id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.089 Arrest- Rolnummer: 89/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-19 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-19 00:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Personen - Afstamming - Familienaam - Afstamming die later ten aanzien van de biologische vader wordt vastgesteld - Succesvol onderzoek naar het vaderschap - Naam van de moeder - Dubbele naam Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 89/2023 van 8 juni 2023 Rolnummers : 7819 en 7834 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 15 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 juni 2022, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek en de daarin vastgestelde regeling inzake de toekenning van de naam in geval van opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden bij onenigheid van de ouders, niet artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het geenszins rekening houdt met het hoger belang van het kind ? »;
- « Schendt artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek en de daarin vastgestelde regeling inzake de toekenning van de naam in geval van opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden bij onenigheid van de ouders, niet de artikelen 10, 11 en 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het geenszins rekening houdt met het hoger belang van het kind, terwijl, in het adoptierecht, artikel 353-5 van het oud Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk erin voorziet dat, bij gebreke van overeenstemming over de naam, ‘ de familierechtbank [beslist] in het hoger belang van het kind en met eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen ’ ? »; 2
- « Schendt artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek en de daarin vastgestelde regeling inzake de toekenning van de naam in geval van opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden bij onenigheid van de ouders, niet artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het voor de ouder die wordt geconfronteerd met de weigering van de andere ouder, niet voorziet in enige mogelijkheid om die betwisting voor een rechtscollege te brengen, dat daarover zal kunnen oordelen in het licht van het hoger belang van het kind door de aanwezige belangen af te wegen ? »;
- « Schendt artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek en de daarin vastgestelde regeling inzake de toekenning van de naam in geval van opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden bij onenigheid van de ouders, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in dat geval, de naam wordt gekozen van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als eerste komt vast te staan, terwijl, nog steeds volgens dat artikel, bij wijziging van de afstamming van vaderszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting op grond van de artikelen 312, § 2, 381, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, van het oud Burgerlijk Wetboek (hetgeen dus steeds leidt tot een opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden), wordt gekozen voor de oplossing van de dubbele naam in alfabetische volgorde ? »;
- « Schendt artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek en de daarin vastgestelde regeling inzake de toekenning van de naam in geval van opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden bij onenigheid van de ouders, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre altijd zal worden gekozen voor de naam van de moeder (ten aanzien van wie de wettelijke afstamming steeds zeker is), daar de hypothese van één enkele vastgestelde afstamming van vaderszijde louter theoretisch is ? »;
- « Schendt artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek en de daarin vastgestelde regeling inzake de toekenning van de naam in geval van opeenvolgende en niet gelijktijdige vaststelling van twee afstammingsbanden bij onenigheid van de ouders, niet artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het de rechter niet toelaat om, door de aanwezige belangen af te wegen, na te gaan of het hoger belang van het kind niet veeleer en concreet is gelegen in het dragen van de namen van zijn twee ouders, in plaats van in het beginsel van de onveranderlijkheid van zijn naam ? ». b. Bij vonnis van 4 juli 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juli 2022, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, dezelfde prejudiciële vragen gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7819 en 7834 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. de Lophem en Mr. J. Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 3 Bij beschikking van 12 april 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 april 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 26 april 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Bij de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, wordt een in artikel 322 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde vordering tot onderzoek naar het vaderschap ingesteld door de biologische vader van een in 2020 geboren kind en wordt een in artikel 329bis van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde vordering tot toestemming van erkenning ingesteld door de biologische vader van een in 2017 geboren kind. In elk van de twee zaken vraagt de biologische vader ook dat de naam van het kind, welke die van de moeder is, wordt gewijzigd. In elk van de twee zaken willigt de rechtbank de vordering met betrekking tot de vaststelling van de afstamming van vaderszijde in. Vervolgens stelt de Rechtbank, in elk van de twee zaken, vast dat de moeder niet instemt met een wijziging van de naam van het kind. De Rechtbank merkt op dat krachtens artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek de vaststelling van een tweede afstammingsband na de vaststelling van de eerste afstammingsband geen wijziging van de naam van het kind met zich meebrengt, tenzij de ouders het over een dergelijke wijziging eens zijn. De Rechtbank merkt op dat het Hof, bij zijn arresten nrs. 131/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.131), 64/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.064), 95/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.095) en 21/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.021), heeft geoordeeld dat die bepaling niet ongrondwettig was. Zij is niettemin van oordeel dat die rechtspraak voor kritiek vatbaar is. Zij beslist daarom de zes hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste, tweede, derde en zesde prejudiciële vraag A.1.
- De Ministerraad merkt vooraf op dat de eerste, tweede, derde en zesde prejudiciële vraag op de premisse berusten volgens welke in de in het geding zijnde bepaling het hogere belang van het kind niet in aanmerking zou worden genomen. Volgens hem weigert het verwijzende rechtscollege rekening te houden met de eenduidige rechtspraak van het Hof en komen de prejudiciële vragen in werkelijkheid erop neer dat aan het Hof wordt gevraagd zijn rechtspraak te herzien. A.1.
- Volgens de Ministerraad is het verantwoord dat de oplossing van de dubbele naam, in tegenstelling tot hetgeen waarin in artikel 335, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek is voorzien wanneer de afstammingen gelijktijdig komen vast te staan, niet wordt toegepast in geval van onenigheid tussen de ouders wanneer de afstammingen achtereenvolgens komen vast te staan. Hij benadrukt dat het kind, in die situatie, reeds een naam draagt, namelijk die van de persoon ten aanzien van wie de afstamming in de eerste plaats kwam vast te staan. Hij merkt op dat artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, in die situatie, de wijziging van de naam van het kind toelaat volgens een van de bij de wet voorziene mogelijkheden, voor zover de ouders het eens zijn. Hij merkt op dat, indien er een dergelijke overeenstemming is, akte wordt genomen van de naam van het kind door de 4 ambtenaar van de burgerlijke stand, zonder dat die laatste de keuze van de ouders kan beoordelen. Vervolgens benadrukt de Ministerraad dat uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat de toekenning van de naam hoofdzakelijk berust op overwegingen van sociaal nut en dat zij bij de wet is vastgelegd, opdat de naam op eenvoudige, snelle en eenvormige wijze zou worden bepaald en opdat een zekere onveranderlijkheid eraan zou worden gegeven. Hij voegt eraan toe dat de wetgever ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Hij verwijst met name naar het voormelde arrest van het Hof nr. 64/2020 en doet gelden dat het beginsel van de onveranderlijkheid van de naam verantwoordt dat bij ontstentenis van overeenstemming tussen de ouders, de naam van het kind niet wordt gewijzigd. Hij preciseert dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook van oordeel is dat het beginsel van de onveranderlijkheid van de naam een reden van algemeen belang is die verantwoordt dat op de naamsverandering een beperking kan worden toegepast. Volgens de Ministerraad brengt de in het geding zijnde bepaling een billijk evenwicht tot stand tussen de onveranderlijkheid van de naam, de wilsautonomie en het belang van het kind. A.1.
- De Ministerraad benadrukt dat het Hof, bij zijn arrest nr. 162/2016 van 14 december 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.162), heeft geoordeeld dat het grondwettig was dat de rechter geen controle kan uitvoeren ten aanzien van het belang van het kind wat de kwestie van de toekenning van de naam betreft. Volgens hem dient hetzelfde te gelden wat de kwestie van de naamsverandering betreft, hetgeen overigens wordt bevestigd bij het voormelde arrest van het Hof nr. 64/
- A.1.
- Wat de vergelijking betreft met de toepasbare regels in geval van gewone adoptie, doet de Ministerraad gelden dat uit artikel 1231-3 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de overeenstemming over de naam een essentiële voorwaarde voor adoptie is. Volgens hem volgt daaruit dat de enige situatie waarop artikel 353-5, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, dat een beslissingsbevoegdheid toekent aan de familierechtbank « bij gebreke van overeenstemming », betrekking heeft, die is waarin de partijen het eens zijn geworden over de naam maar waarin het kind dat ouder is dan twaalf jaar zich tegen die keuze verzet. De Ministerraad merkt vervolgens op dat de gewone adoptie de band tussen het kind en zijn oorspronkelijke familie aantast, terwijl, in de situatie van de twee voor het verwijzende rechtscollege hangende zaken, de eerste afstammingsband onveranderd blijft. Volgens hem brengt de gewone adoptie een naamsverandering van het kind met zich mee door de overdracht van het familiale zwaartepunt van de oorspronkelijke familie naar de adoptant. Hij merkt op dat in het geval van een gewone adoptie de naam van een oorspronkelijke ouder enkel bij uitzondering kan worden behouden. Aangezien het beginsel van de onveranderlijkheid van de naam niet van toepassing is bij een adoptie, belet volgens hem niets het optreden van de rechter bij ontstentenis van overeenstemming. Hij herinnert ten slotte eraan dat de adoptie van een minderjarig kind in de eerste plaats een maatregel ter bescherming van het kind is, zodat het hogere belang van het kind met bijzondere aandacht in acht dient te worden genomen. Hij besluit daaruit dat de vergeleken categorieën zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. A.1.
- Wat artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, benadrukt de Ministerraad dat de toepasbaarheid van die bepaling afhankelijk is van het bestaan van een betwisting met betrekking tot een recht dat op verdedigbare wijze in het intern recht wordt erkend. Aangezien de in het geding zijnde bepaling aan de ouder ten aanzien van wie de afstamming in de tweede plaats komt vast te staan geen recht toekent om de naamsverandering van het kind te verkrijgen, is artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens volgens hem te dezen niet van toepassing. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.
- De Ministerraad onderstreept allereerst dat de zogenaamde « twee-in-een »-vordering een terugwerkende kracht heeft. Hij doet gelden dat de vaststelling van de afstamming na die vordering dus dient te worden gelijkgesteld met de gelijktijdige vaststelling van de twee afstammingsbanden en dat het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 95/2019 heeft geoordeeld dat die situatie geen discriminatie deed ontstaan. Vervolgens doet de Ministerraad gelden dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde situaties niet vergelijkbaar zijn. Zo merkt hij op dat wanneer een afstammingsband met succes wordt betwist, de naam van het kind niet meer noodzakelijkerwijs overeenstemt met de actuele realiteit. Omgekeerd benadrukt hij dat wanneer een tweede afstammingsband na de eerste komt vast te staan, de naam van het kind, welke die is van de ouder ten aanzien van wie de afstamming in de eerste plaats kwam vast te staan, noodzakelijkerwijs blijft overeenstemmen met een reële afstamming. Hij verwijst naar het voormelde arrest van het Hof nr. 95/2019 en doet gelden dat het redelijk verantwoord is dat de naam van het kind, in een dergelijke situatie, niet wordt gewijzigd, behalve indien de ouders het over een dergelijke wijziging eens zijn. 5 Ten aanzien van de vijfde prejudiciële vraag A.
- De Ministerraad doet gelden dat een indirect onderscheid objectief kan worden verantwoord door een legitiem doel, op voorwaarde dat de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Zelfs als de ouder ten aanzien van wie de afstamming in de eerste plaats werd vastgesteld doorgaans de moeder is, is de bij artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalde regel volgens hem verantwoord door het legitieme doel om de onveranderlijkheid van de naam te waarborgen en vormt die een passende en noodzakelijke maatregel ten aanzien van dat doel. Hij merkt ten slotte op dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 95/2019, heeft geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling tussen de ouders geen verschil in behandeling met zich meebracht op basis van het geslacht. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.
- De zes prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek. Artikel 335 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. [...] In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de vader en de moeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde. De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid. Indien de ouders samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast. Indien een ouder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft deze de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. §
- Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder. 6 Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn vader. §
- Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. Hetzelfde geldt indien de afstamming van moederszijde komt vast te staan na de afstamming van vaderszijde. Evenwel kunnen de ouders samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis, tweede lid, of 322, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. Bij wijziging van de afstamming van vaderszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval door de ouders is gekozen, met inachtneming van de in § 1 of artikel 335ter bedoelde regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge van het in het vierde lid bedoelde vonnis. §
- Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Bij vaststelling van een nieuwe afstammingsband van een meerderjarig kind van vaderszijde, van moederszijde of van meemoederszijde als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die laatstgenoemde heeft gekozen in voorkomend geval met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1, vervatte regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop het vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in het tweede lid bedoelde vonnis ». 7 B.2.
- Artikel 335 van het oud Burgerlijk Wetboek maakt deel uit van het hoofdstuk met betrekking tot de gevolgen van de afstamming. Het stelt op algemene wijze de regels van de naamgeving als gevolg van de afstamming vast. Die regels werden op substantiële wijze gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde » (hierna : de wet van 8 mei 2014). Uit het opschrift en de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever de gelijkheid tussen mannen en vrouwen heeft willen invoeren bij de wijze van naamsoverdracht (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3145/001, p. 10). B.2.
- Om die doelstelling van gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bereiken, heeft de wetgever, in de hypothese dat de afstamming van vaderszijde en die van moederszijde gelijktijdig zijn komen vast te staan, bepaald dat de ouders een dubbele naam kunnen kiezen, bestaande uit de naam van de vader en de naam van de moeder in de door hen bepaalde volgorde, of kunnen kiezen voor de naam van de vader of voor die van de moeder (artikel 335, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). De wetgever heeft dus gekozen voor de wilsautonomie van de ouders, binnen de door de wet bepaalde grenzen, veeleer dan voor een bij wet vastgelegd systeem voor het toekennen van de naam. De wetgever heeft de keuze van de ouders beperkt om te waarborgen dat « kinderen van dezelfde ouders dezelfde naam zullen dragen. De naam van broers en zussen kan bijgevolg niet verschillen waardoor [de orde der families gevrijwaard kan blijven] » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3145/001, p. 14). B.2.
- De wetgever heeft ook het geval onderzocht van de onenigheid tussen de ouders en van de afwezigheid van keuze. Zoals het was vervangen bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2014 voorzag artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het oud Burgerlijk Wetboek aanvankelijk dat in een dergelijk geval, voor de kinderen wier afstamming van vaders- en moederszijde gelijktijdig is komen vast te staan, de naam van de vader wordt toegekend. Bij zijn arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.002) heeft het Hof die bepaling vernietigd en heeft het de gevolgen ervan tot 31 december 2016 gehandhaafd. 8 B.2.
- Ingevolge dat arrest heeft de wetgever de wet van 25 december 2016 « tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de wijze van naamsoverdracht aan het kind » aangenomen, die voor de kinderen wier afstamming van vaders- en moederszijde tegelijkertijd is komen vast te staan voorziet in een nieuwe regeling bij onenigheid tussen de ouders of bij afwezigheid van een keuze. Overeenkomstig de huidige tekst van artikel 335, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek draagt het kind in dat geval de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. B.2.
- Het in het geding zijnde artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek regelt de gevolgen van de wijziging van de afstamming van een kind voor zijn naam. Artikel 335, § 3, eerste lid, voorziet erin dat, wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van een van beide ouders komt vast te staan na de afstamming ten aanzien van de andere ouder, de naam van het kind in beginsel ongewijzigd blijft. Artikel 335, § 3, tweede en derde lid, laat evenwel toe om de naam van het kind te wijzigen, hetzij door de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan, hetzij door een dubbele naam. Voor die naamswijziging dient een verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te worden afgelegd door de beide ouders samen, of door een van hen wanneer de andere overleden is, en dit binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of de afstamming van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en vóór de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. Artikel 335, § 3, vierde lid, voorziet erin dat, wanneer de afstamming van vaderszijde of de afstamming van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind wordt gewijzigd als gevolg van een vordering tot betwisting ingesteld op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, « een rechter akte [neemt] van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval door de ouders is gekozen, met inachtneming van de in § 1 of artikel 335ter, § 1, bedoelde regels ». 9 Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.
- De voor het verwijzende rechtscollege hangende geschillen betreffen situaties waarin de biologische vader met succes een vordering tot onderzoek naar het vaderschap of een vordering tot toestemming van erkenning heeft ingesteld tijdens de minderjarigheid van het kind en waarin de biologische vader vraagt dat de naam van het minderjarige kind, welke die van de moeder is, wordt gewijzigd, hetgeen de moeder weigert. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situaties. Wat de eerste, tweede, derde, vijfde en zesde prejudiciële vraag betreft B.4.
- De eerste, tweede, derde, vijfde en zesde prejudiciële vraag hebben betrekking op artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre het erin voorziet dat, wanneer de afstamming ten aanzien van een ouder vast komt te staan na de afstamming ten aanzien van de andere ouder en de ouders het oneens zijn over de naam van het kind, die naam niet wordt gewijzigd. Daaruit volgt dat die prejudiciële vragen enkel betrekking hebben op artikel 355, § 3, eerste tot derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. B.4.
- De eerste, tweede en zesde prejudiciële vraag hebben betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre de in het geding zijnde bepaling het hogere belang van het kind niet in overweging zou nemen (eerste en tweede prejudiciële vraag), in zoverre zij in een andere regel voorziet dan die waarin is voorzien door artikel 353-5 van het oud Burgerlijk Wetboek in geval van gewone adoptie (tweede prejudiciële vraag) en in zoverre zij geen enkele beoordelingsbevoegdheid aan de rechter toekent (zesde prejudiciële vraag). De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre de ouder ten aanzien van wie de afstamming in de tweede plaats werd vastgesteld en die wordt geconfronteerd met de weigering van de 10 andere ouder om de naam van het kind te wijzigen, niet de mogelijkheid heeft om « die betwisting voor een rechtscollege te brengen, dat daarover zal kunnen oordelen in het licht van het hogere belang van het kind door de aanwezige belangen af te wegen ». De vijfde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij in de praktijk altijd ertoe leidt dat het kind de naam van de moeder draagt. B.5.1.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.5.1.
- Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. B.5.1.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.5.1.
- Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat het Hof, bij zijn toetsing aan die grondwetsbepalingen, rekening houdt met de internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. 11 B.5.2.
- Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.5.2.
- Het vierde lid van die bepaling, dat verwijst naar het belang van het kind, is, zoals het tweede, derde en vijfde lid, het resultaat van de grondwetsherziening van 22 december 2008, die ertoe strekte de grondwettelijke erkenning van de kinderrechten te verruimen tot wat de essentie uitmaakt van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-265/3, p. 41). B.5.2.
- Artikel 3, lid 1, van dat Verdrag bepaalt : « Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging ». B.5.2.
- In zoverre artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind oplegt dat het hogere belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing met betrekking tot dat kind, heeft die bepaling een draagwijdte die analoog is aan artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Het Hof houdt aldus rekening met die in de eerste, tweede, derde en zesde prejudiciële vraag vermelde verdragsbepaling. B.5.
- De derde prejudiciële vraag heeft, onder andere, betrekking op de inachtneming van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het recht op een eerlijk proces waarborgt. 12 Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft geen draagwijdte die analoog is aan die van artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, dat ook in die prejudiciële vraag wordt aangevoerd. Die prejudiciële vraag voert artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan, noch in samenhang gelezen met een artikel van de Grondwet met een analoge draagwijdte en waarvan de toetsing onder de bevoegdheid van het Hof valt, noch in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Daaruit volgt dat de derde prejudiciële vraag niet onder de bevoegdheid van het Hof valt, in zoverre zij betrekking heeft op de inachtneming van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Gelet op hun onderlinge samenhang onderzoekt het Hof de eerste, de tweede, de vijfde en zesde prejudiciële vraag en, in zoverre zij onder de bevoegdheid van het Hof valt, de derde prejudiciële vraag samen. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
- De toekenning van een familienaam berust in hoofdzaak op overwegingen van sociaal nut. In tegenstelling tot de toekenning van de voornaam wordt zij door de wet bepaald. Die wet strekt ertoe, enerzijds, de familienaam op een eenvoudige, snelle en eenvormige wijze te bepalen en, anderzijds, aan die familienaam een zekere onveranderlijkheid te geven. B.8.
- Anders dan het recht om een naam te dragen, kan het recht om zijn familienaam aan zijn kind te geven niet als een grondrecht worden beschouwd. Wat de regeling van de 13 naamgeving betreft, beschikt de wetgever derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid, voor zover hij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht neemt. B.8.
- Ook al kan het recht om zijn familienaam te geven niet als een grondrecht worden beschouwd, toch hebben de ouders een duidelijk en persoonlijk belang erbij om zeggenschap te hebben in het proces om de familienaam van hun kind te bepalen. B.
- Het Hof heeft zich bij zijn arresten nrs. 131/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.131), 64/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.064), 95/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.095) en 21/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.021), reeds uitgesproken over de bestaanbaarheid van artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, in de versies ervan van na de inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014, met, onder andere, de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet. Bij zijn arresten nrs. 114/2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.114), 82/2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.082), 68/97 (ECLI:BE:GHCC:1997:ARR.068), 64/96 (ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.064) en 79/95 (ECLI:BE:GHCC:1995:ARR.079), had het Hof zich reeds uitgesproken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 mei
- Zoals in de huidige versie ervan voorzag die bepaling erin dat, wanneer de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, de naam van het kind in beginsel onveranderd blijft, behoudens wanneer de ouders samen, of een van hen indien de andere overleden is, een verklaring tot naamswijziging afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. B.
- Wat het belang van het kind betreft van wie de afstamming in de eerste plaats werd vastgesteld ten aanzien van een van beide ouders en later ten aanzien van de andere ouder, heeft het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 95/2019, geoordeeld : « In dat geval werd aan het kind reeds de naam van de eerste ouder toegekend en doet de onenigheid of de ontstentenis van een overeenkomst over de naam zich slechts later voor, wanneer de afstamming ten aanzien van de tweede ouder wordt vastgesteld. Het kind kan in dat geval reeds geruime tijd de naam hebben gedragen van de ouder ten aanzien van wie de afstamming eerst werd vastgesteld. Het is redelijk verantwoord dat de wetgever, rekening houdend met het maatschappelijk nut van de bestendigheid van de naam en met het belang van het kind, erin heeft voorzien dat de reeds toegekende naam in dat geval slechts kan worden 14 gewijzigd met instemming van beide ouders, die samen het meest geschikt kunnen worden geacht om het belang van het kind te kunnen beoordelen, zodat die naam bij onenigheid onveranderd blijft ». B.
- Het verschil in behandeling tussen de personen op wie de in het geding zijnde bepaling, die geen beoordelingsbevoegdheid aan de rechter toekent, van toepassing is en de personen op wie artikel 353-3, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, dat de gewone adoptie betreft en dat in bepaalde situaties een beoordelingsbevoegdheid aan de rechter toekent wat de naam van de geadopteerde betreft, van toepassing is, is redelijk verantwoord. Bij een gewone adoptie is het beginsel niet de onveranderlijkheid van de naam, maar dat van de wijziging van de naam van de geadopteerde opdat de naam van die laatste zijn adoptieve afstamming weergeeft (artikelen 353-1, eerste en tweede lid, en 353-2, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Enkel wanneer de partijen verzoeken dat de geadopteerde zijn naam of een van zijn namen behoudt en wanneer de in artikel 353-5, eerste lid, bedoelde personen het oneens zijn over dat verzoek, kent artikel 353-5, tweede lid, een beoordelingsbevoegdheid toe aan de rechter. B.
- Wat ten slotte de vraag betreft of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie met zich meebrengt tussen mannen en vrouwen, heeft het Hof zich over die vraag uitgesproken bij zijn voormelde arrest nr. 131/
- Het Hof heeft in dat verband verwezen naar zijn voormelde arrest nr. 95/2019, waarbij het heeft geoordeeld dat « de in het geding zijnde bepaling op gelijke wijze op de moeder en de vader van toepassing [is] » en dat zij « in hun recht om hun familienaam over te dragen aan hun kind door de in het geding zijnde bepaling dan ook gelijk [worden] behandeld ». In de veronderstelling dat de in het geding zijnde bepaling een indirect verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen teweegbrengt in zoverre de overgrote meerderheid van de situaties waarop de regel van toepassing is volgens welke de naam van het minderjarige kind niet wordt gewijzigd bij ontstentenis van overeenstemming tussen de ouders in geval van de opeenvolgende vaststelling van twee afstammingsbanden, situaties zijn waarin de afstamming van moederszijde in de eerste plaats werd vastgesteld zodat het kind de naam van de moeder draagt, dient bovendien te worden vastgesteld dat dat indirecte verschil in behandeling redelijk is verantwoord om de in B.10 vermelde redenen. 15 B.
- Artikel 335, § 3, eerste tot derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Wat de vierde prejudiciële vraag betreft B.
- Uit de bewoordingen van de vierde prejudiciële vraag en uit hetgeen in B.3 is vermeld blijkt dat het Hof de situatie van de moeder, van de biologische vader en van het kind moet vergelijken, naargelang, enerzijds, tijdens de minderjarigheid van het kind de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde na een vordering tot toestemming van erkenning of een vordering tot onderzoek naar het vaderschap die met succes door de biologische vader werd ingesteld en, anderzijds, de afstamming van vaderszijde wordt gewijzigd tijdens de minderjarigheid van het kind na een vordering tot betwisting van het vaderschap en tot onderzoek naar het vaderschap die met succes door de biologische vader werd ingesteld. In het eerste geval, wanneer de moeder en de biologische vader het oneens zijn over de naam van het kind, blijft het kind de naam van de moeder dragen (artikel 335, § 3, eerste tot derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). In het tweede geval, wanneer de moeder en de biologische vader het oneens zijn over de naam van het kind, draagt het kind als nieuwe naam de namen van de moeder en van de biologische vader, naast elkaar in alfabetische volgorde, met niet meer dan één naam voor elk van hen (artikel 335, § 3, vierde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek in samenhang gelezen met artikel 335, § 1, ervan). Het Hof wordt gevraagd of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met het bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
- De in B.14 vermelde categorieën van personen zijn voldoende vergelijkbaar, aangezien het in beide gevallen gaat om een minderjarig kind en zijn ouders, waarbij die laatsten het oneens zijn over de naam van het kind. B.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het antwoord op de vraag of de afstamming van vaderszijde van het minderjarige kind komt vast te staan na de 16 afstamming van moederszijde na een vordering tot toestemming van erkenning of een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, dan wel of zij wordt gewijzigd na een vordering tot betwisting van het vaderschap en tot onderzoek naar het vaderschap. Het betreft een objectief criterium. Het Hof dient te onderzoeken of dat criterium pertinent is, gelet op het onderwerp van de in het geding zijnde bepaling en het door de wetgever nagestreefde doel. B.
- Wanneer na de minderjarigheid van het kind de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde ingevolge een vordering tot toestemming van erkenning of een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, blijft de naam van het kind, welke die van de moeder is, overeenstemmen met een werkelijke afstamming. De wetgever vermocht dus redelijkerwijs te oordelen dat de naam van het kind niet hoefde te worden gewijzigd, behalve indien de ouders het daarover eens zijn. Wanneer tijdens de minderjarigheid van het kind de afstamming van vaderszijde wordt gewijzigd na een vordering tot betwisting van het vaderschap en tot onderzoek naar het vaderschap, is het mogelijk dat de naam van het kind, althans gedeeltelijk, niet langer overeenstemt met een werkelijke afstamming. De wetgever vermocht dus redelijkerwijs te bepalen dat bij ontstentenis van overeenstemming tussen de ouders, het kind als nieuwe naam de namen van de moeder en de biologische vader zou dragen, naast elkaar in alfabetische volgorde, met niet meer dan één naam voor elk van hen. Hoewel de wijze van naamgeving in bepaalde gevallen tot incoherenties kan leiden, tast zulks de pertinentie van het criterium van onderscheid waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling berust, niet aan. B.
- Ten slotte heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen. Het kind van wie de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde na een vordering tot toestemming van erkenning of een vordering tot onderzoek naar het vaderschap zal in voorkomend geval, wanneer het meerderjarig zal zijn geworden, een verzoek tot verandering van naam kunnen indienen met toepassing van de artikelen 370/3 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek. De overheid die met die verandering belast is, zou 17 niet anders kunnen dan het door het kind aan haar gerichte verzoek om de naam van zijn vader, als enige of samen met de naam van zijn moeder, te dragen, als ernstig te beschouwen. B.
- Artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22bis, vierde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 juni
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.089 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1995:ARR.079 ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.064 ECLI:BE:GHCC:1997:ARR.068 ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.082 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.114 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.002 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.162 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.021 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.095 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div