← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.091

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.091 Arrest- Rolnummer: 91/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-19 Raadplegingen: 1125 - laatst gezien 2026-06-18 22:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel D.161, derde lid, van het Waalse Milieuwetboek) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel D.161 van het Waalse Milieuwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Leefmilieu - Waals Gewest - Overtredingen - Onderzoeksmiddelen en bevoegdheden van de personeelsleden belast met de opsporing en de vaststelling van de overtredingen - Huiszoeking of huisvisitatie - Rechten en waarborgen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 91/2023 van 8 juni 2023 Rolnummer : 7919 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel D.161 van het Waalse Milieuwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter T. Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter T. Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 23 januari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2023, heeft een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel D.161 van het Waalse Milieuwetboek de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre met name de verdachten die het voorwerp zouden uitmaken van een huiszoeking/huisvisitatie door de in dat Wetboek bedoelde vaststellende beambte, in het kader van een of meer inbreuken bedoeld in het milieustrafrecht in het Waalse Gewest, zich in een situatie zouden bevinden waarin zij niet dezelfde rechten en waarborgen zouden genieten als de verdachten die het voorwerp zouden uitmaken van een huiszoeking die een onderzoeksrechter beveelt in het kader van zijn gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een of meer inbreuken op het Strafwetboek en op andere strafrechtelijke wetgevingen, met inbegrip van het Waalse Milieuwetboek ? ». Op 16 februari 2023 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het 2 Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie van Waals-Brabant; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Verhelst, advocaat bij de balie van Antwerpen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de verwijzende onderzoeksrechter wordt door de agent van gerechtelijke politie van het Departement Handhaving en Controles van de Waalse Overheidsdienst een verzoek aanhangig gemaakt tot toestemming voor een huisvisitatie. De onderzoeksrechter verwijst in de motivering van zijn beschikking naar het arrest van het Hof nr. 60/2021 van 22 april 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.060). De onderzoeksrechter stelt vast dat de toevoeging, op 24 november 2021, door de decreetgever, van een derde lid aan artikel D.161 van het Waalse Milieuwetboek aantoont dat de in het kader van dat Wetboek geregelde huisvisitaties echte huiszoekingen in de zin van het Wetboek van strafvordering zijn. De onderzoeksrechter is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling een kennelijk discriminerende situatie zou kunnen doen ontstaan, aangezien het recht op de onschendbaarheid van de woning op verschillende wijze wordt beschermd volgens het gepleegde strafrechtelijke misdrijf : de verdachte van een inbreuk op het Milieuwetboek zou aldus het voorwerp kunnen uitmaken van een huiszoeking buiten een procedure die wordt geleid en gecontroleerd door de onderzoeksrechter, die, in dat kader, niet over de mogelijkheid beschikt om de feiten te onderzoeken en te beslissen om zelf een onderzoek in te stellen zoals artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering (« mini-onderzoek ») dat mogelijk maakt, noch over de mogelijkheid om te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen, waaronder de huisvisitatie. De onderzoeksrechter wijst eveneens erop dat, ook al kan een controle a posteriori door een feitenrechter worden overwogen (wat niet zeker is want er wordt niet noodzakelijk beroep ingesteld bij een rechterlijke instantie), die controle te laat komt, terwijl in geval van een huiszoeking die wordt bevolen op grond van het Wetboek van strafvordering, die controle vóór, tijdens en na de huiszoeking wordt verricht door de onderzoeksrechter en eventueel door de kamer van inbeschuldigingstelling. De onderzoeksrechter beklemtoont in dat verband dat uit de overwegingen B.12.4 en B.12.5 van het voormelde arrest nr. 60/2021 blijkt dat het Hof de in het geding zijnde bepaling enkel bestaanbaar met het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven en met het recht op een eerlijk proces heeft bevonden onder voorbehoud van verschillende waarborgen, volgens welke onder meer het personeelslid van het Departement Natuur en Bossen van de Waalse Overheidsdienst niet is gemachtigd om zich met geweld of dwang toegang tot een woning te verschaffen. Wat betreft de waarborgen die de huisvisitaties moeten omringen, verwijst de onderzoeksrechter eveneens naar het arrest nr. 102/2019 van 27 juni 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.102), waarin het Hof, in zijn motivering, heeft beklemtoond dat de sociaal inspecteurs door het Sociaal Strafwetboek niet ertoe worden gemachtigd de plaatsen binnen te gaan die zij willen visiteren indien de eigenaar of de bewoner afwezig is of de toegang ertoe weigert, en dat zij niet mogen fouilleren of geen gesloten kasten mogen openen. De verwijzende onderzoeksrechter beslist bijgevolg om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 3 III. In rechte -A- A.1.1. In haar memorie met verantwoording beklemtoont de Waalse Regering dat het evocatierecht van de onderzoeksrechter, bedoeld in het « mini-onderzoek » waarin is voorzien in artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering, wordt verklaard door de bijzonder ruime opdracht van de procureur des Konings, die niet te vergelijken is met die van de vaststellende beambten in het kader van boek I van het Milieuwetboek. A.1.2. Volgens de Waalse Regering strekt de in artikel D.161 van het Waalse Milieuwetboek aangebrachte wijziging net ertoe een nuttig gevolg te geven aan de machtiging van de onderzoeksrechter, en hoewel die wijziging een van de waarborgen afschaft waarop het Hof in zijn voormelde arrest nr. 60/2021 de nadruk heeft gelegd, doet zij geen afbreuk aan de andere waarborgen - er zal met name geen sprake ervan zijn dat wordt overgegaan tot een huisvisitatie zonder over aanwijzingen te beschikken. Bovendien zal, bij gebruik van geweld, het optreden van de ordediensten een waarborg uitmaken, aangezien die de strikte krijtlijnen van dergelijke procedures kennen en aangezien zij zich bijgevolg zullen kunnen verzetten tegen het gebruik van dwang om de toegang tot de woning af te dwingen indien dat niet noodzakelijk en evenredig is. Het evenredige karakter van de huisvisitatie zal aldus het voorwerp van een viervoudige controle uitmaken : door het personeelslid zelf, door de onderzoeksrechter die eventueel, op grond van de motivering van het personeelslid, de huisvisitatie zal kunnen omringen met nadere regels die hem opportuun lijken, door de personeelsleden die zijn belast met de uitvoeringsmaatregel, en vervolgens door de controle van een rechter of van de sanctionerend ambtenaar. Ook al hebben bepaalde personeelsleden eveneens de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, toch zijn zij dat niet allemaal en zijn hun in artikel D.162 van het Milieuwetboek opgesomde prerogatieven duidelijk beperkter dan die van de officieren van gerechtelijke politie met een huiszoekingsbevel. A.2.1. In haar memorie met verantwoording beklemtoont de Vlaamse Regering dat zij haar standpunt uiteen wenst te zetten, aangezien een dergelijk « recht op toegang » ook op Vlaams niveau wordt geregeld. A.2.2. De Vlaamse Regering is allereerst van mening dat niet wordt aangetoond dat de prejudiciële vraag nuttig is voor de oplossing van het geschil, en dat de gestelde prejudiciële vraag dus geen antwoord behoeft, in zoverre in de verwijzingsbeschikking enkel wordt aangegeven dat een verzoek tot machtiging tot huisvisitatie met betrekking tot twee personen werd ingediend, zonder de context nader te preciseren, waardoor niet kan worden nagegaan of artikel D.161 van het Milieuwetboek te dezen van toepassing is. A.2.3. Ten gronde brengt de Vlaamse Regering in herinnering dat de huiszoeking in beginsel ertoe strekt de bewijzen van een reeds gepleegd misdrijf te verzamelen en dat zij wordt geregeld door het gemeenrechtelijk strafprocesrecht, terwijl de huisvisitatie, waarin in specifieke, met name gewestelijke, regelgevingen wordt voorzien, in essentie een preventief karakter nastreeft. Noch artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch artikel 15 van de Grondwet vereisen dat een inmenging in de woonplaats enkel in het kader van een gerechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. In het arrest nr. 60/2021 heeft het Hof gewoon vastgesteld dat het vroegere artikel D.145 van het Milieuwetboek het gebruik van dwang niet mogelijk maakte, zoals het reeds had geoordeeld in het voormelde arrest nr. 102/2019, dat betrekking had op de sociaal inspecteurs, hetgeen niet noodzakelijkerwijs betekent dat het voor de decreetgever verboden is om in het gebruik van dwang te voorzien, zodra hij de noodzaak ervan aantoont, zoals te dezen. Het Hof heeft een dergelijk gebruik van dwang trouwens aanvaard in het arrest nr. 116/2017 van 12 oktober 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.116). De Vlaamse Regering is van mening dat het immers onder de beoordelingsmarge van de wetgever (of decreetgever) valt om de gevallen te bepalen waarin in het gebruik van dwang moet worden voorzien voor de huisvisitaties die niet in het kader van een gerechtelijk onderzoek passen. Binnen de geregionaliseerde bevoegdheden moeten de verschillende wetgevers die aangelegenheid kunnen beoordelen zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie daarom te schenden. De in het geding zijnde bepaling bevat daarenboven andere waarborgen met betrekking tot de rechten van de betrokkene. Allereerst zullen het de politiediensten zijn die dwang zullen gebruiken. Hun optreden beperkt zich tot een passieve aanwezigheid om de personeelsleden te beschermen. Vervolgens beschikken die personeelsleden niet over een extra zoekingsrecht naast het recht dat vooraf door de onderzoeksrechter werd toegestaan, die de 4 inachtneming van de in artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bedoelde voorwaarden, waaronder de evenredigheid van de maatregel, dient na te gaan. Het feit dat er geen « post factum »-controle met betrekking tot de regelmatigheid van die huisvisitaties is, doet geen afbreuk aan de rechten van de betrokkene, aangezien het, in geval van strafrechtelijke sancties of administratieve geldboeten of andere bestuurlijke maatregelen, steeds aan een strafrechter, burgerlijke rechter of administratieve rechter zal staan na te gaan of de wettelijke voorwaarden in acht werden genomen. Die latere gerechtelijke controle volstaat, met name wanneer de huisvisitatie betrekking heeft op bedrijfsruimten, die niet dezelfde bescherming genieten als de woonplaats. Daarenboven is de vergelijking die in de prejudiciële vraag wordt gemaakt, enkel pertinent met betrekking tot het geval waarin de huisvisitatie de opsporing van misdrijven tot doel heeft en niet met betrekking tot het geval waarin de huisvisitatie plaatsvindt in het kader van een controle, los van elke verdenking van een misdrijf. In dat laatste geval bevinden de personen op wie de bij de in het geding zijnde bepaling geregelde huisvisitatie betrekking heeft, zich niet in een situatie die vergelijkbaar is met die waarin de personen zich bevinden die het voorwerp van een huiszoeking uitmaken in het kader van een gerechtelijk onderzoek dat ertoe strekt de bewijzen te verzamelen dat een misdrijf werd gepleegd. De Vlaamse Regering beklemtoont in dat verband dat de Vlaamse wetgeving een betere scheiding tussen de toezichtsfuncties en de opsporingsfuncties tot stand brengt dan de Waalse wetgeving. Ten slotte dient, om de evenredigheid van de maatregel te beoordelen, rekening te worden gehouden met het feit dat het recht op de bescherming van het leefmilieu een door artikel 23 van de Grondwet beschermd grondrecht is. A.3. De Waalse Regering en de Vlaamse Regering doen gelden dat de prejudiciële vraag hoe dan ook niet het voorwerp van een voorafgaande rechtspleging dient uit te maken. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel D.161 van het Waalse Milieuwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 19 van het decreet van het Waalse Gewest van 24 november 2021 « tot wijziging van het decreet van 6 mei 2019 betreffende milieudelinquentie en van diverse andere decreten » (hierna : het decreet van 24 november 2021). Ten aanzien van de context van de bestreden bepaling B.2. Zoals gewijzigd bij het decreet van 24 november 2021, bepaalt artikel D.159, § 1, van het Milieuwetboek dat, onverminderd de taken van de andere personeelsleden belast met opdrachten van gerechtelijke politie en de leden van de federale en lokale politie, het toezicht en de controle van de naleving van de in artikel D.138 bedoelde bepalingen en de opsporing en de vaststelling van de overtredingen door de vaststellende beambten worden gewaarborgd. Die mogen het optreden van de openbare macht vorderen in de uitoefening van hun opdracht (artikel D.159, § 1, tweede lid, van het Milieuwetboek). 5 In artikel D.141, § 1, 2°, van het Milieuwetboek wordt de « vaststellende beambte » gedefinieerd als « het statutaire of contractuele personeelslid aangewezen krachtens de artikelen D.146, D.149 en D.152 om toezicht te houden op en controle uit te oefenen op de naleving van de in artikel D.138 bedoelde bepalingen […] en om de overtredingen krachtens dit deel op te sporen en vast te stellen ». De vaststellende beambten worden aangewezen overeenkomstig hoofdstuk I van titel II van het Milieuwetboek, dat betrekking heeft op de gewestelijke vaststellende beambten (afdeling 1), de gemeentelijke vaststellende beambten (afdeling 2) en de vaststellende beambten van de instellingen van openbaar nut en van de intercommunales (afdeling 3). Sommige gewestelijke vaststellende beambten kunnen worden aangewezen als officier van gerechtelijke politie (artikel D.146 van het Milieuwetboek). De onderzoeksmiddelen van de vaststellende beambten worden opgesomd in artikel D.162 van het Milieuwetboek, zoals gewijzigd bij het decreet van 24 november 2021 : « In de uitoefening van hun opdracht kunnen de vaststellende beambten : 1° alle onderzoeken, controles, enquêtes uitvoeren en alle gegevens inwinnen die nuttig geacht worden om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen bedoeld in artikel D.138 nageleefd worden en o.a. :

  1. a)elke persoon ondervragen over elk feit waarvan de kennisneming nuttig is voor de uitoefening van het toezicht;
  2. b)zich ter plaatse elk document, stuk of bewijsstuk laten overleggen of opsporen dat nuttig is voor de uitoefening van hun opdracht, er een fotokopie of een ander afschrift van maken, of tegen ontvangbewijs meenemen;
  3. c)de identiteit van elke persoon controleren; 2° monsters nemen volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten; 3° laten overgaan tot analyses volgens de regels vastgesteld overeenkomstig artikel D.163; 4° ieder voertuig, met inbegrip van de voor het vervoer gebruikte voertuigen aanhouden, en hun lading controleren; 5° elke bewarende maatregel nemen met het oog op de overlegging van het bewijs, meer bepaald gedurende een maximumtermijn van tweeënzeventig uur :
  4. a)verbieden voorwerpen te verplaatsen of de inrichtingen of installaties verzegelen waar mogelijkerwijs een overtreding werd begaan; 6
  5. b)de vervoermiddelen en andere tuigen die gediend zouden kunnen hebben om een overtreding te begaan aanhouden, tot stilstand brengen of verzegelen; 6° in de aanwezigheid van de betrokkene of van de behoorlijk opgeroepen betrokkene, de toestellen en voorzieningen in overtreding met de bepalingen bedoeld in artikel D.138 uittesten of laten uittesten door erkende personen, laboratoria of openbare en private instellingen; 7° zich door technische deskundigen laten bijstaan; 8° administratieve politiemaatregelen nemen om voorwerpen die een overtreding in de zin van deze afdeling kunnen vormen, uit het verkeer te kunnen halen, en dit, ook via een administratieve inbeslagneming; 9° onverminderd artikel D.161, de voorwerpen opsporen tot waar ze naartoe vervoerd werden en er beslag op leggen[;] 10° de vaartuigen naar de oever laten komen om hun inhoud te controleren; 11° overgaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen; 12° tot metingen overgaan aan de hand van een sonometer; 13° de nodige administratieve gegevens raadplegen en een afschrift ervan nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder in zijn bezit moet hebben en in ruimere zin alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven. In geval van monsterneming met het oog op een analyse overeenkomstig het eerste lid, 3°, wordt de overtreder er onmiddellijk op gewezen dat hij de mogelijkheid heeft om een tegenanalyse te laten uitvoeren op zijn kosten. Indien uit het analyseprotocol blijkt dat een overtreding werd begaan, wordt overeenkomstig artikel D.165 een proces-verbaal opgemaakt. In toepassing van het eerste lid, 8°, bepaalt de Regering de modaliteiten voor de administratieve inbeslagneming, het informeren van de overtreder en het aanduiden van de bestemming van de in beslag genomen voorwerpen, alsook de modaliteiten voor het dekken van de kosten van de inbeslagneming. In het geval van een overtreding zoals bedoeld in artikel D.397, § 1, van het Waalse Landbouwwetboek, heeft de administratieve inbeslagneming betrekking op de voorwerpen, monsters, levensmiddelen of documenten die de overtreding vormen. In toepassing van paragraaf 1, 11°, zijn de installatie en het gebruik van audiovisuele middelen in het Waalse Gewest in overeenstemming met de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's ». De vaststellende beambten kunnen, bij de uitoefening van hun opdrachten, toegang hebben tot bepaalde plaatsen, waaronder de woonplaats, zowel, in het algemeen, voor het toezicht, de controle, de opsporing en de vaststelling van overtredingen (artikel D.161 van het 7 Milieuwetboek) als, in het bijzonder, voor de controle en het toezicht op de uitvoering van de veiligheids- en dwangmaatregelen (artikel D.171 van het Milieuwetboek). B.3. Zoals vervangen bij het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 2019 « betreffende milieudelinquentie » (hierna : het decreet van 6 mei 2019), bepaalde artikel D.161 van het Milieuwetboek : « Onverminderd artikel 94 van het Boswetboek kunnen de vaststellende beambten in de uitoefening van hun opdrachten en onverminderd hun voor het overige vastgelegde inspectietaken op elk ogenblik de installaties, lokalen, terreinen en andere plaatsen binnentreden, behalve als het gaat om een woonplaats in de zin van artikel 15 van de Grondwet. Indien het gaat om een woonplaats in de zin van artikel 15 van de Grondwet, mogen die beambten er binnentreden met de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter of voor zover hij de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming heeft van de persoon die het effectieve genot van de betrokken plaatsen geniet ». In die bepaling werd de inhoud overgenomen van het vroegere artikel D.145 van het Milieuwetboek, dat van toepassing was op de beambten bij de uitoefening van hun opdrachten en dat was opgenomen in een titel met als opschrift « Opsporing en vaststelling van de overtredingen ». In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 6 mei 2019 werd in dat verband uiteengezet : « Met het artikel wordt een dubbel doel nagestreefd : - enerzijds machtigt het de vaststellende beambten ertoe, bij de uitoefening van hun opdrachten, de plaatsen binnen te treden die geen woning zijn in de zin van artikel 15 van de Grondwet, en dat op eender welk ogenblik; - anderzijds bepaalt het de gevallen waarin een huiszoeking plaatsvindt, overeenkomstig artikel 11, derde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De woning wordt beschermd, niet alleen bij artikel 15 van de Grondwet, maar ook bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat het begrip ‘ woning ’ ruim moet worden geïnterpreteerd en dat het bijvoorbeeld ook betrekking heeft op de lokalen die bestemd zijn voor de uitoefening van een beroeps- of handelsactiviteit. Het komt de gewestwetgever toe te beoordelen, onder voorbehoud van een controle a posteriori door nationale rechterlijke 8 instanties of internationale controleorganen, of ook niet moet worden voorzien in waarborgen voor plaatsen die, hoewel zij geen ‘ woning ’ zijn in de zin van artikel 15 van de Grondwet, toch de waarborgen die zijn bepaald in de voormelde verdragsbepalingen genieten. Het mogelijk optreden van de personeelsleden wordt uitgebreid ten opzichte van de soortgelijke bepalingen van artikel 61, § 1, 1° en 3°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, aangezien het niet langer vereist is dat de personeelsleden, om ertoe gemachtigd te zijn bepaalde plaatsen binnen te gaan, ‘ ernstige redenen [hebben die] laten vermoeden dat een overtreding van het decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan wordt begaan ’ en het niet langer vereist is dat zij, teneinde controles en enquêtes in te stellen, over ‘ ernstige aanwijzingen van overtreding ’ beschikken. Die vereiste hield in dat de beoogde handelingen enkel konden worden gesteld wanneer de bevoegde ambtenaren en personeelsleden ernstige redenen hadden die lieten vermoeden dat overtredingen van het decreet of van de uitvoeringsbesluiten ervan werden begaan (1°) of over ernstige aanwijzingen van overtredingen beschikten (3°), zonder dat enige restrictieve bepaling op beperkende wijze omschreef wat onder de woorden ‘ ernstige redenen ’ en ‘ ernstige aanwijzingen ’ moest worden verstaan. De betrokken ambtenaren of personeelsleden dienden met andere woorden over ‘ ernstige redenen ’ of ‘ ernstige aanwijzingen ’ te beschikken, maar zulks volstond. Er kon niet tot de in die bepalingen bedoelde handelingen worden overgegaan in het kader van stelselmatige controles of routinecontroles. Daarenboven dienden de processen-verbaal met betrekking tot dergelijke handelingen duidelijk en concreet te vermelden waaruit de ‘ ernstige redenen of de ernstige aanwijzingen ’ die het optreden verantwoordden, bestonden. Die vereiste werd al te dwingend en nadelig voor de goede uitoefening van de opdrachten van toezicht geacht, en onevenredig ten aanzien van de motivering ervan die erin bestond te vermijden dat controles die niet aan enige beperking zouden worden onderworpen, afbreuk kunnen doen aan het fabrieksgeheim (Parl. St., Waals Parlement, 392 (1997-1998) - nr. 105). Wat de woonplaats betreft, worden de vaststellende beambten evenwel ertoe gemachtigd zich toegang ertoe te verschaffen wanneer zij de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming hebben van de persoon die het effectieve genot van de betrokken plaatsen geniet. In dat geval zullen de personeelsleden ervoor zorgen dat zij het bewijs van die toestemming leveren. Het is vanzelfsprekend dat de personeelsleden, wanneer zij van plan zullen zijn om gebruik te maken van de mogelijkheid die die bepaling hun biedt, rekening zullen houden met het evenredigheidsbeginsel en binnen de strikte uitoefening van hun opdracht zullen handelen » (Parl. St., Waals Parlement, 2018-2019, nr. 1333/1, pp. 24-25). B.4. Bij zijn arrest nr. 60/2021 van 22 april 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.060) heeft het Hof zich uitgesproken over het vroegere artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek, waaruit het in het geding zijnde artikel D.161 is overgenomen. Het Hof heeft geoordeeld dat het vroegere artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal 9 Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet schond « onder voorbehoud van de in B.12.4 en B.12.5 vermelde interpretaties ». B.5. Artikel 19 van het decreet van 24 november 2021 heeft artikel D.161 van het Milieuwetboek gewijzigd door met name een derde lid aan dat artikel toe te voegen, dat voortaan bepaalt : « Onverminderd artikel 94 van het Boswetboek kunnen de vaststellende beambten in de uitoefening van hun opdrachten en onverminderd hun voor het overige vastgelegde inspectietaken op elk ogenblik de installaties, lokalen, terreinen en andere plaatsen binnentreden, behalve als het gaat om een woonplaats in de zin van artikel 15 van de Grondwet. Indien het gaat om een woonplaats in de zin van artikel 15 van de Grondwet, mogen die beambten er binnentreden met de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter of voor zover hij de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming heeft van de persoon die het effectieve genot van de betrokken plaatsen geniet. Wanneer de in lid 2 bedoelde persoon weigert gevolg te geven aan de voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter, kan de officier de politie verzoeken de toegang tot de woning af te dwingen. De afwezigheid van de in lid 2 bedoelde persoon kan niet worden aangevoerd als beletsel voor de voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter. De beambte doet zo nodig een beroep op de diensten van een slotenmaker ». In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 november 2021 wordt uiteengezet dat de wijziging van artikel D.161 van het Milieuwetboek, « dat handelt over het prerogatief van de personeelsleden met betrekking tot de toegang tot bepaalde plaatsen waaronder de woonplaats, en dat wordt gewijzigd om een nieuw derde lid eraan toe te voegen », « een antwoord beoogt te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 60/2021 van 22 april 2021 » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 680/1, p. 30). Artikel 27 van het decreet van 24 november 2021 heeft een analoge wijziging aangebracht in artikel D.171 van het Milieuwetboek, wat de controle en het toezicht op de uitvoering van de veiligheids- en dwangmaatregelen betreft (ibid., p. 37). B.6. Overeenkomstig artikel 30, § 1, ervan is het decreet van 6 mei 2019, zoals gewijzigd bij het decreet van 24 november 2021, in werking getreden op 1 juli 2022, zijnde op de datum die is vastgesteld in artikel 23 van het besluit van de Waalse Regering van 2 juni 2022 « tot wijziging van het regelgevende deel van Boek I van het Waalse Milieuwetboek wat betreft milieudelinquentie ». 10 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.7.1. De Vlaamse Regering is van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat zij niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, bij gebrek aan een element dat aangeeft dat de in het geding zijnde bepaling van toepassing is op de voorliggende feiten. B.7.2. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.7.3. Te dezen beoogt de verwijzende onderzoeksrechter, in zijn verwijzingsbeschikking, artikel D.161 van het Milieuwetboek, alsook een verzoek van een officier van gerechtelijke politie van de Waalse Overheidsdienst om een huisvisitatie toe te staan bij twee personen. Het ontbreken van een omstandige uiteenzetting over de context waarin dat verzoek werd ingediend, maakt het niet mogelijk te oordelen dat de in het geding zijnde bepaling te dezen klaarblijkelijk niet van toepassing zou zijn. B.7.4. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.8.1. De verwijzende onderzoeksrechter vraagt het Hof of artikel D.161 van het Milieuwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre met name de verdachten die het voorwerp zouden uitmaken van een huiszoeking of huisvisitatie door de in dat Wetboek bedoelde vaststellende beambte, in het kader van een of meer inbreuken bedoeld in het milieustrafrecht in het Waalse Gewest, niet dezelfde rechten en waarborgen zouden genieten als de verdachten die het voorwerp zouden uitmaken van een huiszoeking die een onderzoeksrechter beveelt in het kader van zijn 11 gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een of meer inbreuken op het Strafwetboek of op andere strafrechtelijke wetgevingen, met inbegrip van het Waalse Milieuwetboek. B.8.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt dat de prejudiciële vraag meer bepaald betrekking heeft op het derde lid van artikel D.161 van het Milieuwetboek. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepaling. B.9. Artikel 10 van de Grondwet bepaalt : « Er is in de Staat geen onderscheid van standen. De Belgen zijn gelijk voor de wet; zij alleen zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd ». Artikel 11 van de Grondwet bepaalt : « Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden ». Artikel 15 van de Grondwet bepaalt : « De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : 12 « 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ‘s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden. 2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. 3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten :
  6. a)onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
  7. b)te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
  8. c)zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist;
  9. d)de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
  10. e)zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». 13 Artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Allen zijn gelijk voor de rechtbanken en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. De toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, of wanneer het belang van het privéleven van de partijen bij het proces dit eist, of in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden; evenwel dient elk vonnis dat wordt gewezen in een strafzaak of een rechtsgeding openbaar te worden gemaakt, tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of het voogdijschap over kinderen betreft ». B.10. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.11.1. De prejudiciële vraag heeft « met name » betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, « de verdachten die het voorwerp zouden uitmaken van een huiszoeking of huisvisitatie door de in dat Wetboek bedoelde vaststellende beambte, in het kader van een of meer inbreuken bedoeld in het milieustrafrecht in het Waalse Gewest » en, anderzijds, « de verdachten die het voorwerp zouden uitmaken van een huiszoeking die een onderzoeksrechter beveelt in het kader van zijn gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een of meer inbreuken op het Strafwetboek en op andere strafrechtelijke wetgevingen, met inbegrip van het Waalse Milieuwetboek », in zoverre de eerstgenoemden niet dezelfde rechten en waarborgen als de laatstgenoemden zouden genieten. 14 B.11.2. De Vlaamse Regering is van mening dat de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden. B.11.3. In zoverre de personen die tot de twee in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën behoren, ervan worden verdacht een overtreding te hebben begaan en in zoverre zij het voorwerp uitmaken van een huiszoeking die een onderzoeksrechter beveelt of van een huisvisitatie die door een vaststellende beambte wordt verricht in het kader van het toezicht, de controle, de opsporing en de vaststelling van overtredingen, bevinden zij zich in voldoende vergelijkbare situaties. B.12. Bij de in het geding zijnde bepaling wordt aan de vaststellende beambten, bij de uitoefening van hun opdrachten en met de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter, de bevoegdheid toegewezen om een woonplaats binnen te treden in het kader van het toezicht, de controle, de opsporing en de vaststelling van overtredingen, hetgeen een inmenging in het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven uitmaakt. In die bepaling wordt de inhoud overgenomen van het vroegere artikel D.145 van het Milieuwetboek, dat van toepassing was op de beambten bij de uitoefening van hun opdrachten en dat was opgenomen in een titel met als opschrift « Opsporing en vaststelling van de overtredingen ». B.13.1. Bij zijn voormelde arrest nr. 60/2021 van 22 april 2021 heeft het Hof zich uitgesproken over het vroegere artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek. Het Hof heeft geoordeeld dat, « onder voorbehoud van de in B.12.4 en B.12.5 vermelde interpretaties […] artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek, ingevoegd bij het decreet van het Waalse Gewest van 5 juni 2008 ‘ betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de beteugeling van milieuovertredingen en de herstelmaatregelen inzake leefmilieu ’, niet de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet [schendt], in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten », na de volgende overwegingen : 15 « B.6. Het in het geding zijnde artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek kent aan de personeelsleden van het DNB de bevoegdheid toe om in de uitoefening van hun opdrachten een woonplaats te betreden, mits de onderzoeksrechter voorafgaande toestemming heeft verleend. Uit de in B.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat die bepaling door de decreetgever werd aangenomen op grond van artikel 11, derde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Krachtens die bepaling kunnen de decreten, binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, ‘ de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben ’. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om ‘ de gevallen [te] bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben ’, kan de decreetgever, zoals te dezen, een rechter ertoe machtigen een huiszoeking toe te staan buiten een gerechtelijk onderzoek. B.7. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, is het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, dat is toegelaten door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een zodanig verschil kan op zich niet geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.8. Behoudens toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zijn de gewesten niet bevoegd om de vorm van de huiszoekingen te regelen (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1063/7, p. 67; zie ook met name advies nr. 24.240/9 van 20 maart 1995 van de afdeling wetgeving van de Raad van State in verband met een voorontwerp van decreet ‘ betreffende afval ’). Zij zijn gebonden door de procedurele waarborgen die inzake huiszoekingen zijn vastgesteld door de federale wetgever, die met name voortvloeien uit de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, uit de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.9.1. De artikelen 15 en 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de woning wordt voorgeschreven in een voldoende precieze wettelijke bepaling, beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de daarin nagestreefde wettige doelstelling. B.9.2. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bevatten waarborgen onder meer voor een eerlijk proces bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging. B.9.3. De bestreden bepaling kent de personeelsleden van het DNB de bevoegdheid toe om in de uitoefening van hun opdrachten en onder voorwaarde van een voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter een woonplaats te betreden, wat een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven. Bijgevolg moet die inmenging voldoen aan de in B.9.1 vermelde vereisten en dienen de betrokken personen de jurisdictionele waarborgen te genieten die uit de in B.9.2 aangehaalde bepalingen voortvloeien. B.10. Deel VIII van het Milieuwetboek strekt ertoe de volledige doeltreffendheid van de inzake leefmilieu uitgevaardigde normen te waarborgen door, via strafrechtelijke sancties, 16 ernstige aantastingen van het leefmilieu (Parl. St., Waals Parlement, 2007-2008, nr. 771/1, p. 3), en met name de illegale handel in dieren, te bestrijden. Zodoende wenst de Waalse decreetgever minstens een van de in artikel 7bis van de Grondwet opgesomde doelstellingen na te streven, maar ook het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, bedoeld in artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, te waarborgen. Bij de in het geding zijnde bepaling wordt dus een legitiem doel nagestreefd in de zin van artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.11. In de inmenging in het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven wordt voorzien bij een wetsbepaling. B.12.1. Uit de bewoordingen van het in het geding zijnde artikel D.145 van het Milieuwetboek blijkt dat de personeelsleden van het DNB ‘ in de uitoefening van hun opdrachten ’ woningen kunnen binnentreden. Die onderzoeksbevoegdheid is dus doelgebonden, wat impliceert dat de bevoegde personeelsleden deze slechts kunnen aanwenden ter controle van de naleving van de in artikel D.138 van het Milieuwetboek vermelde wetgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu. B.12.2. Bij het tweede lid van artikel D.145 van het Milieuwetboek wordt het binnentreden van een woning afhankelijk gesteld van de voorafgaande toestemming van een onderzoeksrechter. Het optreden van de onderzoeksrechter, een onpartijdig en onafhankelijk magistraat, is een essentiële waarborg voor de inachtneming van de voorwaarden waaraan een aantasting van de onschendbaarheid van de woning is onderworpen, die is gewaarborgd bij artikel 15 van de Grondwet en artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.12.3. Artikel 149 van de Grondwet, dat bepaalt dat ‘ elk vonnis […] met redenen [is] omkleed ’, drukt een algemene regel uit die geldt voor elk rechtscollege (arrest van het Hof nr. 1/2009 van 8 januari 2009, B.3.4, eerste alinea). Een door de onderzoeksrechter verleende machtiging tot huiszoeking dient bijgevolg met redenen te zijn omkleed, temeer daar het aan de onderzoeksrechter staat soeverein te oordelen of de maatregel opportuun is. De beschikking tot huiszoeking dient de precieze vermeldingen te bevatten waardoor diegene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, voldoende informatie wordt aangereikt over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten grondslag liggen, teneinde een daadwerkelijk rechtsmiddel mogelijk te maken om de wettigheid van de beslissing te doen nagaan (Cass., 11 januari 2006, P.05.1371.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060111.5). Een beschikking tot huiszoeking dient de minimale vermeldingen te bevatten die het mogelijk maken controle uit te oefenen over de inachtneming, door de personeelsleden die ze hebben uitgevoerd, van het toepassingsgebied dat bij de beschikking wordt bepaald (EHRM, 24 mei 2011, Aydemir t. Turkije, § 98). De strafrechtelijke procedures dienen als een geheel te worden beschouwd, hetgeen de voorafgaande fases van het proces, waaronder het onderzoek, omvat (EHRM, grote kamer, 20 oktober 2015, Dvorski t. Kroatië, § 76). De door de onderzoeksrechter gestelde handelingen hebben immers rechtstreeks een invloed op het voeren en op de billijkheid van de verdere procedure, waaronder het eigenlijke proces (EHRM, 6 januari 2010, Vera Fernández-Huidobro t. Spanje, §§ 109 tot 111). De door de onderzoeksrechter krachtens artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek verleende machtiging moet bijgevolg met redenen worden omkleed, hetgeen vereist dat daarin met name moet worden vermeld in welk opzicht het binnentreden in een bewoonde ruimte noodzakelijk is om het de personeelsleden van het DNB mogelijk te maken hun wettelijke 17 opdracht uit te voeren. Zij dient te vermelden voor welke woning en aan welke personen ze wordt verleend. De onderzoeksrechter kan zijn machtiging bovendien gepaard doen gaan met de nadere regels die hem opportuun lijken. Die verschillende elementen bieden aan de rechter bij wie de zaak in voorkomend geval later aanhangig wordt gemaakt, de mogelijkheid om de wettigheid van de door de onderzoeksrechter verleende machtiging te toetsen. B.12.4. Bij artikel D.140 van het Milieuwetboek wordt vastgesteld dat enkel de personeelsleden van het DNB die de eed hebben afgelegd voor de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheden van gerechtelijke politie mogen uitoefenen. Bijgevolg mogen enkel die beëdigde personeelsleden krachtens het in het geding zijnde artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek een woonplaats binnentreden met de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter. Uit de in B.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de personeelsleden van het DNB, bij het binnentreden van een woonplaats, rekening moeten houden met het evenredigheidsbeginsel en binnen de strikte uitoefening van hun opdracht moeten handelen. Voorts zijn de onderzoeksmiddelen die zij bij het uitoefenen van die bevoegdheid kunnen aanwenden, limitatief vastgesteld en afgebakend bij artikel D.146 van het Milieuwetboek. Weliswaar kunnen de personeelsleden krachtens artikel D.140 van het Milieuwetboek het optreden van de openbare macht vorderen in de uitoefening van hun opdracht en leggen de in het geding zijnde bepalingen de eigenaar of bewoner de verplichting op om aan de gemachtigde personeelsleden vrije toegang tot zijn woning te verlenen en gesloten kasten of kluizen te openen, en aldus zijn medewerking te verlenen. Artikel D.154, 2°, van het Milieuwetboek voorziet immers in strafbepalingen voor ‘ degene die zich verzet of de opdrachten van de personeelsleden belemmert ’, wat ‘ een inbreuk van de tweede categorie ’ vormt. Een dergelijke inbreuk wordt krachtens artikel D.151, § 1, derde lid, gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 3 jaar en een geldboete van minstens 100 euro en maximum 1.000.000 euro, of met één van beide sancties alleen. Zoals de Waalse Regering opmerkt, laten de in het geding zijnde bepalingen evenwel niet toe dat de bevoegde personeelsleden zich met geweld of dwang toegang tot een woning verschaffen wanneer de verplichte medewerking niet wordt verleend, noch dat zij de inzage van documenten of het openen van gesloten kasten of kluizen afdwingen indien de eigenaar of bewoner zich daartegen verzet. Indien de omstandigheden zulks vereisen, komt het de bevoegde personeelsleden toe de feiten aan te geven bij de procureur des Konings die de maatregelen zal nemen die noodzakelijk zijn om de strafvordering in werking te stellen en die, indien daar reden toe is, de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig zal maken teneinde een gerechtelijke huiszoeking te laten uitvoeren. B.12.5. Behoudens uitzondering mag een opsporing ten huize of een huiszoeking niet plaatsvinden tussen 21 uur en 5 uur ’s morgens (artikel 1 van de wet van 7 juni 1969 ‘ tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijheidsbeneming mag worden verricht ’). Artikel D.145, tweede lid, van het Milieuwetboek vormt geen uitzondering op dat beginsel. In tegenstelling tot hetgeen is bepaald in het eerste lid van het voormelde artikel D.145, dat de personeelsleden van het DNB ertoe machtigt plaatsen die geen woning uitmaken, op ‘ elk ogenblik ’ binnen te treden, preciseert het tweede lid van artikel D.145 van het Milieuwetboek niet op welk ogenblik het is toegestaan de woning binnen te treden, maar onderwerpt het dat onderzoeksmiddel aan de toestemming van een onderzoeksrechter, zodat het binnentreden niet kan plaatsvinden tussen 21 uur en 5 uur ’s morgens. 18 B.13. Uit het voorgaande en onder voorbehoud van de in B.12.4 en B.12.5 vermelde interpretaties vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven, noch het recht op een eerlijk proces op onevenredige wijze belemmert, gelet op de waarborgen die haar omringen ». Uit het voorgaande vloeit voort dat het Hof de grondwettigheid van de regeling van het vroegere artikel D.145 van het Milieuwetboek slechts had aanvaard op voorwaarde dat de in B.12.4 en B.12.5 van het arrest nr. 60/2021 vermelde waarborgen in acht worden genomen, waaronder de waarborg dat de bepalingen van het Milieuwetboek niet toelaten dat de bevoegde personeelsleden zich met geweld of dwang toegang tot een woning verschaffen wanneer de verplichte medewerking niet wordt verleend, noch dat zij de inzage van documenten of het openen van gesloten kasten of kluizen afdwingen indien de eigenaar of bewoner zich daartegen verzet, en dat, indien de omstandigheden zulks vereisen, het de bevoegde personeelsleden toekomt de feiten aan te geven bij de procureur des Konings, die de maatregelen zal nemen die noodzakelijk zijn om de strafvordering in werking te stellen en die, indien daar reden toe is, de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig zal maken teneinde een gerechtelijke huiszoeking te laten uitvoeren (B.12.4, in fine). B.13.2. Bij zijn arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.148) heeft het Hof immers geoordeeld dat de huiszoeking, vanwege de ernst van de erdoor teweeggebrachte inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de onschendbaarheid van de woning, in de stand van de wetgeving inzake de strafrechtspleging op dat ogenblik, enkel kon worden toegelaten in het kader van een gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een of meerdere strafrechtelijke misdrijven. Het instellen van een gerechtelijk onderzoek in het dossier maakt het de belanghebbenden immers mogelijk om toegang tot het dossier te vragen en te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Het maakt eveneens een toezicht door de onderzoeksgerechten op de regelmatigheid van de procedure mogelijk. B.13.3. Met betrekking tot de huisvisitaties die door de sociaal inspecteurs kunnen worden uitgevoerd, had het Hof bij zijn arrest nr. 102/2019 van 27 juni 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.102) eveneens geoordeeld : « B.7.1. In tegenstelling tot de officieren van gerechtelijke politie die een huiszoeking in het kader van een gerechtelijk onderzoek uitvoeren, worden de sociaal inspecteurs door het 19 Sociaal Strafwetboek niet ertoe gemachtigd geweld of dwang te gebruiken om de plaatsen binnen te gaan die zij willen visiteren indien de eigenaar of de bewoner afwezig is of hun de toegang ertoe weigert. Zij mogen niet fouilleren of geen gesloten kasten openen. Bovendien hebben zij, wanneer zij een bewoonde ruimte visiteren, beperktere bevoegdheden dan wanneer zij zich toegang verschaffen tot arbeidsplaatsen die geen bewoonde ruimten zijn. In dat geval sluit artikel 24, § 4, van het Sociaal Strafwetboek immers de uitoefening van de in de artikelen 28, 30 tot 33 en 34, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde bevoegdheden uit, zodat zij zich de informatiedragers - fysieke of op gegevens- of elektronische drager - die zich op die plaatsen bevinden niet mogen doen overleggen, noch een kopie ervan mogen nemen. Het feit dat de sociaal inspecteurs een huisvisitatie uitvoeren omdat zij vermoeden dat er een inbreuk op het Sociaal Strafwetboek wordt gepleegd, kent hun niet meer bevoegdheden toe dan die waarover zij beschikken in het kader van hun algemene opdracht van toezicht op de naleving van de sociale wetten. Indien de omstandigheden zulks vereisen, komt het hun toe de feiten aan te geven bij de procureur des Konings die de maatregelen zal nemen die noodzakelijk zijn om de strafvordering in werking te stellen en die, indien daar reden toe is, de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig zal maken teneinde een gerechtelijke huiszoeking te laten uitvoeren. B.7.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat de met toepassing van de in het geding zijnde bepaling door de onderzoeksrechter toegestane huisvisitatie een inmenging in het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven met zich meebrengt die minder ernstig is dan die welke wordt veroorzaakt door een huiszoeking die in de context van een gerechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd ». B.13.4. Uit de voormelde rechtspraak blijkt dat de huiszoeking, vanwege de ernst van de erdoor teweeggebrachte inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de onschendbaarheid van de woning, in de stand van de wetgeving inzake de strafrechtspleging, enkel kan worden toegelaten in het kader van een gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een of meerdere strafrechtelijke misdrijven, waarbij dat onderzoek wordt omringd met verschillende waarborgen, waaronder het toezicht op de regelmatigheid van de procedure, dat onder de onderzoeksgerechten ressorteert. Hoewel huisvisitaties kunnen worden toegestaan door de onderzoeksrechter wegens een vermoeden van een inbreuk, wordt de bestaanbaarheid van dergelijke maatregelen met het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven en met het recht op een eerlijk proces evenwel gekoppeld aan de voorwaarde dat dergelijke huisvisitaties geen inmenging met zich mee mogen brengen die even ernstig is als die welke wordt veroorzaakt door een huiszoeking die in de context van een gerechtelijk onderzoek wordt verricht. B.14.1. Zoals in B.5 is vermeld, beoogt de toevoeging van een derde lid in de in het geding zijnde bepaling - net zoals de toevoeging van een derde lid in artikel D.171 van het 20 Milieuwetboek - « een antwoord te bieden op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 60/2021 van 22 april 2021 » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 680/1, p. 30). Na de overwegingen B.12.4 en B.12.5 van het voormelde arrest nr. 60/2021 te hebben aangehaald, wordt in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 november 2021 aangegeven : « Die laatste conclusies zijn relatief problematisch in zoverre zij de bepaling elk nuttig effect ontnemen. In het kader van zijn opdrachten inzake controle, opsporing en vaststelling van inbreuken op de in artikel D.138 bedoelde wetgevingen kan het personeelslid immers de voorafgaande toestemming van een onderzoeksrechter verkrijgen om zich toegang te verschaffen tot de woonplaats van een persoon die ervan wordt verdacht inbreuken te begaan, maar voor die persoon zou het volstaan om zich uiteindelijk tegen de toegang te verzetten opdat de opdracht inzake controle, opsporing en vaststelling mislukt. In die opvatting is het geoorloofd zich af te vragen of de toestemming van de onderzoeksrechter een echte draagwijdte heeft. Aangezien het onderzoek door de onderzoeksrechter nuttig is en zijn voorafgaandelijk verleende toestemming enige kracht heeft, werd een lid toegevoegd om te handelen over de weigering van de verdachte persoon om de toegang toe te staan, ondanks het voorleggen van de toestemming. Aldus kan het personeelslid, in dat geval, het optreden van de openbare macht vorderen om de toestemming waarover hij beschikt, met geweld te laten uitvoeren. Het personeelslid zal bijgevolg niet als enige geweld mogen gebruiken, maar zal een beroep moeten doen op de klassieke ordediensten. Bovendien zal het personeelslid, in een situatie waarin de verdachte persoon afwezig is, en hij over de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter beschikt, ook een beroep kunnen doen op een slotenmaker om zich rechtstreeks toegang tot de woonplaats te verschaffen. Zodoende zal het personeelslid, bij zijn opdracht, zoals in het arrest van het Grondwettelijk Hof wordt opgemerkt, rekening moeten houden met het evenredigheidsbeginsel en zal het binnen de strikte uitoefening van zijn opdracht moeten handelen. Aldus zal het strikt binnen het kader van de door de onderzoeksrechter verleende toestemming moeten blijven. Die inmenging is evenredig in zoverre zij onontbeerlijk is opdat de toestemming van de onderzoeksrechter een nuttig effect heeft, en aangezien het absoluut noodzakelijk is om in die omstandigheden de opdrachten inzake controle, opsporing en vaststelling van inbreuken te kunnen uitvoeren alvorens de bewijzen ertoe worden gebracht te verdwijnen » (ibid., p. 31). B.14.2. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever, door een derde lid toe te voegen aan de artikelen D.161 en D.171 van het Milieuwetboek, het interpretatievoorbehoud dat door het Hof in zijn voormelde arrest nr. 60/2021 is geformuleerd, zijn werking heeft willen ontnemen door aan de vaststellende beambte de bevoegdheid toe te kennen om het optreden van de openbare macht te vorderen om de toegang tot de woning af te dwingen, in geval van weigering maar ook bij afwezigheid van de persoon, en door, zo nodig, toe te staan dat er een beroep wordt gedaan op de diensten van een slotenmaker. Zodoende heeft de decreetgever aan de vaststellende beambten bevoegdheden verleend tot inmenging in de 21 woonplaats die dermate ernstig zijn dat zij het kader van een huisvisitatie te buiten gaan, hetgeen, om de in B.13.1 in herinnering gebrachte redenen, het recht op eerbiediging van de woning en van het privéleven alsook het recht op een eerlijk proces schendt. B.15. Artikel D.161, derde lid, van het Milieuwetboek is niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 22 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel D.161, derde lid, van het Waalse Milieuwetboek schendt de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 juni 2023. De griffier, De wnd. voorzitter, F. Meersschaut T. Giet PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.091 Gerelateerde publicatie(
  11. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060111.5 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.116 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.148 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.102 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.