id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.086 Arrest- Rolnummer: 86/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 1137 - laatst gezien 2026-06-18 21:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 29 oktober 2021 met als opschrift « interpretatieve wet van artikel 124, § 1, d), van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen », ingesteld door de vzw « Assuralia » en anderen en door de nv « Allianz Benelux ». Verzekeringen - Brandverzekering - Verzekering tegen natuurrampen - Aardverschuiving of grondverzakking - Begrip - Interpretatieve bepaling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 86/2023 van 1 juni 2023 Rolnummers : 7760 en 7808 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 29 oktober 2021 met als opschrift « interpretatieve wet van artikel 124, § 1, d), van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen », ingesteld door de vzw « Assuralia » en anderen en door de nv « Allianz Benelux ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 februari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 februari 2022, is beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 29 oktober 2021 met als opschrift « interpretatieve wet van artikel 124, § 1, d), van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 november 2021) ingesteld door de vzw « Assuralia », de nv « Baloise Belgium », de nv « AXA Belgium », de nv « AG Insurance » en de nv « KBC Verzekeringen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Huyghe en Mr. W. Vandenbruwaene, advocaten bij de balie te Brussel, en door Mr. M. Deketelaere, advocaat bij de balie van Antwerpen. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 74/2022 van 25 mei 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.074), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 november 2022, tweede editie, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 mei 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 mei 2022, heeft de nv « Allianz Benelux », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Huyghe, Mr. W. Vandenbruwaene en Mr. M. Deketelaere, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wetsbepaling. 2 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7760 en 7808 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Etienne Sluys, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie (tussenkomende partij in de zaak nr. 7760); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel (in beide zaken). De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 1 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 maart 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 15 maart 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 april 2023. Op de openbare terechtzitting van 26 april 2023 : - zijn verschenen : . Mr. A. Huyghe, Mr. W. Vandenbruwaene en Mr. M. Deketelaere, voor de verzoekende partijen (in beide zaken); . Mr. P. Vanlersberghe, voor Etienne Sluys; . Mr. V. De Schepper, tevens loco Mr. J.-F. De Bock, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst in de zaak nr. 7760 A.1.1. De verzoekende partijen betwisten het actuele karakter van het belang van Etienne Sluys bij zijn tussenkomst in de zaak nr. 7760, bij afwezigheid van een hangende gerechtelijke procedure. A.1.2. Etienne Sluys, tussenkomende partij in de zaak nr. 7760, voert aan dat hij het rechtens vereiste belang heeft bij zijn tussenkomst in de procedure teneinde het beroep tot nietigverklaring verworpen te zien worden. Hij verwijst ter zake naar het feit dat zijn brandverzekeraar weigert om tussen te komen omdat het aangegeven schadegeval, zijnde scheuren aan zijn woning tijdens een periode van uitzonderlijke droogte die zijn veroorzaakt door de uitdroging van de plastische kleilaag waarop de woning werd gebouwd, niet zou zijn gedekt door de polis. Het is duidelijk dat hij door een vernietiging van de interpretatieve bepaling rechtstreeks zou worden geraakt, doordat zijn brandverzekeraar zonder meer zou kunnen aanvoeren dat het inklinken van de bodem ingevolge de droogte niet als een natuurramp in de zin van artikel 124 van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) kan worden beschouwd en derhalve niet onder de dekking van de brandpolis valt. Ten gronde A.2.1. Het eerste middel in de zaken nrs. 7760 en 7808 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 84 ervan, met het beginsel van de rechtsstaat, met het beginsel van niet-retroactiviteit, met het rechtszekerheidsbeginsel, met het vertrouwensbeginsel en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.2. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling ten onrechte wordt voorgesteld als een interpretatieve bepaling, vermits zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 84 van de Grondwet. De bestreden bepaling bevat een nieuwe rechtsregel met terugwerkende kracht, in zoverre zij het toepassingsgebied van de uitgelegde bepaling uitbreidt. Het « inklinken van de bodem als gevolg van een langdurige periode van droogte » behoort immers niet tot de natuurrampen, in het bijzonder « de aardverschuivingen en grondverzakkingen », die de wetgever in 2005 wilde laten verzekeren via de brandverzekering. De parlementaire voorbereiding van de wet van 17 september 2005 « tot wijziging wat de verzekering tegen natuurrampen betreft, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen » (hierna : de wet van 17 september 2005) toont niet aan dat de wetgever schade aan gebouwen veroorzaakt door langdurige droogte in aanmerking wenste te nemen, laat staan kon nemen. De inklinking van de bodem is geen « grondverzakking » of « beweging van een belangrijke massa van de bodemlaag », doch wel een terugkerend proces van volumevermindering door verdroging of onttrekking gecombineerd met een volumetoename door bevochtiging. Het betreft dus geen beweging en verplaatsing, doch wel een dynamiek of variatie in de bodem als gevolg van een samenspel van verschillende factoren. De bestreden bepaling zou voorts geen uitleg geven over een eerdere wet die onduidelijk, onzeker of controversieel is. De in de parlementaire voorbereiding aangehaalde onenigheid in de rechtspraak overtuigt niet, vermits het net eigen is aan de rechtsprekende functie om de feiten te kwalificeren en juridische regels toe te passen. De wetgever houdt aldus geen rekening met het feit dat de concrete omstandigheden van de zaak tot diverse uitkomsten kunnen leiden. Bovendien staat het in beginsel aan het hoogste rechterlijke orgaan, en niet aan de wetgever, om tegenstrijdigheden in de lagere rechtspraak op te lossen. Tot slot schept de bestreden bepaling nog steeds onvoldoende duidelijkheid en zal een rechterlijk optreden nog steeds moeten uitmaken of de schadelijders vergoed moeten worden. Dit valt niet te rijmen met de vermeende doelstelling van de wetgever om klaarheid en duidelijkheid te scheppen. A.2.3. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de niet-retroactiviteit een waarborg is tegen rechtsonzekerheid. Aangezien de bestreden bepaling een weerslag heeft op hangende rechtsgedingen kunnen enkel uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen 4 belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever. In de parlementaire voorbereiding worden evenwel geen dergelijke omstandigheden of motieven aangevoerd. De gevolgen van de terugwerkende kracht zijn bovendien niet gering, in zoverre de omvang van de mogelijke schadegevallen volgens de parlementaire voorbereiding mogelijkerwijs tot 25 % van de woningen in België betreft. A.3.1. De Ministerraad voert inzake het eerste onderdeel van het eerste middel aan dat de bestreden bepaling wel degelijk een interpretatieve bepaling is, nu zij aan de geïnterpreteerde wetsbepaling de betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen. De wetgever heeft vanuit het algemeen belang steeds een ruime bescherming willen bieden tegen catastrofale risico’s. Aldus blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 juli 1976 « betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen » dat het begrip « natuurramp » vatbaar is voor interpretatie, gedreven door actualiteit en de feiten die zich voordoen. Voorts blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 september 2005 dat grondverzakkingen of -verschuivingen die het gevolg zijn van een traag en onzichtbaar proces of maar ten dele het gevolg zijn van een natuurlijk fenomeen, ook gedekt worden. Het kan dan ook worden aangenomen dat de wetgever bij het aannemen van artikel 124 van de wet van 4 april 2014 het inklinken van een belangrijke massa van de bodemlaag te wijten aan een langdurige periode van droogte als grondverzakking beoogde. De semantische discussie die de verzoekende partijen trachten te voeren over het begrip « beweging » kan niet worden gevolgd. Uiteraard dekt dat begrip niet enkel een verplaatsing van een punt a naar een punt b, doch evenzeer een uitzetting en inkrimping van de bodemlaag. De bestreden wet vraagt bijgevolg niets nieuws van de verzekeraars. Er wordt gewoon van hen verwacht dat ze datgene toepassen waartoe ze sinds 2005 gehouden zijn. Het staat eveneens vast dat de geïnterpreteerde bepaling onduidelijk is en vatbaar voor verschillende interpretaties. Aldus heeft het begrip « grondverschuiving » doorheen de jaren aanleiding gegeven tot vele vragen in het parlementaire debat. De onduidelijkheid vloeit eveneens voort uit de klachten die de ombudsman van de verzekeringen sinds 2011 ontvangt over het feit dat verzekeringsmaatschappijen de schade aan woningen ingevolge droogte niet willen terugbetalen. De onduidelijkheid vloeit tot slot ook voort uit tegenstrijdige vonnissen en arresten, waarbij een verschillende interpretatie wordt gegeven aan artikel 124, § 1, d), van de wet van 4 april 2014. Het is volgens de Ministerraad niet ernstig te beweren dat die verschillen in de rechtspraak louter te wijten zijn aan een verschil in concrete omstandigheden. A.3.2. De Ministerraad voert inzake het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat, vermits de bestreden wet wel degelijk een interpretatieve wet is, het retroactieve aspect wordt gerechtvaardigd door haar interpretatief karakter. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het retroactieve karakter van de bestreden wet ook verantwoord kan worden door dwingende motieven van algemeen belang. De bestreden bepaling is er immers op gericht duidelijkheid te scheppen zodat alle mensen van wie de woning schade heeft opgelopen door een inklinking van een belangrijke massa van de bodemlaag als gevolg van een langdurige periode van droogte, zich vergoed zien voor die schade. De bestreden bepaling verschaft dan ook grote rechtszekerheid aan de verzekerden. Er wordt niet aangetoond dat de eventuele rechtsonzekerheid die zou voortvloeien uit de terugwerkende kracht meer dan een geringe draagwijdte heeft. A.4. De tussenkomende partij in de zaak nr. 7760 voert inzake het eerste middel aan dat de bestreden wet duidelijk een interpretatieve wet is zoals bedoeld in artikel 84 van de Grondwet. Aldus blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling duidelijk dat het de bedoeling van de wetgever was om de tekst te verduidelijken, en niet om die uit te breiden. Bovendien geeft de bestreden bepaling aan de geïnterpreteerde bepaling een betekenis die deze ab initio kon krijgen. In geval van inklinken is er immers wel degelijk sprake van een beweging van de bodem, meer in het bijzonder van een bodemdalingsproces. Wat de aangevoerde schending van het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten betreft, stelt de tussenkomende partij dat het Hof niet rechtstreeks vermag te toetsen aan algemene beginselen. In ieder geval is er geen schending van dat beginsel, nu het tot het wezen van een interpretatieve wet behoort dat zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepalingen die zij interpreteert. De bestreden bepaling impliceert evenmin een schending van het gelijkheidsbeginsel, nu alle verzekeringsondernemingen ten aanzien van wie de bestreden wet wordt aangevoerd in situaties waarin er nog geen definitieve uitspraak is, op dezelfde wijze behandeld zullen worden. Die verzekeringsondernemingen kunnen zich niet benadeeld achten door het feit dat de terugwerkende kracht niet geldt in situaties waarin reeds een in kracht van gewijsde getreden beslissing is uitgesproken, vermits die regel hen per definitie bevoordeelt en door de rechtszekerheid is ingegeven. Bovendien kon de rechter, ook vóór de totstandkoming van de interpretatieve wet, aan de geïnterpreteerde bepaling de interpretatie geven die thans op authentieke manier is vastgelegd. Tot slot is er evenmin sprake van een 5 schending van het recht op toegang tot de rechter of van artikel 13 van de Grondwet. Niets kan de verzoekers immers beletten de betwisting aan de rechter voor te leggen. A.5. Het tweede middel in de zaken nrs. 7760 en 7808 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan het belang van de rechtsonderhorigen om de rechtsgevolgen van hun handelingen te kunnen voorzien, doordat zij de verzekeringsondernemingen dwingt om met terugwerkende kracht een risico te dekken. Het eerste onderdeel van het tweede middel steunt op de bescherming van gedane investeringen en de rentabiliteit van de bedrijfsvoering. De verzekeringscontracten inzake brand en natuurrampen, zoals bedoeld in artikel 124, § 1, van de wet van 4 april 2014, doen een legitieme verwachting ontstaan die geldt als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen een beperking aan van het vertrouwensbeginsel en het eigendomsrecht, doordat de rechtmatige juridische aanspraken van de verzoekende partijen op retroactieve wijze worden ontkracht. Die beperking zou niet verantwoord zijn, omdat de bestreden bepaling niet doelmatig is. Vermits de inklinking van de bodem zich als variabel proces kan blijven voordoen, worden de verzoekende partijen door die bepaling immers geacht de schade door een wederkerend fenomeen te blijven vergoeden, hetgeen niet strookt met de ratio legis van de verzekering tegen natuurrampen. De bestreden bepaling steunt bovendien niet op wetenschappelijk onderzoek en was evenmin het voorwerp van een diepgaand parlementair debat. A.6.1. De Ministerraad stelt inzake het tweede middel dat in onderhavig geval geen toepassing kan worden gemaakt van het eigendomsrecht, minstens dat er geen sprake is van enige beperking van het eigendomsrecht en, in ondergeschikte orde, dat een dergelijke beperking gerechtvaardigd wordt door het interpretatieve karakter van de bestreden bepaling. Uit het feit dat de bestreden bepaling een interpretatieve bepaling is en dus niets nieuws vraagt van de verzekeraars, volgt dat geen afbreuk wordt gedaan aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van de rechtshandelingen te voorzien, evenals dat de bestreden bepaling wel degelijk haar doel bereikt, zijnde duidelijkheid scheppen. A.6.2. In zijn memorie van wederantwoord in de zaak nr. 7760 merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partijen in hun memorie niet meer spreken over een schending van het eigendomsrecht. Bijgevolg verzoekt de Ministerraad het Hof om het tweede middel als onontvankelijk te verwerpen voor zover het betrekking heeft op het eigendomsrecht. A.7. De tussenkomende partij in de zaak nr. 7760 voert inzake het tweede middel aan dat het Hof niet rechtstreeks vermag te toetsen aan het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. In ieder geval kan niet worden beweerd dat die beginselen geschonden zijn door de bestreden interpretatieve bepaling of dat er op geen enkele manier rekening werd gehouden met de legitieme bedrijfsvoering en economische planning van de verzekeringssector. De geïnterpreteerde bepaling heeft immers steeds de draagwijdte gehad die de bestreden interpretatieve bepaling haar toekent, die bijgevolg voorzienbaar was. Niets kon de verzekeraars derhalve verhinderen om vanaf 2005 reeds de nodige reserves aan te leggen. Het feit dat de verzoekende partijen de bestreden wetsbepaling anders interpreteerden, is alleen aan hen toerekenbaar. Er is dan ook geen schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.8. Het derde middel in de zaken nrs. 7760 en 7808 is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, V, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van het beginsel van de federale loyauteit, in samenhang gelezen met het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De verzoekende partijen voeren aan dat de gewesten bevoegd zijn voor het landbouwbeleid, met inbegrip van de erkenning en financiering van de tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door landbouwrampen. Ernstige droogte wordt als niet-verzekerbaar risico en natuurramp lastens publieke middelen vergoed op grond van het decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 2019 « houdende de tegemoetkoming van de schade die aangericht is door rampen in het Vlaamse Gewest » (hierna : het decreet van 5 april 2019). De bestreden bepaling zou het begrip « ernstige droogte » in dat decreet uithollen en onwerkzaam maken. 6 A.9. De Ministerraad benadrukt dat het verzekeringsrecht tot de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid behoort. Met de zesde staatshervorming zijn de gewesten bevoegd geworden om de financiële schade door algemene rampen en door landbouwrampen die zich hebben voorgedaan op hun grondgebied, vanaf 1 juli 2014 te regelen. Als gevolg van die bevoegdheidsoverdracht heeft het Vlaamse Gewest het decreet van 5 april 2019 aangenomen, dat een steunregeling invoert voor landbouwers die een brede weersverzekering afsluiten en aldus een aantal risico’s met betrekking tot de schade aan teelten en schade in de landbouwsector in het algemeen naar de verzekeringssector overdraagt. Die gewestelijke regeling staat los van de dekking van natuurrampen binnen de brandverzekering. Het decreet van 5 april 2019 bevat een hoofdstuk dat specifiek de situatie regelt van schade aan goederen die verzekerd zijn tegen rampen. Artikel 26 van dat decreet voorziet in de gevallen waarin de Vlaamse Regering een financiële tegemoetkoming betaalt, die het gedeelte van de vergoeding dekt dat de verzekeraar niet aan de schadelijders betaalt wanneer de schade betrekking heeft op goederen die op het ogenblik van het schadegeval verzekerd zijn door een verzekeringsovereenkomst conform de artikelen 123 tot 132 van de wet van 4 april 2014. De bestreden bepaling heeft bijgevolg niet tot gevolg dat het begrip « ernstige droogte », zoals gehanteerd door de Vlaamse decreetgever in het decreet van 5 april 2019, wordt uitgehold. A.10. De tussenkomende partij benadrukt inzake het derde middel dat het loutere feit dat er twee regelingen bestaan die betrekking hebben op de vergoeding van schade veroorzaakt door droogte, geen schending impliceert van de in het middel aangehaalde beginselen en bepalingen. Zij merkt bovendien op dat het decreet van 5 april 2019 aangenomen werd op grond van een bevoegdheidsbepaling inzake landbouwrampen en voorziet in een financiële tegemoetkoming voor schade geleden door landbouwexploitanten, terwijl artikel 124, § 1, d), van de wet van 4 april 2014 en de bestreden interpretatieve wet de brandverzekering met betrekking tot eenvoudige risico’s betreffen. Beide regelingen zijn complementair. De Vlaamse decreetgever heeft nooit de bedoeling gehad om alle mogelijke schade door droogte te dekken. Dat blijkt duidelijk uit artikel 26 van het decreet van 5 april 2019, dat preciseert dat de Vlaamse Regering een financiële tegemoetkoming betaalt die het gedeelte van de vergoeding dekt dat de verzekeraar niet aan de schadelijders betaalt. Er kan niet worden gesteld dat de bestreden bepaling de uitoefening door de Vlaamse decreetgever van zijn bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk maakt, vermits de uitgelegde wet moet worden geacht ab initio de bewuste betekenis te hebben gehad. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 2 van de wet van 29 oktober 2021 met als opschrift « interpretatieve wet van artikel 124, § 1, d), van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 29 oktober 2021), dat beoogt een authentieke uitlegging te geven van artikel 124, § 1,
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.