten, zodat de beroepstermijn niet kan worden berekend vanaf de eerste bekendmaking van een instemmingsnorm, aangezien het samenwerkingsakkoord op dat ogenblik nog geen uitwerking heeft en zulks de termijnen om een beroep in te stellen tegen de andere instemmingsnormen die later zijn bekendgemaakt, aanzienlijk zou kunnen inperken. De verzoekende partij vraagt het Hof bijgevolg te oordelen - op een wijze die analoog is aan de regels die gelden inzake stedenbouwkundige aanplakking - dat het aanvangspunt van de termijn om een beroep tot vernietiging in te stellen de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de laatste norm houdende instemming met het samenwerkingsakkoord is. Gesteld dat het beroep onontvankelijk zou zijn ratione temporis ten aanzien van enkel het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap - dat als enige in de rechtsorde zou kunnen blijven bestaan -, zou het ontvankelijk blijven ten aanzien van de andere instemmingsnormen. A.5.2. De verzoekende partij antwoordt dat haar belang niet potentieel is, aangezien de massale vaccinatiecampagne zich richt tot elke persoon die aan de leeftijds- en gezondheidsvoorwaarden beantwoordt en er een ernstig risico bestaat dat er beperkingen worden verbonden aan een gebrek aan vaccinatie, en dat het COVID Safe Ticket wordt veranderd in een « vaccinatiepas » zoals in Frankrijk. Hoe dan ook doet het gebrek aan vaccinatie, voor tal van activiteiten uit het dagelijkse leven, extra druk ontstaan door de verplichting om het COVID Safe Ticket voor te leggen, die soortgelijk is aan een officieuze maar echte plicht om zicht te laten vaccineren. 4 Gesteld dat het beroep onontvankelijk is ratione temporis ten aanzien van enkel het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap, kan die onontvankelijkheid geenszins een verlies van belang met zich meebrengen voor het geheel van het thans onderzochte beroep. Aldus, indien dat decreet in de rechtsorde zou blijven bestaan, zouden enkel de bepalingen van het samenwerkingsakkoord, die onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap ressorteren, en die zich beperken tot de vaccinatie van personen die jonger zijn dan achttien jaar, nog uitwerking hebben. De verzoekende partij is evenwel volwassen en heeft geen kind ten laste, zodat die bevoegdheid van de Franse Gemeenschap geen betrekking heeft op haar. Ten slotte kan een eenzijdige opzegging van een samenwerkingsakkoord plaatsvinden in bepaalde gevallen, zoals de noodtoestand of overmacht. Indien het Hof de andere instemmingsnormen dan het decreet van de Franse Gemeenschap zou vernietigen, zou die vernietiging een eenzijdige opzegging door de Franse Gemeenschap kunnen rechtvaardigen. A.6.1. De Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie repliceren dat de termijn om een beroep tot vernietiging in te stellen, overeenkomstig artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, loopt vanaf de bekendmaking van elke norm houdende instemming met het samenwerkingsakkoord, en niet vanaf de datum van inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord. Daarenboven is het parallellisme tussen de aanplakking van een stedenbouwkundige vergunning en de bekendmaking van een wetskrachtige norm in het Belgisch Staatsblad niet ernstig. De Ministerraad repliceert dat, krachtens de autonomie van de federale overheid en van de gefedereerde entiteiten, elke norm houdende instemming met een samenwerkingsakkoord een autonome norm uitmaakt waarvan de geldigheid niet afhangt van het bestaan van een andere instemmingsnorm. Het is bijgevolg mogelijk om één enkele instemmingsnorm te bestrijden, zonder via één beroep alle teksten tot instemming met een samenwerkingsakkoord te betwisten. Bovendien erkent de verzoekende partij zelf dat het behoud, in de rechtsorde, van het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap haar persoonlijke situatie niet zou wijzigen. A.6.2. Wat betreft het belang om in rechte te treden, erkent de verzoekende partij zelf dat haar nadeel hypothetisch is aangezien zij verwijst naar de - geenszins bevestigde - mogelijkheid van een overgang naar een « vaccinatiepas ». Daarenboven vloeien de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van het COVID Safe Ticket evenmin voort uit de te dezen bestreden normen. Ten slotte wordt het belang om de vernietiging van normen houdende instemming met een samenwerkingsakkoord te verkrijgen beoordeeld op de dag waarop het beroep wordt ingesteld, zodat de latere omstandigheden die de verzoekende partij in haar memorie toevoegt, niet in aanmerking kunnen worden genomen. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partij zich beperkt tot algemene overwegingen om haar belang om in rechte te treden te verantwoorden, zonder aan te tonen in welk opzicht zij persoonlijk een rechtstreeks nadeel lijdt dat voortvloeit uit de bestreden normen. Ten gronde A.7.1. Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 5, 6, 9 en 35 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG), en met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. Het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 voorziet in verschillende verwerkingen van gevoelige persoonsgegevens - omdat zij betrekking hebben op de gezondheid - die inmengingen in het recht op eerbiediging van het privéleven uitmaken : de registratie in « Vaccinnet » van de toegediende vaccinaties (artikel 2, § 2), de categorieën van gegevens die in « Vaccinnet » worden verwerkt (artikel 3, § 2), de verwerkingsdoeleinden (artikel 4, § 2), de mededeling van de gegevens aan derden, na voorafgaande beraadslaging van de kamer « sociale zekerheid en gezondheid » van het Informatieveiligheidscomité (artikel 5), en de termijn voor het bewaren van de gegevens in « Vaccinnet » (artikel 6, § 2). Volgens de verzoekende partij zijn die inmengingen in het recht op 5 eerbiediging van het privéleven in strijd met het in artikel 22 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel (eerste onderdeel), onevenredig met het nagestreefde doel (tweede onderdeel) en in strijd met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten (derde onderdeel). A.7.2. Allereerst worden in het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 een aantal essentiële elementen van de erin toegestane verwerking van persoonsgegevens, onvoldoende nauwkeurig vastgesteld. Aldus worden in artikel 4, § 2, niet minder dan elf doeleinden vastgesteld voor de registratie van de vaccinaties in « Vaccinnet », waarbij de Gegevensbeschermingsautoriteit het ruime en weinig nauwkeurige karakter van een aantal doeleinden heeft beklemtoond, die bijgevolg onvoldoende « welbepaald en uitdrukkelijk omschreven » zijn om het de betrokkenen mogelijk te maken te begrijpen wat er zal gebeuren met hun gegevens, die bovendien aan derden kunnen worden meegedeeld. Vervolgens heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit voorbehoud gemaakt bij de vastgestelde categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens, bij gebrek aan voldoende waarborgen inzake voorzienbaarheid. Bovendien wordt bij artikel 5, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 aan het Informatieveiligheidscomité de bevoegdheid overgedragen om als enige te bepalen welke derde instanties gemachtigd zijn om de verzamelde gegevens te gebruiken of te hergebruiken en voor welke doeleinden : ook al betreft het een onafhankelijke overheid, toch kunnen haar in beginsel geen essentiële elementen van aan de wet voorbehouden aangelegenheden worden overgedragen. A.7.3. Vervolgens is de inmenging in de eerbiediging van het privéleven onevenredig, ook al wordt daarmee een legitiem doel van volksgezondheid en inzake de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen nagestreefd. Aldus hebben zowel de afdeling wetgeving van de Raad van State als de Gegevensbeschermingsautoriteit het buitensporige karakter van de termijn van 30 jaar voor het bewaren van de gegevens vanaf de datum van vaccinatie tegen COVID-19 beklemtoond. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft ook het feit bekritiseerd dat de bepaling een minimale bewaartermijn bevat, en geen maximumtermijn. Vervolgens werd de uit het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 voortvloeiende gegevensbeschermingseffectbeoordeling, die bij artikel 35 van de AVG wordt vereist, niet uitgevoerd, zodat de in het middel bedoelde bepalingen, bij gebrek aan die effectbeoordeling, werden geschonden door de bestreden bepalingen. A.7.4. Ten slotte zijn de bestreden normen in strijd met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten dat vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling in redelijke mate kan voorzien op het ogenblik dat die handeling wordt gesteld. Artikel 12 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 voorziet aldus erin dat de bepalingen van dat akkoord terugwerkende kracht hebben tot de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 24 december 2020. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft evenwel beklemtoond dat, hoewel de dringende noodzaak om in een kader te voorzien ter bestrijding van de COVID-19-pandemie die retroactiviteit kon verantwoorden, zij evenwel niet gold voor de nieuwe elementen die niet overeenstemmen met de verwerking van persoonsgegevens zoals zij sedert 24 december 2020 concreet vorm krijgt in de praktijk. De verzoekende partij beklemtoont in dat verband dat het in artikel 4, § 2, van het samenwerkingsakkoord opgenomen elfde doeleinde niet werd vermeld in het koninklijk besluit van 24 december 2020. A.8.1. De Ministerraad brengt in herinnering dat het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 voorziet in het bestaan van twee gegevensbanken : enerzijds, de gegevensbank met de vaccinatiecodes die gezamenlijk wordt beheerd door de deelentiteiten die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de vaccinatie en door Sciensano en, anderzijds, « Vaccinnet » - de enige gegevensbank waarop de grieven van de verzoekende partij betrekking hebben - dat het registratiesysteem is dat is bedoeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 « houdende diverse bepalingen ter uitvoering van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot wijziging van uitvoeringsbesluiten van dit decreet ». De Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie brengen in herinnering dat de vaccinatie een instrument vormt waarvan het belang werd beklemtoond door de Wereldgezondheidsorganisatie teneinde de verspreiding van het 6 coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan. De registratie van de vaccinaties in « Vaccinnet » is noodzakelijk om, op gecoördineerde wijze tussen de deelentiteiten en de federale Staat, een optimaal beleid inzake crisisbeheer te voeren, geneesmiddelenbewaking mogelijk te maken, de vaccinatiegraad bij de bevolking te volgen en de gevolgen voor de ziekteverzekering te begroten, met inachtneming van het recht op het privéleven. A.8.2. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, wordt het wettigheidsbeginsel te dezen in acht genomen met betrekking tot de verwerkingsdoeleinden. Het feit dat in artikel 4, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 elf doeleinden omstandig worden omschreven, strekt immers ertoe aan de betrokken personen transparantie en voorzienbaarheid te bieden, aangezien het samenwerkingsakkoord verband houdt met een grote hoeveelheid andere wettelijke instrumenten waarvoor de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot de vaccinatie tegen COVID-19 noodzakelijk is. Die doeleinden worden in verband met de bestrijding van COVID-19 limitatief, en met voldoende nauwkeurig omschreven, door telkens naar de desbetreffende wetgeving te verwijzen. De preventieve geneeskunde en gezondheidszorg, alsook het beheren van gezondheidsdiensten, vormen trouwens doeleinden die in de AVG worden erkend. Het verzamelen van persoonsgegevens is onontbeerlijk om het de overheden mogelijk te maken de vaccins tegen COVID-19 toe te dienen en is volledig verbonden met het recht dat is erkend bij de wet van 22 augustus 2002 « betreffende de rechten van de patiënt », waarvan artikel 9 voorziet in het recht van de patiënt dat zijn « patiëntendossier » wordt bijgehouden en bewaard. Het doeleinde met betrekking tot het informeren en sensibiliseren van personen met betrekking tot de COVID-19-vaccinatie is een doeleinde dat verband houdt met de rol van de zorgverleners en van de verzekeringsinstellingen. De kritiek van de Gegevensbeschermingsautoriteit ten aanzien van het doeleinde inzake beoordeling van de arbeidsgeschiktheid is overigens zonder voorwerp geworden, aangezien de uiteindelijke versie van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 werd aangepast teneinde het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit te volgen. Bij de totstandkoming van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 kon niet worden voorzien in de doeleinden met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat of het COVID Safe Ticket, maar daarin werd later voorzien in artikel 11, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, dat de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket en het Passenger Locator Form regelt, en dat afwijkt van artikel 4, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, waardoor aldus een voldoende wettelijke basis wordt geboden voor dat doeleinde van verwerking van persoonsgegevens. Het beginsel van minimale gegevensverwerking werd daarenboven in acht genomen, aangezien gegevens kunnen worden geanonimiseerd of gepseudonimiseerd wanneer dat mogelijk is, hetgeen uiteraard niet mogelijk is voor het doeleinde om met betrekking tot de vaccinatie te informeren en te sensibiliseren. Uit de toelichting bij het samenwerkingsakkoord blijkt daarenboven dat de derden aan wie de gegevens kunnen worden meegedeeld, nauwkeurig werden bepaald en dat een dergelijke mededeling enkel mag plaatsvinden om de in het samenwerkingsakkoord beoogde doeleinden te bereiken. De rol van het Informatieveiligheidscomité wordt zeer nauwkeurig omschreven in artikel 5, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 en het vormt een extra filter om de inachtneming van de regels inzake gegevensbescherming te waarborgen. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, is dat Comité geenszins bevoegd om als enige te bepalen welke instanties de verzamelde gegevens kunnen gebruiken, of hergebruiken, alsook de doeleinden ervan. Daarenboven kan de wetgever een technische en ingewikkelde opdracht toevertrouwen aan een onafhankelijke administratieve overheid, met inachtneming van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, waarvan de schending zelfs niet wordt aangevoerd in het thans onderzochte beroep. Ten slotte wordt dat Comité aan zowel jurisdictionele als parlementaire controle onderworpen, alsook aan het toezicht van de Gegevensbeschermingsautoriteit. A.8.3. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, voorziet, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, artikel 6, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 in een maximumtermijn voor het bewaren van de in artikel 3, § 2, van het akkoord bedoelde vaccinatiegegevens, namelijk tot aan het overlijden van de gevaccineerde persoon, en in een minimumtermijn, namelijk 30 jaar na de vaccinatie. Het bewaren van die gegevens tot aan het overlijden van de persoon wordt in de memorie van toelichting bij het samenwerkingsakkoord uitgebreid verantwoord ten aanzien van de context en de doeleinden inzake surveillance en monitoring van de vaccins op lange termijn, in een proces waarbij vertrouwen wordt opgebouwd en met inachtneming van het voorzorgsbeginsel, maar ook in geval van maatschappelijk onderzoek en aansprakelijkheid, teneinde de effecten van de nieuwe vaccins op lange termijn te beoordelen, of nog om eventuele nieuwe pandemieën te bestrijden. Met de minimumtermijn van 30 jaar worden diezelfde doelstellingen nagestreefd, overeenkomstig het medisch recht, om te vermijden dat de gegevens verloren gaan indien de persoon minder dan 30 jaar na het toedienen van het vaccin overlijdt. 7 In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, werd een gegevensbeschermingseffectbeoordeling opgemaakt met de andere partijen bij het samenwerkingsakkoord, overeenkomstig de artikelen 35 en 36 van de AVG, waarbij die beoordeling niet noodzakelijkerwijs moest voorafgaan aan de totstandkoming van de wetsbepaling die de verwerking toestaat. Ten aanzien van de inhoud ervan wordt die beoordeling vertrouwelijk meegedeeld aan het Hof. De evenredigheid van een inmenging in het privéleven dient daarenboven op algemene wijze te worden beoordeeld, rekening houdend met de waarborgen met betrekking tot de toegang tot de vaccinatiegegevens, die een beraadslaging van het Informatieveiligheidscomité vereist (artikel 5), met het feit dat de doeleinden duidelijk worden omschreven (artikel 4, § 2) en met het feit dat de betrokkenen over één enkel contactpunt beschikken om hun rechten uit te oefenen (artikel 7). A.8.4. Wat het derde onderdeel van het middel betreft, zijn de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van mening dat de verzoekende partij niet doet blijken van een belang bij de kritiek die is afgeleid uit de aantasting van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, waarvan de inachtneming niet rechtstreeks door het Hof kan worden getoetst. Te dezen beïnvloedt de retroactiviteit geen enkele jurisdictionele procedure, maar wordt daarmee enkel een doel van algemeen belang nagestreefd, dat erin bestaat de crisis optimaal te beheren, geneesmiddelenbewaking mogelijk te maken, de vaccinatiegraad van de bevolking te volgen en de gevolgen voor de ziekteverzekering te begroten. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft trouwens aanvaard dat terugwerkende kracht wordt verleend aan de bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, rekening houdend met de noodzaak om de COVID-19-pandemie tegen te gaan. De verzoekende partij erkent trouwens zelf dat de bepalingen van het samenwerkingsakkoord en die van het koninklijk besluit van 24 december 2020 in ruime mate identiek zijn. Bovendien voorziet artikel 12 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 enkel in een retroactieve inwerkingtreding voor de bepalingen die overeenstemmen met dat besluit, waarbij de andere bepalingen in werking treden op 11 februari 2021, namelijk de datum van bekendmaking van het protocolakkoord van 27 januari 2021 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie « betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 ». De omstandigheid dat een dermate beperkt doeleinde als het in artikel 4, § 2, 11°, van het samenwerkingsakkoord beoogde doeleinde, werd toegevoegd, kan ten aanzien van de te dezen nagestreefde doelstellingen geen onverantwoorde schending van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten uitmaken. Ten slotte toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht de retroactiviteit ertoe zou strekken de « ongrondwettigheden » van het koninklijk besluit van 24 december 2020 te dekken, die geenszins door een bevoegd rechtscollege werden vastgesteld. De Ministerraad beklemtoont dat alle bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 met betrekking tot « Vaccinnet » overeenstemmen met de gegevensverwerking zoals zij concreet vorm krijgt in de praktijk. Dat geldt met name voor het verzamelen van gegevens op basis van het identificatienummer - dat overeenstemt met het nationale nummer voor de betrokken personen -, de plaats van toediening van het vaccin of de gegevens over de ongewenste bijwerkingen, de bestaande doeleinden, het bewaren van de gegevens of de verwerkingsverantwoordelijken - waarbij die begrippen worden gepreciseerd, maar niet worden gewijzigd ten opzichte van de praktijk. De in het samenwerkingsakkoord bedoelde normen waren bijgevolg volledig voorzienbaar aangezien zij reeds van kracht waren en werden toegepast overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 2020. A.9. In ondergeschikte orde zijn de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van mening dat, gesteld dat het Hof zou besluiten tot een ongrondwettigheid, de instemmingsnormen enkel zouden moeten worden vernietigd in zoverre zij betrekking hebben op de artikelen 4, § 2, 5, 6, § 2, en 12 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021; voor het overige zouden de bestreden normen moeten worden behouden in zoverre zij betrekking hebben op de andere bepalingen van het samenwerkingsakkoord. 8 A.10. In uiterst ondergeschikte orde verzoeken de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het Hof om de gevolgen van de vernietigde normen te handhaven. Aldus is een handhaving van de gevolgen noodzakelijk om de continuïteit en de rechtszekerheid van het door de overheden gevoerde beleid ter bestrijding van COVID-19 te kunnen verzekeren, aangezien het « Vaccinnet »-systeem als basis dient voor verschillende normen en samenwerkingsakkoorden, met name in verband met het digitaal EU-COVID-certificaat of het COVID Safe Ticket. De gevolgen van de bestreden normen moeten bijgevolg worden gehandhaafd, zowel voor het verleden als voor de toekomst, zolang de pandemie blijft duren, maar ook later, om de monitoring en de behandeling van de betrokken personen te waarborgen. A.11.1. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoordt de verzoekende partij met betrekking tot de doeleinden dat zij niet inziet welk verband er is tussen preventieve geneeskunde en het recht van de patiënt om over een bijgehouden en bewaard patiëntendossier te beschikken. Het patiëntendossier komt tot stand in een context die ertoe strekt aan de patiënt de mogelijkheid te bieden de beste zorg te krijgen volgens zijn voorgeschiedenis, terwijl « Vaccinnet » geen tool is die is gericht op de patiënt, maar op een beleid van volksgezondheid dat ertoe strekt een pandemie in te dijken, door gegevens preventief te registreren. Het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 heeft de kritiek van de Gegevensbeschermingsautoriteit niet verholpen en de goede organisatie van de vaccinatie verantwoordt niet dat het doeleinde inzake informeren en sensibiliseren een registratie van persoonsgegevens vereist. Daarenboven maakt het zeer grote aantal doeleinden de identificatie van de ontvangers van de gegevens nog onduidelijker. Bovendien werd de rol van het Informatieveiligheidscomité bekritiseerd door de afdeling wetgeving van de Raad van State, zonder dat met al haar opmerkingen rekening werd gehouden. Niets maakt het mogelijk te oordelen dat het een « extra filter » vormt en de bevoegdheid die aan het Comité is verleend om een gegevensuitwisseling toe te staan, komt erop neer dat het een « vetorecht » krijgt toegekend. A.11.2. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, antwoordt de verzoekende partij dat zowel de afdeling wetgeving van de Raad van State als de Gegevensbeschermingsautoriteit het buitensporige karakter hebben beklemtoond van de bewaartermijn, die niet is gewijzigd, zodat er dienaangaande geen waarborgen bestaan. De verzoekende partij betwist daarenboven het door de gefedereerde entiteiten gevraagde vertrouwelijke karakter van de effectbeoordeling, omdat het zou indruisen tegen de geest van de AVG. Die effectbeoordeling moet bijgevolg openbaar worden gemaakt, zodat de burger de norm die op hem zal worden toegepast, kan beoordelen. A.11.3. Wat het derde onderdeel van het middel betreft, antwoordt de verzoekende partij dat, enerzijds, het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 ertoe strekt verschillende door de minister van Volksgezondheid aanvaarde ongrondwettigheden van het koninklijk besluit van 24 december 2020 te dekken, en dat, anderzijds, gesteld dat de bepalingen van het samenwerkingsakkoord grotendeels identiek zijn aan die van het koninklijk besluit, zij niet volledig overeenstemmen met de op grond van dat koninklijk besluit geconcretiseerde verwerking van persoonsgegevens. A.12.1. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, repliceren de Ministerraad, de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dat het feit dat in elf doeleinden werd voorzien, aantoont dat grondig is nagedacht over de gegevens die niet geanonimiseerd of gepseudonimiseerd kunnen worden verwerkt. Het doeleinde in verband met preventieve geneeskunde stemt overeen met het doeleinde dat in artikel 9, lid 2, h), van de AVG wordt beoogd. De toediening van een vaccin is een medische behandeling die deel uitmaakt van de preventieve geneeskunde, en de « vaccinatiestatus » moet worden vermeld in het medische dossier van de patiënt, omdat hij gevolgen kan hebben voor de strategie die door de zorgverleners moet worden gevolgd. « Vaccinnet » is dus gericht op de rechten van de patiënt, aangezien daardoor monitoring van de patiënt na vaccinatie mogelijk is. Het doeleinde in verband met het informeren en sensibiliseren van personen met betrekking tot de COVID-19-vaccinatie past in het kader van het doel om groepsimmuniteit te creëren. De verwerking van de 9 vaccinatiegegevens kan noodzakelijk zijn voor risicogroepen, bijvoorbeeld voor de oudere bevolking die in bejaardentehuizen verblijft. Het feit dat er binnen dat doeleinde een samenspel is van een individuele dimensie en een collectieve dimensie, heeft niet tot gevolg dat het onvoldoende nauwkeurig is. De personen aan wie de verwerkte gegevens kunnen worden doorgegeven, worden limitatief opgesomd in artikel 5 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, zodat niet kan worden beweerd, zoals de verzoekende partij doet, dat die derden ruim omschreven zouden zijn. Het Informatieveiligheidscomité vervult daadwerkelijk een rol van extra filter, door aldus een externe controle te waarborgen. A.12.2. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, wordt gerepliceerd dat de vertrouwelijkheid van de effectbeoordeling wordt verantwoord om veiligheidsredenen die verband houden met het ingevoerde gegevensverwerkingssysteem en, met name, wegens de technische beschrijving van de beschermingsmaatregelen die zijn beoogd om de risico’s te ondervangen. De effectbeoordeling werd aan het Hof meegedeeld opdat het kan nagaan of zij daadwerkelijk werd uitgevoerd. De Ministerraad beklemtoont ook dat de verzoekende partij zich ertoe beperkt de vertrouwelijkheid van de effectbeoordeling te betwisten, zonder de regel te vermelden krachtens welke die openbaar had moeten worden gemaakt, terwijl de AVG zich ertoe beperkt te vereisen dat de effectbeoordeling plaatsvindt, hetgeen is gebeurd. Voor het overige valt de analyse van de inhoud en van het adequate karakter van de effectbeoordeling onder de exclusieve bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit - en niet van het Grondwettelijk Hof -, waartoe de verzoekende partij zich bijgevolg moet wenden door middel van een klacht of kennisgeving. A.12.3. Wat het derde onderdeel van het middel betreft, repliceert de Ministerraad dat de verzoekende partij niet heeft geantwoord op de kritiek die is afgeleid uit de onontvankelijkheid van dat onderdeel van het middel. -B- Ten aanzien van de bestreden akten en de context ervan B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de wet van 2 april 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2 april 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 maart 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 2 april 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 1 april 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 april 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021). Het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 werd, in de drie landstalen, als bijlage bij de wet van 2 april 2021, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 april 2021. 10 B.2.1. Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 uitgeroepen tot een pandemie. Ook België is sedert maart 2020 geconfronteerd met die pandemie en de gevolgen ervan. Het coronavirus SARS-CoV-2 is een zeer besmettelijk virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt, die voornamelijk voor ouderen en personen met een medische voorgeschiedenis ernstige medische problemen veroorzaakt of dodelijk kan zijn (Parl. St., Vlaams Parlement, 2019-2020, nr. 415/1, p. 2; Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, p. 2; Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2019-2020, nr. B-41/1, p. 1). In het kader van die COVID-19-gezondheidscrisis en om een verdere verspreiding van de ziekte COVID-19 tegen te gaan, werd oorspronkelijk de Nationale Veiligheidsraad en daarna het Overlegcomité, waarin vertegenwoordigers van de federale overheid en van de deelstaten werden opgenomen, belast om op elkaar afgestemde maatregelen te nemen teneinde de verdere verspreiding van COVID-19 te beperken (Parl. St., Vlaams Parlement, 2019-2020, nr. 415/1, p. 2; Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, p. 2). B.2.2. De bestreden akten passen in het kader van het aanvullen en het actualiseren van het arsenaal aan maatregelen die de verschillende overheden hebben genomen om de COVID-19-pandemie te bestrijden en de verdere verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan, alsook een heropflakkering van de COVID-19-pandemie te vermijden. De bestreden akten passen meer bepaald in het kader van de maatregelen die noodzakelijk zijn voor het organiseren van de vaccinatie tegen COVID-19. Zoals in andere landen die deelnemen aan de Europese procedure voor de aankoop van vaccins tegen COVID-19, waarin de Europese Commissie namens de lidstaten onderhandelt met de bedrijven, na het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen en naargelang van de productiecapaciteiten, hebben de federale overheid en de deelentiteiten beslist om samen te werken teneinde een massale, vrijwillige en kosteloze vaccinatiecampagne tegen COVID-19 te organiseren. Die beslissing is met name gebaseerd op studies waaruit de klinische doeltreffendheid blijkt van vaccinatie op grote schaal tegen het zeer besmettelijke coronavirus SARS-CoV-2 dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt, teneinde de verspreiding van besmettingen met die ziekte tegen 11 te gaan en te voorkomen dat wegens de daaruit voortvloeiende ziekenhuisopnames worden overbelast, alsook te vermijden dat de COVID-19-pandemie heropflakkert. De Wereldgezondheidsorganisatie raadt het publiek eveneens aan zich te laten vaccineren tegen COVID-19. De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van 16 november 2020 heeft de hoofdbeginselen vastgesteld waarop de Belgische vaccinatiestrategie tegen COVID-19 is gebaseerd : - doel van een vaccinatiegraad van 70 % van de bevolking; - bepalen van de prioritaire groepen op grond van wetenschappelijke adviezen; - kosteloze vaccinatie op vrijwillige basis voor elke burger; - medefinanciering van het gehele vaccinatieprogramma door de federale overheid en de deelentiteiten. Die beslissingen hangen van de volgende elementen af : - massale vaccinatiecampagnes, waarbij de vaccins worden geleverd in flacons met meerdere doses die dezelfde dag moeten worden toegediend; - de terbeschikkingstelling aan België van een of meer doeltreffende en veilige vaccins tegen COVID-19; - de capaciteit van het Belgische gezondheidssysteem voor de geleidelijke en doeltreffende verdeling en vaccinatie van de bevolking, waarbij de autoriteiten voor volksgezondheid worden ondersteund door de Interfederale Taskforce « vaccin COVID-19 », die op 16 november 2020 is opgericht door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid, en de gezamenlijke gezondheidsstructuren van het land, waaronder Sciensano en het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG). Daartoe wordt de registratiesoftware Vaccinnet+ door alle deelentiteiten gebruikt; 12 - de wil om door overtuigingskracht en transparantie de terughoudendheid tegenover het vaccin te overwinnen en zo ervoor te zorgen dat de bevolking die strategie inzake volksgezondheid onderschrijft. De vaccinatiestrategie tegen COVID-19 werd uitgerold in verschillende fases, vanaf de maand januari 2021, met een hiërarchische indeling van de doelgroepen, waarbij de prioritaire groepen de bewoners van woonzorgcentra en een deel van de personeelsleden van de woonzorgcentra, het ziekenhuispersoneel en het zorg- en hulpverleningspersoneel in de eerste lijn zijn. Vanaf februari 2021 werden de prioritaire groepen uitgebreid tot de risicopersonen met comorbiditeiten, tot de personen die 65 jaar en ouder zijn en tot de personen die 18 tot 55 jaar zijn in de politiediensten, alvorens geleidelijk te worden uitgebreid, op basis van het criterium van de leeftijd en van de kwetsbaarheid, tot de gehele bevolking ouder dan 18 jaar, vervolgens ouder dan 16 jaar, ouder dan 12 jaar en, ten slotte, vanaf 5 jaar. Op grond van de geactualiseerde wetenschappelijke kennis werd door de Interfederale Taskforce « vaccin COVID-19 » een vaccinatieschema opgesteld met een of twee vaccindoses, naargelang van het toegediende vaccin, en werd de mogelijkheid om een « boosterdosis » te genieten eveneens aan de bevolking aangeboden. B.2.3.1. Die massale vaccinatiecampagne is ook nauw verbonden met de nieuwe maatregelen die in juli 2020 zijn genomen teneinde de risico’s van verdere verspreiding tegen te gaan die zijn verbonden aan de versoepelingen van de beperkingen van fysieke contacten en aan de mogelijkheid om opnieuw te reizen, rekening houdend met de nieuwe fase in de COVID-19-crisis. B.2.3.2. De verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 « betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren » (hierna : de verordening (EU) 2021/953) voorziet, luidens artikel 1, lid 1, ervan in een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van het digitaal EU-COVID-certificaat, zijnde een interoperabel certificaat met informatie over de vaccinatie, het testresultaat of het herstel van de houder ervan, afgegeven in de context van de COVID-19-pandemie, en zulks 13 teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de houders van dergelijke certificaten tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren. Het digitaal EU-COVID-certificaat maakt de grensoverschrijdende afgifte, verificatie en aanvaarding mogelijk van met name een vaccinatiecertificaat met de bevestiging dat aan de houder ervan een COVID-19-vaccin is toegediend in de lidstaat die het certificaat afgeeft. In de overwegingen 8 en 29 van de verordening (EU) 2021/953 wordt vermeld : « 8. Veel lidstaten hebben initiatieven genomen om COVID-19-vaccinatiecertificaten af te geven of zijn voornemens dat te doen. Om dergelijke vaccinatiecertificaten echter doeltreffend te kunnen gebruiken in een grensoverschrijdende context, wanneer Unieburgers hun recht van vrij verkeer uitoefenen, moeten zij volledig interoperabel, compatibel, beveiligd en verifieerbaar zijn. De lidstaten moeten daartoe tot overeenstemming komen over de inhoud, het formaat, de beginselen, de technische normen en het beveiligingsniveau voor dergelijke vaccinatiecertificaten. […] 29. Om het vrije verkeer te faciliteren en ervoor te zorgen dat de beperkingen van het vrije verkeer die momenteel tijdens de COVID-19-pandemie van kracht zijn, op gecoördineerde wijze kunnen worden opgeheven op basis van het meest recente wetenschappelijk bewijsmateriaal en de meest recente adviezen van het Gezondheidsbeveiligingscomité, opgericht bij artikel 17 van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad, het ECDC en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), moet in een interoperabel vaccinatiecertificaat worden voorzien. Een dergelijk vaccinatiecertificaat moet dienen als bevestiging dat aan de houder een COVID-19-vaccin is toegediend in een lidstaat en moet ertoe bijdragen dat beperkingen van het vrije verkeer geleidelijk worden opgeheven. Het vaccinatiecertificaat mag alleen de informatie bevatten die nodig is om de houder, het toegediende COVID-19-vaccin, het aantal doses, en de datum en de plaats van vaccinatie duidelijk te identificeren. De lidstaten moeten vaccinatiecertificaten afgeven aan personen die zijn ingeënt met COVID-19-vaccins waarvoor op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, aan personen die zijn ingeënt met COVID-19-vaccins waarvoor op grond van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad een vergunning door de bevoegde autoriteit van een lidstaat voor het in de handel brengen is verleend, en aan personen die zijn ingeënt met COVID-19-vaccins waarvan de distributie tijdelijk is toegestaan op grond van artikel 5, lid 2, van die richtlijn ». Artikel 5 van de verordening (EU) 2021/953, met als opschrift « Vaccinatiecertificaat », bepaalt : « 1. Elke lidstaat geeft aan personen aan wie een COVID-19-vaccin is toegediend, een in artikel 3, lid 1, punt a), bedoeld vaccinatiecertificaat af, hetzij automatisch, hetzij op verzoek 14 van die personen. Die personen worden in kennis gesteld van hun recht op een vaccinatiecertificaat. 2. Het vaccinatiecertificaat bevat de volgende categorieën persoonsgegevens :

  1. a)de identiteit van de houder;
  2. b)informatie over het aan de houder toegediende COVID-19-vaccin en over het aantal toegediende doses;
  3. c)metagegevens van het certificaat, zoals de afgever van het certificaat of een unieke certificaatidentificatiecode. De persoonsgegevens worden in het vaccinatiecertificaat opgenomen overeenkomstig de in punt 1 van de bijlage vastgestelde specifieke gegevensvelden. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen vast te stellen om punt 1 van de bijlage te wijzigen door middel van wijziging of verwijdering van gegevensvelden, of door middel van toevoeging van gegevensvelden die vallen onder de in de punten
  4. b)en
  5. c)van de eerste alinea van dit lid bedoelde categorieën persoonsgegevens, indien een dergelijke wijziging noodzakelijk is om de echtheid, geldigheid en integriteit van het vaccinatiecertificaat te verifiëren en te bevestigen, in geval van wetenschappelijke vorderingen inzake de beheersing van de COVID-19-pandemie, of om de interoperabiliteit met internationale normen te waarborgen. 3. Het vaccinatiecertificaat wordt na de toediening van elke dosis afgegeven in een beveiligd en interoperabel formaat in overeenstemming met artikel 3, lid 2, en vermeldt duidelijk of de vaccinatiecyclus al dan niet voltooid is. 4. Wanneer nieuw wetenschappelijk bewijs of de interoperabiliteit met internationale normen en technologische systemen zulks om dwingende redenen van urgentie vereist, is de procedure van artikel 13 van toepassing op grond van [de krachtens] dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen. 5. Lidstaten die een vaccinatiebewijs aanvaarden om vrijstelling te verlenen van overeenkomstig het Unierecht ingestelde beperkingen van het vrije verkeer om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, aanvaarden onder dezelfde voorwaarden ook vaccinatiecertificaten die door andere lidstaten overeenkomstig deze verordening zijn afgegeven voor een COVID-19-vaccin waarvoor op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning voor het in de handel brengen is verleend. De lidstaten kunnen voor hetzelfde doel ook vaccinatiecertificaten aanvaarden die door andere lidstaten overeenkomstig deze verordening zijn afgegeven voor een COVID-19-vaccin waarvoor de bevoegde autoriteit van een lidstaat op grond van Richtlijn 2001/83/EG een vergunning voor het in de handel brengen heeft verleend, een COVID-19-vaccin waarvan de distributie tijdelijk is toegestaan op grond van artikel 5, lid 2, van die richtlijn, of een COVID-19-vaccin waarvoor de WHO-procedure voor noodtoelating is afgerond. 15 Als lidstaten vaccinatiecertificaten aanvaarden voor een in de tweede alinea bedoeld COVID-19-vaccin, aanvaarden zij onder dezelfde voorwaarden ook vaccinatiecertificaten die door andere lidstaten overeenkomstig deze verordening zijn afgegeven voor hetzelfde COVID-19-vaccin ». De bijlage, met als opschrift « Datasets voor de certificaten », bepaalt in punt 1 ervan : « In het vaccinatiecertificaat op te nemen gegevensvelden :
  6. a)naam : familienaam of familienamen en voornaam of voornamen (in die volgorde);
  7. b)geboortedatum;
  8. c)doelziekte of -ziekteverwekker : COVID-19 (SARS-CoV-2 of een van de varianten ervan);
  9. d)COVID-19-vaccin of -profylaxe;
  10. e)productnaam van het COVID-19-vaccin;
  11. f)handelsvergunninghouder of producent van het COVID-19-vaccin;
  12. g)volgnummer in een reeks doses alsook totale aantal doses in de reeks;
  13. h)datum van vaccinatie, met vermelding van de datum van de laatste ontvangen dosis;
  14. i)lidstaat of derde land waar het vaccin werd toegediend;
  15. j)afgever van het certificaat;
  16. k)unieke certificaatidentificatiecode ». B.2.3.3. In de algemene toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 11 juni 2021 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de operationalisering van de Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele vaccinatie-, test- en herstelcertificaten teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te vergemakkelijken (EU Digitaal COVID Certificaat) wordt vermeld : « Het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie 16 betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 […] regelt het gemeenschappelijke informatiesysteem dat is opgezet voor de uitnodiging van personen voor vaccinatie, voor de organisatie van de vaccinatie en voor de registratie van de vaccinatie. Door de gefedereerde entiteiten en de federale overheid werd de instelling van een gemeenschappelijk informatiesysteem hiertoe als een cruciale vereiste geformuleerd. Voor de ondersteuning van de uitnodiging van personen voor vaccinatie en de organisatie van de vaccinatie was immers een gemeenschappelijk informatiesysteem nodig om te vermijden dat personen ongecoördineerd worden uitgenodigd of dat reeds gevaccineerde personen opnieuw worden uitgenodigd. Daarnaast maakt het systeem het mogelijk om het geschikt doseringsschema te bepalen, onder meer wat de verschillende doses van een toe te dienen vaccin betreft (juiste interval in geval van vaccin met meerdere dosissen) en ervoor [te] zorgen dat de vaccinatie goed georganiseerd verloopt in functie van de beschikbaarheid van het daartoe benodigde materiaal en (medisch) personeel. De registratie van vaccinaties in een gemeenschappelijk informatiesysteem (Vaccinnet) door zowel Vlaamse, Brusselse, Waalse als Duitstalige vaccinatoren, was dan ook noodzakelijk. [Dergelijke registratieverplichting vergt, gelet op het feit dat het om een noodzakelijkheid gaat en gelet op het feit dat het de verwerking van persoonsgegevens betreft, een solide juridische basis.] Die databank wordt in heel nauwe samenwerking tussen de gefedereerde entiteiten en de Federale Staat uitgewerkt en beheerd. Daarom is het ook aangewezen om ook voor de uitreiking van de certificaten aan de hand van eenzelfde operationeel systeem te werken » (Belgisch Staatsblad van 14 juni 2021, tweede editie, p. 61955). B.2.3.4. De samenwerkingsakkoorden van 14 juli 2021 en van 27 september 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België, alsook het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, waarbij dat van 14 juli 2021 werd gewijzigd, voorzien in een wettelijke basis voor het binnenlandse gebruik van het digitaal EU-COVID-certificaat en voor het genereren van het COVID Safe Ticket (hierna : het CST) op basis van het digitale EU-COVID-certificaat. De vaccincatie van een persoon tegen het coronavirus COVID-19, kan het CST zonder meer genereren. In de algemene toelichting bij het voormelde samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 wordt in dat verband vermeld dat, volgens de wetenschappelijke kennis die beschikbaar was op het ogenblik dat het akkoord werd aangenomen, personen die gevaccineerd zijn een kleiner risico lopen om andere personen te besmetten met het coronavirus SARS-CoV-2 (Belgisch Staatsblad van 23 juli 2021, p.76172; zie ook overweging 7 van de verordening (EU) 2021/953). 17 Artikel 11 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 bepaalt : « § 1. Met het oog op de verificatie en voor het opmaken en afgeven van het digitaal EU-COVID-certificaat aan de houders van een vaccinatiecertificaat, testcertificaat of herstelcertificaat, worden de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt : 1° de categorieën van persoonsgegevens in artikel 9, §§ 1, 2 of 3; 2° het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; en 3° de hoofdverblijfplaats, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. § 2. De categorieën van persoonsgegevens vermeld in § 1 worden bekomen vanuit de volgende gegevensbanken : […] 2° Vaccinnet : voor wat betreft het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de categorieën van persoonsgegevens in het vaccinatiecertificaat, omschreven in artikel 9, § 1; […] § 4. In afwijking van artikel 3, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 en artikel 4, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, mogen de persoonsgegevens bedoeld in § 1, voor het in artikel 10 bedoelde verwerkingsdoeleinde worden verwerkt door de verwerkingsverantwoordelijken, voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten in dit samenwerkingsakkoord bepaald, de gefedereerde entiteiten en Sciensano ». B.3.1. Bij het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 hebben de federale overheid en de gefedereerde entiteiten « het gemeenschappelijke informatiesysteem […] voor de uitnodiging van personen voor vaccinatie, voor de organisatie van de vaccinatie en voor de registratie van de vaccinatie » opgezet (Belgisch Staatsblad van 12 april 2021, tweede editie, p. 32397) : « De registratie van vaccinaties in een gemeenschappelijk informatiesysteem (Vaccinnet) door zowel Vlaamse, Brusselse, Waalse als Duitstalige vaccinatoren, is o.a. noodzakelijk om een optimaal crisisbeheer te voeren, de geneesmiddelenbewaking, zoals bedoeld in artikel 4, 2° van dit akkoord, mogelijk te maken, de vaccinatiegraad van de bevolking en de impact op de ziekteverzekering op te volgen. 18 Dergelijke registratieverplichting vergt, gelet op het feit dat het om een noodzakelijkheid gaat en gelet op het feit dat het de verwerking van persoonsgegevens betreft[,] een solide juridische basis. De databank wordt in heel nauwe samenwerking tussen de gefedereerde entiteiten en de Federale Staat uitgewerkt en beheerd » (ibid., pp. 32397-32398). B.3.2. In die context regelt het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 twee verschillende gegevensbanken. Enerzijds wordt een eerste gegevensbank met de vaccinatiecodes opgericht « om de massale vaccinatiecampagne in het kader van de COVID-19-pandemie in goede banen te leiden door het volgende mogelijk te maken, namelijk de uitnodiging van de te vaccineren personen, de identificatie van het juiste doseringsschema en de goede organisatie van de vaccinatie naargelang de beschikbaarheid van de vaccins en het materiaal en het hiervoor noodzakelijk (medisch en verpleegkundig) personeel » (ibid., p. 32398). Die gegevensbank genereert een willekeurige vaccinatiecode voor de gehele bevolking die a priori kan worden gevaccineerd, en verzamelt de gegevens betreffende die personen om het vaccinatieschema tegen COVID-19 te coördineren en te vermijden dat een nieuwe vaccinatiecode wordt gegenereerd voor een persoon die reeds is gevaccineerd (artikel 2, § 1). De in die gegevensbank geregistreerde gegevens worden vastgesteld bij artikel 3, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021. Zij worden bewaard tot vijf dagen na de dag van publicatie van het koninklijk besluit dat het einde van de toestand van de coronavirus SARS-CoV-2 afkondigt (artikel 6, § 1). Anderzijds heeft een tweede gegevensbank, « Vaccinnet », betrekking op de registratie voor het gehele land, door de persoon die het vaccin tegen COVID-19 heeft toegediend of zijn gevolmachtigde, van de vaccinatiegegevens als dusdanig van de personen die zich hebben laten vaccineren (artikel 2, § 2). De vaccinatiegegevens worden in artikel 3, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 omschreven als de identiteitsgegevens betreffende de persoon aan wie het vaccin wordt toegediend (1°), de identiteits- en eventueel contactgegevens betreffende de persoon die het vaccin heeft toegediend (2°), de gegevens betreffende het vaccin (3°), de datum en de plaats van toediening van elke dosis van het vaccin (4°), de gegevens over het schema voor vaccinatie tegen COVID-19 van de persoon aan wie het vaccin wordt toegediend (5°) en, in voorkomend geval, de gegevens over de ongewenste 19 bijwerkingen vastgesteld tijdens of na de vaccinatie van de betrokken persoon, waarvan de persoon die het vaccin heeft toegediend of diens gevolmachtigde kennis heeft (6°). Die gegevens worden bewaard tot aan het overlijden van de persoon aan wie het vaccin tegen COVID-19 werd toegediend en minimum gedurende 30 jaar na de vaccinatie (artikel 6, § 2). De gegevensbank « Vaccinnet » « beoogt verschillende doelstellingen in verband met de vaccinatie. Het betreft de kwaliteitsvolle zorgverlening, de geneesmiddelenbewaking, de traceerbaarheid van de vaccins, het beheer van de vaccinatieschema’s, de logistieke organisatie van de vaccinatie, de bepaling van de vaccinatiegraad, de organisatie van de contactopvolging, de uitvoering van de opvolging en van het toezicht, de berekening van de verdeling van de vaccinatiekosten, het verrichten van wetenschappelijk of statistisch onderzoek » (ibid., p. 32400). De verwerkingsdoeleinden van de in de twee gegevensbanken geregistreerde gegevens worden vermeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021. De in die twee gegevensbanken opgenomen gegevens « mogen niet aan derden worden overgemaakt behalve wanneer een wet, een decreet of een ordonnantie een derde machtigt om toegang te hebben tot dergelijke gegevens of die te krijgen zodat ze enkel dezelfde doeleinden met betrekking tot de vaccinatie kunnen beogen als die bedoeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord » (ibid., p. 32401), na machtiging door het Informatieveiligheidscomité. Voor de twee gegevensbanken treden de bevoegde deelentiteiten of de door de bevoegde deelentiteiten aangeduide agentschappen en de federale overheid, ieder in het kader van hun bevoegdheid, op als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens (artikel 7, § 1). Voor de personen voor wie de federale overheid bevoegd is, wordt Sciensano geïdentificeerd als de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens (artikel 7, § 1, 7°). Er wordt in een centraal contactpunt per entiteit en in een elektronisch toegangsrecht voorzien (artikel 7, § 2). De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid houdt toezicht op de uitvoering en op de naleving van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 (artikel 9, § 1). B.4.1. De bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 komen in hoofdzaak overeen met die van het koninklijk besluit van 24 december 2020 « betreffende de 20 registratie en de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit van 24 december 2020), waartegen de verzoekende partij ook een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State. In de aanhef van dat koninklijk besluit werd vermeld dat « het van vitaal belang is voor de volksgezondheid en voor het vermijden van een heropflakkering van de COVID-19-pandemie, dat de nodige maatregelen inzake de vaccinaties kunnen worden genomen » (Belgisch Staatsblad van 24 december 2020, tweede editie, p. 94404) , in afwachting van het sluiten van een samenwerkingsakkoord. Dat koninklijk besluit is in werking getreden op 24 december 2020, datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 december 2020 bepaalde : « Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad en houdt op uitwerking te hebben op de dag waarop een Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de registratie en de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 in werking treedt ». B.4.2.1. Het koninklijk besluit van 24 december 2020 werd genomen overeenkomstig artikel 11 van de wet van 22 december 2020 « houdende diverse maatregelen met betrekking tot snelle antigeentesten en de registratie en verwerking van gegevens betreffende vaccinaties in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie » (hierna : de wet van 22 december 2020), dat bepaalde : « De arts of verpleegkundige die een vaccin tegen COVID-19 toedient of onder wiens toezicht de vaccinatie gebeurt, registreert elke vaccinatie in de databank die door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid wordt aangeduid. De Koning bepaalt, bij een besluit overlegd in de Ministerraad, de nadere modaliteiten van deze registratie en omschrijft minstens de doeleinden van de gegevensverwerking, de categorieën van personen waarover gegevens worden verwerkt, de categorieën gegevens die worden verwerkt, de verantwoordelijken voor de gegevensverwerking en de bewaartermijn van de gegevens ». B.4.2.2. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 2020 wordt in dat verband uiteengezet : 21 « Artikel 11 legt de verplichting op om iedere vaccinatie tegen COVID-19 te registreren. Enkel artsen of verpleegkundigen zijn wettelijk bevoegd om vaccinaties toe te dienen. De vaccinatie en de registratie kan wel gebeuren door andere personen onder hun toezicht. De registratie van vaccinaties is noodzakelijk om een onderbouwd crisisbeheer te voeren, de medische opvolging (vigilantie) van de gevaccineerde te garanderen, de immuniteitsopbouw van de bevolking op te volgen en de impact op de ziekteverzekering en het aantal te verwachten hospitalisaties in te schatten. De registratie van een vaccinatie impliceert de opname in een gegevensbank van gegevens over de gevaccineerde persoon, gegevens over de persoon die het vaccin toedient, gegevens over het vaccin, gegevens over de omstandigheden van het toedienen van het vaccin en gegevens over eventuele ongewenste bijwerkingen van het vaccin. De databank zal in heel nauwe samenwerking met de deelstaten worden aangelegd en beheerd. Daartoe zal de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid de databank aanduiden waarbinnen bedoelde gegevens worden opgeslagen. Aan de Koning wordt de bevoegdheid gegeven om nadere regelen en voorwaarden te bepalen, met bijzondere aandacht voor de aspecten die de bescherming van de privacy betreffen. Het spreekt echter voor zich dat de persoonsgegevens die verzameld en verwerkt worden in het kader van deze registratie, worden verwerkt overeenkomstig de regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens, in het bijzonder de Algemene Verordening Gegevensbescherming, de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform. De gefedereerde entiteiten en de federale overheid hebben het voornemen om de registratie en de gegevensverwerking die ze inhoudt nader te regelen in een Samenwerkingsakkoord in de zin van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Gelet op de hoogdringendheid van het opstarten van de vaccinatie en de absolute noodzaak tot registratie van de vaccinaties voor de hogervermelde redenen, wordt inmiddels voorzien in voorliggende regelgeving » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1677/001, pp. 10-11). B.4.2.3. Artikel 11 van de wet van 22 december 2020 werd opgeheven bij artikel 11 van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021. B.4.3. In de aanhef van het koninklijk besluit van 24 december 2020 wordt vermeld dat de vaccinatiegegevensbank werd aangeduid door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van 3 december 2020 (Belgisch Staatsblad van 24 december 2020, p. 94404). In artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 24 december 2020 wordt de « vaccinatiegegevensbank » gedefinieerd als « de gegevensbank aangeduid door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid in uitvoering van artikel 11 van de wet van 22 22 december 2020 houdende diverse maatregelen met betrekking tot snelle antigeentesten en de registratie en verwerking van gegevens betreffende vaccinaties in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie ». De parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 2020 vermeldt over die gegevensbank : « Het wetsvoorstel voorziet in een dringende wettelijke grondslag voor de verplichting tot registratie en de verzameling van gegevens met betrekking tot de vaccinatie. Deze registratie is noodzakelijk om alle aspecten van het crisisbeheer te kunnen opvolgen. Er werd voor geopteerd om alle registraties van de verschillende vaccinaties te registreren op de Vlaamse vaccinatiedatabank VaccinNet » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1677/002, p. 4). B.4.4.1. Een protocolakkoord van 27 januari 2021 « tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 » (hierna : het protocolakkoord van 27 januari 2021) neemt de inhoud van de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 2020 grotendeels over. In de aanhef van dat protocolakkoord wordt vermeld dat dat protocol « tot stand is gekomen met respect voor de bevoegdheidsverdeling die krachtens de bijzondere wet tot hervorming der instellingen aan de verschillende bevoegdheidsniveaus [werd] toegekend dankzij een intense samenwerking in de schoot van de Interministeriële Conferentie die kadert in een lange traditie van samenwerking binnen de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus van ons land » en dat, « in het kader van de vaccinatie COVID-19, een registratie van de vaccinatiegegevens in een gemeenschappelijke databank, door zowel Vlaamse, Brusselse, Waalse als Duitstalige vaccinatoren, absoluut noodzakelijk is voor verschillende doeleinden » (Belgisch Staatsblad van 11 februari 2021, p. 13033). In artikel 1, 3°, van het protocolakkoord van 27 januari 2021 wordt « Vaccinnet » gedefinieerd als « het registratiesysteem bedoeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende diverse bepalingen ter uitvoering van het [Vlaamse] decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot wijziging van uitvoeringsbesluiten van dit decreet ». Overeenkomstig artikel 43 van het voormelde decreet van 21 november 2003 moeten de vaccinatoren meewerken aan het registratiesysteem 23 « Vaccinnet » wanneer de Vlaamse Regering, op grond van haar bevoegdheid inzake preventief gezondheidsbeleid, een vaccinatieschema opstelt dat de voor de bevolking aanbevolen vaccinaties weergeeft. De in het protocolakkoord van 27 januari 2021 bedoelde gegevensbank « Vaccinnet » vormt aldus een uitbreiding, wat de vaccinaties tegen COVID-19 betreft, van de bestaande gegevensbank « Vaccinnet » die op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap is opgericht. De verdeling van de kosten voor de ontwikkeling van « Vaccinnet » werd vastgesteld in artikel 6 van het protocolakkoord van 9 februari 2022 tussen de federale Regering en de in de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet bedoelde overheden « inzake de cofinanciering van het COVID-19[-]vaccinatieprogramma ». B.4.4.2. Artikel 11 van het protocolakkoord van 27 januari 2021 bepaalt : « Onderhavig protocolakkoord is geen samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Partijen streven ernaar om, op basis van de bepalingen van dit protocolakkoord, een samenwerkingsakkoord te bereiken tegen 21 april 2021 ». Artikel 12 van het protocolakkoord van 27 januari 2021 bepaalt : « Dit protocolakkoord heeft uitwerking met ingang van 24 december 2020 en houdt op uitwerking te hebben op de dag waarop een Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 in werking treedt ». B.5. Overeenkomstig artikel 12, eerste lid, ervan heeft het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 uitwerking met ingang van 24 december 2020 voor wat betreft de bepalingen die inhoudelijk overeenstemmen met het koninklijk besluit van 24 december 2020 betreffende de registratie en de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 en met ingang van 11 februari 2021 voor wat betreft de andere bepalingen. Overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 december 2020 en artikel 12 van het protocolakkoord van 27 januari 2021 hebben het koninklijk besluit van 24 december 24 2020 en het protocolakkoord van 27 januari 2021 opgehouden uitwerking te hebben op de dag van de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, zijnde op 22 april 2021. B.6. De zeven bestreden wetgevingen (hierna : de bestreden akten) beperken zich ertoe instemming te verlenen met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021. Ten aanzien van de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep B.7. De Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn van mening dat het beroep tot vernietiging, dat op 7 oktober 2021 is ingesteld, klaarblijkelijk niet ontvankelijk is ratione temporis in zoverre het is gericht tegen het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 6 april 2021. B.8.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm in het Belgisch Staatsblad. B.8.2. De voormelde bepaling maakt met betrekking tot de aanvang van de termijn om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen de bestreden norm geen onderscheid, naargelang daarbij al dan niet instemming wordt verleend met een samenwerkingsakkoord. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, neemt de termijn om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen akten waarbij instemming wordt verleend met een samenwerkingsakkoord, geen aanvang vanaf de inwerkingtreding van dat samenwerkingsakkoord, maar begint die te lopen vanaf de datum van de bekendmaking van de bestreden akten. 25 B.8.3. Het Hof heeft reeds in een reeks voorafgaande arresten te kennen gegeven dat - bij ontstentenis van een nadere precisering in de bijzondere wet van 6 januari 1989 en naar analogie met de regeling van artikel 54 van het Gerechtelijk Wetboek - voor het bepalen van de termijn voor het instellen van een beroep of van een vordering tot schorsing moet worden gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste (zie arrest nr. 125/2012 van 18 oktober 2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.125, B.2; nr. 169/2016 van 22 december 2016, ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.169, B.2). Het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021 werd bekengemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 april 2021. De termijn om een beroep in te stellen tegen die akte heeft dus een aanvang genomen op 7 april 2021 en is verstreken op 6 oktober 2021. Daaruit volgt dat het beroep tot vernietiging dat is ingesteld bij een op 7 oktober 2021 ter post afgegeven verzoekschrift, klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. B.8.4. In zoverre het is gericht tegen het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap van 25 maart 2021, is het beroep tot vernietiging, niet ontvankelijk ratione temporis. Ten aanzien van de omvang van het beroep tot vernietiging B.9.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.9.2. Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangewend. B.10.1. Uit de uiteenzetting van het enige middel blijkt dat de grieven van de verzoekende partij enkel tegen de bestreden akten zijn gericht in zoverre daarbij instemming wordt verleend met een aantal bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 die de registratie 26 en de verwerking van persoonsgegevens in de gegevensbank « Vaccinnet » regelen, die de verzoekende partij in haar middel uitdrukkelijk identificeert : - artikel 2, § 2, dat betrekking heeft op de registratie van de vaccinatiegegevens; - artikel 3, § 2, dat de in « Vaccinnet » verzamelde vaccinatiegegevens bepaalt; - artikel 4, § 2, dat de doeleinden voor de verwerking van de in artikel 3, § 2, bedoelde gegevens vaststelt; - artikel 5, dat het mogelijk maakt om in « Vaccinnet » vermelde gegevens mee te delen aan derden; - artikel 6, § 2, dat de bewaringstermijn van de in artikel 3, § 2, bedoelde gegevens vaststelt; - artikel 12, dat de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 vaststelt. B.10.2. Wanneer de verzoekende partij die bepalingen in haar enige middel bekritiseert, formuleert zij evenwel geen enkele grief tegen het beginsel zelf van de registratie van de vaccinatiegegevens, noch tegen de in « Vaccinnet » verzamelde vaccinatiegegevens. Buiten een algemene kritiek zet zij niet uiteen in welk opzicht de bestreden akten, door instemming te verlenen met de artikelen 2, § 2, en 3, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, de in het middel bedoelde bepalingen zouden schenden. In zoverre in het enige middel die bepalingen worden beoogd, beantwoordt het bijgevolg niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989. B.10.3. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek van het beroep tot vernietiging dat is gericht tegen de bestreden akten in zoverre daarbij instemming wordt verleend met de artikelen 4, § 2, 5 en 6, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 en met artikel 12 van het voormelde samenwerkingsakkoord, in zoverre dat laatste artikel de datum van inwerkingtreding van de voormelde artikelen 4, § 2, 5 en 6, § 2, vaststelt. 27 Het beroep tot vernietiging is bijgevolg niet ontvankelijk doordat het is gericht tegen de bestreden akten in zoverre daarbij instemming wordt verleend met de andere bepalingen van het voormelde samenwerkingsakkoord. B.10.4. Het Hof brengt in herinnering dat het de bestreden akten niet op zinvolle wijze kan toetsen zonder de inhoud van de relevante bepalingen van het voormelde samenwerkingsakkoord in zijn onderzoek te betrekken. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij B.11. De verzoekende partij verantwoordt haar belang om in rechte te treden door het feit dat zij een natuurlijke persoon is die in België verblijft en in aanmerking komt voor vaccinatie tegen COVID-19, zodat de bestreden akten haar rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. Indien zij beslist om zich te laten vaccineren, zullen haar naam en haar verschillende persoonsgegevens immers worden vermeld in « Vaccinnet », met schending van haar recht op eerbiediging van het privéleven, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. Indien zij daarentegen beslist om zich niet te laten vaccineren, zou er een ernstig risico bestaan dat er beperkingen zijn waardoor zij wordt geraakt om reden van haar niet-vaccinatie. B.12. De Ministerraad, de Waalse Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betwisten het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden, aangezien zij menen dat haar vordering veel weg heeft van een actio popularis. B.13. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.14.1. Krachtens het niet-bestreden artikel 2, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 dient iedere natuurlijke persoon die zich op het grondgebied van België bevindt, 28 door middel van een COVID-19-vaccinatiecode een uitnodiging te krijgen om zich te laten vaccineren, overeenkomstig de door de bevoegde overheden vastgestelde vaccinatiestrategie. Die betekenisloze vaccinatiecode wordt gegenereerd door de gegevensbank die overeenkomstig het niet-bestreden artikel 3, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 wordt geregeld. Overeenkomstig artikel 2, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 geeft elke vaccinatie aanleiding tot de registratie, in « Vaccinnet », van de in artikel 3, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 vermelde vaccinatiegegevens. Alle personen die zich tegen COVID-19 laten vaccineren, worden bijgevolg onderworpen aan de automatische registratie van hun vaccinatiegegevens in de gegevensbank « Vaccinnet » en aan de verwerking van die gegevens in overeenstemming met wat in dat samenwerkingsakkoord is vermeld. Als natuurlijke persoon die zich op het grondgebied van België bevindt, werd de verzoekende partij noodzakelijkerwijs uitgenodigd om zich te laten vaccineren en kon zij de uitnodiging om zich te laten vaccineren enkel aanvaarden door ermee in te stemmen dat haar vaccinatiegegevens worden geregistreerd en verwerkt in « Vaccinnet » overeenkomstig de bestreden akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021. De gevolgen van de bestreden akten inzake de verwerking van de vaccinatiegegevens kunnen bijgevolg de keuze van de verzoekende partij met betrekking tot haar vaccinatie tegen COVID-19 rechtstreeks beïnvloeden B.14.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden akten de verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig kunnen raken in haar beslissing om zich te laten vaccineren. B.14.3. Voor het overige beperkt het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 zich tot het regelen van het gemeenschappelijk systeem voor de registratie van de COVID-19-vaccinatiegegevens op het grondgebied van België. Dat samenwerkingsakkoord roept geen vaccinatieplicht in het leven, aangezien de in B.2.2 uiteengezette vaccinatiestrategie is gebaseerd op een vrijwillige en kosteloze vaccinatie. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, voorzien de bestreden akten niet in enig gevolg dat verband zou houden met het gebrek aan vaccinatie. De gevolgen van een vaccinatiecertificaat, maar ook van een test- en herstelcertificaat, voor het verkrijgen van een 29 CST, worden bepaald in de samenwerkingsakkoorden van 14 juli 2021, 27 september 2021 en 28 oktober 2021, die zijn aangehaald in B.2.3.4. Niet alleen toont de verzoekende partij niet aan dat de beperkingen waarop zij zich beroept en die uit het gebrek aan vaccinatie zouden voortvloeien, echt zijn - hetgeen volstaat om vast te stellen dat het aangevoerde nadeel louter hypothetisch is -, maar die eventuele beperkingen vormen evenmin een nadeel dat rechtstreeks zou voortvloeien uit de akten die bij het onderhavige beroep worden bestreden. In zoverre zij zich beroept op de gevolgen in verband met de niet-vaccinatie tegen COVID-19, doet de verzoekende partij niet blijken van het vereiste belang. Ten gronde B.15. Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 5, 6, 9 en 35 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG), en met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. B.16.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.16.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische 30 samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.16.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.16.4. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de eerbiediging van de fysieke integriteit van de persoon (EHRM, grote kamer, 8 april 2021, Vavřička e.a. t. Tsjechië, ECLI:CE:ECHR:2021:0408JUD004762113, § 261) en de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie met betrekking tot de gezondheid (EHRM, 25 februari 1997, Z. t. Finland, ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993, § 95; 10 oktober 2006, L.L. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2006:1010JUD000750802, § 32; 27 februari 2018, Mockuté t. Litouwen, ECLI:CE:ECHR:2018:0227JUD006649009, § 93). Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens, informatie over bezittingen en medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:1217JUD000533506, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD001137903, §§ 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2011:1018JUD001618807, §§ 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2012:1009JUD004281106, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, 31 ECLI:CE:ECHR:2013:0418JUD001952209, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2014:0918JUD002101010, § 31; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613, § 51). De bescherming van persoonsgegevens met betrekking tot de gezondheid is niet alleen van fundamenteel belang voor de eerbiediging van het privéleven van de persoon, maar ook voor zijn of haar vertrouwen in de gezondheidszorg (EHRM, 25 februari 1997, Z. t. Finland, ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993, § 95). Zonder die bescherming zouden personen ervan kunnen worden afgehouden om gevoelige en persoonlijke informatie te delen met zorgverstrekkers of met diensten van de gezondheidszorg waardoor ze niet alleen hun eigen gezondheid, maar, in geval van besmettelijke ziekten, ook de samenleving in gevaar kunnen brengen (ibid., § 95). B.16.5. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven garanderen, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1994:1027JUD001853591, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2013:1112JUD000578608, § 78). Wanneer zij de afweging maken tussen het belang van de Staat bij de verwerking van persoonsgegevens en het individueel belang bij de bescherming van de vertrouwelijkheid van die gegevens, beschikken de nationale autoriteiten over een zekere beoordelingsmarge (ibid., § 99). Gezien het fundamentele belang van de bescherming van persoonsgegevens is die marge evenwel vrij beperkt (EHRM, 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD004278806, § 73). Opdat een norm verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat een billijk evenwicht wordt bereikt tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Bij de beoordeling van dat evenwicht dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa 32 van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (hierna : het Verdrag nr. 108) (EHRM, 25 februari 1997, Z t. Finland, ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993, § 95; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204 § 103; 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD004278806, § 74). Het Verdrag nr. 108 bevat onder meer de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens : rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding, evenredigheid, juistheid, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid, en verantwoordingsplicht. Datzelfde Verdrag is geactualiseerd bij een protocol tot amendering dat op 10 oktober 2018 voor ondertekening is opengesteld. Uit het Verdrag nr. 108 vloeit voort dat het nationale recht in het bijzonder moet garanderen dat persoonsgegevens relevant en niet excessief zijn in het licht van de doeleinden waarvoor ze worden verzameld of bijgehouden, dat de gegevens worden bewaard in een vorm die de identificatie van de betrokkenen niet langer dan vereist mogelijk maakt, en dat de bijgehouden data op efficiënte wijze worden beschermd tegen verkeerdelijk gebruik en misbruik. Het heeft ook erop gewezen dat het van essentieel belang is dat het nationale recht duidelijke en gedetailleerde regels bevat inzake de reikwijdte en toepassing van de betrokken maatregelen, en ook minimumwaarborgen bevat inzake, onder andere, de duurtijd, de bewaring, het gebruik, de toegang van derden, procedures voor het behoud van de integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en procedures voor de vernietiging ervan, zodat in elke fase van de gegevensverwerking er voldoende waarborgen zijn tegen het risico van misbruik en willekeur (EHRM, 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD004278806, § 74). B.16.6. Binnen de werkingssfeer van het Europees Unierecht waarborgen artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7 van het Handvest analoge grondrechten (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR e.a., ECLI:EU:C:2010:662), terwijl artikel 8 van dat Handvest een specifieke rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt. 33 B.16.7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat de eerbiediging van het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens gelijk welke informatie betreft aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR e.a., ECLI:EU:C:2010:662, punt 52; 16 januari 2019, C-496/17, Deutsche Post AG, ECLI:EU:C:2019:26, punt 54). B.16.8. De in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten hebben evenmin een absolute gelding (HvJ, grote kamer, 16 juli 2020, C-311/18, Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2020:559, punt 172). Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden, waaronder met name het door artikel 7 gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het in artikel 8 ervan neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 64). In diezelfde zin moeten overeenkomstig artikel 23 van de AVG beperkingen van bepaalde daarin opgenomen verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijken en de rechten van de betrokkenen worden ingesteld bij wet, de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laten, in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel, en de in het tweede lid geformuleerde specifieke vereisten naleven (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., ECLI:EU:C:2020:791, punten 209-210; 10 december 2020, C-620/19, Land Nordrhein-Westfalen, ECLI:EU:C:2020:1011, punt 46). B.16.9. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. 34 Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wet, het decreet of de ordonnantie zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit : (1°) de categorie van verwerkte gegevens; (2°) de categorie van betrokken personen; (3°) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; (4°) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens en (5°) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens (advies van de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 68.936/AV van 7 april 2021 over een voorontwerp van wet « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-1951/001, p. 119). B.16.10. Naast het formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven toestaat. Inzake de bescherming van de persoonsgegevens impliceert dat vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2000:0504JUD002834195, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, § 99). Het vereiste dat de beperking bij wet dient te worden ingesteld, houdt met name in dat de rechtsgrond die de inmenging in die rechten toestaat, zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen (HvJ, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 65). 35 Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde gegevensverwerking betrokken personen en de voorwaarden voor en de doeleinden van de verwerking. B.16.11. Artikel 5 van de AVG, met als opschrift « Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens », bepaalt : « 1. Persoonsgegevens moeten :
  17. a)worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‘ rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie ’);
  18. b)voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (‘ doelbinding ’);
  19. c)toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‘ minimale gegevensverwerking ’);
  20. d)juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren (‘ juistheid ’);
  21. e)worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen (‘ opslagbeperking ’);
  22. f)door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging (‘ integriteit en vertrouwelijkheid ’). 2. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen (‘ verantwoordingsplicht ’) ». Artikel 6 van de AVG, met als opschrift « Rechtmatigheid van de verwerking », bepaalt : 36 « 1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan :
  23. a)de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
  24. b)de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
  25. c)de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
  26. d)de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;
  27. e)de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
  28. f)de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken. 2. De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten
  29. c)en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. 3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten
  30. c)en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij :
  31. a)Unierecht; of
  32. b)lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de 37 verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel. 4. Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met :
  33. a)ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;
  34. b)het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
  35. c)de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
  36. d)de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
  37. e)het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering ». Artikel 9 van de AVG, met als opschrift « Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens », bepaalt : « 1. Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden. 2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan : 38
  38. a)de betrokkene heeft uitdrukkelijke toestemming gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden, behalve indien in Unierecht of lidstatelijk recht is bepaald dat het in lid 1 genoemde verbod niet door de betrokkene kan worden opgeheven; […]
  39. h)de verwerking is noodzakelijk voor doeleinden van preventieve of arbeidsgeneeskunde, voor de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van de werknemer, medische diagnosen, het verstrekken van gezondheidszorg of sociale diensten of behandelingen dan wel het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten of sociale stelsels en diensten, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, of uit hoofde van een overeenkomst met een gezondheidswerker en behoudens de in lid 3 genoemde voorwaarden en waarborgen;
  40. i)de verwerking is noodzakelijk om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid, zoals bescherming tegen ernstige grensoverschrijdende gevaren voor de gezondheid of het waarborgen van hoge normen inzake kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg en van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht waarin passende en specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene, met name van het beroepsgeheim; […] 3. De in lid 1 bedoelde persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor de in lid 2, punt h), genoemde doeleinden wanneer die gegevens worden verwerkt door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels aan het beroepsgeheim is gebonden, of door een andere persoon die eveneens krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels tot geheimhouding is gehouden. 4. De lidstaten kunnen bijkomende voorwaarden, waaronder beperkingen, met betrekking tot de verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens of gegevens over gezondheid handhaven of invoeren ». Artikel 35 van de AVG, met als opschrift « Gegevensbeschermingseffectbeoordeling », bepaalt : « 1. Wanneer een soort verwerking, in het bijzonder een verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt, gelet op de aard, de omvang, de context en de doeleinden daarvan waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen voert de verwerkingsverantwoordelijke vóór de verwerking een beoordeling uit van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op de bescherming van persoonsgegevens. Eén beoordeling kan een reeks vergelijkbare verwerkingen bestrijken die vergelijkbare hoge risico’s inhouden. 39 2. Wanneer een functionaris voor gegevensbescherming is aangewezen, wint de verwerkingsverantwoordelijke bij het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling diens advies in. 3. Een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in lid 1 is met name vereist in de volgende gevallen :
  41. a)een systematische en uitgebreide beoordeling van persoonlijke aspecten van natuurlijke personen, die is gebaseerd op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, en waarop besluiten worden gebaseerd waaraan voor de natuurlijke persoon rechtsgevolgen zijn verbonden of die de natuurlijke persoon op vergelijkbare wijze wezenlijk treffen;
  42. b)grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, lid 1, of van gegevens met betrekking tot strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10; of
  43. c)stelselmatige en grootschalige monitoring van openbaar toegankelijke ruimten. 4. De toezichthoudende autoriteit stelt een lijst op van het soort verwerkingen waarvoor een gegevensbeschermingseffectbeoordeling overeenkomstig lid 1 verplicht is, en maakt deze openbaar. De toezichthoudende autoriteit deelt die lijsten mee aan het in artikel 68 bedoelde Comité. 5. De toezichthoudende autoriteit kan ook een lijst opstellen en openbaar maken van het soort verwerking waarvoor geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling is vereist. De toezichthoudende autoriteit deelt deze lijst mee aan het Comité. 6. Wanneer de in de leden 4 en 5 bedoelde lijsten betrekking hebben op verwerkingen met betrekking tot het aanbieden van goederen of diensten aan betrokkenen of op het observeren van hun gedrag in verschillende lidstaten, of op verwerkingen die het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie wezenlijk kunnen beïnvloeden, past de bevoegde toezichthoudende autoriteit voorafgaand aan de vaststelling van die lijsten het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme toe. 7. De beoordeling bevat ten minste :
  44. a)een systematische beschrijving van de beoogde verwerkingen en de verwerkingsdoeleinden, waaronder, in voorkomend geval, de gerechtvaardigde belangen die door de verwerkingsverantwoordelijke worden behartigd;
  45. b)een beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de verwerkingen met betrekking tot de doeleinden;
  46. c)een beoordeling van de in lid 1 bedoelde risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen; en
  47. d)de beoogde maatregelen om de risico’s aan te pakken, waaronder waarborgen, veiligheidsmaatregelen en mechanismen om de bescherming van persoonsgegevens te garanderen en om aan te tonen dat aan deze verordening is voldaan, met inachtneming van de rechten en gerechtvaardigde belangen van de betrokkenen en andere personen in kwestie. 40 8. Bij het beoordelen van het effect van de door een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker verrichte verwerkingen, en met name ter wille van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, wordt de naleving van de in artikel 40 bedoelde goedgekeurde gedragscodes naar behoren in aanmerking genomen. 9. De verwerkingsverantwoordelijke vraagt in voorkomend geval de betrokkenen of hun vertegenwoordigers naar hun mening over de voorgenomen verwerking, met inachtneming van de bescherming van commerciële of algemene belangen of de beveiliging van verwerkingen. 10. Wanneer verwerking uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder
  48. c)of e), haar rechtsgrond heeft in het Unierecht of in het recht van de lidstaat dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, de specifieke verwerking of geheel van verwerkingen in kwestie daarbij wordt geregeld, en er reeds als onderdeel van een algemene effectbeoordeling in het kader van de vaststelling van deze rechtsgrond een gegevensbeschermingseffectbeoordeling is uitgevoerd, zijn de leden 1 tot en met 7 niet van toepassing, tenzij de lidstaten het noodzakelijk achten om voorafgaand aan de verwerkingen een dergelijke beoordeling uit te voeren. 11. Indien nodig verricht de verwerkingsverantwoordelijke een toetsing om te beoordelen of de verwerking overeenkomstig de gegevensbeschermingseffectbeoordeling wordt uitgevoerd, zulks ten minste wanneer sprake is van een verandering van het risico dat de verwerkingen inhouden ». B.16.12. De niet-retroactiviteit van de wetten is een waarborg die tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling in redelijke mate kan voorzien op het ogenblik dat die handeling wordt gesteld. De terugwerkende kracht is enkel verantwoord indien die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien blijkt dat de terugwerkende kracht bovendien tot doel of tot gevolg heeft dat de afloop van gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat de rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden van de wetgever verantwoorden, dat, ten nadele van een categorie van burgers, afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen. B.17. De grieven van de verzoekende partij hebben betrekking op de volgende aspecten : 41 I. de doeleinden van de verwerking van de vaccinatiegegevens, bedoeld in artikel 4, § 2 (eerste onderdeel) (B.18-B.24); II. de aan het Informatieveiligheidscomité verleende machtiging om de mededeling van persoonsgegevens aan derden toe te staan, bedoeld in artikel 5 (eerste onderdeel) (B.25-B.32); III. de bewaringstermijn van de in « Vaccinnet » geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel 6 (tweede onderdeel) (B.33-B.38); IV. de ontstentenis van een voorafgaande effectbeoordeling, vereist bij artikel 35 van de AVG (tweede onderdeel) (B.39-B.45); V. de terugwerkende kracht van de gevolgen van het samenwerkingsakkoord tot 24 december 2020, bedoeld in artikel 12 (derde onderdeel) (B.46-B.50). I. Wat betreft de doeleinden van de verwerking van de vaccinatiegegevens, bedoeld in artikel 4, § 2 (eerste onderdeel) B.18. In het eerste onderdeel van het middel is de verzoekende partij van mening dat de elf doeleinden die zijn omschreven in artikel 4, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021, niet voldoende « welbepaald en uitdrukkelijk omschreven » zijn, zodat ten aanzien van essentiële elementen van de verwerking van gevoelige persoonsgegevens de beginselen van wettigheid en van voorzienbaarheid niet in acht worden genomen. Zij bekritiseert meer bepaald het ruime karakter van het in het 1° bedoelde doeleinde en de noodzaak van het in het 11° bedoelde doeleinde. B.19. Artikel 4, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 12 maart 2021 bepaalt : « De verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 3, § 2, beoogt de volgende verwerkingsdoeleinden : 1° het verstrekken van gezondheidszorg en behandelingen, zoals bedoeld in artikel 9, 2, h van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, wat uitsluitend beoogd wordt door de vaccinatie en de ondersteunings-, de informatie- en de sensibiliseringsmaatregelen ten aanzien van de burgers voor wat de vaccinatie betreft; 42 2° de geneesmiddelenbewaking van de vaccins tegen COVID-19, overeenkomstig artikel 12sexies van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en de gedetailleerde richtsnoeren bekendgemaakt door de Europese Commissie in de ‘ Module VI - Verzameling, beheer en indiening van meldingen van vermoedelijke bijwerkingen van geneesmiddelen (GVP) ’, zoals ze voorkomen in de laatst beschikbare versie, en zoals bedoeld in artikel 4, paragraaf 1, 3e lid, 3°, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten; 3° de traceerbaarheid van de vaccins tegen COVID-19 teneinde de opvolging van ‘ rapid alerts van vigilantie ’ en ‘ rapid alerts van kwaliteit ’ te verzekeren zoals bedoeld in artikel 4, paragraaf 1, 3e lid, 3°, e, en 4°, j, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten; 4° het beheren van schema’s voor vaccinatie tegen COVID-19 per te vaccineren of gevaccineerde persoon en het inplannen van vaccinatiemomenten, onder meer door de vaccinatiecentra; 5° de logistieke organisatie van de vaccinatie tegen COVID-19, na anonimisering van de gegevens of ten minste pseudonimisering van de gegevens voor het geval dat de anonimisering de logistieke organisatie niet mogelijk zou maken; 6° het bepalen van de anonieme vaccinatiegraad tegen COVID-19 van de bevolking; 7° h

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.