← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.097

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.097 Arrest- Rolnummer: 97/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 1513 - laatst gezien 2026-06-18 15:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector », ingesteld door de nv « Varo Energy Belgium ». Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Verplichte tijdelijke solidariteitsbijdrage - Oliesector Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 97/2023 van 15 juni 2023 Rolnummer : 7942 In zake : de vordering tot schorsing van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector », ingesteld door de nv « Varo Energy Belgium ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2023, heeft de nv « Varo Energy Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Delanote, advocaat bij de balie te Brussel, een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2022). Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wet. Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 26 april 2023, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 17 april 2023 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Decroix en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. 2 Op de openbare terechtzitting van 26 april 2023 : - zijn verschenen : . Mr. M. Delanote, voor de verzoekende partij; . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, tevens loco Mr. K. Decroix, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.

  1. De verzoekende partij vordert de schorsing van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (hierna : de wet van 16 december 2022). A.1.
  2. In het eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 « betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen » (hierna : de verordening (EU) 2022/1854). De verzoekende partij voert aan dat de verordening (EU) 2022/1854, die de bestreden wet van 16 december 2022 beoogt uit te voeren, geen geldige rechtsgrondslag heeft. Die verordening werd aangenomen op grond van artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de Raad machtigt om, op voorstel van de Commissie, « voor de economische situatie passende maatregelen » vast te stellen. De invoering van een tijdelijke solidariteitsbijdrage zou er evenwel toe strekken het zogenaamde « surplus aan winsten » binnen de oliesector af te romen, met als doel deze te herverdelen. Een dergelijke belasting op de winst gerealiseerd door een onderneming wordt beschouwd als een directe belasting, en kon enkel op grond van artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden ingevoerd. Die bepaling biedt de enige rechtsgrondslag in het primair EU-recht om maatregelen uit te vaardigen over de directe belastingen, en vereist eenparigheid van stemmen binnen de Raad en een raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch Sociaal Comité. De verzoekende partij meent dan ook dat het Hof een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de geldigheid van de tijdelijke solidariteitsbijdrage die werd ingevoerd bij de verordening (EU) 2022/
  3. Vermits het Hof niet kan vooruitlopen op het antwoord van het Hof van Justitie, moet ervan worden uitgegaan dat het eerste middel ernstig is. A.1.
  4. In het tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 38, 39, 128 en 143, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, artikel 6, § 1, VI, VII en IX, en § 3, 2° en 3°, en artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/
  5. 3 De verzoekende partij benadrukt dat de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van de verordening (EU) 2022/1854 de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage met voldoende snel effect moeten gebruiken voor welbepaalde doeleinden. Die doeleinden zouden in zeer belangrijke mate vallen onder aangelegenheden die aan de gewesten en de gemeenschappen zijn toegewezen. Het zou immers om maatregelen gaan die betrekking hebben op bijstand aan personen, op het economisch beleid, op het energiebeleid (waaronder de nieuwe energiebronnen en het rationeel energieverbruik) en op het tewerkstellingsbeleid. De verordening (EU) 2022/1854 zou dan ook zeer duidelijk betrekking hebben op bevoegdheden die zowel aan de federale overheid als aan de gemeenschappen en de gewesten toekomen, zodat er overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een dwingende noodzaak bestaat om samenwerkingsakkoorden te sluiten. Bovendien dient op grond van artikel 6, § 3, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een overleg plaats te vinden « voor iedere maatregel op het gebied van het energiebeleid, buiten de bevoegdheden opgesomd in § 1, VII », alsook « over de grote lijnen van het nationaal energiebeleid ». Bij gebrek aan een samenwerkingsakkoord en overleg zijn de in het middel aangevoerde bepalingen geschonden. A.1.
  6. In het derde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, doordat de bestreden wet van 16 december 2022 de erin geviseerde ondernemingen belast op basis van de hoeveelheid olieproducten die wordt verwerkt of tot verbruik wordt uitgeslagen. In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat op die manier aan de geviseerde ondernemingen de waarborg wordt ontnomen dat de solidariteitsbijdrage overeenkomstig de verordening wordt berekend op de belastbare winst. Bepaalde bedrijven, zoals ondernemingen actief in de raffinagesector en de zogenaamde « primaire deelnemers », worden door de bestreden wet onweerlegbaar vermoed overwinsten te hebben gerealiseerd ten bedrage van minstens 6,9 euro per ton verwerkte ruwe aardolie of van minstens 7,8 euro per kubieke meter product dat tot verbruik wordt uitgeslagen. Die stelling is verkeerd en wordt door de feiten tegengesproken. De door de wetgever aangevoerde verantwoording dat de balansen pas later bekend zijn, zou niet kunnen worden aangenomen. Niets verhindert immers dat de ondernemingen, desnoods op basis van voorlopige cijfers, hun winsten rapporteren. Bovendien kon de wetgever voorzien in een regularisatie- of compensatiemechanisme op basis van de definitieve jaarrekeningen, hetgeen hij bovendien ook gedaan heeft, zij het enkel om de verschuldigde bijdrage te verhogen. Evenmin kan worden aangenomen dat een forfaitaire berekeningswijze, zonder een negatieve regularisatie, nodig was omdat binnen bedrijven die deel uitmaken van een internationale groep winsten makkelijk zouden kunnen worden verschoven. Ondernemingen hebben immers de wettelijke verplichting om in hun betrekkingen met verbonden ondernemingen correcte verrekenprijzen toe te passen. In ieder geval is het niet proportioneel dat de betrokken onderneming niet wordt toegestaan het werkelijke bedrag van de overwinsten aan te tonen. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet, door de overwinsten gelijk te stellen aan een bepaald bedrag per verwerkt of tot verbruik uitgeslagen volume, zonder rekening te houden met de aard van de activiteiten van de geviseerde onderneming, vermeende overwinsten treft die elders in de keten werden gerealiseerd. Door vermeende overwinsten toe te rekenen aan ondernemingen die – gelet op de aard van hun activiteiten en/of rekening houdend met de door hen uitgeoefende functies – onmogelijk die overwinsten kunnen realiseren, die in werkelijkheid door andere groepsleden werden gerealiseerd, eigent de Belgische Staat zich een heffingsbevoegdheid toe die hem niet toekomt, doch op grond van de verordening (EU) 2022/1854 of van de door België afgesloten dubbelbelastingverdragen mogelijkerwijze toekomt aan andere Staten. In ieder geval is de bestreden wet ook op dit vlak disproportioneel : indien de wetgever bevreesd zou zijn voor winstverschuivingen, zou het gepast zijn hiertoe gerichte maatregelen te nemen. A.1.
  7. In het vierde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/
  8. Doordat artikel 4, § 1, van de bestreden wet van 16 december 2022 het toepassingsgebied van de tijdelijke solidariteitsbijdrage beperkt tot, enerzijds, de geregistreerde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector en die over raffinagecapaciteit in België beschikken en, anderzijds, geregistreerde oliemaatschappijen die in het jaar 2022 als « primaire deelnemers » zijn aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten, zou de wetgever verscheidene discriminaties in het leven hebben geroepen. In een eerste onderdeel viseert de verzoekende partij het onderscheid tussen de in artikel 4, § 1, van de bestreden wet van 16 december 2022 bedoelde ondernemingen en de andere ondernemingen die actief zijn in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage. Het feit dat een sector – wat de relatieve omvang ervan betreft – kleiner zou zijn dan de oliesector, zou niet kunnen verantwoorden dat de ondernemingen die actief zijn in die sector, van de heffing worden vrijgesteld. In zoverre de wetgever voorts aanvoert dat de gassector niet wordt 4 geviseerd « aangezien er in België geen aardgas wordt geproduceerd », stelt de verzoekende partij dat de geviseerde aardoliemaatschappijen evenmin aardolie produceren in België. In een tweede onderdeel viseert de verzoekende partij het onderscheid tussen de geregistreerde oliemaatschappijen die in het jaar 2022 als primaire deelnemers zijn aangewezen en de oliemaatschappijen die in het jaar 2022 niet als primaire deelnemers zijn aangewezen. De acht bedrijven die als primaire deelnemers werden aangewezen, werden immers enkel aangewezen om, in geval van bevoorradingscrisis, de voorraden die door APETRA worden beheerd, op te kopen teneinde vervolgens de eindconsument te kunnen beleveren via hun traditionele distributiestromen en logistieke middelen. Van een dergelijke bevoorradingscrisis was er geen sprake. A fortiori heeft dit evenmin geleid tot de realisatie van de vermeende overwinsten. In ieder geval wordt een « primaire deelnemer » niet « bevoordeeld », zoals de wetgever ten onrechte laat doorschemeren. De opname op de lijst van de primaire deelnemers berust immers niet op enige aanvraag of toekenning met het oog op het verkrijgen van een voordeel, maar is uitsluitend het gevolg van de selectie door de FOD Economie naar gelang van de vraag hoe hoog de onderneming staat in de distributieketen. In een derde onderdeel viseert de verzoekende partij de gelijke behandeling van de geregistreerde oliemaatschappen die olieproducten verhandelen en de ondernemingen die actief zijn in de « winning, ontginning, raffinage van aardolie en/of de vervaardiging van cokesovenproducten ». De verordening (EU) 2022/1854 viseert nochtans uitsluitend die laatste categorie. Dit kan worden verklaard door het feit dat de zogenaamde « overwinsten » die ontstaan ingevolge de stijging van olieprijzen, in eerste instantie aan het begin van de keten (winning en ontginning) zijn gesitueerd. Dat raffinaderijen mogelijkerwijze ook overwinsten realiseren, valt ook nog te begrijpen, vermits zij een noodzakelijke tussenschakel zijn in de omzetting van het ruwe product naar een afgewerkt product. Een handelaar in brandstoffen zal die overwinsten daarentegen niet genieten, net omdat hij de producten ook veel duurder moet aankopen. De hoge volatiliteit van de prijzen van de olieproducten is overigens een belangrijke factor die ertoe kan leiden dat verliezen worden geleden op een moment dat de prijzen hoog staan. In zoverre de bestreden wet zonder meer alle aardoliemaatschappijen viseert, met inbegrip van de ondernemingen die louter aardolieproducten verhandelen, wordt een ongeoorloofde gelijkheid van behandeling ingevoerd tussen de voormelde ondernemingen die nochtans geheel andere activiteiten uitoefenen. A.1.
  9. In het vijfde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 30 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de verordening (EU) 2022/
  10. Door te voorzien in een forfaitaire heffing die wordt berekend op het volume aan ingevoerde olieproducten, stelt de bestreden wet van 16 december 2022 een invoerheffing in, hetgeen krachtens artikel 30 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verboden is. Het loutere feit dat de wetgever heeft voorzien in een zogenaamd regularisatie- of compensatiemechanisme, doet hieraan geen afbreuk. De bestreden wet heeft voorzien in een solidariteitsbijdrage die minstens gelijk is aan het bedrag van de verschuldigde invoerheffingen. Ook het feit dat de wetgever – na een opmerking van de afdeling wetgeving voor de Raad van State – de terminologie heeft gewijzigd en thans verwijst naar de hoeveelheid olie die wordt « verwerkt » of tot verbruik wordt uitgeslagen, wijzigt niets aan de vaststelling dat het wel degelijk een heffing op de invoer betreft. A.1.
  11. In het zesde middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de verordening (EU) 2022/
  12. De solidariteitsbijdrage kan volgens de verzoekende partij leiden tot een daadwerkelijke eigendomsontneming, in zoverre de wetgever geen rekening houdt met de werkelijk gerealiseerde winsten per individuele onderneming doch uitgaat van een vast bedrag aan onweerlegbaar vermoede overwinsten die worden bepaald naar gelang van de volumes aan verwerkte of tot verbruik uitgeslagen olieproducten. Zelfs indien het Hof zou oordelen dat er een verantwoording bestaat om het bedrag van de overwinsten forfaitair vast te stellen, dan nog is de maatregel minstens onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. De verzoekende partij, die een aanzienlijke hoeveelheid olieproducten uitslaat tot verbruik, zou immers een solidariteitsbijdrage van jaarlijks ongeveer 19 600 000 euro dienen te betalen, ofschoon haar winst gering is, net omdat die winst niet door de uitgeslagen volumes wordt bepaald. A.1.
  13. In het zevende middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen zoals bedoeld in artikel II.3 van het 5 Wetboek van economisch recht, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de verordening (EU) 2022/
  14. In zoverre de bestreden wet van 16 december 2022 ertoe leidt dat de geviseerde ondernemingen een solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn die vele malen het bedrag overschrijdt van de reële winst die zij kunnen maken, zou zij een beperking van de vrijheid van handel en nijverheid uitmaken die niet noodzakelijk en minstens onevenredig is met het nagestreefde doel. A.1.
  15. In het achtste middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en met het wettigheids- en voorzienbaarheidsbeginsel. In zoverre artikel 5, § 2, van de bestreden wet van 16 december 2022 een solidariteitsbijdrage invoert die verschuldigd is op producten die reeds vanaf 1 januari 2022 worden ingevoerd of uitgeslagen, heeft de bestreden wet retroactieve werking. In de memorie van toelichting wordt op geen enkele wijze uitgelegd waarom die retroactieve heffing onontbeerlijk zou zijn voor het algemeen belang. De nagestreefde doelstelling van herverdeling is louter een beleidskeuze die op zich onmogelijk als onontbeerlijk kan worden bestempeld voor het algemeen belang. A.1.
  16. In het negende middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat de bestreden wet van 16 december 2022 uitsluitend voor de oliesector een tijdelijke solidariteitsbijdrage invoert. Artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zou zich verzetten tegen een dergelijke belastingmaatregel die niet van toepassing is op de sectoren aardgas en kolen. De verordening (EU) 2022/1854 onderwerpt de ondernemingen actief in die sectoren eveneens aan de tijdelijke solidariteitsbijdrage. A.1.
  17. In het tiende middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In het eerste onderdeel betwist de verzoekende partij dat artikel 7 van de bestreden wet van 16 december 2022 de gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de tijdelijke solidariteitsbijdrage bestraft met een geldboete van ten minste tienmaal het ontdoken bedrag, zonder een onderscheid te maken naar gelang van de vraag of de niet- betaling het gevolg is van enige onwil, dan wel te wijten is aan de onmogelijkheid om de bijdrage te betalen. Het zou nochtans duidelijk verschillende situaties betreffen. De aangevoerde discriminatie zou zich evenwel niet voordoen indien de bestreden bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat de sanctie uitsluitend wordt opgelegd in zoverre er sprake is van een bijzonder opzet, zoals een bedrieglijk oogmerk of een oogmerk om te schaden. In het tweede onderdeel betwist de verzoekende partij dat de wetgever de hoogte van de sanctie heeft geplafonneerd door te bepalen dat de sanctie niet meer mag bedragen dan twintig procent van de omzet van de betrokken geregistreerde oliemaatschappij, terwijl de omzet geen pertinent criterium is dat toelaat om de sanctie tot redelijke proporties te herleiden, temeer gelet op de doelstelling van de wetgever om overwinsten te treffen. A.1.
  18. Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voert de verzoekende partij aan dat zij, in afwachting van het resultaat van de procedure ten gronde, een onherroepelijk ernstig financieel nadeel dreigt te ondergaan dat haar leefbaarheid op korte termijn hypothekeert en in ieder geval haar voortbestaan in het gedrang brengt. De forfaitaire vaststelling van de zogenaamde « overwinst » op 7,8 euro per kubieke meter product dat tot verbruik wordt uitgeslagen, leidt er immers toe dat de verzoekende partij een zwaar verlieslatende activiteit voert. Een dergelijke benadering staat haaks op de economische realiteit, waarbij de verzoekende partij uitsluitend als een handelstussenpersoon optreedt en diensten verleent aan andere groepsvennootschappen. De marktconforme vergoeding die de verzoekende partij daarvoor ontvangt, staat geheel los van de prijs van de olieproducten. Voor zover er ergens in de distributieketen overwinsten zouden worden gerealiseerd, kunnen die geenszins aan de verzoekende partij worden toegerekend. Het verschuldigd worden van de solidariteitsbijdrage, die voor het jaar 2022 initieel op 19 629 566 euro werd geschat, leidt onmiddellijk tot een substantiële daling van het nettoactief van de verzoekende partij. Terwijl dat nettoactief op 31 december 2021 nog 27 840 359 euro bedroeg, was het op 31 december 2022 gedaald tot 6 8 553 424 euro. Ingevolge die daling van het nettoactief heeft de verzoekende partij de alarmbelprocedure opgestart overeenkomstig artikel 7:228 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Teneinde de continuïteit van de vennootschap te verzekeren, heeft de algemene vergadering, op voorstel van de raad van bestuur, beslist om onderhavig beroep in te dienen. Vermits het voortzetten van de activiteit noodgedwongen tot een verdere opeenstapeling van de verliezen leidt, dreigt het nettoactief van de vennootschap op zeer korte termijn negatief te worden. Ook de liquiditeitspositie van de verzoekende partij zal verder in het gedrang komen, aangezien zij nu reeds niet beschikt over voldoende eigen werkingsmiddelen om de betalingsverplichting voor het kalenderjaar 2022 te voldoen en gedwongen werd daarvoor een noodkrediet bij een verbonden vennootschap op te nemen. A fortiori zal zij niet in staat zijn om de voor het kalenderjaar 2023 verder oplopende betalingsverplichting te voldoen. De omstandigheid dat de solidariteitsbijdrage betrekking heeft op reeds voorheen uitgeslagen volumes, leidt er bovendien toe dat de verzoekende partij op onvoorzienbare wijze wordt geconfronteerd met een heffing die haar op een retroactieve wijze in een verliespositie plaatst. Voorts dreigt de verzoekende partij te worden geconfronteerd met sancties en invorderingsmaatregelen die haar financiële positie en haar voortbestaan nog verder dreigen te ondergraven en die uiteindelijk dreigen uit te monden in een faillissement waarbij de Belgische Staat de voornaamste schuldeiser zal zijn. De verzoekende partij ontving immers een eerste betalingsbericht voor het eerste semester van 2022 voor een bedrag van 9 636 510,12 euro en een tweede betalingsbericht voor het tweede semester van 2022 voor een bedrag van 9 866 365,92 euro, te betalen uiterlijk op 25 februari 2023, respectievelijk 16 maart
  19. De verzoekende partij heeft die facturen onmiddellijk betwist, mede met verwijzing naar de onderhavige procedure. Gelet op de dreiging met zware sancties en wegens het uitblijven van een antwoord op voormelde bezwaarschriften, heeft de verzoekende partij een noodkrediet opgenomen bij een verbonden vennootschap. Aan dat noodkrediet zijn evenwel zware interestlasten verbonden, die de operationele werking van de vennootschap verder ondermijnen. Bovendien zal in de loop van het jaar 2023 opnieuw een solidariteitsbijdrage verschuldigd worden. Indien de verzoekende partij gedwongen zou worden tot de betaling van de solidariteitsbijdrage (of van het in de plaats daarvan gestelde noodkrediet) en van de eventueel opgelegde boete die het tienvoud bedraagt, dient zij de activiteiten onmiddellijk te beëindigen. -B- B.1.
  20. De verzoekende partij vordert de schorsing van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (hierna : de wet van 16 december 2022). B.1.
  21. De wet van 16 december 2022 strekt ertoe « de energiebedrijven te doen bijdragen, die hebben geprofiteerd van overwinsten als gevolg van de energiecrisis en de prijsstijgingen die we sinds het begin van het jaar 2022 meemaken », dit « ter ondersteuning van de huishoudens die lijden onder de gevolgen van de crisis en het hoofd moeten bieden aan deze hoge prijzen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3034/001, p. 3). Met de invoering van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector, beoogt de wet van 16 december 2022 de gedeeltelijke uitvoering van de verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 « betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen » (hierna : de verordening (EU) 2022/1854). De artikelen 14 tot 18 van die 7 verordening, die hoofdstuk III met als opschrift « Maatregelen met betrekking tot de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage » vormen, voorzien in de invoering van een verplichte tijdelijke solidariteitsbijdrage voor het boekjaar 2022 en/of het boekjaar 2023 die wordt geheven op het surplus aan winsten van Unie-ondernemingen en vaste inrichtingen met activiteiten in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage. Die solidariteitsbijdrage strekt ertoe « de uitzonderlijke prijsontwikkelingen op de energiemarkten voor lidstaten, consumenten en bedrijven te verzachten » (artikel 2, punt 19), van de verordening (EU) 2022/1854), door de opbrengsten ervan aan te wenden voor de in artikel 17 bepaalde financiële steunmaatregelen. De artikelen 14 tot 18 van de verordening (EU) 2022/1854 bepalen : « Artikel 14 Ondersteuning van eindafnemers van energie door middel van een tijdelijke solidariteitsbijdrage
  22. Op het surplus aan winsten uit activiteiten door Unie-ondernemingen en vaste inrichtingen in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage wordt een verplichte tijdelijke solidariteitsbijdrage geheven, tenzij de lidstaten gelijkwaardige nationale maatregelen hebben vastgesteld.
  23. De lidstaten zorgen ervoor dat de vastgestelde gelijkwaardige nationale maatregelen vergelijkbare doelstellingen hebben en worden onderworpen aan vergelijkbare regels als de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit hoofde van deze verordening, en even hoge of hogere opbrengsten genereren dan de geschatte opbrengsten uit de solidariteitsbijdrage.
  24. De lidstaten dienen vóór 31 december 2022 de maatregelen vast te stellen en bekend te maken voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde verplichte tijdelijke solidariteitsbijdrage. Artikel 15 Grondslag voor de berekening van de tijdelijke solidariteitsbijdrage De tijdelijke solidariteitsbijdrage voor EU-ondernemingen en vaste inrichtingen die activiteiten verrichten in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage, inclusief ondernemingen die hoofdzakelijk voor belastingdoeleinden deel uitmaken van een geconsolideerde groep, wordt berekend op de belastbare winst, zoals bepaald volgens de nationale belastingregels, in het boekjaar 2022 en/of het boekjaar 2023 en voor de volledige duur daarvan, boven een toename van 20 % van het gemiddelde van de belastbare winst, zoals bepaald volgens de nationale belastingregels, in de vier boekjaren die aanvangen op of na 1januari
  25. Indien het gemiddelde van de belastbare winst in die vier boekjaren negatief is, bedraagt de gemiddelde belastbare winst voor de berekening van de tijdelijke solidariteitsbijdrage nul. 8 Artikel 16 Percentage voor de berekening van de tijdelijke solidariteitsbijdrage
  26. Het percentage voor de berekening van de tijdelijke solidariteitsbijdrage bedraagt ten minste 33 % van de in artikel 15 bedoelde grondslag.
  27. De tijdelijke solidariteitsbijdrage komt bovenop de reguliere belastingen en heffingen die op grond van het nationale recht van een lidstaat van toepassing zijn. Artikel 17 Aanwending van de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage
  28. De lidstaten gebruiken de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage met voldoende snel effect voor de volgende doeleinden : a) gerichte financiële steunmaatregelen voor eindafnemers van energie, en met name kwetsbare huishoudens, om de gevolgen van de hoge energieprijzen te verzachten; b) financiële steunmaatregelen om bij te dragen tot het verminderen van het energieverbruik, bijvoorbeeld door middel van vraagverminderende veilingen of aanbestedingsregelingen, het verlagen van de prijzen van een bepaald volume energie voor eindafnemers en het bevorderen van investeringen door eindafnemers in hernieuwbare energiebronnen, structurele investeringen in energie-efficiëntie of andere decarbonisatietechnologieën; c) financiële steunmaatregelen ter ondersteuning van ondernemingen in energie-intensieve sectoren, gekoppeld aan de verplichting om te investeren in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie of andere decarbonisatietechnologieën; d) financiële steunmaatregelen om de energieautonomie te ontwikkelen, met name investeringen in overeenstemming met de REPowerEU-doelstellingen van het REPowerEU-plan en in het gemeenschappelijk Europees optreden REPowerEU, zoals projecten met een grensoverschrijdende dimensie; e) de lidstaten kunnen, in een geest van onderlinge solidariteit tussen de lidstaten, een deel van de opbrengst van de tijdelijke solidariteitsbijdrage toewijzen aan de gemeenschappelijke financiering van maatregelen om de schadelijke gevolgen van de energiecrisis te beperken, met inbegrip van steun voor de bescherming van de werkgelegenheid en voor de om- en bijscholing van werknemers of ter bevordering van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, met inbegrip van grensoverschrijdende projecten, en in het in artikel 33 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie.
  29. De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn duidelijk omschreven, transparant, evenredig, niet-discriminerend en controleerbaar. 9 Artikel 18 Tijdelijke aard van de solidariteitsbijdrage De door de lidstaten overeenkomstig deze verordening opgelegde solidariteitsbijdrage is van tijdelijke aard. Zij is uitsluitend van toepassing op het surplus aan winsten dat is gegenereerd in de in artikel 15 bedoelde boekjaren ». B.1.
  30. Ter uitvoering van de artikelen 14 tot 18 van de verordening (EU) 2022/1854 bepaalt artikel 4, § 1, van de bestreden wet van 16 december 2022 dat er een tijdelijke solidariteitsbijdrage wordt ingevoerd, enerzijds, voor geregistreerde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector en die over raffinagecapaciteit in België beschikken, en, anderzijds, voor geregistreerde aardoliemaatschappijen die in het jaar 2022 als primaire deelnemers zijn aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 februari 2019 « ter bepaling van de maatregelen die in een bevoorradingscrisis gelden voor de toebedeling van aardolie en aardolieproducten op internationaal en nationaal niveau en voor de billijke bevoorrading van de beschikbare aardolie en aardolieproducten en tot bepaling van de regels voor het aanspreken van de verplichte voorraden aardolie en aardolieproducten » (hierna : het koninklijk besluit van 5 februari 2019). Het bedrag van de bijdrage is voor de voormelde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector vastgesteld op 6,9 euro per ton ruwe olie die tussen 1 januari 2022 en 31 december 2023 wordt verwerkt, en voor de voormelde aardoliemaatschappijen die als primaire deelnemers zijn aangewezen op 7,8 euro per kubieke meter producten die tussen 1 januari 2022 en 31 december 2023 tot verbruik worden uitgeslagen. Die bedragen worden afzonderlijk berekend en zijn verschuldigd voor het jaar 2022 en voor het jaar 2023 (artikel 4, § 2), en worden elk semester van het lopende jaar gefactureerd en uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de factuur betaald (artikel 5, § 2). Artikel 4, § 3, van de wet van 16 december 2022 voorziet in een zogenaamd « compensatie- of regularisatiemechanisme » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3034/001, p. 4). Krachtens die bepaling dient de bijdrage, zodra de jaarbalans van het voorgaande belastingjaar is ingediend, te worden berekend overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van de verordening (EU) 2022/
  31. Indien het aldus verkregen bedrag hoger is dan het bedrag berekend overeenkomstig artikel 4, § 2, van de wet van 16 december 2022, dient de betrokken aardoliemaatschappij het verschil bij te betalen. 10 Krachtens artikel 5, § 1, van de wet van 16 december 2022 mogen de geregistreerde aardoliemaatschappijen de tijdelijke solidariteitsbijdrage op geen enkele wijze, geheel of gedeeltelijk, rechtstreeks of onrechtstreeks aan andere ondernemingen of aan de eindgebruiker aanrekenen of doorrekenen. Tot slot bepaalt artikel 7, tweede lid, van de wet van 16 december 2022 dat de gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de tijdelijke solidariteitsbijdrage wordt bestraft met een geldboete van ten minste tienmaal het ontdoken bedrag, zonder dat dit bedrag meer mag bedragen dan twintig procent van de omzet van de betrokken geregistreerde oliemaatschappij in het kalenderjaar
  32. B.2.
  33. Volgens artikel 19 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kan het Hof, op vordering van de verzoekende partij, bij een met redenen omklede beslissing, de wet waartegen een beroep tot vernietiging gericht is, geheel of ten dele schorsen. B.2.
  34. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. B.2.
  35. Wat het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet een schorsing door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende 11 blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.3.
  36. Ter verantwoording van haar moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoekende partij aan dat, door het verschuldigd worden van de solidariteitsbijdrage, het nettoactief van de vennootschap op zeer korte termijn negatief dreigt te worden. Ook de liquiditeitspositie van de verzoekende partij zou in het gedrang komen, aangezien zij niet zou beschikken over voldoende eigen werkingsmiddelen om aan de betalingsverplichting voor de kalenderjaren 2022 en 2023 te voldoen. Voorts dreigt de verzoekende partij, indien zij de solidariteitsbijdrage niet betaalt, te worden geconfronteerd met sancties en invorderingsmaatregelen die haar financiële positie en haar voortbestaan nog verder zouden ondergraven en die uiteindelijk zouden uitmonden in een faillissement waarbij de Belgische Staat de voornaamste schuldeiser zou zijn. B.3.
  37. De verzoekende partij is een geregistreerde aardoliemaatschappij die op grond van de bestreden wet van 16 december 2022 de tijdelijke solidariteitsbijdrage verschuldigd is, vermits zij in 2022 als « primaire deelnemer » is aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 februari
  38. Ingevolge de bestreden wet ondergaat zij aldus een financieel nadeel. B.3.
  39. Zoals het Hof reeds meermaals in herinnering heeft gebracht, vormt het loutere risico een financieel verlies te lijden in beginsel geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (zie o.a. arrest nr. 21/2020 van 6 februari 2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.021, B.7.3; arrest nr. 10/2022 van 20 januari 2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.010, B.16.2; arrest nr. 74/2022 van 25 mei 2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.074, B.7). Een aangevoerd financieel nadeel is slechts onherstelbaar indien de verzoekende partij aantoont dat de bestreden bepalingen haar leefbaarheid op korte termijn hypothekeren. 12 De verzoekende partij vermeldt in haar verzoekschrift geen concrete en precieze gegevens waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden wet, in afwachting van de uitspraak over het beroep tot vernietiging, haar voortbestaan in het gedrang zou brengen. Uit het verzoekschrift en uit de stukken die de verzoekende partij bij haar vordering tot schorsing heeft gevoegd, blijkt daarentegen dat de verzoekende partij, als vennootschap die deel uitmaakt van een internationale vennootschapsgroep, een lening heeft kunnen aangaan bij een verbonden vennootschap in diezelfde groep ten bedrage van de verschuldigde solidariteitsbijdrage voor het jaar 2022, dit teneinde de schade, met inbegrip van reputatieschade die door de groep zou worden geleden in geval van niet-betaling door de verzoekende partij van de solidariteitsbijdrage en het opleggen van sancties door de overheid, te beperken. Bijgevolg is niet aangetoond dat de bestreden wet de leefbaarheid van de verzoekende partij op korte termijn hypothekeert. In zoverre de verzoekende partij tot slot verwijst naar het financiële nadeel dat zou voortvloeien uit de interesten die verschuldigd zijn ingevolge het aangaan van de voormelde lening, dient te worden vastgesteld dat zij onvoldoende aantoont dat dat nadeel ernstig is in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari
  40. B.
  41. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is aangetoond. B.
  42. Nu niet aan de grondvoorwaarden om tot schorsing over te gaan is voldaan, dient het Hof in dit stadium van de procedure de excepties van de Ministerraad inzake de ontvankelijkheid van het beroep niet te onderzoeken. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 juni
  43. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.097 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.021 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.010 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.074 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.