← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.085

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.085 Arrest- Rolnummer: 85/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 755 - laatst gezien 2026-06-14 19:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021, in zoverre het de artikelen 6.2.3-1, tweede lid, 2°, b), 6.2.5-4, 6.2.5-5 en 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, invoegt in boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs) - Handhaving van de gevolgen van die bepalingen tot het einde van het schooljaar 2025-2026 - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van hoofdstuk I van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende oprichting van territoriale polen belast met de ondersteuning aan scholen voor gewoon onderwijs in de uitvoering van redelijke aanpassingen en volledige permanente integratie », in zoverre het de artikelen 6.2.2-5, 6.2.3-1, 6.2.5-4, 6.2.5-5 en 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, invoegt in Boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » en door de vzw « Inclusion ». Onderwijs - Leerlingen met specifieke behoeften - Leerlingen met een verstandelijke handicap - Inclusie in het gewoon onderwijs - Oprichting van territoriale polen - Financiering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 85/2023 van 1 juni 2023 Rolnummers : 7720 en 7747 In zake : de beroepen tot vernietiging van hoofdstuk I van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende oprichting van territoriale polen belast met de ondersteuning aan scholen voor gewoon onderwijs in de uitvoering van redelijke aanpassingen en volledige permanente integratie », in zoverre het de artikelen 6.2.2-5, 6.2.3-1, 6.2.5-4, 6.2.5-5 en 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, invoegt in boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » en door de vzw « Inclusion ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 januari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 januari 2022, heeft de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van hoofdstuk I van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende oprichting van territoriale polen belast met de ondersteuning aan scholen voor gewoon onderwijs in de uitvoering van redelijke aanpassingen en volledige permanente integratie », in zoverre het een artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, invoegt in boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 augustus 2021, derde editie). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 februari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 februari 2022, heeft de vzw « Inclusion », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. van der Plancke, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van hoofdstuk I van hetzelfde decreet, in zoverre het de 2 artikelen 6.2.2-5, 6.2.3-1, 6.2.5-4 en 6.2.5-5 invoegt in boek 6 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7720 en 7747 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - « Wallonie Bruxelles Enseignement » (WBE), openbare instelling die belast is met de functie van inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaak nr. 7720); - het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (UNIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Caccamisi, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaak nr. 7747); - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Feyt, advocaat bij de balie te Brussel (in beide zaken). De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 1 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 maart 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 15 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 7720 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.

  1. De vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » is van mening dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, ingevoegd bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende oprichting van territoriale polen belast met de ondersteuning aan scholen voor gewoon onderwijs in de uitvoering van redelijke aanpassingen en 3 volledige permanente integratie » (hierna : het decreet van 17 juni 2021), in zoverre die bepaling tot doel heeft extra middelen toe te kennen aan het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, in het nadeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met name dat waarvan die vzw de inrichtende machten coördineert. Volgens de verzoekende partij is het, opdat haar belang zou zijn aangetoond, niet vereist dat een eventuele vernietiging haar toelaat hetzelfde voordeel te verkrijgen, maar enkel dat zij opnieuw een kans zou krijgen dat haar situatie in een gunstigere zin wordt geregeld, zoals het Hof meer bepaald heeft verklaard in het arrest nr. 78/2014 van 8 mei 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.078). A.1.
  2. De verzoekende partij stelt overigens vast dat, bij zijn arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.114), het Hof oordeelde dat die partij deed blijken van een belang om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen een bepaling van een bijzonder decreet, omdat zij had deelgenomen aan de totstandkoming ervan, wat te dezen eveneens het geval is. De verzoekende partij bevestigt immers dat zij werd geraadpleegd in het kader van de voorbereiding van het voorontwerp dat ten grondslag ligt aan het decreet van 17 juni
  3. A.
  4. De openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement », die belast is met de functie van inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, voert aan dat zij belang heeft om tussen te komen in het kader van de zaak nr. 7720, krachtens artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de wet van 6 januari 1989) want haar situatie kan rechtstreeks worden geraakt door het arrest dat door het Hof zal worden gewezen. Artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs regelt immers de berekeningswijze voor de middelen op basis waarvan de tussenkomende partij de territoriale polen organiseert die behoren tot het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs, zodat haar belang om tussen te komen duidelijk is. Ten gronde A.3.
  5. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, in zoverre artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs afbreuk doet aan het beginsel van gelijkheid in het onderwijs. A.3.
  6. De verzoekende partij preciseert dat het decreet van 17 juni 2021 territoriale polen opricht die belast zijn met de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs bij de uitvoering van redelijke aanpassingen en volledige permanente integratie van kinderen met specifieke behoeften. Binnen een territoriale pool moet onderscheid worden gemaakt tussen de hoofdschool, zijnde een school voor gespecialiseerd onderwijs waarvan de inrichtende macht een territoriale pool organiseert, de samenwerkende school, zijnde een school voor gewoon onderwijs die samenwerkt met de inrichtende macht van de territoriale pool, en de partnerschool, zijnde een school voor gespecialiseerd onderwijs die samenwerkt met de inrichtende macht van de territoriale pool. A.3.
  7. Volgens de verzoekende partij bepaalt artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs dat, wat de territoriale polen van een door de Franse Gemeenschap georganiseerde hoofdschool betreft, het aan werkingsdotaties toegewezen bedrag wordt verhoogd met toepassing van de formule waarin die bepaling voorziet, waardoor het bedrag van de dotatie feitelijk met 33 % wordt verhoogd ten opzichte van de dotaties en werkingssubsidies van de andere hoofdscholen, waaronder die welke behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs. Dat verschil in behandeling werd benadrukt door de afdeling wetgeving van de Raad van State, die zich afvroeg of het bestaanbaar was met artikel 24, § 4, van de Grondwet, in haar advies over het voorontwerp dat ten grondslag ligt aan het decreet van 17 juni
  8. De verzoekende partij merkt op dat in de parlementaire voorbereiding van dat decreet op die vraag wordt geantwoord door in eerste instantie te wijzen op de specifieke kenmerken van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, wat volgens die partij niet volstaat om het voormelde verschil in behandeling te rechtvaardigen. Vervolgens wordt in de parlementaire voorbereiding gepreciseerd dat de onderwijswetgeving het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs de verplichting oplegt om de uitgesloten leerlingen van de gesubsidieerde scholen op te vangen, hetgeen het voormelde verschil in behandeling evenmin verantwoordt aangezien die bewering geen verband houdt met de financiering van de territoriale polen, het aantal leerlingen dat naar school gaat in het gespecialiseerd onderwijs hoger is in het vrije net dan in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en die twee netten, inzake inschrijvingen, aan dezelfde regels onderworpen zijn. 4 Overigens is het aantal leerlingen dat naar het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs wordt doorverwezen, verwaarloosbaar. Over het algemeen kent het decreet van 17 juni 2021 de territoriale polen die onder een hoofdschool van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs ressorteren, geen enkele opdracht van openbare dienst toe die een grotere financiële tegemoetkoming verantwoordt. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 wordt het voormelde verschil in behandeling verder nog verantwoord door de verplichting, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, om partnerschaps- of samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met de inrichtende machten die niet zulke overeenkomsten hebben kunnen sluiten met de partners van het gesubsidieerd vrij onderwijs, hetgeen volgens de verzoekende partij evenmin dat verschil in behandeling verklaart, zoals overigens duidelijk werd gemaakt in de commissie. Ten slotte wordt in de parlementaire voorbereiding het principe aangevoerd dat is vervat in de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de wet van 29 mei 1959) en volgens hetwelk het forfaitaire bedrag van de subsidies van de instellingen van het gesubsidieerd onderwijs wordt vastgesteld op 75 % van het geschatte bedrag van de werkingskosten van de instellingen van het Rijksonderwijs. De verzoekende partij, die overigens van mening is dat dit principe thans niet meer verantwoord is, ziet niet in welk opzicht die regel een met 33 % verhoogde financiering van de territoriale polen toestaat. Zij voegt eraan toe dat, over het algemeen, het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs een buitensporige financiering geniet ten opzichte van het onderwijs van het vrije net. Bijgevolg berust, volgens de verzoekende partij, het verschil in behandeling dat wordt gecreëerd door artikel 6.2.5-6 , § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, op geen enkele pertinente verantwoording. A.3.
  9. Wat de evenredigheid betreft, voert de verzoekende partij aan dat de parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 geen enkel element bevat dat het evenredige karakter van artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs aantoont, terwijl de inkomstenderving van de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs een niet te verwaarlozen weerslag kan hebben op de werking en de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding. Bovendien zijn de dotaties en de werkingssubsidies bestemd om de werkings- en uitrustingskosten van de territoriale polen te dekken alsook de verplaatsingskosten van de personeelsleden van de polen naar de samenwerkende scholen verplaatsen. De verzoekende partij ziet niet in hoe die kosten verschillen naar gelang van het onderwijsnet, des te meer omdat de kilometervergoedingen zonder onderscheid worden vastgesteld door de FOD Financiën. Daaruit vloeit voort dat dankzij de bij artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs verhoogde werkingsdotatie het personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde polen zich vaker kan verplaatsen naar de scholen die met hen samenwerken, waardoor de kinderen meer van nabij kunnen worden begeleid en, bijgevolg, een ongelijke behandeling van leerlingen ontstaat naar gelang van het net. De aanvullende financiering zal overigens ook een impact hebben op het puntensysteem dat als basis dient voor de financiering, door de Franse Gemeenschap, van de inrichtende macht van de hoofdschool. Een territoriale pool die is georganiseerd door een hoofdschool van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs zal immers het percentage van de puntenenveloppe dat wordt besteed aan de aanwerving van personeel maximaal kunnen benutten, zodat die pool een ruimere omkadering kan genieten en de leerlingen beter kan begeleiden, wat opnieuw een ongelijkheid tussen leerlingen doet ontstaan. Ten slotte creëert artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs een onevenwichtige concurrentie tussen polen in zoverre onderwijsinstellingen geneigd kunnen zijn overeenkomsten aan te gaan met de door de Franse Gemeenschap georganiseerde polen, die beter gefinancierd zijn, wat een betere leerlingenzorg mogelijk maakt, aangezien het decreet van 17 juni 2021 een instelling van een bepaald net de mogelijkheid biedt om zulke overeenkomsten te sluiten met polen die tot een ander net behoren. A.4.
  10. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat artikel 24, § 4, van de Grondwet weliswaar het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie op het gebied van onderwijs inhoudt, maar het verplicht de wetgever om rekening te houden met de objectieve verschillen, inzonderheid de eigen kenmerken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden, zoals het Hof heeft benadrukt bij zijn arrest nr. 126/2020 van 1 oktober 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.126). Te dezen verantwoorden de kenmerken van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs de gedifferentieerde financiering waarin artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voorziet. In tegenstelling tot de andere inrichtende machten die een territoriale pool organiseren, kan de Franse Gemeenschap immers niet weigeren een 5 overeenkomst te sluiten met een andere inrichtende macht. De Franse Gemeenschap is overigens verplicht om alle leerlingen, inzonderheid die welke problemen hebben ondervonden in scholen die onder andere inrichtende machten vallen, in te schrijven. Bovendien kunnen, wegens de omvang en de structuur van de inrichtende macht van de Franse Gemeenschap, die de enige inrichtende macht is, de hoofdscholen die ervan afhangen, in tegenstelling tot de hoofdscholen die van andere inrichtende machten afhangen, niet de nabijheid met de inrichtende macht genieten wat betreft de tenlasteneming van een aantal diensten of uitgaven met het oog op een vermindering van hun werkingsuitgaven. Ten slotte moet de Franse Gemeenschap, in tegenstelling tot de andere inrichtende machten, alle aan de organisatie van haar onderwijs verbonden uitgaven dekken. A.4.
  11. Volgens de Franse Gemeenschapsregering houdt de verzoekende partij geen rekening met het feit dat de Franse Gemeenschap niet verplicht is om de volledige werkingskosten van de territoriale polen te financieren, terwijl dat element essentieel is. Artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs heeft tot doel de inrichtende macht van de Franse Gemeenschap in staat te stellen om territoriale polen te organiseren vanuit de gespecialiseerde scholen die onder haar bevoegdheid vallen, rekening houdend met het feit dat zij, in tegenstelling tot de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, niet beschikt over eigen middelen ter aanvulling van de financiering van de territoriale polen, en rekening houdend met de eigen kenmerken van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. A.5.
  12. De tussenkomende partij voert eveneens aan dat artikel 24, § 4, van de Grondwet de decreetgever de mogelijkheid biedt om rekening te houden met de objectieve verschillen tussen de verschillende onderwijsnetten. Bij zijn voormelde arrest nr. 126/2020 oordeelde het Hof dat die verschillen meer bepaald betrekking hebben op de noden inzake financiering, zodat een verschil in financiering tussen de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de andere inrichtende machten denkbaar is. Te dezen houdt artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs objectief rekening met de noden van de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs om alle werkingskosten te dekken die verbonden zijn aan de territoriale polen die onder haar bevoegdheid vallen. Meer in het bijzonder verantwoorden, volgens de tussenkomende partij, meerdere objectieve verschillen in de zin van artikel 24, § 4, van de Grondwet het verschil in behandeling dat wordt gecreëerd door artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, met name de verplichting voor de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs om een partnerschaps- of samenwerkingsovereenkomst te sluiten met een samenwerkende school die in de onmogelijkheid zou zijn zulk een partnerschap te sluiten met een hoofdschool die tot een gesubsidieerd net behoort, zodat de verhoging, met 33 %, van de werkingsdotaties verantwoord is. A.5.
  13. De tussenkomende partij preciseert dat de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs in bepaalde zones als enige territoriale polen organiseert. Zij organiseert in totaal tien territoriale polen, met meer dan 460 samenwerkende scholen. De oprichting en de financiering van die polen, die omvangrijk kunnen zijn en een groot aantal leerlingen kunnen tellen, brengen voor de voormelde inrichtende macht extra werkingskosten teweeg, onder meer wegens de bundeling van bepaalde taken die betrekking hebben op de opdrachten van de inrichtende macht van de hoofdscholen inzake beheer en werking van de polen, zoals wordt verduidelijkt in het voormelde arrest van het Hof nr. 126/
  14. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 wordt overigens gepreciseerd dat de omvang en de structuur van die inrichtende macht een hogere financiering verantwoorden. Volgens de tussenkomende partij ligt de berekening van de subsidies en werkingsdotaties in het kader van de territoriale polen in het verlengde van de financiering waarin de wet van 29 mei 1959 voorziet. De verhoging bedoeld in artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs heeft immers tot doel een tenlasteneming van 100 % van de kosten van de territoriale polen mogelijk te maken. Het percentageverschil van 33 % tussen de werkingsdotaties van de territoriale polen die onder de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs vallen en die van de polen die onder het gesubsidieerd onderwijs vallen is in overeenstemming met de financiering waarin de wet van 29 mei 1959 voorziet, aangezien de financiering van het gesubsidieerd onderwijs wordt vastgesteld op 75 % van die van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Zij zet uiteen dat 133 %, voor de Gemeenschap, van een bepaald bedrag voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, overeenstemt met de toewijzing, aan het vrij onderwijs, van 75 % van dat bedrag wat betreft het onderwijs van de Gemeenschap. Het recht op subsidiering waarop de verzoekende partij zich beroept, stelt haar daarentegen niet in staat om een financiering te verkrijgen van 100 % van de werkingskosten van de instellingen die zij vertegenwoordigt, zoals bepaald in artikel 25 van de wet van 29 mei
  15. Er wordt evenwel in een tegemoetkoming van de Gemeenschap voorzien wat die instellingen betreft, mits bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. 6 Ten slotte preciseert de tussenkomende partij dat de verhoging met 33 % waarin artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voorziet, enkel de werkingsdotaties betreft en dat zij betrekking heeft op slechts 20 % van de financiering die door de Franse Gemeenschap aan de territoriale polen wordt toegekend in de vorm van een enveloppe, zodat die verhoging beperkt en dus evenredig is. A.6.
  16. In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij aan dat de aan de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs opgelegde verplichting om bepaalde overeenkomsten te sluiten, niet pertinent is omdat er geen verplichting bestaat, voor een gespecialiseerde school, om partner te zijn van een territoriale pool. De scholen voor gewoon onderwijs zijn daarentegen wel verplicht om een school te zijn die samenwerkt met zulk een pool en, in de praktijk, worden samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen verschillende netten, zonder verzuiling. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de samenstelling van de polen bij de start van het schooljaar 2022-2023 feitelijk tot geen enkele weigering tot samenwerking heeft geleid, zodat de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs de voormelde verplichting niet heeft moeten vervullen. Aangezien de overeenkomsten voor een periode van zes jaar worden gesloten, zullen er in de nabije toekomst geen bijkomende polen worden opgericht. A.6.
  17. De verzoekende partij voert daarnaast aan dat de bewering volgens welke de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs onderworpen is aan een inschrijvingsverplichting niet pertinent is. De oprichting van de polen heeft immers geen enkel gevolg voor de inschrijving van leerlingen, omdat er voor de leerlingen geen enkele inschrijvingsformaliteit is ten aanzien van de territoriale polen. Wat de onderwijsinstellingen betreft, legt het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs aan alle scholen dezelfde inschrijvingsregels op, los van het net. Aangezien de territoriale polen van de verschillende netten samenwerkende scholen van alle netten tellen, toont overigens niets aan dat de polen die onder de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs vallen, moeilijkere situaties zullen moeten regelen. Ten slotte verstrekken de instellingen van het vrije net onderwijs aan 50 % van de schoolgaande kinderen, terwijl dat percentage slechts 14,4 % bedraagt voor de instellingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. In het gespecialiseerd onderwijs gaat 48,5% van de leerlingen naar school in het vrije net, terwijl slechts 26,4 % van de leerlingen is ingeschreven in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Daaruit volgt dat de inschrijvingsverplichting voor de Franse Gemeenschap slechts een zeer beperkt aantal leerlingen betreft. A.6.
  18. Wat de omvang en de structuur van de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs betreft, preciseert de verzoekende partij dat een territoriale pool geen autonome en aparte structuur is, maar een afdeling die afhangt van een gespecialiseerde school. In dat perspectief oefent de coördinator van de pool zijn functie uit onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de hoofdschool en van de inrichtende macht van die school. Bijgevolg krijgt een hoofdschool die behoort tot het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, waarop de pool eventueel zijn werking steunt, reeds extra middelen in de vorm van dotaties. De noden aan overfinanciering van de polen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs zijn dus niet aangetoond. De verzoekende partij voert overigens aan dat de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs daadwerkelijk over gedecentraliseerde diensten beschikt. Die verschillende elementen, bovenop het feit dat de Franse Gemeenschap reeds buitensporige financiële middelen voorbehoudt aan de voormelde inrichtende macht, dat die schenkingen en legaten mag ontvangen en dat zij een gedeelte van haar dotatie mag overdragen aan haar eigen instellingen, hebben tot gevolg dat de verhoogde financiering waarin artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voorziet, niet redelijk verantwoord en onevenredig is. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de gemiddelde omvang, wat het leerlingenaantal betreft, van de polen georganiseerd door het confessioneel vrij onderwijs – waarvan er overigens vierentwintig zijn – groter is dan die van de polen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Bovendien mag één enkele inrichtende macht voor de Franse Gemeenschap geen extra kosten veroorzaken in tegenstelling tot het vrij onderwijs, dat wordt gekenmerkt door een veelheid aan inrichtende machten. De verzoekende partij preciseert verder nog dat, in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij aanvoert, de door het vrij onderwijs georganiseerde polen aanwezig zijn in alle zones van het grondgebied van de Franse Gemeenschap, in tegenstelling tot die welke behoren tot het door die Gemeenschap georganiseerde onderwijs. A.6.
  19. De verzoekende partij stelt dat de in de wet van 29 mei 1959 vervatte verdeelsleutel inzake financiering, vanaf de invoering ervan, compleet buitensporig was en dat hij thans volkomen achterhaald lijkt, des te meer omdat de gesubsidieerde vrije scholen thans geen toevloed van middelen meer genieten vanwege hun inrichtende macht, zodat zij geen eigen middelen meer hebben ter aanvulling van de financiering door de Gemeenschap. Volgens haar zijn de verschillen tussen de netten voortaan beperkt en gelden voor alle instellingen dezelfde verplichtingen. Bijgevolg moet de vereiste van gelijkheid tussen de onderwijsnetten worden toegepast, 7 zodat een correcte toepassing van de vrijheid van onderwijs en van het principe van de keuzevrijheid van ouders mogelijk is. De verzoekende partij merkt daarnaast op dat noch de decreetgever, noch de Franse Gemeenschapsregering, noch de tussenkomende partij het bewijs levert van de reële werkingskosten van een territoriale pool, zodat niet kan worden gesteld dat artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs het mogelijk maakt om 100 % van de uitgaven met betrekking tot de organisatie van de pool te financieren. In de Franse Gemeenschap werd overigens nooit een analyse gemaakt van het verschil van per leerling, in naar gelang van het net, toegekende dotatie analyse op grond waarvan het bedrag van die dotatie zou kunnen worden geobjectiveerd, in tegenstelling tot wat in de Vlaamse Gemeenschap het geval is. A.6.
  20. Volgens de verzoekende partij kan artikel 6.2.5-6, §3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs ook nadelige gevolgen hebben voor de leerlingen met een handicap omdat de kwaliteit van het onderwijs in werkelijkheid afhangt van de aard van de inrichtende macht van een pool, waarvan de ouders geen weet hebben op het ogenblik van de inschrijving. De verzoekende partij merkt op dat België werd veroordeeld door het Europees Comité voor Sociale Rechten wegens een tekortkoming vanwege de Franse Gemeenschap inzake toegang tot het gewoon onderwijs voor kinderen met een verstandelijke beperking, in het bijzonder voor kinderen met een matige of ernstige mentale handicap. Zij onderstreept dat verschillende teksten van internationaal recht alsook artikel 22ter van de Grondwet de decreetgever verplichten om toe te zien op de effectiviteit van de rechten van personen met een handicap en om te vermijden dat discriminatie ontstaat waardoor de effectiviteit van die rechten, waaronder het recht op inclusie in het onderwijs, wordt beperkt. A.7.
  21. In haar memorie van wederantwoord voert de Franse Gemeenschapsregering allereerst aan dat de grondwettigheid van een norm niet kan worden beoordeeld op de manier waarop zij op een bepaald ogenblik ten uitvoer wordt gelegd, maar wel op algemene wijze, zodat het feit dat de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, met het oog op de start van het schooljaar 2022-2023, het sluiten van de voormelde overeenkomsten niet verplicht heeft moeten maken, geenszins het niet-pertinente karakter van het in artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs vervatte criterium van onderscheid aantoont. A.7.
  22. De Franse Gemeenschapsregering merkt overigens op dat in het verleden het Hof, in soortgelijke zaken het argument van de verzoekende partij volgens hetwelk de Franse Gemeenschap buitensporige middelen toekent aan de inrichtende macht van het door die Gemeenschap georganiseerde onderwijs, niet heeft aanvaard en dat het evenmin de financiële overdrachten vanuit die inrichtende macht naar de van haar afhangende scholen, heeft afgekeurd. A.7.
  23. Volgens de Franse Gemeenschapsregering heeft de financiering waarin de wet van 29 mei 1959 voorziet niet tot doel alle door de werking van de onderwijsinstellingen veroorzaakte uitgaven te dekken. In werkelijkheid rust de verantwoordelijkheid voor de uitgaven op de inrichtende machten. Artikel 24 van de Grondwet bevestigt dat het recht van het vrije net op subsidies niet absoluut is en dat het afhangt van de financiële middelen waarover de Franse Gemeenschap inzake onderwijs beschikt. De Franse Gemeenschapsregering brengt daarnaast in herinnering dat de rechtspraak van het Hof oordeelt dat de objectieve verschillen tussen het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs een gedifferentieerde behandeling inzake financiering kunnen verantwoorden. Ten slotte merkt zij op dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 mei 1959 vooral aantoont dat de wetgever wilde vermijden dat het rijksonderwijs niet voldoende zou worden gefinancierd ten opzicht van het gesubsidieerd vrij onderwijs. A.7.
  24. Ten slotte voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de verzoekende partij, in haar memorie van antwoord, een nieuw middel opwerpt betreffende de leerlingen met een handicap, aangezien zij in haar verzoekschrift niet de schending van artikel 22ter van de Grondwet en van de door haar geciteerde teksten van internationaal recht aanvoerde, zodat artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 wordt geschonden. A.8.
  25. In haar memorie van wederantwoord beweert de tussenkomende partij dat de verhoging met 33 % waarin artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voorziet, geen overfinanciering vormt, maar een financiering die in overeenstemming is met de wet van 29 mei
  26. Zij preciseert daarnaast dat sommige scholen zich hebben aangesloten bij een territoriale pool die onder het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs valt omdat zij niet wensten te behoren tot een pool die afhangt van het gesubsidieerd vrij onderwijs. De inrichten macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs kon niet weigeren om met die scholen een overeenkomst te sluiten, in tegenstelling tot de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs, hetgeen een concrete draagwijdte geeft aan de verplichting om 8 overeenkomsten te sluiten, die overigens om de zes jaar kunnen worden gewijzigd. Die verplichting kan bijgevolg artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs verantwoorden. A.8.
  27. Wat de verplichting tot inschrijving van alle leerlingen betreft, preciseert de tussenkomende partij dat het decreet van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren » voorziet in een ambtshalve inschrijving, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, van de leerlingen die om bepaalde redenen zijn uitgesloten van de instellingen voor gesubsidieerd onderwijs. Dat systeem omvat eveneens het gespecialiseerd onderwijs en de territoriale polen waarvan de hoofdscholen tot het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs behoren. A.8.
  28. Wat de structuur van de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs betreft, voert de tussenkomende partij aan dat zij de grootste inrichtende macht van de Franse Gemeenschap is die polen organiseert, dat die organisatie een aanzienlijke werklast inhoudt en dat er, in tegenstelling tot de situatie in het vrij onderwijs, geen directe nabijheid is tussen de inrichtende macht en de scholen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Door de geografische versnippering van die inrichtende macht dient zij over meer werkingsmiddelen te beschikken om de territoriale polen behorend tot het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs te organiseren. Geen enkele inrichtende macht van het vrij onderwijs bevindt zich bijgevolg in een situatie die vergelijkbaar is met die van de inrichtende macht van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Wat betreft de stelling van de verzoekende partij volgens welke die inrichtende macht een gedeelte van haar dotatie rechtstreeks kan overdragen aan haar instellingen, merkt de tussenkomende partij op dat het Hof dat argument niet heeft aanvaard in zijn voormelde arrest nr. 126/
  29. A.8.
  30. Wat betreft de financiering waarin de wet van 29 mei 1959 voorziet, stelt de tussenkomende partij dat de Grondwetgever geen gelijke financiering voor de officiële en gesubsidieerde vrije inrichtende machten heeft willen waarborgen, precies opdat de Gemeenschap haar grondwettelijke verplichting om onderwijs te organiseren zou kunnen nakomen. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof nr. 45/2017 van 27 april 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.045), komt het echter noch de verzoekende partij, noch het Hof zelf toe een dergelijke keuze van de Grondwetgever en eventuele verschillen in behandeling die daaruit voortvloeien opnieuw ter discussie te stellen. De vrijheid van onderwijs vereist overigens evenmin een financiering van 100 % voor de scholen die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs. De financieringssleutel waarin de wet van 29 mei 1959 voorziet is overigens niet achterhaald, aangezien de Grondwetgever de grote principes van die wet nadien grondwettelijk heeft willen verankeren in artikel 24 van de Grondwet. De tussenkomende partij preciseert ten slotte dat, in tegenstelling tot het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, het vrije net niet verplicht is om de opdracht van openbare dienst die het is toevertrouwd uit te oefenen, zodat het de uitvoering ervan kan stopzetten indien het van oordeel is dat de middelen waarover het beschikt ontoereikend zijn, en dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, dat net over aanzienlijke eigen middelen beschikt. A.8.
  31. Wat betreft de toelichting van de verzoekende partij, in haar memorie van antwoord, over de leerlingen met een handicap, voert de tussenkomende partij aan dat zij een nieuw middel vormt dat niet- ontvankelijk moet worden verklaard krachtens artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari
  32. Zaak nr. 7747 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  33. De vzw « Inclusion » is van mening dat zij doet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 6.2.2-5, 6.2.3-1, 6.2.5-4 en 6.2.5-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, ingevoegd bij artikel 1 van het decreet van 17 juni 2021, aangezien zij tot doel heeft personen met een verstandelijke handicap, hun gezinnen en de betrokken professionals te verenigen om, zoals blijkt uit haar statuten, de inclusie en de levenskwaliteit van die personen te bevorderen. A.
  34. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat de verzoekende partij geen enkele grief formuleert tegen artikel 6.2.2-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. Het beroep is dus niet ontvankelijk in zoverre het tegen die bepaling is gericht. A.
  35. Het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (Unia) is van mening dat het over een belang beschikt om tussen te komen in de zaak nr. 7747, aangezien het opdrachten waarneemt die verbonden zijn aan het bevorderen van gelijkheid en het bestrijden van alle vormen van 9 discriminatie of uitsluiting op grond van onder meer handicap, en dat het overigens, als instelling, door België is aangewezen als onafhankelijke instantie belast met de uitvoering van de taken die zijn vastgelegd in artikel 33, lid 2, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In die hoedanigheid heeft het als opdracht te ijveren voor de bevordering en de bescherming van het recht op inclusief onderwijs dat is vastgelegd bij artikel 24 van dat Verdrag. De tussenkomende partij preciseert dat zij ook bevoegd is om meldingen te ontvangen en dat, bij de inzake onderwijs ontvangen meldingen, bijna de helft betrekking heeft op een handicap. Daarnaast kan het in rechte optreden in de rechtsgeschillen die ontstaan uit de toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie ». Te dezen hebben de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd precies tot gevolg dat een verschil in behandeling wordt gecreëerd ten nadele van de leerlingen met specifieke behoeften en die een verstandelijke beperking hebben, en schenden zij eveneens het recht op inclusief onderwijs, zodat het belang om tussen te komen is aangetoond. A.
  36. In haar memorie van antwoord preciseert de verzoekende partij dat artikel 6.2.2-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs onlosmakelijk verbonden is met de andere bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zoals het Hof in zijn rechtspraak reeds heeft aangenomen. A.
  37. In haar memorie van wederantwoord handhaaft de Franse Gemeenschapsregering de reeds opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid door te preciseren dat de verzoekende partij niet aantoont dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen artikel 6.2.2-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en de andere bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.14.
  38. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 15, lid 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Volgens haar creëren de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, een verschil in behandeling tussen de leerlingen met een verstandelijke handicap en de leerlingen met een sensomotorische handicap. Aan de leerlingen met een verstandelijke handicap wordt immers, wanneer zij niet in volledige permanente integratie zijn en niet zijn ingeschreven in een instelling voor gespecialiseerd onderwijs die zij gedurende minstens één jaar hebben bezocht, de begeleiding ontzegd waarin is voorzien voor de leerlingen met een sensomotorische handicap, en zij vallen onder een ander financieringssysteem dan laatstgenoemde leerlingen. Leerlingen met een verstandelijke handicap hebben echter specifieke behoeften, in termen van begeleiding, die identiek zijn aan of zelfs groter zijn dan die van leerlingen met een sensomotorische handicap. A.14.
  39. De verzoekende partij voert allereerst aan dat het voormelde verschil in behandeling niet op enige objectieve verantwoording berust. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 onderstreept immers dat de situatie van de leerlingen met een verstandelijke handicap niet in aanmerking werd genomen. Vervolgens heeft dat verschil in behandeling onevenredige gevolgen voor die leerlingen wanneer zij niet in volledige permanente integratie zijn, aangezien de decreetgever, door hun in het gewoon onderwijs niet de nodige begeleiding toe te kennen, hen feitelijk dwingt om dat onderwijs snel te verlaten en over te gaan naar het gespecialiseerd onderwijs. Die heroriëntering heeft aanzienlijke gevolgen voor het dagelijkse leven van het kind, onder meer op opvoedkundig, familiaal en sociaal vlak. Bovendien is het, wanneer een leerling een schooltraject heeft aangevat in het gespecialiseerd onderwijs, in de praktijk uiterst moeilijk om daarna terug te keren naar het gewoon onderwijs. A.14.
  40. De verzoekende partij voert overigens aan dat, wanneer een leerling met een verstandelijke handicap in volledige permanente integratie is, de financiering – in de vorm van een puntensysteem – verschillend is van de financiering die is vastgelegd voor een leerling met een sensomotorische handicap. Wat de kinderen met een verstandelijke handicap betreft, ontvangen de territoriale polen een forfaitair aantal van 88 punten per leerling, terwijl, wat de leerlingen met een sensomotorische handicap betreft, dat puntenaantal schommelt tussen 44 en 352, afhankelijk van de omvang van de specifieke behoeften. 10 A.14.
  41. De verzoekende partij merkt op dat, op 9 september 2020, België werd veroordeeld door het Europees Comité voor Sociale Rechten om reden dat de Franse Gemeenschap onvoldoende inspanningen had geleverd voor de inclusie van leerlingen met een verstandelijke handicap in het onderwijs. In die beslissing, die in dezelfde richting gaat als een eerdere beslissing van 16 oktober 2017, had het Comité unaniem besloten tot schending van artikel 15, lid 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest. De verzoekende partij voert overigens artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, alsook twee opmerkingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap aan, die voorzien in inclusief onderwijs voor alle kinderen met een handicap, zonder onderscheid op grond van de aard van de handicap. A.15.
  42. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat er geen verschil in behandeling is tussen de leerlingen met een verstandelijke handicap die niet in permanente integratie zijn en de leerlingen met een sensomotorische handicap. In werkelijkheid is het enige verschil in behandeling dat wordt veroorzaakt door de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het verschil tussen, enerzijds, de leerlingen met een verstandelijke of sensomotorische handicap die niet in volledige permanente integratie zijn en die geen specifieke sensomotorische behoeften hebben waarvoor een aanzienlijke begeleiding vereist is, bedoeld in artikel 6.2.3-1, tweede lid, 2°, b), van dat Wetboek, en, anderzijds, de leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften voor wie een dergelijke begeleiding, bedoeld in artikel 6.2.3-1, tweede lid, 2°, b), ervan, wel vereist is. Bijgevolg worden alle leerlingen met een verstandelijke of sensomotorische handicap die niet in volledige permanente integratie zijn op precies dezelfde manier behandeld, onder voorbehoud van het bijzondere geval van de leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften voor wie een aanzienlijke begeleiding vereist is, waarvan sprake is in artikel 6.2.3-1, tweede lid, 2° b), voor wie de polen een aanvullende financiering ontvangen die recht evenredig is met de omvang van de noodzakelijke begeleiding. A.15.
  43. Wat betreft het verschil in behandeling tussen de leerlingen met een verstandelijke handicap in volledige permanente integratie en de leerlingen met een sensomotorische handicap in volledige permanente integratie, herinnert de Franse Gemeenschapsregering allereerst eraan dat alle leerlingen met een verstandelijke of sensomotorische handicap op precies dezelfde manier worden behandeld, behalve in het voormelde geheel specifieke geval. De territoriale polen ontvangen overigens hetzelfde forfaitaire aantal aanvullende punten voor alle leerlingen in volledige permanente integratie, los van hun handicap, behalve wat betreft de geheel specifieke categorie van leerlingen bedoeld in artikel 6.2.5-5, tweede lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. Het voormelde verschil in behandeling bestaat bijgevolg evenmin. A.15.
  44. De Franse Gemeenschapsregering voert daarnaast aan dat er geen enkel verschil in behandeling bestaat tussen de leerlingen met een verstandelijke handicap in volledige permanente integratie en de leerlingen met een sensomotorische handicap in volledige permanente integratie, aangezien die categorieën van leerlingen op precies dezelfde manier worden behandeld, met uitzondering van de geheel specifieke categorie bedoeld in artikel 6.2.3-1, tweede lid, 2°, b), van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, leerlingen voor wie de polen een aanvullende financiering ontvangen die recht evenredig is met de omvang van de noodzakelijke begeleiding. De polen ontvangen hetzelfde aantal punten voor alle leerlingen in volledige permanente integratie, los van hun handicap, behalve wat betreft de geheel specifieke categorie van leerlingen bedoeld in artikel 6.2.5-5, tweede lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. A.16.
  45. De tussenkomende partij verklaart dat de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, de leerlingen met specifieke behoeften verschillend behandelen naar gelang van het type van hun handicap, en dat op twee niveaus. Enerzijds genieten de leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften een aanvullende financiering die rechtstreeks aan de leerling verbonden is, wanneer die behoeften een aanzienlijke begeleiding vereisen. De leerlingen met een verstandelijke beperking kunnen daarentegen geen aanspraak maken op dat systeem, behalve wanneer zij een maatregel van volledige permanente integratie genieten, wat impliceert dat zij gedurende het voorafgaande jaar daadwerkelijk een gespecialiseerde school hebben bezocht. Anderzijds genereren de leerlingen met een verstandelijke handicap die in volledige permanente integratie zijn een aanvullende financiering die gelinkt is aan een forfaitair aantal punten en die losstaat van de omvang van hun specifieke behoeften, in tegenstelling tot de leerlingen met een specifieke sensomotorische behoefte. Bovendien is het voormelde forfaitaire bedrag lager. Wat de leerlingen met een verstandelijke handicap in volledige permanente integratie betreft, bedraagt het voormelde forfaitaire bedrag bovendien minder dan het bedrag dat is bepaald voor de leerlingen met een specifieke sensomotorische behoefte. A.16.
  46. De tussenkomende partij voert aan dat het voormelde verschil in behandeling niet toelaatbaar is, aangezien het criterium van onderscheid niet pertinent is in het licht van het nagestreefde doel. In de context van de veroordeling van België door het Europees Comité voor Sociale Rechten, wegens tekortkomingen van de Franse 11 Gemeenschap inzake toegang tot het gewoon onderwijs voor kinderen met een matige of ernstige verstandelijke handicap, was het immers redelijk een zeer minutieuze verantwoording van het verschil in behandeling te verwachten dat werd doorgevoerd in het nadeel van de leerlingen met een verstandelijke handicap. Die verantwoording bestaat echter niet. Het doel dat wordt nagestreefd moet de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd is onder meer een betere verdeling van de inspanningen en middelen over het gehele grondgebied en binnen elke school, opdat iedere leerling met specifieke behoeften een aangepaste begeleiding kan krijgen indien nodig, opdat hij een schoolparcours kan voortzetten in het gewoon onderwijs dankzij de invoering van redelijke aanpassingen via de territoriale polen, hetgeen verantwoordt dat het vroegere mechanisme van de volledige tijdelijke integratie wordt afgeschaft. Rekening houdend met dat doel is het criterium van onderscheid dat ten grondslag ligt van het in het middel beoogde verschil in behandeling, namelijk het soort beperking van de leerling, niet pertinent. De tussenkomende partij voegt eraan toe dat de toetsing door het Hof van de pertinentie van dat criterium bijzonder strikt moet zijn, gelet op de voormelde veroordeling door het Europees Comité voor Sociale Rechten. A.16.
  47. De tussenkomende partij stelt hoe dan ook dat het in het eerste middel beoogde verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft voor de leerlingen met specifieke behoeften die verband houden met een verstandelijke beperking. De bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, laten niet toe het door de decreetgever nagestreefde doel te verwezenlijken aangezien die leerlingen voor de betrokken instelling enkel aanleiding geven tot een aanvullende financiering, en onder ongunstigere financiële voorwaarden, op voorwaarde dat zij in volledige permanente integratie zijn,. Bovendien hebben de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd onevenredige gevolgen omdat een leerling met een verstandelijke handicap voor wie een aanzienlijke begeleiding noodzakelijk is wegens de omvang van zijn specifieke behoeften en die naar een gewone school wenst te gaan, eerst gedurende een jaar het gewoon onderwijs moet verlaten, wat ingaat tegen het doel van een inclusieve school dat wordt nagestreefd. Die verandering van school brengt voor het betrokken kind aanzienlijke – geheel onevenredige – moeilijkheden met zich mee en gaat in tegen de verplichting om het recht op inclusief onderwijs dat is vastgelegd bij artikel 24, lid 2, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te verwezenlijken, zoals blijkt uit een rapport van het Comité voor de rechten van personen met een handicap. A.17.
  48. In haar memorie van antwoord merkt de verzoekende partij op dat de Franse Gemeenschapsregering toegeeft dat er een verschil in behandeling is tussen de leerlingen met een sensomotorische handicap en de leerlingen met een verstandelijke handicap. Dat onderscheid is echter discriminerend omdat een leerling, naar gelang van zijn handicap, al dan niet begeleiding geniet die aangepast is aan de aard en de omvang van die handicap, waardoor het door de wetgever nagestreefde doel, te weten alle leerlingen met specifieke behoeften de mogelijkheid bieden om aangepaste ondersteuning te genieten, niet kan worden verwezenlijkt. In werkelijkheid creëren de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, een hiërarchie tussen handicaps die niet op enige objectieve en redelijke verantwoording berust. De omstandigheid dat dit verschil in behandeling pas aan de oppervlakte komt wanneer leerlingen met een sensomotorische handicap aanzienlijke begeleiding nodig hebben, is niet pertinent omdat de door de verzoekende partij opgeworpen grief precies op dat punt betrekking heeft. De verzoekende partij stelt overigens vast dat de Franse Gemeenschapsregering nalaat, in haar memorie, het voormelde verschil in behandeling te verantwoorden. A.17.
  49. Wat betreft de situatie van de leerlingen die in volledige permanente integratie zijn, is de verzoekende partij opnieuw van oordeel dat de Franse Gemeenschapsregering erkent dat er een verschil in behandeling is, maar nalaat dat verschil te verantwoorden. A.
  50. In haar memorie van wederantwoord preciseert de Franse Gemeenschapsregering dat de leerlingen bedoeld in artikel 6.2.3-1, tweede lid, 2°, b), van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs zich niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de andere leerlingen, zodat het verschil in behandeling verantwoord is. Bovendien komt het de verzoekende partij toe aan te tonen dat die categorie van leerlingen niet specifiek is. A.
  51. In haar memorie van wederantwoord stelt de tussenkomende partij vast dat de Franse Gemeenschapsregering het bestaan erkent van het in het eerste middel aangeklaagde verschil in behandeling, zonder het evenwel te verantwoorden. Zij brengt daarnaast in herinnering dat de door de verzoekende partij aangevoerde discriminatie met name ligt in het verschil in financiering de leerlingen met een verstandelijke handicap, ten opzichte van de leerlingen met een sensomotorische handicap, en stelt vast dat de Franse Gemeenschapsregering niet antwoordt op die kritiek. 12 Wat betreft het tweede middel A.20.
  52. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van artikel 22ter van de Grondwet, gelezen in het licht van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest, van artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Volgens haar nemen de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd niet de verplichtingen in acht die uit die grondwetsbepaling en uit die bepalingen van het internationaal verdragsrecht voortvloeien, in het bijzonder de verplichting om voor de kinderen met een verstandelijke beperking het daadwerkelijke karakter van het recht op inclusief onderwijs te waarborgen. De bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd leiden eveneens tot een aanzienlijke achteruitgang van het niveau van bescherming van de leerlingen met een verstandelijke handicap die niet in volledige permanente integratie zijn. A.20.
  53. Volgens de verzoekende partij heeft artikel 22ter van de Grondwet een draagwijdte die analoog is aan die van de voormelde internationaal verdragsrechtelijke bepalingen, in het bijzonder artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De toelichting bij het eerste middel toont aan welke de weerslag is op de leerlingen met een verstandelijke handicap van de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd. De verzoekende partij voert aan dat artikel 22ter van de Grondwet een standstill-verplichting inhoudt die vergelijkbaar is met die van artikel 23 van de Grondwet, zoals is vermeld in de parlementaire voorbereiding betreffende de grondwetsherziening, verplichting die zich ertegen verzet dat een wetskrachtige bepaling tot een significante achteruitgang in de bescherming van het betrokken recht leidt. Volgens de verzoekende partij is de achteruitgang te dezen zeer duidelijk. Vóór de aanneming van de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, konden de leerlingen met een verstandelijke handicap in het gewoon onderwijs een begeleiding genieten zonder eerst in het gespecialiseerd onderwijs naar school te moeten gaan. Voortaan verplicht het systeem die leerlingen om eerst in het gespecialiseerd onderwijs naar school te gaan teneinde die begeleiding te kunnen genieten, wat volstrekt onevenredig is en het recht van die leerlingen op inclusief onderwijs schendt, zoals blijkt uit diverse soft law-bronnen en uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 september 2020 inzake G.L. t. Italië (ECLI:CE:ECHR:2020:0910JUD005975115). A.21.
  54. In hoofdorde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het tweede middel niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partij niet preciseert welke bepaling van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd zou leiden tot een significante achteruitgang van het beschermingsniveau van de leerlingen met een verstandelijke handicap die niet in volledige permanente integratie zijn, noch de manier waarop die bepaling een dergelijke achteruitgang zou veroorzaken. A.21.
  55. In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het tweede middel niet gegrond is omdat de afschaffing van het mechanisme van volledige tijdelijke integratie waarin het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 « houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs » (hierna : het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004) voorziet, in werkelijkheid toe te schrijven is aan artikel 4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « tot wijziging van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs om de totale tijdelijke integratie af te schaffen », dat door de verzoekende partij niet wordt aangevochten. Het is ook dat decreet dat de overgangsregeling bevat voor de overstap van de oude naar de nieuwe regelgeving. De verplichting om ingeschreven te zijn in het gespecialiseerd onderwijs en in dat onderwijs naar school te gaan, teneinde voortaan een volledige permanente integratie te kunnen genieten gedurende het daaropvolgende schooljaar, is overigens toe te schrijven aan artikel 130 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004, dat te dezen evenmin wordt aangevochten. Hoe dan ook bestaat de door de verzoekende partij aangeklaagde significante achteruitgang niet of is hij niet significant, aangezien een leerling met specifieke behoeften voortaan niet meer moet worden ingeschreven in het gespecialiseerd onderwijs om in het gewoon onderwijs een aangepaste begeleiding te kunnen genieten via de territoriale polen. Bovendien voorzien de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd in een voor de leerlingen gunstige overgangsbepaling. Ten slotte strekt de verplichting om eerst in het gespecialiseerd onderwijs naar school te gaan teneinde het mechanisme van de volledige permanente integratie te kunnen genieten ertoe het door de decreetgever nagestreefde doel, namelijk die integratie voorbehouden aan de leerlingen van wie het parcours in het gespecialiseerd onderwijs een realiteit is, te verwezenlijken. 13 A.
  56. De tussenkomende partij voert allereerst aan dat artikel 22ter van de Grondwet een draagwijdte heeft die analoog is aan die van artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat het recht op inclusief onderwijs verankert, en dat die grondwetsbepaling, op een soortgelijke wijze als artikel 23 van de Grondwet, een standstill-verplichting bevat. Zij stelt vervolgens dat de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd een significante achteruitgang met zich meebrengen van het beschermingsniveau van het recht op inclusief onderwijs, aangezien zij het vroegere mechanisme van de volledige tijdelijke integratie vervangen, mechanisme dat een kind met een verstandelijke handicap de mogelijkheid bood om naar school te gaan in het gewoon onderwijs, waarbij het een begeleiding genoot door de instelling voor gespecialiseerd onderwijs waarin het formeel was ingeschreven, om vervolgens over te gaan naar een volledige permanente integratie, met een inschrijving in de gewone school. Voortaan kan de betrokken leerling het voordeel genieten van redelijke aanpassingen die worden uitgevoerd met de ondersteuning van de polen, maar kan hij geen extra lestijden meer genieten die ten laste worden genomen door het gespecialiseerd onderwijs om hem te begeleiden in het gewoon onderwijs, behalve wanneer hij zich in volledige permanente integratie bevindt, wat impliceert dat hij gedurende één jaar daadwerkelijk het gespecialiseerd onderwijs heeft bezocht. De significante achteruitgang wordt aangetoond, aangezien de leerling de voormelde extra lestijden kon genieten zonder eerst school te hebben gelopen in het gespecialiseerd onderwijs. Die achteruitgang is des te significanter in het licht van de voormelde veroordeling van België door het Europees Comité voor Sociale Rechten in verband met de vroegere regeling, die onder meer betrekking had op de formele verplichting tot inschrijving in een instelling voor gespecialiseerd onderwijs. De bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd, verergeren met andere woorden een situatie die reeds door het voormelde Comité werd afgekeurd. Ten slotte voert de tussenkomende partij aan dat de voormelde significante achteruitgang niet redelijk verantwoord is gelet op het doel dat met de hervorming wordt nagestreefd, en dat ze onevenredige gevolgen heeft voor de betrokken kinderen, zoals die partij heeft aangetoond in het kader van het eerste middel. A.23.
  57. In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij aan dat het tweede middel wel ontvankelijk is, in tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering aangeeft, aangezien het wel degelijk vermeldt van welke referentienormen de schending wordt aangevoerd, van welke bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs de vernietiging wordt gevorderd alsook op welke wijze die laatste bepalingen de voormelde referentienormen schenden. A.23.
  58. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de door haar aangeklaagde significante achteruitgang gelegen is in het feit dat voortaan verplicht is om gedurende een jaar daadwerkelijk naar school te gaan in het gespecialiseerd onderwijs teneinde de extra lestijden te genieten die ten laste worden genomen door het gespecialiseerd onderwijs om een leerling in het gewoon onderwijs te begeleiden. Die achteruitgang is significant, zoals wordt aangetoond door feitelijke elementen, en is in strijd met het nagestreefde doel van inclusie. A.
  59. In haar memorie van wederantwoord handhaaft de Franse Gemeenschapsregering de tegen het tweede middel geformuleerde exceptie van niet-ontvankelijkheid en herhaalt zij haar standpunt volgens hetwelk dit middel niet gericht is tegen de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd. In werkelijkheid gaat het om algemene kritiek ˗ die politiek en niet juridisch van aard is ˗, gericht tegen de afschaffing van de volledige tijdelijke integratie. A.
  60. In haar memorie van wederantwoord preciseert de tussenkomende partij dat het tweede middel op zich geen betrekking heeft op de afschaffing van de volledige tijdelijke integratie, maar op de wijze waarop die afschaffing werd doorgevoerd via de oprichting van de territoriale polen, hetgeen precies het onderwerp van het beroep is. Beide hervormingen zijn met elkaar verbonden, zodat het pertinent is een eventuele schending van de in artikel 22ter van de Grondwet vervatte standstill-verplichting te onderzoeken in het licht van die afschaffing. De Franse Gemeenschapsregering toont overigens in geen enkel opzicht aan dat die achteruitgang onbestaande of niet significant zou zijn. Wat betreft het verzoek tot handhaving van de gevolgen A.
  61. In haar memorie van wederantwoord vraagt de Franse Gemeenschapsregering dat, indien de middelen gegrond zouden worden geacht, het Hof gedurende drie jaar de gevolgen van de bepalingen van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs waarvan de vernietiging wordt gevorderd zou handhaven, opdat de bevoegde 14 werkgroep een oplossing kan vinden die voor de leerlingen met een verstandelijke handicap een betere inclusie in het gewoon onderwijs mogelijk maakt. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
  62. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juni 2021 « houdende oprichting van territoriale polen belast met de ondersteuning aan scholen voor gewoon onderwijs in de uitvoering van redelijke aanpassingen en volledige permanente integratie » (hierna : het decreet van 17 juni 2021) heeft tot doel de inclusie van leerlingen met specifieke behoeften in het gewoon onderwijs waarvoor de Franse Gemeenschap bevoegd is, geleidelijk aan te versterken door de oprichting van « territoriale polen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 6). De parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 verwijst in dat verband naar de beleidsverklaring van de Regering waarin is bepaald dat « het aantal leerlingen dat gespecialiseerd onderwijs volgt moet worden verminderd door inclusie in het gewoon onderwijs te bevorderen telkens wanneer dat mogelijk is, en door de nodige middelen vrij te maken voor hun inclusie » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/3, p. 3). De decreetgever beoogde « een complete paradigmashift », met de bedoeling « alle leerlingen met specifieke behoeften die naar school gaan in de « Fédération Wallonie-Bruxelles » de mogelijkheid te bieden om te worden begeleid indien dat noodzakelijk blijkt » (ibid, p. 3). B.1.
  63. Een territoriale pool is een structuur die belast is met de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs in de uitvoering van redelijke aanpassingen en van volledige permanente integratie ten voordele van leerlingen met specifieke behoeften. Een pool wordt geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de inrichtende macht van een « hoofdschool » behorend tot het gespecialiseerd onderwijs. Die school kan samenwerken met een of meer « partnerscholen », die ook tot het gespecialiseerd onderwijs behoren en die antennes van de territoriale pool vormen. De territoriale pool oefent zijn opdrachten uit in « samenwerkende scholen » van het gewoon onderwijs, die decretaal verplicht zijn om samen te werken met een territoriale pool. De hoofdschool, de partnerschool en de samenwerkende school kunnen 15 worden georganiseerd door verschillende inrichtende machten die tot afzonderlijke onderwijsnetten behoren (artikel 6.2.2-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs). B.2.
  64. Het beroep in de zaak nr. 7720 heeft betrekking op artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 17 juni
  65. B.2.
  66. Het voormelde 6.2.5-6 bepaalt : « §
  67. De inrichtende macht van de hoofdschool krijgt voor de territoriale pool die zij organiseert een specifieke financiering in de vorm van een envelop met punten. De berekening van de envelop met punten van elke territoriale pool wordt als volgt uitgevoerd : 1° aan elke territoriale pool wordt een aantal basispunten toegekend onder het totaal aantal punten overeenkomstig artikel 6.2.5-3; 2° aan bepaalde territoriale polen worden extra punten toegekend overeenkomstig de artikelen 6.2.5-4 en 6.2.5-
  68. §
  69. De inrichtende macht van de hoofdschool kan haar envelop met punten als volgt verdelen : 1° minimaal 80 procent van de punten moet worden toegekend aan wedden of weddesubsidies; 2° maximaal 20 procent van de punten moet worden toegekend aan dotaties of werkingssubsidies. De inrichtende macht van de hoofdschool deelt jaarlijks de verdeling van het aantal punten aan de diensten van de regering mee. §
  70. De diensten van de regering betalen de dotaties of werkingssubsidies aan de inrichtende macht van de hoofdschool door het aantal punten dat door de pool wordt toegekend aan dotaties/werkingssubsidies te vermenigvuldigen met de waarde van één punt berekend overeenkomstig artikel 6.2.5-3, §
  71. Voor de territoriale polen die onder een door de Franse Gemeenschap georganiseerde hoofdschool ressorteren, worden de bedragen toegewezen aan werkingsdotaties verhoogd door de volgende formule toe te passen : Dfct = Nfct + [Nfct x 33/100] 16 In deze formule : duidt ‘ Dfct ’ de werkingsdotatie aan die toegekend wordt aan de hoofdschool georganiseerd door de Franse Gemeenschap; duidt ‘ Nfct ’ het bedrag aan dat berekend wordt overeenkomstig het eerste lid. Elke territoriale pool kan haar werkingsmiddelen gebruiken om het administratief personeel aan te werven. Daartoe kan een inrichtende macht beslissen om voor de territoriale pool die zij organiseert, toe te treden tot een beheercentrum bedoeld in de artikelen 114 en volgende van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices in het onderwijs. De lidmaatschapsovereenkomst bedoeld in artikel 115 van voormeld decreet van 2 februari 2007 bepaalt het aandeel van de werkingsmiddelen van de territoriale pool die aan het beheercentrum worden toegekend ». De parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 verduidelijkt dat de derde paragraaf een verschil in financiering doorvoert voor de territoriale polen die ressorteren onder een door de Franse Gemeenschap georganiseerde hoofdschool, maar dat Wallonie-Bruxelles Enseignement (hierna : WBE) « een bijzondere inrichtende macht met eigen kenmerken is, waardoor de situatie van WBE niet kan worden vergeleken met de situatie van andere inrichtende machten ». WBE beschikt met name over eigen middelen en heeft « diverse specifieke opdrachten voor de actoren van het onderwijsveld (leerlingen/inrichtende machten) die geen oplossing hebben kunnen vinden bij inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs. Een van de bijzonderheden van WBE is meer bepaald het feit dat het onderwijs verstrekt aan leerlingen die in andere scholen problemen hebben gehad » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, 245/1, p. 27). Tijdens de parlementaire bespreking bevestigde de bevoegde minister dat de Regering heeft beslist het principe van een gedifferentieerde financiering eveneens toe te passen voor de territoriale polen die ressorteren onder een door WBE georganiseerde hoofdschool : « Die differentiëring kan worden verklaard door het feit dat, voor het door haar georganiseerde onderwijs, de Franse Gemeenschap 100 % van de uitgaven verbonden aan de organisatie van het onderwijs op zich moet nemen. Het financieringssysteem waarin dit ontwerpdecreet voor de territoriale polen voorziet, is dus een afdruk van de financiering die op de scholen wordt toegepast en neemt dezelfde financieringsverhouding in acht als die van de zogeheten ‘ Schoolpactwet ’ van 29 mei 1959 inzake dotaties en werkingssubsidies, waarin het ‘ leerlingenforfait ’ van de gesubsidieerde scholen wordt vastgesteld op 75 % van dat van de [door de Franse Gemeenschap] georganiseerde scholen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/3, p. 5). 17 B.2.
  72. Artikel 6.2.5-6, § 3, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs bepaalt de berekening van de dotaties en werkingssubsidies die de inrichtende macht van een hoofdschool geniet. Het bedrag daarvan wordt verkregen « door het aantal punten dat door de pool wordt toegekend aan dotaties/werkingssubsidies te vermenigvuldigen met de waarde van één punt berekend overeenkomstig artikel 6.2.5-3 , § 1 » (eerste lid). Voor de territoriale polen die ressorteren onder een hoofdschool van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, wordt de werkingsdotatie verhoogd met 33 % (tweede en derde lid). B.3.
  73. Het beroep in de zaak nr. 7747 heeft betrekking op de artikelen 6.2.2-5, 6.2.3-1, 6.2.5-4 en 6.2.5-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, zoals zij werden ingevoegd bij het decreet van 17 juni
  74. B.3.
  75. Artikel 6.2.2-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs bepaalt : « Wanneer een territoriale pool voor een of meer leerling(en) met specifieke sensomotorische behoeften zorgt, kan de inrichtende macht van de territoriale pool specifieke partnerschappen sluiten met de inrichtende macht van de scholen voor gespecialiseerd onderwijs die de types 4, 6 of 7 organiseren, afhankelijk van de specifieke behoefte van de leerling(en). Wanneer een territoriale pool de zorg voor één of meer leerling(en) op zich neemt die onder het gespecialiseerd onderwijs van type 5 vallen, kan de inrichtende macht van de territoriale pool een specifiek partnerschap sluiten met de inrichtende macht van een school voor gespecialiseerd onderwijs die het type 5 organiseert. De territoriale pool en de betrokken school voor gespecialiseerd onderwijs kunnen in verschillende zone gelegen worden. Dit specifieke partnerschap kan gesloten worden tijdens de periode van de samenstelling van de pool bedoeld in artikel 6.2.2-3 en blijft geldig tot de vervaldatum van deze periode. Het sluiten van een specifiek partnerschap door een school voor gespecialiseerd onderwijs belet niet dat deze de hoofdschool of de partnerschool van een andere territoriale pool is. De regering bepaalt het model van de specifieke partnerschapsovereenkomst en de nadere regels voor de overdracht van de gesloten overeenkomsten aan de diensten van de regering ». De parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 verduidelijkt dat die bepaling « uitsluitend voor de zorg voor leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften », in een uitzondering op voormelde principes voorziet (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 17). 18 B.3.
  76. Artikel 6.2.3-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs bepaalt : « Elke territoriale pool ondersteunt de samenwerkende scholen met wie ze een overeenkomst heeft voor de uitvoering van volledige permanente integratie en redelijke aanpassingen waarbij de territoriale pool betrokken is. De territoriale pool en de PMS-centra die bevoegd zijn voor de samenwerkende scholen, werken complementair. Daartoe oefent de territoriale pool : 1° de volgende opdrachten uit in verband met de begeleiding van hun samenwerkende scholen : a) de onderwijsteams, leerlingen en ouders van leerlingen op de hoogte brengen van de redelijke aanpassingen en de volledige permanente integratie; b) zorgen voor de verbinding tussen de verschillende partners die een ondersteunende rol spelen voor leerlingen, inzonderheid om de uitwisseling van ervaringen te vergemakkelijken; c) de leden van het onderwijsteam van samenwerkende scholen begeleiden en ondersteunen bij de organisatie van redelijke aanpassingen, inzonderheid door advies te geven of hulpmiddelen ter beschikking stellen; d) samenwerkende scholen begeleiden bij het ontwikkelen van protocollen van redelijke aanpassingen wanneer individuele opvang van de leerling betrokken bij de territoriale pool noodzakelijk is. 2° de volgende opdrachten uit in verband met de begeleiding van leerlingen ingeschreven in hun samenwerkende scholen : a) de leerlingen met specifieke behoeften individueel begeleiden in het kader van de uitvoering van redelijke aanpassingen indien dit nodig blijkt gezien hun behoeften en hun protocollen van redelijke aanpassingen; b) de leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften individueel begeleiden voor wie een belangrijke opvolging vereist is in het kader van de uitvoering van redelijke aanpassingen indien dit nodig blijkt ten opzichte van de omvang van de behoeften bedoeld in artikel 6.2.5-4, tweede lid; c) samenwerken bij de evaluatie van protocollen van redelijke aanpassingen en, in voorkomend geval, bij verwijzing naar gespecialiseerd onderwijs waar redelijke aanpassingen onvoldoende zijn om te zorgen voor het leren dat aangepast is aan de specifieke behoeften van de leerling; d) de leerlingen met specifieke behoeften begeleiden in het kader van het systeem van volledige permanente integratie voor de leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs ». 19 De parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 preciseert dat die bepaling tot doel heeft de opdrachten van de territoriale polen te omschrijven. Het algemene opzet bestaat erin « “om het concept van de inclusieve school te bevorderen door scholen voor gewoon onderwijs concreet en actief te begeleiden bij de zorg voor leerlingen met specifieke behoeften in het kader van hetzij een protocol van redelijke aanpassingen, hetzij een volledige permanente integratie ». Er wordt overigens in twee categorieën van opdrachten voorzien, namelijk opdrachten in verband met de begeleiding van de samenwerkende scholen en opdrachten in verband met de begeleiding van leerlingen ingeschreven in de samenwerkende scholen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 20). B.3.
  77. Artikel 6.2.5-4 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs bepaalt : « De territoriale polen die leerlingen opvangen met specifieke sensomotorische behoeften die een grondige opvolging vereisen zoals bedoeld in artikel 6.2.3-1, tweede lid, 2°, b), ontvangen extra punten. Het aantal extra toegekende punten wordt per leerling bepaald in functie van de besluiten van de evaluatie waarvan sprake in lid 2 en kan jaarlijks verschillen naargelang het aantal vastgestelde leerlingen en het beschikbare budget. Dit aantal mag niet hoger zijn dan 352 extra punten per leerling. Voor leerlingen die met toepassing van artikel 6.2.5-5 ook punten behalen, bedraagt het totaal aantal behaalde punten maximaal 352 punten per leerling. De regering stelt de procedure en de frequentie van de evaluatie van de omvang van de specifieke sensomotorische behoeften van de leerlingen vast, om te bepalen of zij in aanmerking komen voor redelijke aanpassingen die een significante opvolging vereisen om het recht op de subsidiëring bedoeld in het eerste lid te openen. Op basis van de diagnose bedoeld in artikel 1.7.8-1, § 1, tweede lid, wordt deze evaluatie uitgevoerd door de coördinator van de territoriale pool met de leden van het multidisciplinaire team van de territoriale pool en/of met de leden van het onderwijsteam van de school voor gespecialiseerd onderwijs. Hiertoe stelt de regering een schaal vast om de behoeften van de leerlingen en het aantal punten dat wordt toegekend aan de territoriale pool volgens de conclusies van de evaluatie bedoeld in het eerste lid, te evalueren ». Luidens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 verduidelijkt die bepaling « dat de territoriale polen, in voorkomend geval, aanvullende middelen kunnen genieten voor de zorg voor leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften die een bijzonder grondige begeleiding nodig hebben, met inbegrip van verpleegkundige taken of brailletranscriptie. Die aanvullende financiering wordt toegekend op basis van een grondige evaluatie van hun behoeften » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, pp. 25-26). 20 B.3.
  78. Artikel 6.2.5-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs bepaalt : « Voor elke leerling in volledige permanente integratie in het gewoon basis- of secundair onderwijs met toepassing van artikel 132 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, worden 88 extra punten toegekend per leerling aan de territoriale pool die deze leerling begeleidt. In afwijking van het eerste lid, voor elke leerling, gespecialiseerd van type 4, 6 of 7 en geïntegreerd in de 3e graad van het secundair onderwijs met toepassing van artikel 132 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, worden 352 extra punten toegekend aan de territoriale pool die deze leerling begeleidt ». Luidens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 17 juni 2021 verduidelijkt die bepaling « dat de territoriale polen, in voorkomend geval, aanvullende middelen kunnen genieten voor de begeleiding van leerlingen in volledige permanente integratie. Die aanvullende middelen worden vanaf 2 september 2020 aan de betrokken leerlingen toegekend, dat wil zeggen na de hervorming van het integratiemechanisme ». Voorts wordt in de toelichting eraan herinnert dat het mechanisme van volledige permanente integratie beperkt is tot de leerlingen die daadwerkelijk naar school gaan in het gespecialiseerd onderwijs: « De leerlingen die zijn ingeschreven in het gewoon onderwijs en voor wie het mogelijk is om permanent en volledig tegemoet te komen aan hun specifieke behoeften in het gewoon onderwijs, moeten niet het mechanisme van volledige permanente integratie genieten, maar moeten specifieke ondersteuning krijgen voor de uitvoering van redelijke aanpassingen, via de territoriale polen. In die context werd begin juli 2020 het mechanisme van volledige tijdelijke integratie, dat leerlingen konden genieten zonder eerst naar school te zijn gegaan in het gespecialiseerd onderwijs, stopgezet. Voor de leerlingen die volledige tijdelijke integratie genoten werd op 1 september 2020 automatisch overgeschakeld naar volledige permanente integratie » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 26). B.3.
  79. De voormelde bepalingen omvatten verscheidene bijzondere maatregelen die onder meer van toepassing zijn op bepaalde leerlingen met een sensomotorische handicap. Artikel 6.2.2-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voorziet in een mogelijkheid tot afwijking van artikel 6.2.2-4 van dat Wetboek, voor het sluiten van specifieke partnerschapsovereenkomsten ten gunste van de inrichtende machten van de territoriale polen 21 die leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs van type 4 (lichamelijke beperkingen), 5 (ziekte of herstel), 6 (visuele beperkingen) en 7 (auditieve beperkingen) opvangen. Bij artikel 6.2.3-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs wordt aan de territoriale polen de opdracht toevertrouwd om de leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften die in voorkomend geval een grondige begeleiding nodig hebben in het kader van de uitvoering van redelijke aanpassingen, individueel te begeleiden. Artikel 6.2.5-4 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voorziet in de mogelijkheid, voor de territoriale polen die leerlingen met specifieke sensomotorische behoeften die een grondige begeleiding nodig hebben opvangen, een aanvullende financiering te verkrijgen op basis van een grondige evaluatie van die behoeften. Ten slotte voorziet artikel 6.2.5-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs ook in een aanvullende financiering voor de territoriale polen die leerlingen in volledige permanente integratie begeleiden, en die aanvullende financiering wordt op zich verhoogd voor de leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs van type 4, 6 of
  80. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  81. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.5.
  82. De verzoekende partij in de zaak nr. 7720 is de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (hierna : het SeGEC). In de zaak nr. 7747 is de verzoekende partij de vzw « Inclusion ». B.5.
  83. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, 22 derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.6.
  84. De bestreden bepaling in de zaak nr. 7720 verhoogt de werkingsdotatie van de territoriale polen die onder een hoofdschool van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs ressorteren. In zijn hoedanigheid van representatie- en coördinatieorgaan van het door de Franse Gemeenschap erkende katholiek onderwijs, heeft het SeGEC met name als statutair doel de inrichtende machten en de onderwijsinstellingen die zij in een federatie verenigt, te helpen « bij de uitvoering van hun opdracht van functionele openbare dienst op het vlak van opvoeding en onderwijs » (artikel 3, § 1, eerste lid van zijn statuten). Het is ook « de woordvoerder van de aangesloten leden waarbij zij instaat voor hun verdediging en bevordering ervan met elk passend geacht middel » (artikel 3, § 1, tweede lid van dezelfde statuten). B.6.
  85. De verzoekende partij in de zaak nr. 7720 kan rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling, die aanvullende financiële middelen toekent aan de territoriale polen die onder de verantwoordelijkheid vallen van een onderwijsinstelling die behoort tot een andere categorie dan die van de instellingen die zij in een federatie verenigt. Het is immers niet noodzakelijk dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepaling haar een onmiddellijk voordeel verschaft. De omstandigheid dat het SeGEC een kans zou krijgen dat de situatie van de territoriale polen die onder de verantwoordelijkheid vallen van één van de instellingen die het in een federatie verenigt, zou verbeteren teneinde hen te helpen hun opdracht van functionele openbare dienst op het vlak van onderwijs te vervullen, volstaat om zijn belang bij de vernietiging van die bepaling te verantwoorden. B.7.
  86. De bestreden bepalingen in de zaak nr. 7747 voorzien in verscheidene bijzondere maatregelen voor de territoriale polen wanneer zij leerlingen met een sensomotorische handicap begeleiden, zonder dat die maatregelen worden uitgebreid tot de begeleiding van leerlingen met een andere handicap, zoals een verstandelijke handicap. Volgens haar statuten heeft de vzw « Inclusion » tot doel « de ontwikkeling, de inclusie en de levenskwaliteit van personen met een verstandelijke handicap en hun gezinnen te 23 bevorderen » (artikel 4, eerste lid), wat meer bepaald « de verdediging van hun belangen en behoeften bij de overheid en bij andere instanties, de bevordering van hun rechten op inclusie in de maatschappij en de bestrijding van alle vormen van discriminatie ten aanzien van hen » omvat. Er wordt gepreciseerd dat « de vereniging daarnaast in rechte kan treden in de geschillen die aanleiding geven tot eender welke vorm van uitsluiting of discriminatie van personen met een verstandelijke beperking en hun omgeving » (artikel 5, eerste lid). B.7.
  87. De verzoekende partij in de zaak nr. 7747 kan rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen die voorzien in bijzondere maatregelen voor de territoriale polen die personen met een andere handicap dan de personen van wie zij de belangen verdedigt, begeleiden. Zoals in B.6.2 is vermeld, is het immers niet noodzakelijk dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen haar een onmiddellijk voordeel verschaft. De omstandigheid dat de vzw « Inclusion » een kans zou krijgen dat de situatie van de leerlingen met een verstandelijke handicap zou verbeteren, volstaat om haar belang bij de vernietiging van die bepalingen te verantwoorden. B.
  88. De tussenkomende partij in de zaak nr. 7720 is de autonome openbare instelling WBE. In de zaak nr. 7747 is de tussenkomende partij het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (hierna : UNIA). B.
  89. Om na te gaan of een natuurlijke persoon of rechtspersoon doet blijken van een belang om tussen te komen in een beroep tot vernietiging, dient rekening te worden gehouden met artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dat bepaalt : « Wanneer het [...] Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, kan ieder die van een belang doet blijken, zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel
  90. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ». Van een belang in de zin van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doet blijken de persoon die aantoont dat zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt door het arrest dat het Hof in verband met het beroep tot vernietiging dient te wijzen. B.
  91. WBE is de inrichtende macht van de instellingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, waarvan de territoriale polen afhangen die de 24 verhoging van de werkingsdotatie genieten waarin de in de zaak nr. 7720 bestreden bepaling voorziet. Het onderhavige arrest kan de situatie van die instelling bijgevolg rechtstreeks en ongunstig raken, zodat zij doet blijken van een belang om tussen te komen. B.11.
  92. UNIA werd opgericht bij het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen voor de oprichting van het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van racisme en discriminatie onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling, zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarbij rechtspersoonlijkheid aan UNIA werd toegekend. Krachtens artikel 3 van dat samenwerkingsakkoord heeft UNIA als opdracht « het bevorderen van de gelijkheid van kansen en omgaan met de diversiteit in onze samenleving en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van : een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationaliteit, nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, sociale positie, geboorte, vermogen, leeftijd, het geloof, levensbeschouwing, gezondheidstoestand, politieke overtuiging of syndicale overtuiging, handicap, fysieke of genetische eigenschap ». Volgens datzelfde artikel heeft UNIA eveneens als opdracht « de taken [te] vervullen voorzien in artikel 33, § 2, van het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap », dat bepaalt dat « de Staten die Partij zijn, in overeenstemming met hun rechts- en administratieve systeem, op hun grondgebied een kader onderhouden en versterken , met onder meer een of meer onafhankelijke instanties, al naargelang, om de uitvoering van dit Verdrag te bevorderen, te beschermen en op te volgen of daarvoor een instantie aanwijzen of oprichten », en waarvan artikel 24 het recht van personen met een handicap op onderwijs erkent. Overeenkomstig artikel 6, § 3, tweede lid, van dat samenwerkingsakkoord is UNIA bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij het voormelde artikel 3, in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen zoals bij de toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 « betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie ». Dat decreet is van toepassing inzake onderwijs en beoogt onder meer het onderscheid op grond van het criterium van een handicap (artikel 3, 1° en 12°, en artikel 4). 25 B.11.
  93. Zoals in B.7.
  94. is vermeld, voorzien de bestreden bepalingen in de zaak nr. 7747 in verscheidene bijzondere maatregelen voor de territoriale polen wanneer zij leerlingen met een sensomotorische handicap begeleiden, zonder dat die maatregelen worden uitgebreid tot de begeleiding van leerlingen met een andere handicap. Die bepalingen kunnen bijgevolg de opdracht van UNIA en het collectief belang dat het verdedigt, raken. UNIA doet dus blijken van het vereiste belang. B.12.
  95. In de zaak nr. 7747 voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op artikel 6.2.2-5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, aangezien de verzoekende partij geen grieven aanvoert tegen die bepaling. B.12.
  96. De exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft betrekking op de draagwijdte van de door de verzoekende partij opgeworpen middelen, zodat het onderzoek van de ontvankelijkheid samenvalt met dat van de grond van de zaak. Ten gronde Wat betreft de zaak nr. 7720 B.
  97. Het enige middel in de zaak nr. 7720 is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de eerste paragraaf van die bepaling, in zoverre artikel 6.2.5.-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs in een verschillende financiering voorziet naar gelang van de inrichtende macht waarvan de hoofdschool van de territoriale pool afhangt. Volgens de verzoekende partij vormen de objectieve verschillen tussen de netten geen redelijke verantwoording voor dat verschil in behandeling. B.
  98. In haar memorie van antwoord voegt de verzoekende partij eraan toe dat de bepaling ten aanzien van de leerlingen met een handicap kan leiden tot beperkingen van hun recht op inclusie in het onderwijs, aangezien de kwaliteit van de begeleiding die zij genieten in het gewoon onderwijs kan verschillen naar gelang van het net waaraan de hoofdschool van de territoriale pool verbonden is, hetgeen niet bestaanbaar zou zijn met artikel 22ter van de 26 Grondwet, met artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest en met artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. B.15.
  99. De Franse Gemeenschapsregering en de tussenkomende partij werpen de niet-ontvankelijkheid van die grief op in zoverre hij een nieuw middel vormt. B.15.
  100. Het staat niet aan de verzoekende partij in haar memorie van antwoord het middel van het beroep, zoals door haarzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen. Een grief die in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar die verschilt van diegene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, is een nieuw middel en is onontvankelijk. Het Hof dient dus niet te onderzoeken of de bestreden bepaling bestaanbaar is met artikel 22ter van de Grondwet, met artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest en met artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. B.
  101. In haar memorie van antwoord voert de tussenkomende partij aan dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over het enige middel, dat betrekking zou hebben op een keuze van de Grondwetgever, daar het aangevoerde verschil in behandeling zijn oorsprong niet zou vinden in de bestreden bepaling, maar in artikel 24 van de Grondwet. B.
  102. Artikel 24 van de Grondwet bepaalt : « §
  103. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. §
  104. Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. §
  105. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. 27 Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding. §
  106. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. §
  107. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». B.18.
  108. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht dat voortvloeit uit een keuze van de Grondwetgever zelf. B.18.
  109. Artikel 24, § 4, van de Grondwet herbevestigt voor onderwijszaken de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie. Volgens die bepaling zijn onder meer alle onderwijsinstellingen gelijk voor de wet of het decreet. De onderwijsinstellingen moeten derhalve alle op een gelijke manier worden behandeld, tenzij onderlinge objectieve verschillen een verschil in behandeling redelijk kunnen verantwoorden. Omgekeerd, moeten zij verschillend worden behandeld wanneer zij zich ten aanzien van de bestreden maatregel in een wezenlijk verschillende situatie bevinden, tenzij voor de gelijke behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. B.18.
  110. Die vaststelling heeft niet tot gevolg dat de bestreden bepaling ontsnapt aan de toetsing van het Hof. Integendeel, het staat aan het Hof na te gaan of de decreetgever, door artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs aan te nemen, een verschil in behandeling heeft doen ontstaan dat redelijk verantwoord is in het licht van de objectieve verschillen waarvan sprake is in artikel 24, § 4, van de Grondwet. B.19.
  111. De bestreden bepaling in de zaak nr. 7720 voorziet in een verhoging met 33 % van de werkingsdotatie van de territoriale polen geplaatst onder de verantwoordelijkheid van een hoofdschool wanneer die laatste behoort tot het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Zij creëert dus een verschil in behandeling, wat betreft de aan de territoriale polen toegekende financiering van de werkingskosten, naargelang de school voor gespecialiseerd 28 onderwijs die de hoofschool van de pool is wordt georganiseerd dan wel gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. B.19.
  112. Met toepassing van artikel 6.2.5-1, § 3, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, is de door de Franse Gemeenschap betaalde dotatie of werkingssubsidie bedoeld om « de kosten te dekken die verband houden met de werking en de uitrusting van de territoriale polen en met de terugbetaling van de kilometerkosten die worden gemaakt door de personeelsleden van de territoriale polen die wedden of weddesubsidies ontvangen ». Krachtens artikel 6.2.5-6, § 3, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, kunnen de territoriale polen hun werkingsmiddelen gebruiken om administratief personeel aan te werven. B.19.
  113. De middelen die ter beschikking worden gesteld van de territoriale polen om hun werking te verzekeren, moeten die polen in staat stellen om de opdrachten te vervullen die hun worden toegewezen bij artikel 6.2.3.-1 van hetzelfde Wetboek, zowel wat betreft de begeleiding van de samenwerkende scholen als wat betreft de individuele begeleiding van de leerlingen met specifieke behoeften die onderwijs volgen in die scholen. Het komt aan elke territoriale pool toe de middelen waarover hij beschikt toe te kennen « naar gelang van de specifieke behoeften van de leerlingen voor wie hij de zorg op zich neemt » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 8), zodat « in het systeem van de polen, de middelen dus [niet] verbonden zijn aan een leerling maar worden toegekend aan een structuur die ze zo goed mogelijk moet besteden naar gelang van de specifieke behoeften van de leerlingen van de scholen voor gewoon onderwijs waarmee die structuren samenwerken » (ibid.). B.20.
  114. Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen het basisbeginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschil in behandeling van die instellingen niet uit, op voorwaarde dat dat gegrond is op objectieve verschillen, « waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ». In de parlementaire voorbereiding van de grondwetsherziening van 15 juli 1988 wordt in dat verband de mogelijkheid vermeld om rekening te houden met de eigen verplichtingen die op de scholen van de gemeenschap rusten, met de eigendomsregeling van de schoolgebouwen, of nog met de mogelijkheid voor sommige inrichtende machten of instellingen om de door de gemeenschap toegekende financiering aan te vullen met openbare of private middelen (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, pp. 5-7). Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de onderwijsinstellingen van de onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende 29 te wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die instellingen. Bovendien moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, het aangevoerde onderscheid relevant is om een verschil in behandeling redelijkerwijze te verantwoorden. B.20.
  115. Volgens de memorie van toelichting bij de bestreden bepaling berust het verschil in behandeling betreffende de financiering van de werkingskosten op het feit dat « Wallonie-Bruxelles Enseignement (WBE) een bijzondere inrichtende macht met eigen kenmerken is » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 27). In dat verband wordt vermeld dat WBE onderwijs verstrekt aan leerlingen die in andere scholen problemen hebben gehad en dat, krachtens het bestreden decreet, WBE niet kan weigeren een partnerschaps- of samenwerkingsovereenkomst te sluiten met de inrichtende machten die zulk een overeenkomst niet hebben kunnen sluiten met een inrichtende macht behorend tot het gesubsidieerd onderwijs (ibid.). B.20.
  116. Uit de in B.2.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat, teneinde het bedrag te bepalen van de dotatieverhoging die de territoriale polen ontvangen waarvan de hoofdschool een door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinstelling is, de decreetgever zich heeft afgestemd op het verschil in financiering waarin de wet van 29 mai 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de wet van 29 mei 1959) voorziet, die bepaalt dat de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, binnen de perken van de begrotingskredieten, werkingstoelagen per regelmatig ingeschreven leerling genieten waarvan het bedrag gelijk is aan 75 % van de forfaitaire dotaties die aan de instellingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs worden toegekend (artikel 32, § 2, eerste lid). B.20.
  117. Het kan de decreetgever niet worden verweten dat hij, bij de oprichting van nieuwe onderwijsstructuren, de berekeningswijze voor dotaties en subsidies overneemt die eigen is aan elk onderwijsnet, zoals zij is bepaald bij de wet van 29 mei
  118. B.
  119. Een territoriale pool is evenwel een structuur die weliswaar onder de verantwoordelijkheid en onder het gezag van de organen van de hoofdschool valt, maar die over eigen human resources en budgettaire middelen beschikt. De memorie van toelichting bij het bestreden decreet preciseert in dat verband : 30 « Door het feit dat een territoriale pool verbonden is aan een inrichtende macht van een school voor gespecialiseerd onderwijs, kan zij niet als onderwijsinstelling worden gekwalificeerd. Een territoriale pool is een structuur die verbonden is aan maar losstaat van een hoofdschool. Ook al zijn sommige elementen gemeenschappelijk aan de territoriale pool en de hoofdschool (inrichtende macht, directeur, statutaire mechanismen, bijlage met betrekking tot de territoriale pool in de doelstellingenovereenkomst van de hoofdschool), dient te worden onderstreept dat de inrichtende macht verantwoordelijk is voor onderscheiden elementen : - enerzijds, voor de zogenoemde ʽhoofdschoolʼ; - anderzijds, voor een territoriale pool. In die hoedanigheid zal zij van de regulerende overheid aparte dotaties/subsidies ontvangen voor de school die zij organiseert en voor de territoriale pool die zij organiseert. Het multidisciplinair team van de territoriale pool is dus onderscheiden van het onderwijsteam van de hoofdschool, en de door de Franse Gemeenschap toegekende werkingsmiddelen voor de pool kunnen niet worden samengevoegd of vermengd met de werkingsmiddelen die worden toegekend voor de hoofdschool. Met de steun van de coördinator wat de territoriale pool betreft, oefent de directeur gezag uit over beide structuren. Er dient ook op te worden gewezen dat de opdrachten die door dit ontwerpdecreet worden toevertrouwd aan de territoriale polen verschillen van de klassieke onderwijsopdrachten die traditioneel worden uitgeoefend in een school. De territoriale polen zullen enerzijds opdrachten uitoefenen in verband met de begeleiding van de samenwerkende scholen zelf en, anderzijds, opdrachten in verband met de begeleiding van de leerlingen die zijn ingeschreven in de betrokken samenwerkende scholen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 15). B.22.
  120. Daaruit volgt dat de territoriale polen moeten worden onderscheiden van de onderwijsinstellingen wat zowel de organisatie, de werking, de opdrachten als de financiering ervan betreft. Zij betrekken noch bezitten eigen gebouwen, doordat de coördinatie van de pool wordt gehuisvest door de hoofdschool en hun personeelsleden hun opdrachten uitoefenen in de samenwerkende scholen en in de lokalen van die scholen. Zij bieden de samenwerkende scholen en de leerlingen die er naar school gaan hun begeleiding aan, waarbij die scholen als enigen verantwoordelijk blijven voor de inschrijving van de leerlingen. Aangezien de financiering van de territoriale pool niet mag worden samengevoegd of vermengd met die van de hoofdschool, wordt de inrichtende macht van die laatste niet verondersteld de door de Gemeenschap toegekende financiering te kunnen aanvullen met openbare of private middelen. De financiering van de territoriale polen staat bijgevolg los van de in B.20.1 vermelde objectieve verschillen. 31 B.22.
  121. Overigens, ook al is het juist dat de hoofdscholen behorend tot het net van WBE geen partnerschap of samenwerking kunnen weigeren met een school die zich wenst aan te sluiten bij de pool die onder hun verantwoordelijkheid is geplaatst, kan uit de artikelen 6.2.2-4, § 2 en § 4, laatste lid, en 6.2.2-6, § 2, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs worden afgeleid dat de hoofdscholen behorend tot de andere netten niet zonder geldige reden een partnerschap of een samenwerking mogen weigeren, dat tegen een weigering een klacht kan worden ingediend bij de Regering en dat die laatste, indien zij de weigering onredelijk acht, een sanctie kan opleggen aan de betrokken hoofdschool. B.23.
  122. Artikel 6.2.2-1, vierde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs bepaalt : « De territoriale pool en haar hoofdschool, partnerscholen en samenwerkende scholen kunnen worden georganiseerd door afzonderlijke inrichtende machten, die onder afzonderlijke onderwijsnetwerken en -niveaus vallen ». Die mogelijkheid van gemengde territoriale polen wordt bevestigd door artikel 67, § 2, van het decreet van 17 juni 2021, dat preciseert dat zowel de partnerscholen als de samenwerkende scholen tot verschillende onderwijsnetten kunnen behoren. De memorie van toelichting preciseert in dat verband : « Dat artikel legt ook een principe vast : elke school voor gewoon onderwijs moet verplicht samenwerken met een territoriale pool. Die samenwerking wordt geformaliseerd door het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst of door het vastleggen van een gebied [...]. Een territoriale pool kan uiteraard niveau-overschrijdend worden opgericht, dat wil zeggen dat hij scholen voor gespecialiseerd en/of gewoon onderwijs van de niveaus van basis- en/of secundair onderwijs kan samenbrengen. [...] Een pool kan ook netoverschrijdend worden opgericht en scholen voor gespecialiseerd en/of gewoon onderwijs van verschillende federaties van inrichtende machten samenbrengen » ((Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 245/1, p. 15). B.23.
  123. Hieruit volgt dat samenwerkende scholen behorend tot het gesubsidieerd onderwijs begeleiding kunnen krijgen van hetzij een territoriale pool waarvan de hoofdschool wordt georganiseerd door WBE, hetzij een territoriale pool waarvan de hoofdschool wordt georganiseerd door een gesubsidieerde inrichtende macht, en dat, op dezelfde manier, scholen georganiseerd door WBE begeleiding kunnen krijgen van hetzij een territoriale pool waarvan 32 de hoofdschool wordt georganiseerd door WBE, hetzij een territoriale pool waarvan de hoofdschool wordt georganiseerd door een gesubsidieerde inrichtende macht. Krachtens de bestreden bepaling zullen scholen behorend tot hetzelfde net dus begeleiding krijgen die in meer of mindere mate wordt gefinancierd naargelang de hoofdschool van de territoriale pool waarmee hun school samenwerkt, georganiseerd is door WBE of door een gesubsidieerde inrichtende macht. B.23.
  124. Om de redenen vermeld in B.22.1 en in B.22.2, kunnen de in B.20 vermelde specifieke kenmerken van de inrichtende macht van de hoofdscholen behorend tot het net van de Franse Gemeenschap geen verschil in behandeling verantwoorden, wat de financiering van hun werkingskosten betreft, tussen de territoriale polen naar gelang van het net waaraan hun hoofdschool verbonden is. Dat geldt des te meer omdat, zoals in B.23.2 is vermeld, de territoriale polen structuren zijn die netoverschrijdend kunnen werken en zij bijgevolg niet allemaal exclusief aan één net kunnen worden verbonden. B.
  125. Het verschil in behandeling dat door de bestreden bepaling wordt gecreëerd, berust niet op een criterium dat objectief en pertinent is. Het enige middel in de zaak nr. 7720 is gegrond. Artikel 6.2.5-6, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, ingevoegd bij artikel 1 van het decreet van 17 juni 2021, dient te worden vernietigd. Wat betreft de zaak nr. 7747 Eerste middel B.25.
  126. Het eerste middel in de zaak nr. 7747 heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 15, punt 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. B.25.
  127. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 33 Artikel 15 van het herziene Europees Sociaal Handvest luidt : « Recht van mindervaliden op zelfstandigheid, sociale integratie en deelname aan de samenleving Teneinde de mindervaliden, ongeacht hun leeftijd, de aard en de oorzaak van hun handicap, de onbelemmerde uitoefening van hun recht op zelfstandigheid, sociale integratie en deelname aan de samenleving te waarborgen, verbinden de Partijen zich ertoe :
  128. de nodige maatregelen te nemen om aan de mindervaliden een voorlichting, onderwijs en een beroepsopleiding te verschaffen in het kader van het gemeen recht telkens zulks mogelijk is of als dat niet kan via gespecialiseerde openbare of privéinstellingen; [...] ». Artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
  129. De Staten die partij zijn, erkennen dat een geestelijk of lichamelijk gehandicapt kind een volwaardig en behoorlijk leven dient te hebben, in omstandigheden die de waardigheid van het kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken.
  130. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het gehandicapte kind op bijzondere zorg, en stimuleren en waarborgen dat aan het daarvoor in aanmerking komende kind en degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar verzorging, afhankelijk van de beschikbare middelen, de bijstand wordt verleend die is aangevraagd en die passend is gezien de gesteldheid van het kind en de omstandigheden van de ouders of anderen die voor het kind zorgen.
  131. Onder erkenning van de bijzondere behoeften van het gehandicapte kind, dient de in overeenstemming met het tweede lid geboden bijstand, wanneer mogelijk, gratis te worden verleend, rekening houdend met de financiële middelen van de ouders of anderen die voor het kind zorgen. Deze bijstand dient erop gericht te zijn te waarborgen dat het gehandicapte kind daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs, opleiding, voorzieningen voor gezondheidszorg en revalidatie, voorbereiding voor een beroep, en recreatiemogelijkheden, op een wijze die ertoe bijdraagt dat het kind een zo volledig mogelijke integratie in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling bereikt, met inbegrip van zijn of haar culturele en intellectuele ontwikkeling.
  132. De Staten die partij zijn, bevorderen, in de geest van internationale samenwerking, de uitwisseling van passende informatie op het gebied van preventieve gezondheidszorg en van medische en psychologische behandeling van, en behandeling van functionele stoornissen bij, gehandicapte kinderen, met inbegrip van de verspreiding van en de toegang tot informatie betreffende revalidatiemethoden, onderwijs en beroepsopleidingen, met als doel de Staten die partij zijn, in staat te stellen hun vermogens en vaardigheden te verbeteren en hun ervaring op deze gebieden te verruimen. Wat dit betreft wordt in het bijzonder rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden ». 34 Artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt : «
  133. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op onderwijs. Teneinde dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, waarborgen Staten die Partij zijn een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus en voorzieningen voor een leven lang leren en wel met de volgende doelen : a) de volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel en het gevoel van waardigheid en eigenwaarde en de versterking van de eerbiediging van mensenrechten, fundamentele vrijheden en de menselijke diversiteit; b) de optimale ontwikkeling door personen met een handicap van hun persoonlijkheid, talenten en creativiteit, alsmede hun mentale en fysieke mogelijkheden, naar staat van vermogen; c) het in staat stellen van personen met een handicap om daadwerkelijk te participeren in een vrije maatschappij.
  134. Bij de uitoefening van dit recht waarborgen de Staten die Partij zijn dat : a) personen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten van het algemene onderwijssysteem, en dat kinderen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten van gratis en verplicht basisonderwijs of van het voortgezet onderwijs; b) personen met een handicap toegang hebben tot inclusief, hoogwaardig en gratis basisonderwijs en tot voortgezet onderwijs en wel op basis van gelijkheid met anderen in de gemeenschap waarin zij leven; c) redelijke aanpassingen worden verschaft naar gelang de behoefte van de persoon in kwestie; d) personen met een handicap, binnen het algemene onderwijssysteem, de ondersteuning ontvangen die zij nodig hebben om effectieve deelname aan het onderwijs te vergemakkelijken; e) doeltreffende, aan het individu aangepaste, ondersteunende maatregelen worden genomen in omgevingen waarin de cognitieve en sociale ontwikkeling wordt geoptimaliseerd, overeenkomstig het doel van onderwijs waarbij niemand wordt uitgesloten.
  135. De Staten die Partij zijn stellen personen met een handicap in staat praktische en sociale vaardigheden op te doen, teneinde hun volledige deelname aan het onderwijs en in het gemeenschapsleven op voet van gelijkheid te vergemakkelijken. Daartoe nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen, waaronder : a) het vergemakkelijken van het leren van braille, alternatieve schrijfwijzen, het gebruik van ondersteunende en alternatieve communicatiemethoden, -middelen en -vormen, alsmede het opdoen van vaardigheden op het gebied van oriëntatie en mobiliteit en het vergemakkelijken van ondersteuning en begeleiding door lotgenoten; 35 b) het leren van gebarentaal vergemakkelijken en de taalkundige identiteit van de gemeenschap van doven bevorderen; c) waarborgen dat het onderwijs voor personen, en in het bijzonder voor kinderen, die blind, doof of doofblind zijn, plaatsvindt in de talen en met de communicatiemethoden en -middelen die het meest geschikt zijn voor de desbetreffende persoon en in een omgeving waarin hun cognitieve en sociale ontwikkeling worden geoptimaliseerd.
  136. Teneinde de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om leerkrachten aan te stellen, met inbegrip van leerkrachten met een handicap, die zijn opgeleid voor gebarentaal en/of braille, en leidinggevenden en medewerkers op te leiden die op alle niveaus van het onderwijs werkzaam zijn. Bij deze opleiding moeten de studenten worden getraind in het omgaan met personen met een handicap en het gebruik van de desbetreffende ondersteunende communicatie en andere methoden, middelen en vormen van en voor communicatie, onderwijstechnieken en materialen om personen met een handicap te ondersteunen.
  137. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap, zonder discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen, toegang verkrijgen tot het tertiair onderwijs, beroepsopleidingen, volwassenenonderwijs en een leven lang leren. Daartoe waarborgen de Staten die Partij zijn dat redelijke aanpassingen worden verschaft aan personen met een handicap ». B.26.
  138. In een eerste onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen zonder redelijke verantwoording een verschil in behandeling creëren tusse

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.