id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.102 Arrest- Rolnummer: 102/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-07-10 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-06-14 19:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging (artikelen 1, 4, 6, 7, 8 en 18) van het decreet van het Waalse Gewest van 12 november 2021 « houdende wijziging van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, met het oog op de vaststelling van een kader voor de terugwinning van bemalingswater », ingesteld door de vzw « Abbaye Notre-Dame de Saint-Rémy ». Milieu - Waterwetboek - Terugwinning van bemalingswater -
- Uitbaters van steengroeven - Hoedanigheid van waterproducent - Bijdrageregeling -
- Vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie - Belasting op de lozing van industrieel afvalwater -
- Wetgevende validatie -
- Staatssteun Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 102/2023 van 29 juni 2023 Rolnummer : 7789 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging (artikelen 1, 4, 6, 7, 8 en 18) van het decreet van het Waalse Gewest van 12 november 2021 « houdende wijziging van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, met het oog op de vaststelling van een kader voor de terugwinning van bemalingswater », ingesteld door de vzw « Abbaye Notre-Dame de Saint-Rémy ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 april 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 april 2022, heeft de vzw « Abbaye Notre-Dame de Saint-Rémy », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Depré, Mr. L.-S. Pan-Van De Meulebroeke en Mr. L. Coufopandelis, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot gehele of gedeeltelijke (artikelen 1, 4, 6, 7, 8 en 18) vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 12 november 2021 « houdende wijziging van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, met het oog op de vaststelling van een kader voor de terugwinning van bemalingswater » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 november 2021). De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Fonteyn en Mr. A. Lepièce, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 29 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 29 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De verzoekende partij zet uiteen dat zij water wint uit de Tridaine-bron, dat die winning is toegestaan bij een vergunning van 30 april 2012 en dat het grootste deel van dat water gratis wordt afgestaan aan de stad Rochefort. De verzoekende partij geeft aan dat, naast haar terrein, de vennootschap « Lhoist » de steengroeve La Boverie exploiteert, waarvan het uitdiepingsproject volgens de verzoekende partij een bedreiging vormt voor het grondwater en voor de uitoefening van haar rechten op het water van de Tridaine-bron. De verzoekende partij zet uiteen dat zij, teneinde zich te verzetten tegen dat uitdiepingsproject, verschillende gerechtelijke procedures heeft ingesteld, waarvan sommige hangende zijn. Ten eerste zet zij uiteen dat zij een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing heeft ingesteld tegen een globale vergunning van 12 oktober 2017 waarbij pompproeven zijn toegestaan. Zij onderstreept dat de Raad van State, bij zijn arrest nr. 241.200 van 3 april 2018, die vergunning heeft geschorst en dat het beroep tot nietigverklaring nog hangende is. Ten tweede zet zij uiteen dat zij een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingesteld tegen een tweede globale vergunning, verleend op 11 april 2019, waarbij pompproeven zijn toegestaan. Zij onderstreept dat de Raad van State, bij zijn arrest nr. 244.656 van 28 mei 2019, de vordering tot schorsing heeft verworpen en dat het beroep tot nietigverklaring nog hangende is. Ten derde zet zij uiteen dat de uitvoering van de pompproeven en van het uitdiepingsproject definitief verboden is op grond van het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 11 mei 2021, waarbij wordt bevestigd dat de verzoekende partij een recht van erfdienstbaarheid heeft ten aanzien van de natuurlijke waterbevoorrading uit de Tridaine-bron. Zij voert aan dat twee redenen haar belang verantwoorden bij de vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 12 november 2021 « houdende wijziging van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, met oog op de vaststelling van een kader voor de terugwinning van bemalingswater » (hierna : het decreet van 12 november 2021). Ten eerste is zij van mening dat dat decreet een antwoord is op de voormelde arresten van de Raad van State nrs. 241.200 en 244.656, dat het een rechtstreekse weerslag geeft op de twee beroepen tot nietigverklaring die nog hangende zijn en dat het een ongrondwettige wetgevende validatie inhoudt. Ten tweede onderstreept zij dat zij is onderworpen aan alle verplichtingen en financiële lasten die voortvloeien uit haar hoedanigheid van producent in de zin van artikel D.2, 69°bis, van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek vormt (hierna : het Waterwetboek). Zij is van mening belang te hebben bij het betwisten van de vrijstelling van de hoedanigheid van producent waarin het decreet van 12 november 2021 voorziet voor de uitbater van een steengroeve die bemalingswater wint dat bestemd is om te worden afgestaan aan een publiekrechtelijke rechtspersoon. In dat verband voegt zij eraan toe dat het onderzoek van het belang verbonden is met dat van de middelen. A.1.
- De Waalse Regering voert aan dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep. 3 Ten eerste is zij van mening dat de twee voor de Raad van State hangende beroepen tot nietigverklaring niet worden aangetast door de vermeende wetgevende validatie volgens welke een vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, geldt als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. Volgens haar kan die vermeende wetgevende validatie niet toelaten dat de twee vergunningen waartegen de voormelde beroepen zijn ingesteld, ten uitvoer worden gelegd, aangezien de verzoekende partij zelf aangeeft dat die tenuitvoerlegging verboden is bij het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 11 mei
- Zij voegt eraan toe dat die wettelijke validatie noodzakelijkerwijs geen enkele weerslag heeft op het beroep dat is gericht tegen de globale vergunning van 11 april 2019, daar die vergunning betrekking heeft op de winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Ten aanzien van het beroep dat is gericht tegen de globale vergunning van 12 oktober 2017 onderstreept zij dat het feit dat die vergunning voortaan geldt als een vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, geen weerslag heeft op de eigenlijke vergunning, maar op de uitbating ervan, waarvan de vennootschap « Lhoist » heeft afgezien. Ten tweede merkt zij op dat de verzoekende partij niet identificeert welke de hoedanigheid van producent verbonden gevolgen zijn waarvan de vernietiging voor haar gunstig zou kunnen zijn. Zij voegt eraan toe dat, op milieuvlak, de verplichtingen niet zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent, maar aan die van houder van een vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Vervolgens onderstreept zij dat de verzoekende partij de belastingen en bijdragen verbonden aan het water dat wordt gewonnen uit de Tridaine-bron en dat het openbaar distributienet bevoorraadt, niet zelf betaalt. Volgens haar vloeit uit de overeenkomsten die tussen de verzoekende partij en de stad Rochefort zijn gesloten, immers voort dat die laatste die belastingen en bijdragen betaalt. Nog steeds volgens haar betaalt de verzoekende partij de kosten die zijn verbonden aan haar eigen verbruik dat bestemd is voor de productie van bier, zodat zij alleen bijdragen betaalt buiten haar hoedanigheid van producent, namelijk voor de hoeveelheid water die niet het openbaar distributienet bevoorraadt. A.1.
- De verzoekende partij antwoordt allereerst, in het kader van een algemene argumentatie betreffende het belang en de middelen, dat het waterbeleid in het Waalse Gewest een prioriteit is die steunt op de duurzame bescherming van de watervoorraden en dat de activiteit van de uitbaters van steengroeven in strijd is met dat doel van bescherming. Volgens haar keert het decreet van 12 november 2021, onder het mom dat een milieudoelstelling wordt nagestreefd, de ratio legis van het Waterwetboek om en bevordert het de ontwikkeling van extractieve activiteiten, ten koste van de watervoorraad. Zij voert aan dat het decreet van 12 november 2021 haar in een minder voordelige situatie plaatst dan die van de uitbater van een steengroeve die de watervoorraad aanvankelijk verspilt en vervolgens voordelen krijgt die geacht worden hem ertoe aan te zetten die verspilling te verhelpen. Enerzijds is zij van mening dat het doel inzake het verwerken van water zou kunnen worden bereikt indien de uitbaters van steengroeven ertoe verplicht worden bemalingswater te verwerken. Anderzijds bekritiseert zij het feit dat, in vergelijking met de andere personen die, net als zij, water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, de uitbaters van steengroeven worden vrijgesteld van de afnamebelasting en worden onderworpen aan een lagere afnamebijdrage. Vervolgens zet de verzoekende partij uiteen dat de vennootschap « Lhoist » het project inzake de uitdieping van de steengroeve niet definitief heeft laten varen en dat zij thans werkt aan een nieuw uitbreidingsproject waarvoor een procedure tot herziening van het gewestplan is aangevat, bij een ministerieel besluit van 8 maart
- Daarnaast onderstreept zij dat de vragen betreffende de afweging tussen de bescherming van de watervoorraad en de activiteit van de uitbaters van steengroeven centraal staan in het kader van de geschillen met de vennootschap « Lhoist ». Zij voert overigens aan dat zij belang blijft hebben bij de nietigverklaring van de twee vergunningen die zij betwist voor de Raad van State en dat de beoordeling van dat belang uitsluitend valt onder de bevoegdheid van de Raad van State. Ten slotte is zij van mening dat het onderzoek van haar belang bij de vernietiging van het decreet van 12 november 2021 nauw verbonden is met dat van de middelen. A.1.
- De Waalse Regering repliceert dat uit het voormelde ministerieel besluit van 8 maart 2022 blijkt dat is afgezien van het scenario van de uitdieping van de steengroeve. Zij onderstreept dat de twee vergunningen waartegen de beroepen zijn ingesteld die hangende zijn voor de Raad van State, niet meer bedoeld zijn om ten uitvoer te worden gelegd en dat zij evenmin de bestreden overgangsbepalingen kunnen genieten. Vervolgens merkt zij op dat de verzoekende partij nog steeds niet preciseert welke de aan de hoedanigheid van producent verbonden gevolgen zijn waarvan de vernietiging voor haar gunstig zou kunnen zijn. Ten slotte voert zij aan dat de verzoekende partij niet aangeeft in welke zin de vragen betreffende de afweging tussen de bescherming van de watervoorraad en de activiteit van de uitbaters van steengroeven centraal staan in het geschil met de vennootschap « Lhoist », noch in welke zin zulks haar belang bij het beroep zou verantwoorden. 4 Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel Eerste onderdeel van het eerste middel A.2.
- De verzoekende partij leidt een eerste onderdeel van een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door het decreet van 12 november 2021, inzonderheid door artikel 1, 4° en 5°, ervan. Zij verwijt de bestreden bepaling de uitbater van een steengroeve, wanneer die verwerkbaar bemalingswater afstaat aan een openbare producent, vrij te stellen van de verplichtingen die zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent. Volgens haar doet de bestreden bepaling een verschil in behandeling ontstaan tussen twee categorieën van vergelijkbare personen : enerzijds, de uitbaters van steengroeven die bemalingswater dat tot drinkwater verwerkbaar is of voor menselijke consumptie bestemd is, winnen en dat water afstaan aan een openbare producent om een openbaar distributienet te bevoorraden en, anderzijds, de andere personen die water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is of voor menselijke consumptie bestemd is, en dat water afstaan aan een openbare producent om een openbaar distributienet te bevoorraden. Zij onderstreept dat alleen de uitbater van een steengroeve, wanneer die het verwerkbaar bemalingswater afstaat aan een openbare producent, is vrijgesteld van de verplichtingen die zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent. Zij voert aan dat die vrijstelling de volgende gevolgen heeft :
(1)de verplichtingen die normaal gezien gelden voor de uitbater van een steengroeve, inzonderheid de verplichtingen inzake de verwerking van water dat wordt gewonnen om het drinkbaar te maken, worden overgedragen aan de openbare producent en
(2)de uitbater van een steengroeve is vrijgesteld van alle lasten die zijn verbonden aan de naleving van de algemene, sectorale en integrale voorwaarden, met name die waarin het besluit van de Waalse Regering van 12 februari 2009 « tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor de winning van tot [drinkwater verwerkbaar] grondwater of voor menselijke consumptie bestemd en betreffende de installaties voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar of niet voor menselijke consumptie bestemd is en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning » voorziet. Volgens haar is het bekritiseerde verschil in behandeling geenszins objectief en redelijk verantwoord. A.2.
- Wat betreft de ontvankelijkheid voert de Waalse Regering aan dat de uiteenzettingen van het onderdeel van het middel uitsluitend betrekking hebben op artikel 1, 4° en 5°, van het decreet van 12 november 2021 en dat dat onderdeel derhalve niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van het decreet. Ten gronde voert zij aan dat het onderdeel van het middel op een verkeerde premisse berust. Ten eerste heeft de vrijstelling van de hoedanigheid van producent volgens haar niet tot gevolg de uitbater van een steengroeve, voor de hoeveelheid tot drinkwater verwerkbaar water die hij wint, vrij te stellen van de milieuverplichtingen betreffende de uitbating van zijn waterwinning. Ten tweede berusten de verplichtingen betreffende de kwaliteit van het water dat bestemd is voor menselijke consumptie volgens haar in wezen op de waterleverancier en niet op de waterproducent. Zij is van mening dat noch de verzoekende partij, noch de uitbaters van steengroeven de hoedanigheid hebben van leverancier. Wat betreft de situatie van de verzoekende partij merkt zij op dat in werkelijkheid de stad Rochefort verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het water dat via het openbaar net wordt verdeeld en de eventuele verwerkingsverplichtingen moet nakomen. Zij voegt eraan toe dat de verzoekende partij weliswaar verplichtingen heeft inzake de verwerking van het water dat zij gebruikt voor de productie van haar bier, maar een en ander valt uitsluitend onder haar verplichtingen inzake de veiligheid van de voedselketen. A.2.
- Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen in zoverre zij zijn gericht tegen het integrale decreet van 12 november 2021, antwoordt de verzoekende partij dat alle middelen de bestreden bepalingen identificeren. Volgens haar is het, daar de middelen betrekking hebben op de voornaamste bepalingen van het decreet van 12 november 2021, zinvol de vernietiging van het decreet in zijn geheel te vorderen. Ten gronde antwoordt de verzoekende partij dat de producent verantwoordelijk is voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water en dat hij een verantwoordelijkheid draagt wat de prijs van water betreft. Zij verwijst in dat verband naar de artikelen D.254 en D.332 van het Waterwetboek. Zij onderstreept vervolgens dat de uitbating van water is onderworpen aan verschillende voorwaarden naargelang het gaat om water dat al dan niet tot drinkwater verwerkbaar is. Zo wijst zij erop dat alleen een vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water strikte verplichtingen met zich meebrengt krachtens de artikelen D.180 tot D.193 en R.252 tot 5 R.270 van het Waterwetboek en van de bijlagen XXXI tot XXXIV van hetzelfde Wetboek. Volgens haar zou de gezondheid van de consumenten ernstig in het gedrang komen indien die verplichtingen niet worden gekoppeld aan de activiteit zelf van de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. Ten slotte is zij van mening dat de Waalse Regering de verplichtingen van de verdeler, die van de producent, die van de leverancier en die welke vallen onder de veiligheid van de voedselketen door elkaar haalt. A.2.
- De Waalse Regering repliceert dat de milieuverplichtingen waarnaar de verzoekende partij verwijst, niet zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent, maar aan die van houder van een vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Vervolgens betwist zij de bewering volgens welke de gezondheid van de burgers ernstig in gevaar zou worden gebracht. Tweede onderdeel van het eerste middel A.3.
- De verzoekende partij leidt een tweede onderdeel van een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet door het decreet van 12 november 2021, inzonderheid de artikelen 4, 6, 7 en 8 ervan. Zij verwijt de bestreden bepalingen de uitbater van een steengroeve, wanneer hij verwerkbaar bemalingswater afstaat aan een openbare producent, vrij te stellen van de financiële lasten betreffende de winning van grondwater of op zijn minst hem een gunstiger fiscaal stelsel te laten genieten. Zij voert aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen twee categorieën van vergelijkbare personen : enerzijds, de uitbaters van steengroeven die bemalingswater afstaan aan een openbare producent om een openbaar distributienet te bevoorraden, en anderzijds, de andere personen die water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, en dat water afstaan aan een openbare producent om een openbaar distributienet te bevoorraden. Zij onderstreept dat de winning van bemalingswater niet is onderworpen aan de regeling die geldt voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water (artikel D.254 van het Waterwetboek, zoals vervangen bij artikel 4 van het decreet van 12 november 2021), noch aan de regeling die geldt voor de winning van niet tot drinkwater verwerkbaar grondwater (artikel D.256 van het Waterwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 6 van het decreet van 12 november 2021), maar het voorwerp uitmaakt van een afzonderlijke regeling (artikel D.256/1 van het Waterwetboek, ingevoegd bij artikel 8 van het decreet van 12 november 2021). Volgens de verzoekende partij valt de winning van verwerkbaar bemalingswater ofwel niet onder het toepassingsgebied van artikel D.256/1 van het Waterwetboek en is die dan niet onderworpen aan enige bijdrage, ofwel valt zij onder het toepassingsgebied van die bepaling en is zij dan onderworpen aan de voordelige fiscale regeling waarin die bepaling voorziet. Zij merkt op dat, in beide interpretaties, de regeling die van toepassing is op de winning van verwerkbaar bemalingswater gunstiger is dan de regeling die van toepassing is op de winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Volgens haar is dat verschil in behandeling geenszins objectief en redelijk verantwoord. Zij onderstreept dat de decreetgever, met het aannemen van het decreet van 12 november 2021, opnieuw wetgevend is opgetreden, zodat het verschil in behandeling niet kan worden verantwoord door het feit dat de winning van bemalingswater reeds voorheen een gunstige regeling genoot. A.3.
- Wat betreft de ontvankelijkheid voert de Waalse Regering aan dat de uiteenzettingen van het onderdeel van het middel uitsluitend betrekking hebben op de artikelen 4, 6, 7 en 8 van het decreet van 12 november 2021 en dat dat onderdeel derhalve niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van dat decreet. Ten gronde onderstreept zij allereerst dat de afnamebijdrage die is vastgesteld in artikel D.256/1 van het Waterwetboek van toepassing is op bemalingswater, ongeacht of dat water al dan niet verwerkt is. Zij merkt op dat die bijdrage niet is veranderd ten opzichte van die welke gold vóór de inwerkingtreding van het decreet van 12 november 2021, zodat de vernietiging van de bestreden bepalingen de situatie van de verzoekende partij niet gunstig zou kunnen wijzigen. Vervolgens voert zij aan dat de situatie van de uitbater van een steengroeve niet vergelijkbaar is met die van de andere personen die water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, en dat water afstaan aan een openbare producent. Wanneer een persoon een milieuvergunning aanvraagt voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, is dat volgens haar immers in beginsel om tot drinkwater verwerkbaar water uit te baten. In dat geval beogen, nog steeds volgens de Waalse Regering, de afnamebelasting (artikel D.254, § 2, van het Waterwetboek) en de jaarlijkse afnamebijdrage (artikel D.254, § 3, van het Waterwetboek), enerzijds, de uitbater te ontraden om te veel water te onttrekken en, anderzijds, het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu te financieren. Zij voegt eraan toe dat die ontradende regeling op twee vlakken wordt getemperd, daar de uitbater die een openbaar distributienet wil bevoorraden, enerzijds, wordt vrijgesteld van de afnamebelasting wanneer hij een dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water sluit met de « Société publique de gestion de l’eau » (hierna : de S.P.G.E.) en, 6 anderzijds, overeenkomsten met de overheid kan sluiten betreffende de verdeling van de andere bijdragelasten. De Waalse Regering voert aan dat de situatie anders is voor de uitbater van een steengroeve. Wanneer die laatste een milieuvergunning aanvraagt voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, dan is dat niet om het water uit te baten, maar om de uitbating van de steengroeve mogelijk te maken, uitbating waarvoor hij beschikt over een aparte milieuvergunning. In dat geval is het, volgens de Waalse Regering, verantwoord om niet te voorzien in een afnamebelasting, daar de waterwinning noodzakelijk is voor de uitbating van de steengroeve en dat daarvoor dus geen ontradende maatregelen dienen te worden genomen. Zij voegt eraan toe dat, door de uitbater van een steengroeve te onderwerpen aan een afnamebijdrage die is berekend tegen een lager tarief dan hetwelk van toepassing is op de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, de decreetgever heeft willen vermijden dat de belasting hoger zou zijn bij het verwerken van bemalingswater dan wanneer dat water niet wordt verwerkt. Ten slotte onderstreept de Waalse Regering dat de uitbater van een steengroeve niet dezelfde diensten en vrijstellingen geniet als de andere uitbaters, daar hij geen dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water kan sluiten met de S.P.G.E. en, voor de bescherming van haar winning, geen tegemoetkoming geniet van het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu. Zij besluit hieruit dat de twee vergeleken categorieën niet vergelijkbaar zijn, dat de regeling die van toepassing is op de uitbaters van steengroeven niet voordeliger is en dat het verschil in behandeling in elk geval redelijk verantwoord is. A.3.
- De verzoekende partij antwoordt dat het decreet van 12 november 2021 wel degelijk een wijziging met zich meebrengt, daar de uitbaters van steengroeven voortaan houder zijn van vergunningen voor de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. Wat de ontvankelijkheid van de middelen betreft in zoverre zij zijn gericht tegen het decreet van 12 november 2021 in zijn geheel, antwoordt de verzoekende partij op dezelfde wijze als bij het eerste onderdeel van het middel. Ten gronde voert zij aan dat de vergeleken categorieën van personen vergelijkbaar zijn, daar zij water afnemen dat het openbaar distributienet kan bevoorraden. Zij voert aan dat het niet coherent is dat de uitbater van een steengroeve niet moet betalen voor het verspillen van water ten gevolge van zijn activiteit. Zij is van mening dat een overeenkomst die met een overheid wordt gesloten betreffende de verdeling van de bijdragelasten, het bekritiseerde verschil in behandeling niet kan compenseren. Ten slotte onderstreept zij dat de decreetgever niet uitlegt in welke zin de doelstelling inzake waterbevoorrading niet zou zijn bereikt door een verplichting die wordt opgelegd aan de uitbaters van steengroeven om het bemalingswater af te staan aan een openbare producent en de aan die afstand verbonden kosten ten laste te nemen. A.3.
- Wat betreft de ontvankelijkheid repliceert de Waalse Regering dat het feit dat de uitbaters van steengroeven beschikken over een vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, in plaats van over een vergunning voor de winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is, de verzoekende partij niet ongunstig raakt. Ten gronde voert zij aan dat de afname van water een technische verplichting is voor de uitbaters van steengroeven en dat de bijdrageregeling die op hen van toepassing is, hen ertoe aanzet het afgenomen water niet te verspillen. Wat betreft het tweede middel Eerste onderdeel van het tweede middel A.4.
- De verzoekende partij leidt een eerste onderdeel van een tweede middel af uit de schending, door het decreet van 12 november 2021, inzonderheid de artikelen 1, 4, 6, 7, 8 en 18 ervan, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 4, 5 en 17 van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 « betreffende de milieuvergunning » (hierna : het decreet van 11 maart 1999), met bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 « tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectenstudie onderworpen projecten, van de ingedeelde installaties en activiteiten of van de installaties of activiteiten die een risico voor de bodem vormen » (hierna : het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002), met de artikelen D.2, 33° en 37°, D.167 tot D.176bis, D.180 tot D.193 en R.153 tot R.160 van het Waterwetboek, met artikel 2, 37), van de richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 « tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid » (hierna : de richtlijn 2000/60/EG) en met artikel 2, 1), van de richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 « betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2020/2184). Zij verwijt de bestreden bepalingen erin te voorzien dat de vergunningen voor de 7 winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie waarvan de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen houder zijn, gelden als een vergunning voor de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, zonder dat de uitbatingsvoorwaarden zijn gewijzigd teneinde in de overeenstemming te zijn met de in het middel beoogde bepalingen. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen twee vergelijkbare categorieën van personen : enerzijds, de uitbater van een steengroeve die verwerkbaar bemalingswater wint en houder is van een vergunning voor de winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, en, anderzijds, iedere andere persoon die, in het kader van zijn industrie, verwerkbaar water wint, en houder is van een vergunning voor de winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie. Zij onderstreept dat alleen voor de uitbater van een steengroeve die houder is van een vóór de inwerkingtreding van het decreet van 12 november 2021 verleende vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, die vergunning geldt als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. Zij merkt op dat de uitbater van een steengroeve niet moet voldoen aan alle uitbatingsvoorwaarden betreffende de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is en bestemd is voor menselijke consumptie die zijn vastgelegd in de artikelen D.167 tot D.176bis, D.180 tot D.193 en R.153 tot R.160 van het Waterwetboek, maar uitsluitend aan die welke zijn bepaald in de artikelen D.172, § 2, tweede lid, en D.173 van dat Wetboek. Zij voegt eraan toe dat, in het licht van de artikelen 3, 4, 5 en 17 van het decreet van 11 maart 1999, een vergunning niet kan worden verleend voor een andere installatie dan die welke wordt beoogd in de vergunningsaanvraag. Volgens haar is het bekritiseerde verschil in behandeling geenszins objectief en redelijk verantwoord. Zij is van mening dat het doel dat erin bestaat de praktijk inzake de verwerking van bemalingswater veilig te maken, zou kunnen worden bereikt door de verplichting om alle uitbatingsvoorwaarden betreffende de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is en bestemd is voor menselijke consumptie na te leven. Ten slotte voert zij aan dat de bestreden bepalingen onverenigbaar zijn met, enerzijds, de definities van « drinkwater », van « tot drinkwater verwerkbaar water » en van « water dat bestemd is voor menselijke consumptie » in artikel D.2, 33° en 37°, van het Waterwetboek, in artikel 2, 37), van de richtlijn 2000/60/EG en in artikel 2, 1), van de richtlijn (EU) 2020/2184 en, anderzijds, met de categorieën van installaties en activiteiten bepaald in bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli
- A.4.
- De Waalse Regering voert twee excepties van niet-ontvankelijkheid aan. Ten eerste is zij van mening dat het onderdeel van het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van het decreet van 12 november 2021 dan artikel 18, daar de uiteenzettingen geen betrekking hebben op die andere bepalingen. Ten tweede voert zij aan dat het onderdeel van het middel vaag is, in zoverre de verzoekende partij de uitbatingsvoorwaarden waarvan de uitbaters van steengroeven zogenaamd zouden zijn vrijgesteld krachtens de bestreden bepaling, niet identificeert. Ten gronde merkt de Waalse Regering voorafgaandelijk op dat, voor zover zij weet, in de praktijk geen enkele persoon bestaat die valt onder de tweede categorie van personen die door de verzoekende partij wordt geïdentificeerd. Zij voegt, nog steeds voorafgaandelijk, hieraan toe, dat het bekritiseerde verschil in behandeling in de tijd is beperkt, daar artikel 18 van het decreet van 12 november 2021 alleen betrekking heeft op de vergunningen die dateren van vóór de inwerkingtreding ervan. Vervolgens doet de Waalse Regering gelden dat de twee vergeleken categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Zij onderstreept dat de bestreden bepaling ertoe strekt tegemoet te komen aan de vaststellingen van de Raad van State in zijn voormelde arrest nr. 241.200, dat de vroegere administratieve praktijk die erin bestond al het bemalingswater, zelfs het bemalingswater dat is verwerkt, te kwalificeren als water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is, in vraag heeft gesteld. Volgens de Waalse Regering waren de personen die vallen onder de tweede door de verzoekende partij geïdentificeerde categorie, niet betrokken bij die administratieve praktijk. Zij voegt eraan toe dat het onderdeel in elk geval niet gegrond is. Zij onderstreept dat de bestreden bepaling de groeve-uitbater, voor het door hem verwerkte bemalingswater, niet ervan vrijstelt te voldoen aan alle uitbatingsvoorwaarden die van toepassing zijn op de winning van tot drinkwater verwerkbaar grondwater. Zij voegt eraan toe dat artikel 18, §§ 2 en 3, van het decreet van 12 november 2021 voorziet in een in de tijd beperkte termijn om zich in overeenstemming te brengen. Ten slotte merkt zij op dat de algemene en sectorale uitbatingsvoorwaarden die van toepassing zijn op de winning van tot drinkwater verwerkbaar water en op de winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is, identiek zijn. A.4.
- Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen in zoverre zij zijn gericht tegen het integrale decreet van 12 november 2021, antwoordt de verzoekende partij op dezelfde wijze als bij het eerste middel. 8 Ten gronde voert zij aan dat de gezondheid van de consument ernstig in gevaar zou komen indien de redenering van de Waalse Regering wordt gevolgd. Zij onderstreept dat alleen een vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water strikte verplichtingen oplegt krachtens de artikelen D.180 tot D.193 en R.252 tot R.270 van het Waterwetboek en van de bijlagen XXXI tot XXXIV van hetzelfde Wetboek. Zij merkt echter op dat het decreet van 12 november 2021 de voorwaarden die zijn vervat in de vergunning van de uitbater van een steengroeve niet wijzigt, zodat die vergunning geen enkele van de verplichtingen oplegt die noodzakelijk zijn om de kwaliteit te waarborgen van het water dat bestemd is voor menselijke consumptie. A.4.
- De Waalse Regering repliceert dat de uitbaters van steengroeven die bemalingswater willen verwerken, zijn onderworpen aan alle verplichtingen die van toepassing zijn op de winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Volgens haar versterkt het decreet van 12 november 2021 de verplichtingen van de uitbaters van steengroeven. Tweede onderdeel van het tweede middel A.5.
- De verzoekende partij leidt een tweede onderdeel van een tweede middel af uit de schending, door het decreet van 12 november 2021, inzonderheid door artikel 1, 4° ervan, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen D.2, 39° en 42°, D.259 en D.260 van het Waterwetboek. Zij verwijt de bestreden bepaling de uitbater van een steengroeve die verwerkbaar bemalingswater wint, vrij te stellen van de verplichtingen en belastingen die zijn verbonden aan de lozing van industrieel afvalwater. Volgens haar doet de bestreden bepaling een verschil in behandeling ontstaan tussen twee vergelijkbare categorieën van personen : enerzijds, de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en, anderzijds, de andere personen, die in het kader van de uitbating van hun industrie, water winnen dat ook zou kunnen worden verwerkt. Zij merkt op dat het door de uitbaters van steengroeven gewonnen water, dat voorheen werd gekwalificeerd als industrieel afvalwater, radicaal verandert van statuut. Volgens haar stelt de bestreden bepaling, in zoverre zij het verwerkbaar bemalingswater kwalificeert als water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, de uitbater van een steengroeve vrij van de verplichtingen en financiële lasten die zijn verbonden aan de lozing van industrieel afvalwater. Zij is van mening dat het verschil in behandeling geenszins objectief en redelijk verantwoord is. Indien het doel van de decreetgever erin bestond de verwerking van industrieel afvalwater aan te moedigen, zou volgens haar, die doelstelling op nuttige wijze zijn bereikt door de invoering van een juridisch kader voor al het industrieel afvalwater en niet alleen voor de uitbaters van een steengroeve. A.5.
- Wat de ontvankelijkheid betreft, voert de Waalse Regering aan dat de uiteenzettingen van het onderdeel van het middel uitsluitend betrekking hebben op artikel 1, 4°, van het decreet van 12 november 2021 en dat dat onderdeel derhalve niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van het decreet. Ten gronde voert zij aan dat het onjuist is te verklaren dat het al dan niet verwerkbaar bemalingswater vroeger werd gekwalificeerd als industrieel afvalwater. Zij verwijst in dat verband naar het voormelde arrest van de Raad van State nr. 244.
- Zij voegt eraan toe dat het verwerkbaar bemalingswater niet voldoet aan de definitie van industrieel afvalwater en dat het niet het voorwerp uitmaakt van een lozing zoals bedoeld in artikel D.259 van het Waterwetboek. Wat betreft de andere uitbaters van de winning van tot drinkwater verwerkbaar water dan de uitbaters van steengroeven, onderstreept zij dat ook zij hun water kunnen verwerken door het af te staan aan een openbare producent. Wat betreft de uitbaters van de winning van niet tot drinkwater verwerkbaar water merkt zij op dat zij alleen gehouden zijn tot de betaling van de belasting op de lozing van industrieel afvalwater indien zij daadwerkelijk overgaan tot een dergelijke lozing, hetgeen niet noodzakelijk het geval is. Ten slotte merkt zij op dat het bemalingswater dat de uitbater van een steengroeve gebruikt voor zijn uitbating, water dat beantwoordt aan de definitie van industrieel afvalwater (waswater, zaagwater, enz.) en dat daadwerkelijk in de riool wordt geloosd, aanleiding geeft tot de toepassing van de belasting op de lozing van industrieel afvalwater. Zij besluit hieruit dat het decreet van 12 november 2021 geen enkele weerslag heeft op de fiscale regeling die van toepassing is op de lozing van industrieel afvalwater en dat van het onderdeel van het middel op verkeerde uitgangspunten berust. A.5.
- Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen in zoverre zij gericht zijn tegen het integrale decreet van 12 november 2021, antwoordt de verzoekende partij op dezelfde wijze als bij het eerste middel. Ten gronde merkt zij op dat uit het advies van de « Direction des eaux de surface » vermeld in de globale vergunning van 12 oktober 2017 blijkt dat het water dat voortkomt uit de pompproeven die de uitbater van een steengroeve heeft uitgevoerd, industrieel bemalingswater is. Zij onderstreept dat, in tegenstelling tot de uitbaters 9 van steengroeven, de andere industriële uitbaters die hun industrieel afvalwater aan een openbare producent willen afstaan, niet de wettelijke mogelijkheid genieten dat water te kwalificeren als tot drinkwater verwerkbaar water en aldus te worden vrijgesteld van de belasting op de lozing van industrieel afvalwater. Zij voegt eraan toe dat, zelf indien dat het geval was, de andere industriële uitbaters niet de gunstige bijdrageregeling zouden genieten die van toepassing is op de uitbaters van steengroeven, en verwijst in dat verband naar het eerste middel. Wat het derde middel betreft A.6.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending, door het decreet van 12 november 2021, inzonderheid door artikel 18 ervan, van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de scheiding der machten, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij verwijt de bestreden bepaling een wettelijke validatie tot stand te brengen die niet steunt op dwingende redenen van algemeen belang. De verzoekende partij voert aan dat het decreet van 12 november 2021 de vier kenmerken van een wetgevende validatie vertoont. Ten eerste onderstreept zij dat het uitgaat van een wetgever in de ruime zin. Ten tweede holt het decreet van 12 november 2021 volgens haar de twee voor de Raad van State hangende beroepen tot nietigverklaring uit, daar het een antwoord biedt op de twee punten waarop is gewezen in het schorsingsarrest van de Raad van State. Ten derde is het decreet van 12 november 2021, nog steeds volgens haar, retroactief, aangezien het, door erin te voorzien dat de aan de uitbaters van steengroeven verleende vergunningen voor de winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, gelden als vergunningen voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, aan die vergunningen nieuwe gevolgen koppelt waarin niet was voorzien toen zij werden verleend. Zij voegt eraan toe dat, zelfs in de veronderstelling dat het decreet van 12 november 2021 niet retroactief is, dat decreet tot doel heeft de gevolgen te handhaven van de vergunningen die nochtans geschorst waren door de Raad van State. Ten vierde voert zij aan dat het decreet van 12 november 2021 de twee onwettigheden dekt die waren vastgesteld door de Raad van State, die heeft geoordeeld dat een project voor de verwerking van bemalingswater een vergunning vereist voor de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, en dat de aanvraag van een dergelijke vergunning moet worden voorafgegaan door de indiening van een ontwerp-afbakening van een voorkomingsgebied. Vervolgens zet de verzoekende partij uiteen dat uit de rechtspraak van het Hof en uit die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat alleen uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen van algemeen belang een wetgevende validatie kunnen verantwoorden. Volgens haar doet de bestreden bepaling een verschil in behandeling ontstaan tussen de burgers aan wie de waarborg van een jurisdictioneel beroep wordt ontnomen door de wetgevende validatie, en de burgers die die waarborg mogelijk genieten. Zij voert aan dat de bestreden bepaling niet wordt verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang, noch door uitzonderlijke omstandigheden. Zij merkt op dat, vóór de inwerkingtreding van het decreet van 12 november 2021, het reeds mogelijk was bemalingswater te verwerken. Zij verwijst naar de eerste twee middelen en voert aan dat het werkelijke doel van dat decreet niet erin bestaat bemalingswater te verwerken, maar de uitbaters van steengroeven de vrijstelling van belastingen en gunstigere voorwaarden voor het lozen van bemalingswater te laten genieten. Ten slotte onderstreept zij dat het decreet van 12 november 2021 een weerslag heeft op de hangende jurisdictionele procedures. A.6.
- Wat betreft de ontvankelijkheid voert de Waalse Regering aan dat de uiteenzettingen van het onderdeel van het middel uitsluitend betrekking hebben op artikel 18 van het decreet van 12 november 2021 en dat dat onderdeel dus niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van het decreet. Daarnaast, indien de Raad van State in de loop van de onderhavige procedure uitspraak zou doen in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot zijn voormelde arrest nr. 241.200, is de Waalse Regering van mening dat zulks een weerslag zou kunnen hebben op de ontvankelijkheid van het middel. Ten gronde formuleert de Waalse Regering eerst drie voorafgaande overwegingen :
(1)zij verwijst naar haar uiteenzetting betreffende de ontstentenis van een belang bij het beroep,
(2)zij herinnert eraan dat alleen de globale vergunning van 12 oktober 2017 is geschorst door de Raad van State en
(3)zij voert aan dat het decreet van 12 november 2021 nooit tot doel heeft gehad eender welke vergunning geldig te verklaren. Vervolgens voert zij aan dat uit de artikelen 18, § 1, en 20 van het decreet van 12 november 2021, alsook uit de parlementaire voorbereiding, blijkt dat de vergunningen voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet is bestemd voor menselijke consumptie waarvan de hoeveelheden afgenomen bemalingswater geheel of 10 gedeeltelijk worden verwerkt teneinde te worden verdeeld door het openbaar waterdistributienet, pas vanaf 1 januari 2022 gelden als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. Bovendien voert zij aan dat de bestreden bepaling een weerslag heeft op de activiteit, en niet op de eigenlijke vergunning : zij maakt het mogelijk dat een activiteit die niet is toegestaan door de vergunning, in de toekomt wel wordt toegestaan, op basis van die vergunning en mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat de bestreden bepaling retroactief wordt geacht, voert zij aan dat zij verantwoord is door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de waterbevoorrading van de bevolking. Volgens haar zou, aangezien ongeveer 9 miljoen kubieke meter aan bemalingswater jaarlijks wordt verwerkt, de stopzetting van die verwerking onbetwistbaar hebben geleid tot bevoorradingsmoeilijkheden. A.6.
- Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen in zoverre zij zijn gericht tegen het decreet van 12 november 2021 in zijn geheel, antwoordt de verzoekende partij op dezelfde wijze als bij het eerste middel. Ten gronde antwoordt de verzoekende partij dat, in tegenstelling tot wat in de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven, de bestreden bepaling retroactief is. Volgens haar heeft die bepaling een effect voor het verleden, aangezien zij uit de bij het voormelde arrest van de Raad van State nr. 241.200 geschorste vergunning de twee onwettigheden haalt die de schorsing ervan hebben gemotiveerd, zodat zij a priori niet meer zullen kunnen leiden tot de nietigverklaring van de vergunning. Vervolgens onderstreept zij dat, per definitie, de activiteit van de uitbater van een steengroeve in concurrentie treedt met de waterbevoorrading. Volgens haar voorziet het decreet van 12 november 2021 in een gunstige regeling voor de uitbaters van steengroeven en is het niet coherent met het doel inzake duurzame waterbevoorrading. A.6.
- De Waalse Regering repliceert dat de bestreden bepaling niet beantwoordt aan het begrip « wetgevende validatie », daar zij niet tot doel, noch tot gevolg heeft een onwettigheid voor het verleden te dekken. Vervolgens voert zij aan dat, aangezien een steengroeve wordt uitgebaat, de verwerking van bemalingswater bijdraagt tot het doel inzake waterbevoorrading van de bevolking. Volgens haar wenst de verzoekende partij het debat uit te breiden tot de kwestie van de legitimiteit zelf om steengroeven uit te baten, maar daar gaat het hier niet over. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 131/2010 van 18 november 2010 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.131) en voert aan dat, zelfs in de veronderstelling dat de bestreden bepaling een wetgevende validatie inhoudt, het middel niet gegrond is. Wat het vierde middel betreft A.7.
- De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending, door het decreet van 12 november 2021, inzonderheid de artikelen 1, 4, 6, 7, 8 en 18 ervan, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU). Zij verwijt de bestreden bepalingen een staatssteunmaatregel uit te voeren zonder dat daarvan vooraf is kennisgegeven aan de Europese Commissie. De verzoekende partij voert aan dat te dezen is voldaan aan de vier cumulatieve voorwaarden om te besluiten tot de kwalificatie van staatssteun. Ten eerste doet zij gelden dat de betrokken steun toe te schrijven is aan de Staat – waarbij dat begrip de deelentiteiten omvat – en dat die wordt toegekend door staatsmiddelen. In dat opzicht onderstreept zij dat het decreet van 12 november 2021 voorziet in een systeem waardoor de uitbaters van steengroeven zich gratis kunnen ontdoen van bemalingswater waarvoor zij in beginsel lozingsbelastingen moeten betalen, een vergunning kunnen genieten voor de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, kunnen worden vrijgesteld van de verantwoordelijkheden die zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent en een lichtere fiscale regeling kunnen genieten. Zij onderstreept dat een en ander ertoe leidt, enerzijds, op de publiekrechtelijke rechtspersoon alle lasten te doen wegen die zijn verbonden aan de productie en verwerking van water en, anderzijds, de Staat een deel van zijn fiscale middelen te ontnemen. Ten tweede voert zij aan dat het hiervoor beschreven systeem, zonder tegenprestatie, enkel aan de uitbaters van steengroeven een objectief economisch voordeel toekent. Ten derde is het voordeel volgens haar selectief, aangezien het alleen wordt toegekend aan de uitbaters van steengroeven. Ten vierde, wat betreft de voorwaarde volgens welke de maatregel de concurrentie moet vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten moet kunnen beïnvloeden, merkt zij op dat de betrokken uitbaters van steengroeven een concurrentievoordeel verkrijgen ten opzichte van hun Belgische en buitenlandse concurrenten. 11 Aangezien van de staatssteun waarin het decreet van 12 november 2021 voorziet, niet is kennisgegeven aan de Europese Commissie en de procedure bepaald in artikel 108, lid 3, van het VWEU dus niet is nageleefd, is dat decreet volgens de verzoekende partij niet verenigbaar met de in het middel beoogde bepalingen. A.7.
- Wat betreft de ontvankelijkheid voert de Waalse Regering aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het de eerste vermeende staatssteun, namelijk die welke erin zou bestaan de uitbaters van steengroeven toe te laten zich gratis te ontdoen van het bemalingswater waarvoor zij in beginsel lozingsbelastingen moeten betalen, niet koppelt aan enige bepaling van het decreet van 12 november
- Vervolgens voert zij aan dat, wat betreft de tweede vermeende staatssteun, namelijk die welke erin zou bestaan de uitbaters van steengroeven een lichtere fiscale regeling te laten genieten, alleen artikel 8 van het decreet van 12 november 2021 lijkt te worden beoogd, zodat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van het decreet. Ten slotte voert zij aan dat het middel vaag is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar het de personen waarmee de uitbaters van steengroeven worden vergeleken, niet identificeert. Ten gronde voert de Waalse Regering aan dat het decreet van 12 november 2021 geen staatssteun inhoudt, daar niet is voldaan aan drie van de vier cumulatieve voorwaarden. Ten eerste voert zij aan dat niet is voldaan aan het criterium van de selectiviteit. Enerzijds herinnert zij eraan dat de vermeende vrijstelling voor de uitbaters van steengroeven om de belasting op de lozing van industrieel afvalwater te betalen, onbestaande is. Anderzijds, na te hebben onderstreept dat de afnamebelasting en de afnamebijdragen op waterwinning het referentiesysteem vormen, voert zij in hoofdorde aan dat de niet-toepassing van de afnamebelasting op de winning van bemalingswater en het specifieke tarief van de afnamebijdrage dat van toepassing is op die waterwinningen geen differentiatie invoeren tussen de economische operatoren die zich ten aanzien van een intrinsieke doelstelling in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Na te hebben verwezen naar haar weerlegging van het tweede onderdeel van het eerste middel, voert zij aan dat de voormelde maatregelen niet afwijken van het referentiesysteem, maar zelf een afzonderlijk referentiesysteem vormen. Volgens haar is, te dezen, de intrinsieke doelstelling het gebruik van bemalingswater om het openbare distributienet te bevoorraden, waarbij wordt gewaakt over de bescherming van de natuurlijke rijkdommen. Zij verwijst eveneens naar de mededeling van de Europese Commissie « betreffende het begrip ‘ staatssteun ’ in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie » en naar de Europese rechtspraak. Na te hebben verwezen naar artikel D.1 van het Waterwetboek en naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 november 2021, voegt zij eraan toe dat het waterbeleid in het Waalse Gewest bijdraagt tot het Europese beleid ter zake, dat met name is vastgelegd in de richtlijn 2000/60/EG en in de richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand ». Volgens haar is de toepassing van een specifieke fiscale regeling op de winning van verwerkbaar bemalingswater in lijn met de Europese en regionale doelstellingen. In ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat de betrokken maatregelen worden beschouwd als een afwijking van het referentiesysteem, voert de Waalse Regering aan dat zij verantwoord zijn door de aard en de algemene economie van het systeem. Ten tweede voert de Waalse Regering in hoofdorde aan dat het decreet van 12 november 2021 geen ongewoon economisch voordeel toekent aan de uitbaters van steengroeven. Zij verwijst in dat verband naar haar weerlegging van het eerste middel en van het tweede onderdeel van het tweede middel. In ondergeschikte orde stelt zij vast dat de verzoekende partij haar verklaringen in dat verband niet onderbouwt. Ten derde voert zij aan dat de betrokken maatregelen geen mogelijke invloed hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten. Allereest merkt zij op dat de verzoekende partij geen enkel concreet element naar voren schuift ten aanzien van de concurrentiesituatie van de Belgische en buitenlandse uitbaters van steengroeven. Volgens haar vertoont de activiteit van de uitbaters van steengroeven een lokale dimensie. Vervolgens stelt zij vast dat de verzoekende partij redeneert op het niveau van de uitbaters van steengroeven en niet op het niveau van de operatoren van de watersector of van de andere industriële operatoren, zodat zij aldus bevestigt dat de uitbaters van steengroeven zich in een onderscheiden situatie bevinden. Aangezien het vermeende voordeel betrekking heeft op de fiscale regeling voor de winning van grondwater, moet de voorwaarde inzake de gevolgen voor de mededinging en de invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten volgens de Waalse Regering worden onderzocht in het licht van die activiteit. Volgens haar blijkt echter uit de documenten van de Europese Commissie dat de activiteit inzake waterwinning een louter lokale dimensie heeft. Ten slotte merkt zij op dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welke zin het decreet van 12 november 2021 niet bestaanbaar zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 12 A.7.
- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen in zoverre zij zijn gericht tegen het decreet van 12 november 2021 in zijn geheel, antwoordt de verzoekende partij op dezelfde wijze als bij het eerste middel. Zij voegt eraan toe dat, in het vierde middel, de bestreden bepalingen duidelijk zijn geïdentificeerd. Zij onderstreept overigens dat de twee categorieën van personen waarmee de uitbaters van steengroeven worden vergeleken, bestaan in :
(1)de andere personen die houder zijn van een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, en die een afnamebelasting en een afnamebijdrage moeten betalen en
(2)de andere personen die houder zijn van een vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, en die een belasting op de lozing van industrieel afvalwater moeten betalen en niet de gunstige regeling genieten die van toepassing is op de uitbaters van steengroeven. Zij verwijst in dat verband naar de eerste twee middelen. Ten gronde herinnert de verzoekende partij in de eerste plaats eraan dat het niet coherent is te beweren dat de aan de uitbaters van uitbaters van steengroeven verleende gunstmaatregelen een milieudoelstelling nastreven. In de tweede plaats voert zij aan dat het decreet van 12 november 2021 enkel aan de uitbaters van steengroeven een ongewoon economisch voordeel toekent. Zij verwijst inzonderheid naar het tweede onderdeel van het tweede middel. In de laatste plaats voert zij aan dat het decreet van 12 november 2021 de concurrentie kan vervalsen, in zoverre het de uitbaters van steengroeven toelaat om bepaalde belastingen en bijdragen niet te moeten betalen. Ten aanzien van de invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten onderstreept zij dat een Waalse groeve-arbeider zijn activiteit kan ontwikkelen buiten de Waalse en Belgische grenzen. A.7.
- Wat betreft de ontvankelijkheid repliceert de Waalse Regering dat de verzoekende partij de decretale bepalingen die zouden neerkomen op de inwerkingstelling van de aangehaalde staatssteun, niet identificeert. Vervolgens voert zij aan dat het middel niet wordt onderbouwd in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten slotte verwijst zij naar haar weerlegging van de eerste twee middelen. Ten gronde herinnert de Waalse Regering in de eerste plaats eraan dat de vermeende vrijstelling voor de uitbaters van steengroeven om de belasting op de lozing van industrieel afvalwater te betalen, onbestaande is. Daarnaast verwijst zij naar haar weerlegging van het tweede onderdeel van het eerste middel. In de tweede plaats onderstreept zij dat de niet-toepassing van de afnamebelasting en van het specifieke tarief van de afnamebijdrage niet volstaan om te besluiten tot het bestaan van een ongewoon economisch voordeel. In de laatste plaats merkt zij op dat uit de Europese rechtspraak en de beslissingen van de Europese Commissie blijkt dat de invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten niet louter hypothetisch of vermoedelijk kan zijn. Volgens haar toont de verzoekende partij te dezen niet aan hoe, noch op welke markt, de mededinging wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed door de vermeende staatssteun, op basis van de voorzienbare gevolgen daarvan. Ten slotte onderstreept zij dat de maatregelen betreffende louter lokale activiteiten het handelsverkeer tussen de lidstaten niet beïnvloeden. Ten aanzien van de kosten A.
- De verzoekende partij vordert dat de kosten ten laste worden gelegd van het Waalse Gewest. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet en de context ervan B.
- De verzoekende partij vordert de volledige of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 12 november 2021 « houdende wijziging van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, met het oog op de vaststelling van een kader voor de terugwinning van bemalingswater » (hierna : het decreet van 12 november 2021). 13 B.2.
- Het decreet van 12 november 2021 heeft allereerst tot doel « een duidelijk juridisch kader voor de terugwinning van bemalingswater » vast te stellen (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 2). Artikel D.2, 36°bis, van boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek vormt (hierna : het Waterwetboek) definieert het « bemalingswater » als « water afgevoerd via een geschikt technisch middel om een groeve of mijn in droge toestand te kunnen exploiteren ». Artikel D.2, 33°, van het Waterwetboek definieert het « voor menselijke consumptie bestemd water » als « water, dat onbehandeld of na behandeling bestemd is om gedronken te worden, te koken, levensmiddelen te bereiden of voor andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst ervan, en ongeacht of het verdeeld wordt via een distributiekanaal via leidingen of vanaf een privé-aansluitpunt, een watertankwagen of -boot, of verstrekt in flessen of containers als het voor niet-commerciële doeleinden wordt bestemd evenals het water dat verstrekt wordt aan de voedingsmiddelenbedrijven via een distributienet voor het in die ondernemingen bewerkt of behandeld wordt ». Artikel D.2, 37°, van het Waterwetboek definieert « tot drinkwater verwerkbaar water » als « alle grond- of oppervlaktewater dat op natuurlijke wijze of na een aangepaste fysisch- chemische of microbiologische behandeling bestemd is om verdeeld te worden en zonder gevaar voor de gezondheid gedronken kan worden ». Krachtens het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2022 « tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten, van de ingedeelde installaties en activiteiten of van de installaties of activiteiten die een risico voor de bodem vormen » (hierna : het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002) zijn een installatie voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie (rubriek 41.00.02) en een installatie voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie (rubriek 41.00.03) onderscheiden ingedeelde inrichtingen. Volgens de decreetgever is de Raad van State in recente rechtspraak, die de administratieve praktijk die tot dan tot stand gekomen was in het geding lijkt te brengen, van oordeel dat een project voor de verwerking van bemalingswater een milieuvergunning vereist die geen 14 betrekking heeft op de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, maar wel op de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of voor menselijke consumptie is bestemd. Bij het decreet van 12 november 2021 wil de decreetgever het juridisch kader verduidelijken dat van toepassing is op de verwerking van bemalingswater. In dat verband vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het is een feit dat water en steen twee belangrijke natuurlijke rijkdommen in de Waalse ondergrond vormen. Zowel de operatoren van de watersector als die van de sector van de steengroeven erkennen dat die twee natuurlijke rijkdommen moeten worden beschermd en op spaarzame en duurzame wijze moeten worden uitgebaat. Men stelt immers vast dat : - enerzijds, sommige uitbaters van steengroeven, in het kader van hun uitbating, het grondwater moeten verlagen om de afzetting te verwijderen, waarbij dat opgepompte water doorgaans ‘ bemalingswater ’ wordt genoemd; en - anderzijds, de operatoren van de watersector in dezelfde geologische structuur waterwinning uitbaten met het oog op de openbare verdeling ervan. Uitgaande van die vaststellingen is het idee om bemalingswater te verwerken, ontwikkeld en uitgevoerd. De procedure voor de verwerking van bemalingswater heeft bijgevolg tot doel bemalingswater van de steengroeve gedeeltelijk te recupereren, het te verwerken en het af te voeren naar het openbaar distributienet. Aldus zijn sinds meer dan 20 jaar projecten voor de verwerking van bemalingswater ontwikkeld en uitgevoerd in nauwe samenwerking tussen de twee sectoren met de steun van het Waalse Gewest en de Europese Unie. In cijfers wordt thans ongeveer 9 miljoen m3 per jaar aan bemalingswater (op een totaal van 36 miljoen m3 per jaar aan gewonnen bemalingswater) ter beschikking gesteld en door de operatoren van de watersector tot drinkbaar water verwerkt. In de toekomst zou dat cijfer moeten toenemen tot ongeveer 13 miljoen m3 per jaar door de uitvoering van nieuwe projecten (bron : « Société wallonne des eaux »). Er zij echter opgemerkt dat er geen duidelijk juridisch kader bestaat voor de verwerking van bemalingswater. De enige elementen waarover de betrokkenen thans beschikken, zijn : - een overlegcharter ondertekend op 21 februari 2011 tussen ‘ Aquawal ’, ‘ Fediex ’ en ‘ Pierres et Marbres de Walonnie ’, teneinde de gelijktijdige uitvoering te bevorderen van de respectieve activiteiten van de waterproducenten en de extractieve industrie, dankzij een permanente dialoog en overleg; - de administratieve praktijk die tot stand is gekomen om de verwerking van bemalingswater mogelijk te maken en waarbij bemalingswater wordt beschouwd als ‘ niet tot drinkwater verwerkbaar water ’; 15 - overeenkomsten waarover op individuele wijze wordt onderhandeld tussen de uitbaters van steengroeven en de operatoren van de watersector tot regeling van de rechten en verbintenissen van elkeen, met name de financiële participaties (investeringskosten, uitbatingskosten, enz.). Bij twee arresten die onlangs zijn gewezen (arrest nr. 210.200 [lees : 241.200] van 3 april 2018 en nr. 244.656 van 28 mei 2019) lijkt de Raad van State de gebruikelijke praktijk die tot stand is gekomen om bemalingswater te verwerken, de facto in het geding te brengen. Volgens de Raad van State zou de aanvrager van een vergunning, te dezen de uitbater van een steengroeve, immers in het kader van een project voor de verwerking van bemalingswater, ertoe gehouden zijn een vergunning aan te vragen betreffende ‘ de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie ’ – cf. rubriek 41.00.02 van de ingedeelde installaties – om de steengroeven te bemalen. Indien die rechtspraak wordt gevolgd, dient te worden vastgesteld dat de rechtszekerheid van de thans ingevoerde mechanismen in het gedrang komt, terwijl het gebruik van bemalingswater om het openbaar distributienet te bevoorraden, een duurzaam proces vormt teneinde een spaarzaam en doeltreffend beheer van de watervoorraad in het Waalse Gewest te garanderen. Er is dus een reëel belang om dat mechanisme te kunnen laten voortbestaan. Parallel daarmee vertoont de huidige reglementering lacunes op het vlak van begrip en duidelijkheid. Het onderhavige ontwerpdecreet heeft tot doel een gericht optreden en niet een volledige herziening van het Waterwetboek voor te stellen, waarbij het mogelijk wordt gemaakt om, zowel voor de bestaande projecten als voor de toekomstige projecten, de procedure inzake de verwerking van bemalingswater veilig te stellen. Het gaat dus erom dezelfde filosofie te volgen, in het verlengde van de thans bestaande mechanismen voor de verwerking van bemalingswater. Het ontwerpdecreet heeft niet tot doel de juridische regeling te wijzigen die geldt voor de ertsontginners, brouwers. [...] Er zij aan herinnerd dat, indien het bemalingswater niet wordt verwerkt, geen enkele wijziging wordt aangebracht door het onderhavige ontwerpdecreet, zodat de uitbater van een steengroeve, zoals dat thans reeds het geval is, een milieuvergunning zal aanvragen voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 3). B.2.
- Artikel 1, 4°, van het decreet van 12 november 2021 voegt in artikel D.2, 36°sexies, van het Waterwetboek de volgende definitie in van het begrip « verwerkbaar bemalingswater » : « bemalingswater dat kan worden gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie en dat rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verkocht aan een producent met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : 16 « Met dat begrip wordt het bemalingswater beoogd dat is gedefinieerd in artikel D.2, 36bis, dat wordt gewonnen en vervolgens rechtstreeks of onrechtstreeks afgestaan door de groeve- uitbater aan een producent, die beschikt over de publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid (‘ Société wallonne des eaux ’ (SWDE), intercommunales, gemeenten, enz.). Om het juridisch statuut van het water (al dan niet tot drinkwater verwerkbaar) te bepalen, moet rekening worden gehouden met het uiteindelijke gebruik ervan. Hieruit vloeit dan ook voort dat de uitbater van een steengroeve die het bemalingswater geheel of gedeeltelijk wil afstaan met het oog op de verwerking ervan aan een producent die beschikt over de publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid, ertoe gehouden zal zijn : - een milieuvergunning aan te vragen voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of voor menselijk gebruik bestemd is, zoals bedoeld in de rubriek 41.00.02 van de lijst van ingedeelde activiteiten en installaties; - zich in overeenstemming te brengen met alle desbetreffende verplichtingen (waaronder een projectafbakening van een voorkomings- of toezichtsgebied opstellen en indienen overeenkomstig de procedure vastgelegd op grond van artikel D.172 van het Waterwetboek en gedefinieerd in de artikelen R.157 tot R.163 van het Waterwetboek) » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 5). B.2.
- Artikel 18 van het decreet van 12 november 2021 regelt de situatie van de milieuvergunningen en globale vergunningen die zijn toegekend in het kader van een project voor de verwerking van bemalingswater vóór de inwerkingtreding van het decreet en die, volgens de toenmalige administratieve praktijk, betrekking hadden op de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie. Dat artikel bepaalt : « §
- Dit [decreet] is van toepassing op de terugwinning van bemalingswater vanaf de datum van inwerkingtreding ervan. Milieuvergunningen en globale vergunningen die vóór de inwerkingtreding van dit decreet zijn afgegeven voor een winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en dat niet bestemd is voor menselijke consumptie, waarbij de gewonnen hoeveelheid bemalingswater geheel of gedeeltelijk wordt teruggewonnen voor distributie via het openbare waterdistributienet, [gelden] echter [als] vergunningen voor de winningen van tot drinkbaar verwerkbaar grondwater of voor menselijke consumptie bestemd grondwater. §
- De uitbater van een vergunde waterwinning bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, beschikt over een termijn van zesendertig maanden vanaf de inwerkingtreding van dit decreet om een dossier in te dienen voor de afbakening van een voorkomingszone overeenkomstig de bepalingen van het Waterwetboek vastgesteld krachtens artikel D.172, § 2, tweede lid, van boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt. §
- De uitbater van een vergunde waterwinning bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, beschikt over een termijn van drie maanden vanaf de inwerkingtreding van dit decreet om te 17 voldoen aan de beschermingsmaatregelen die zijn vastgesteld krachtens artikel D.173 van boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, binnen de winningsperimeter die door de vergunning is toegestaan ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Het betreft een overgangsbepaling met betrekking tot de milieuvergunningen en globale vergunningen die, vóór de inwerkingtreding van het decreet, zijn toegekend voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet voor menselijke consumptie bestemd is, in het kader van een project voor de verwerking van bemalingswater. Die overgangsbepaling heeft niet tot doel uitwerking te hebben met terugwerkende kracht. De bepalingen zullen op de uitbaters van steengroeven van toepassing zijn op de datum van de inwerkingtreding van het ontwerpdecreet. De bepaling voorziet erin dat die vergunningen die zijn verleend vóór de inwerkingtreding van het decreet, geldig zullen blijven tot de einddatum ervan; zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de bevoegde overheid om toepassing te maken van artikel 65 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. Die vergunningen zullen bijgevolg gelden als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. De winning van verwerkbaar bemalingswater is immers een winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie. Om zich in overeenstemming te brengen met de verplichtingen betreffende de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is, worden de betrokken uitbaters ertoe verplicht, binnen een maximumtermijn van drie maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het decreet, te voldoen aan alle beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel R.173 van het Waterwetboek binnen de extractieperimeter die in de vergunning is toegestaan teneinde elke verslechtering van de hulpbron te voorkomen. Artikel R.173 van het Waterwetboek voorziet immers in beschermingsmaatregelen die van toepassing zijn in het winningsgebied van grondwater in een actieve steengroeve, of wanneer de steengroeve actief is en zich in een voorkomingsgebied bevindt. Vervolgens zullen de betrokken uitbaters beschikken over een termijn om zich in overeenstemming te brengen teneinde hen in staat te stellen een aanvraag in te dienen voor de afbakening van een voorkomingsgebied waarbij de procedure wordt gevolgd die is bepaald in de artikelen R.157 tot R.163 van het Waterwetboek zoals vastgelegd door de Regering op grond van artikel D.172 van hetzelfde Wetboek. Zij beschikken over een maximumtermijn van 36 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het decreet, met dien verstande dat, wanneer een nieuwe aanvraag of een aanvraag tot hernieuwing van die vergunningen wordt ingediend vóór die datum, de uitbater van een steengroeve ertoe gehouden zal zijn de project-afbakening van de voorkomingszone in het kader van die aanvraag op te stellen en in te dienen » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 7). B.3.
- Het decreet van 12 november 2021 heeft eveneens tot doel « de regeling inzake de financiële bijdragen van de voornaamste actoren te verduidelijken en aan te vullen » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 2). In dat verband vermeldt de parlementaire voorbereiding : 18 « Het ontwerpdecreet heeft eveneens tot doel de regeling inzake de financiële bijdragen van de voornaamste actoren te verduidelijken en aan te vullen door uitdrukkelijk de verplichtingen te preciseren van, enerzijds, de producent en, anderzijds, de verdeler. De verplichtingen van de groeve-uitbater blijven onveranderd aangezien de bestaande belastingregeling niet zal worden gewijzigd. Er zal voortaan een specifieke regeling moeten worden toegepast op elke winning van bemalingswater (zowel op de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, als op de winning van water dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie). De financiële last voor de uitbater van een steengroeve blijft dus ongewijzigd » (ibid., p. 3). B.3.
- Artikel 1, 3°, van het decreet van 12 november 2021 vervangt, in artikel D.2, 28°, van het Waterwetboek, de definitie van het begrip « verdeler » door de volgende definitie : « uitbater van het openbare waterdistributienet ». B.3.
- Artikel 1, 5°, van het decreet van 12 november 2021 voegt, in artikel D.2, 69°bis, van het Waterwetboek, de volgende definitie in van het begrip « producent » : « elke natuurlijke of rechtspersoon die water dat wordt gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie uit het natuurlijk milieu onttrekt, of die dit water in het groot verwerft, voor zover dit water een openbaar distributienet bevoorraadt. In afwijking van lid 1 heeft de uitbater van een steengroeve niet de hoedanigheid van producent voor het verwerkbare bemalingswater dat hij onttrekt; ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Die definitie wordt toegevoegd in artikel D.2 van het Waterwetboek om een einde te maken aan de automatische band die thans in artikel D.254 van het Waterwetboek bestaat tussen, enerzijds, de houder van een winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is en, anderzijds, de producent van water dat tot drinkwater verwerkbaar is. Die definitie laat toe alle hypothesen te dekken die in de praktijk bestaan; van het meest voorkomende geval waarin een verdeler zelf de productieactiviteit uitoefent voor al het water dat hij verdeelt of een deel ervan, tot de meest ingewikkelde gevallen waarbij verschillende producenten elkaar opvolgen in de productieketen (aankoop/verkoop van water tussen producenten). In elk geval houdt het begrip ‘ producent ’ in dat zowel het gewonnen water als het gekochte water op het einde van de keten een openbaar distributienet bevoorraden. Voor de toepassing van de onderhavige definitie worden tevens de hoeveelheden water beoogd die worden verdeeld door een openbaar waterdistributienet buiten het grondgebied van het Waalse Gewest. 19 Het tweede lid van die definitie preciseert duidelijk dat, in het geval van de verwerking van bemalingswater, de uitbater van een steengroeve niet de hoedanigheid van producent heeft voor het bemalingswater dat hij wint en dat bestemd is voor menselijke consumptie. Voor de toepassing van de onderhavige bepaling verwijst het begrip ‘ steengroeve ’ naar het begrip dat is gedefinieerd in artikel 1 van het decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 5). B.3.
- In onderafdeling 1 (« Winplaatsen voor tot drinkwater verwerkbaar water ») van afdeling 2 (« Belasting en bijdrage op de waterwinningen ») van hoofdstuk II van titel II van deel III van het Waterwetboek vervangt artikel 4 van het decreet van 12 november 2021 de integrale tekst van artikel D.254 van het Waterwetboek door de volgende tekst : « §
- Elke uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water op het grondgebied van het Waalse Gewest draagt naar rato van de geproduceerde volumes van tot drinkwater verwerkbaar water bij tot de financiering van de maatregelen tot bescherming van het tot drinkwater verwerkbaar water. §
- Wanneer het geproduceerde water een openbaar distributienet bevoorraadt, moet de producent die dit water opneemt : 1° hetzij een dienstencontract voor de bescherming van het tot drinkbaar water verwerkbaar water met de ‘ S.P.G.E. ’ sluiten; 2° hetzij een afnamebelasting betalen. Wanneer het geproduceerde water geen openbaar distributienet bevoorraadt, moet de uitbater een afnamebelasting betalen. Het bedrag van de afnamebelasting is vastgelegd op 0,0829 euro per kubieke meter water geproduceerd in de loop van het jaar van afname. De producent wordt vrijgesteld van zijn verplichting voor een bepaald volume water indien een andere producent deze verplichting voor dit volume op zich neemt. §
- Elke uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water moet ook een jaarlijkse afnamebijdrage betalen over de hoeveelheden water die uit deze winning worden geproduceerd; het bedrag daarvan is vastgesteld op 0,0829 euro per kubieke meter water die in het jaar van afname wordt geproduceerd. §
- Voor de toepassing van dit artikel wordt onder geproduceerde hoeveelheden water niet verstaan : 1° de hoeveelheden water die door saneringsinstellingen worden opgepompt in het kader van hun opdracht inzake het afvoeren van overstromingswater, met uitzondering van de hoeveelheden die zij verkopen aan een producent of die zij verdelen via het openbare net; 20 2° de hoeveelheden water die in het kader van het proefpompen gedurende een periode van ten hoogste twee maanden zijn opgevangen; 3° het bemalingswater, inclusief verwerkbaar bemalingswater; 4° de hoeveelheden water die in het natuurlijk milieu of in de riolering worden geloosd, met inbegrip van niet-conform water, waswater, overstortwater, spuiwater, leegpompwater of bemalingswater ». Artikel D.2, 18°, van het Waterwetboek, gewijzigd bij artikel 1, 2°, van het decreet van 12 november 2021, definieert het « dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water », waarnaar wordt verwezen in artikel D.254, § 2, eerste lid, 1°, van het Waterwetboek, als de « overeenkomst gesloten tussen een producent en de ‘ Société publique de Gestion de l'Eau ’ waarbij laatstgenoemde tegen vergoeding de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water zoals bepaald in de programma's bedoeld in artikel D.288, § 2, tweede lid, laat uitvoeren ». De parlementaire voorbereiding vermeldt : « In afdeling 2 van hoofdstuk II van titel II betreffende de financiering van het beheer van de antropogene watercyclus wordt artikel D.254 herschreven teneinde een duidelijk onderscheid te maken tussen, ten eerste, de verplichtingen van enerzijds de producent en anderzijds de verdeler en, ten tweede, de verplichtingen betreffende de bescherming van het tot drinkwater verwerkbare water enerzijds (artikel D.254) en betreffende de sanering van afvalwater anderzijds (artikel D.255). Paragraaf 1 vermeldt het algemeen principe. Paragraaf 2 onderscheidt het geval waarin het gewonnen water in fine een openbaar distributienet bevoorraadt van het geval waarin het gewonnen water in fine niet een openbaar distributienet bevoorraadt. In het eerste geval beantwoordt de uitbater aan de definitie van producent, voortaan vermeld in artikel D.2, 69bis. Hij wordt voor een alternatief gesteld : - ofwel sluit hij met de ‘ S.P.G.E. ’ een dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water; - ofwel betaalt hij een afnamebelasting. In het tweede geval betreft het een andere uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water (verpakking van mineraalwater of frisdrank, bier, cider, vruchtenwijn of andere gefermenteerde dranken, enz.). Hij moet de afnamebelasting betalen. 21 De bestaande regeling, die beide gevallen niet van elkaar onderscheidt, vertoont een lacune daar de uitbater van de winning van tot drinkwater verwerkbaar water die in fine geen openbaar distributienet bevoorraadt, niet in staat is een dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water te sluiten met de ‘ S.P.G.E. ’ (zie definitie van het dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water in artikel D.2, 18°, alsook artikel D.332, § 2). Het derde lid legt het tarief en de grondslag vast van de afnamebelasting. Die bepaling heeft niet een wijziging van de thans geldende belastingregeling voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water tot gevolg. Er is geen onderbreking van het verloop van de verschillende indexeringen die hebben plaatsgehad sinds de vaststelling van het tarief in 2015 bij het programmadecreet van 12 december 2014 houdende verschillende maatregelen betreffende de begroting inzake natuurrampen, verkeersveiligheid, openbare werken, energie, huisvesting, leefmilieu, ruimtelijke ordening, dierenwelzijn, landbouw en fiscaliteit. Paragraaf 3 neemt de regeling over betreffende de invoering van de afnamebijdrage op de winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Paragraaf 4 vermeldt de gemeenschappelijke uitzonderingen op de verplichtingen van artikel D.254 (begrip ‘ geproduceerde hoeveelheden ’). Ten opzichte van de vroegere regeling wordt bemalingswater daarin opgenomen, daar, in tegenstelling tot wat vroeger werd beschouwd, de winning van bemalingswater de winning van tot drinkwater verwerkbaar water kan zijn, maar zij heeft haar eigen fiscale regeling. Bovendien zijn de geloosde hoeveelheden uitgesloten, overeenkomstig de praktijk zowel op het vlak van de Waalse fiscaliteit als op het niveau van de toepassing van het dienstencontract voor de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, pp. 5-6). B.3.
- In dezelfde onderafdeling 1 (« Winplaatsen voor tot drinkwater verwerkbaar water ») van dezelfde afdeling 2 (« Belasting en bijdrage op de waterwinningen ») vervangt artikel 5 van het decreet van 12 november 2021 de integrale tekst van artikel D.255 van het Waterwetboek. Die bepaling, die vroeger onder meer betrekking had op de afnamebelasting en de jaarlijkse afnamebijdrage die vanaf nu worden geregeld bij artikel D.254 van hetzelfde Wetboek, heeft voortaan uitsluitend betrekking op de verplichtingen van de verdeler. Artikel D.255 van het Waterwetboek, vervangen bij artikel 5 van het decreet van 12 november 2021, bepaalt : « Elke verdeler draagt naar rato van de geproduceerde hoeveelheid water die hij in het Waalse Gewest verdeelt, [bij] tot de financiering van de sanering van afvalwater. De hoeveelheid verdeeld water wordt berekend op basis van de aan de verbruikers gefactureerde hoeveelheid. Om dit te doen, moet de verdeler : 1° hetzij een dienstencontract voor sanering met de ‘ S.P.G.E. ’ sluiten; 22 2° hetzij zelf zorgen voor de uitvoering van de collectieve afvalwaterzuivering alsook van het openbaar beheer van de autonome afvalwaterzuivering, in overeenstemming met de hoeveelheid water die hij op het grondgebied van het Waals Gewest verdeelt. De verdeler is vrijgesteld van zijn verplichting voor de hoeveelheden water die hij in het Waals Gewest verdeelt en waarvoor aan de ‘ S.P.G.E. ’ een industriële saneringskost wordt betaald op basis van een contract voor industriële sanering ». Artikel D.2, 16°, van het Waterwetboek, vervangen bij artikel 1, 1°, van het decreet van 12 november 2021, definieert het « dienstencontract voor sanering », waarnaar wordt verwezen in artikel D.255, tweede lid, 1°, van het Waterwetboek, als de « overeenkomst gesloten tussen een verdeler en de ‘ Société publique de gestion de l'eau ’ (Openbare maatschappij voor waterbeheer) waarbij de verdeler de diensten van de Maatschappij huurt om volgens een bepaalde planning de collectieve zuivering en het openbare beheer van de autonome zuivering te verrichten van een waterhoeveelheid die overeenstemt met de geproduceerde waterhoeveelheid die hij in het Waalse Gewest verdeelt ». Artikel 19 van het decreet van 12 november 2021 bevat een overgangsbepaling voor de dienstencontracten voor sanering die vóór de inwerkingtreding van het decreet zijn gesloten. B.3.
- In onderafdeling 2 (« Winplaatsen van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is ») van dezelfde afdeling 2 (« Belasting en bijdrage op de waterwinningen ») brengt artikel 6 van het decreet van 12 november 2021 de volgende wijzigingen aan in artikel D.256 van het Waterwetboek :
(1)artikel 6, 1°, heft de vroegere eerste paragraaf van artikel D.256 van het Waterwetboek op, die betrekking had op de jaarlijkse afnamebijdrage voor de winning van bemalingswater;
(2)artikel 6, 4°, voegt de winning van bemalingswater toe in de lijst van de winningen van grondwater die niet zijn onderworpen aan de jaarlijkse afnamebijdrage bedoeld in artikel D.256 van het Waterwetboek; en
(3)artikel 6, 2° en 3°, brengt formele wijzigingen aan in verband met de twee voormelde wijzigingen. Artikel D.256 van het Waterwetboek, gewijzigd bij artikel 6 van het decreet van 12 november 2021, bepaalt : « §
- De winplaatsen van niet tot drinkwater verwerkbaar water, met uitzondering van de winningen onder 3.000 kubieke meter, worden onderworpen aan een jaarlijkse winningsbelasting waarvan het bedrag vastgelegd is als volgt : 23 1° op de schijf van 0 tot 20 000 kubieke meter water : 0,03 euro per kubieke meter opgenomen water; 2° op de schijf van 20.001 tot 100.000 kubieke meter water : 0,06 euro per kubieke meter opgenomen water; 3° op de schijf boven 100.000 kubieke meter water : 0,09 euro per kubieke meter opgenomen water. §
- De volgende grondwaterwinplaatsen zijn niet onderworpen aan een winningsbelasting bedoeld in paragraaf 1 : 1° het oppompen door de saneringsinstellingen in het kader van hun opdracht inzake afvoer van overstromingswater, met uitzondering van het watervolume dat ze verkopen of verdelen; 2° proefpompingen tijdens een periode van hoogstens twee maanden. 3° tijdelijke oppompingen verricht ter gelegenheid van openbare of privé werken inzake civiele bouwkunde; 4° oppompingen ter bescherming van goederen, met uitzondering van de oppompingen verricht voor industriële of winstgevende doeleinden; 5° oppompingen van geothermaal water voor de collectieve verwarming van openbare woningen of gebouwen; 6° de winningen van bemalingswater ». Ten gevolge van de indexering bepaald in artikel D.330-1 van het Waterwetboek, bedragen de tarieven van de jaarlijkse afnamebijdrage die van toepassing is op de winningen van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is, voor de belastbare periode 2021, respectievelijk 0,0329, 0,0658 en 0,0987 (Tabel van de tarieven van de waterbelastingen aangepast aan de schommeling van de index van de consumptieprijzen, overeenkomstig artikel D.330-1 van het Waterwetboek, Belgisch Staatsblad, 24 december 2020, p. 94355). B.3.
- In de nieuwe onderafdeling 2/1 (« Winningen van bemalingswater »), ingevoegd bij artikel 7 van het decreet van 12 november 2021, van dezelfde afdeling 2 (« Belasting en bijdrage op de waterwinningen »), voegt artikel 8 van dat decreet een artikel D.256/1 in, dat bepaalt : « De winningen van bemalingswater worden jaarlijks onderworpen aan een afnamebijdrage van 0,0407 euro per kubieke meter bemalingswater betreffende de grondwatervolumes ». 24 De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Er wordt een onderafdeling 3 [lees : onderafdeling 2/1] ‘ Winningen van bemalingswater ’ ingevoerd teneinde een specifieke regeling in te voeren die uitsluitend is gewijd aan de winningen van bemalingswater. Binnen die nieuwe onderafdeling wordt een nieuw artikel D.256bis [lees : D.256/1] ingevoegd. Die bepaling is van toepassing op alle winningen van ondergronds bemalingswater dat al dan niet tot drinkwater verwerkbaar is. Die bepaling preciseert het bedrag van de afnamebijdrage, die reeds was opgenomen in artikel D.256, § 1, van dat Wetboek. Die belastingregeling is identiek voor alle winningen van bemalingswater zodat de financiële last voor de uitbater van een steengroeve onveranderd blijft. Aldus zal de uitbater van de winning van verwerkbaar bemalingswater, bij de verwerking van bemalingswater, onderworpen zijn aan de afnamebijdrage overeenkomstig de onderhavige bepaling » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 6). B.3.
- Krachtens artikel 20, tweede lid, van het decreet van 12 november 2021 zijn de belastingtarieven bepaald in artikel D.254 van het Waterwetboek, zoals vervangen bij artikel 4 van dat decreet, en in artikel D.256/1 van het Waterwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 8 van het voormelde decreet, van toepassing voor de afnames die werden uitgevoerd tijdens de belastbare periode
- Voor de latere belastbare periodes worden die tarieven geïndexeerd overeenkomstig artikel D.330-1 van het Waterwetboek. B.3.
- Ten slotte brengen de artikelen 2, 3, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 van het decreet van 12 november 2021 aan de regelgeving verschillende wijzigingen aan in verband met hetgeen voorafgaat. B.
- Krachtens artikel 20, eerste lid ervan, treedt het decreet van 12 november 2021 in werking op 1 januari
- 25 Ten aanzien van de omvang van het beroep B.5.
- De Waalse Regering voert aan dat de middelen niet ontvankelijk zijn in zoverre zij zijn gericht tegen andere bepalingen van het decreet van 12 november 2021 dan die waartegen grieven worden uiteengezet. B.5.
- Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn gericht. Het Hof kan alleen die bepalingen vernietigen en, in voorkomen geval, de bepalingen die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.5.
- Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de door de verzoekende partij geformuleerde grieven zijn gericht tegen de artikelen 1, 4° en 5°, 4, 6, 7, 8 en 18 van het decreet van 12 november
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. Indien het Hof evenwel een of meer middelen gegrond zou achten, zouden andere bepalingen van het decreet van 12 november 2021 kunnen worden vernietigd indien zou blijken dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de bovenvermelde bepalingen. Ten aanzien van het belang B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.
- De Waalse Regering betwist in verschillende opzichten het belang van de verzoekende partij bij het beroep. 26 B.8.
- De Waalse Regering voert aan dat het decreet van 12 november 2021, inzonderheid artikel 18 ervan, geen gevolgen heeft voor de twee voor de Raad van State hangende zaken die de verzoekende partij heeft ingesteld en die, in het kader van de vorderingen tot schorsing, aanleiding hebben gegeven tot de arresten nr. 241.200 van 3 april 2018 en nr. 244.656 van 28 mei
- B.8.
- Aangezien de exceptie van niet-ontvankelijkheid verband houdt met de draagwijdte van de bestreden bepalingen, en inzonderheid van artikel 18 van het decreet van 12 november 2021, valt het onderzoek van die exceptie samen met dat van de grond van de zaak. B.9.
- De Waalse Regering voert eveneens aan dat de verzoekende partij niet identificeert welke gevolgen zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent, in de zin van artikel D.2, 69°bis, van het Waterwetboek, waarvan de vernietiging voor haar gunstig zou kunnen zijn. B.9.
- Opdat de verzoekende partij van het vereiste belang doet blijken, is niet vereist dat een eventuele vernietiging haar een onmiddellijk voordeel zou opleveren. De omstandigheid dat zij, als gevolg van de vernietiging van het bestreden decreet, opnieuw een kans zou krijgen dat haar situatie in gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om haar belang bij het bestrijden ervan te verantwoorden. B.9.
- De verzoekende partij baat een winning uit van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie (onttrekking van water uit de Tridaine-bron), waarbij een deel van dat water het openbaar distributienet te Rochefort bevoorraadt en een ander deel van dat water wordt gebruikt door de verzoekende partij zelf. Hieruit vloeit voort dat de verzoekende partij de hoedanigheid heeft van producent in de zin van artikel D.2, 69°bis, van het Waterwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 1, 5°, van het decreet van 12 november
- Hieruit vloeit ook voort dat de verzoekende partij is onderworpen aan de bijdrageregeling waarin is voorzien bij artikel D.254 van het Waterwetboek, zoals vervangen bij artikel 4 van het decreet van 21 november
- 27 De verzoekende partij heeft dus belang bij het vorderen van de vernietiging van de bepalingen die de uitbater van een steengroeve vrijstellen van de hoedanigheid van producent voor verwerkbaar bemalingswater dat hij wint, en die voorzien in verschillende bijdrageregelingen voor de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water, de winningen van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en de winningen van bemalingswater. B.9.
- De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel Eerste onderdeel van het eerste middel B.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 1, 4° en 5°, van het decreet van 12 november 2021, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In essentie verwijt de verzoekende partij de bestreden bepalingen erin te voorzien dat de uitbater van een steengroeve die verwerkbaar bemalingswater afstaat aan een openbare producent, niet de hoedanigheid heeft van producent. Aldus zou de uitbater van een steengroeve worden vrijgesteld van de verplichtingen die zijn verbonden aan de hoedanigheid van producent, meer in het bijzonder van de verplichtingen inzake de verwerking van het gewonnen water om het drinkbaar te maken en van alle lasten die zijn verbonden aan de naleving van de algemene, sectorale en integrale voorwaarden. De bestreden bepalingen zouden daardoor een ongerechtvaardigd verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en dat afstaan aan een openbare producent om een openbaar distributienet te bevoorraden en, anderzijds, de andere personen die verwerkbaar water winnen en dat afstaan aan een openbare producent om een openbaar distributienet te bevoorraden. B.
- Het begrip « verwerkbaar bemalingswater » wordt in artikel D.2, 36°sexies, van het Waterwetboek, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 1, 4°, van het decreet van 12 november 28 2021, gedefinieerd als « bemalingswater dat kan worden gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie en dat rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verkocht aan een producent met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid ». Het begrip « producent » wordt in artikel D.2, 69°bis, eerste lid, van het Waterwetboek, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 1, 5°, van het decreet van 12 november 2021, gedefinieerd als « elke natuurlijke of rechtspersoon die water dat wordt gebruikt als tot drinkwater verwerkbaar water of dat bestemd is voor menselijke consumptie uit het natuurlijk milieu onttrekt, of die dit water in het groot verwerft, voor zover dit water een openbaar distributienet bevoorraadt ». In het tweede lid van diezelfde bepaling wordt verduidelijkt dat « [in] afwijking van lid 1, [...] de uitbater van een steengroeve niet de hoedanigheid van producent [heeft] voor het verwerkbare bemalingswater dat hij onttrekt ». B.12.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, vloeit noch uit het voormelde artikel D.2, 69°bis, tweede lid, van het Waterwetboek, noch uit enige andere bepaling voort dat de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen, worden vrijgesteld van de algemene, sectorale en integrale milieuvoorwaarden. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen wordt daarentegen verduidelijkt dat « de uitbater van een steengroeve die het bemalingswater geheel of gedeeltelijk wil afstaan met het oog op de verwerking ervan aan een producent die beschikt over de publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid, ertoe gehouden zal zijn : - een milieuvergunning aan te vragen voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of voor menselijk gebruik bestemd is, zoals bedoeld in de rubriek 41.00.02 van de lijst van ingedeelde activiteiten en installaties; - zich in overeenstemming te brengen met alle desbetreffende verplichtingen (waaronder een projectafbakening van een voorkomings- of toezichtsgebied opstellen en indienen overeenkomstig de procedure vastgelegd op grond van artikel D.172 van het Waterwetboek en gedefinieerd in de artikelen R.157 tot R.163 van het Waterwetboek) » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 5). 29 B.12.
- Voorts zijn de verplichtingen inzake de verwerking van het gewonnen water om het drinkbaar te maken, in werkelijkheid verbonden aan de hoedanigheid van « leverancier » in de zin van artikel D.2, 53°, van het Waterwetboek, en niet aan de hoedanigheid van « producent ». Geen enkele bepaling vereist dat de verwerking van het water om het drinkbaar te maken, wordt uitgevoerd door de uitbater van de waterwinning zelf, of door de producent. B.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel berust bijgevolg op een verkeerd uitgangspunt, en is om die reden niet gegrond. Tweede onderdeel van het eerste middel B.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 4, 6, 7 en 8 van het decreet van 12 november 2021, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partij voert in hoofdzaak aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en dat water afstaan aan een openbare producent, en de andere personen die water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie en dat water afstaan aan een openbare producent. Volgens haar vloeit uit de bestreden bepalingen voort dat die uitbaters van steengroeven zijn vrijgesteld van de financiële lasten betreffende de waterwinningen of op zijn minst aan een gunstigere bijdrageregeling onderworpen zijn. Zij voert aan dat dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. B.15.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden. B.15.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 30 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het komt de wetgever toe te bepalen wie de belastingplichtigen zijn en de aanslagvoet vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaaleconomische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale, het economische en het milieubeleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren derhalve tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. De fiscale wetgever kan daarenboven geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Hij vermag de diversiteit ervan benaderend en vereenvoudigend te omschrijven. B.17.
- De uitbater van een steengroeve die verwerkbaar bemalingswater wint, is niet onderworpen aan de afnamebelasting en de jaarlijkse afnamebijdrage ten bedrage van telkens 0,0829 euro per kubieke meter geproduceerd water, die krachtens artikel D.254, §§ 2 en 3, van het Waterwetboek, aangehaald in B.3.4, verschuldigd zijn door de uitbater van een winning van tot drinkwater verwerkbaar water. Dat vloeit voort uit artikel D.254, § 4, 3°, van hetzelfde Wetboek, dat bepaalt dat, voor de toepassing van artikel D.254 « het bemalingswater, inclusief verwerkbaar bemalingswater » niet wordt begrepen onder « geproduceerde hoeveelheden water », evenals uit de vrijstelling van de hoedanigheid van producent welke die uitbater van een steengroeve geniet (artikel D.2, 69°bis, tweede lid, van het Waterwetboek). 31 Daarentegen is de uitbater van een steengroeve krachtens artikel D.256/1 van het Waterwetboek, aangehaald in B.3.7, onderworpen aan een jaarlijkse afnamebijdrage ten bedrage van 0.0407 euro per kubieke meter bemalingswater dat grondwater betreft. Die bijdrage is verschuldigd zowel op het verwerkbaar bemalingswater als op het niet verwerkbaar bemalingswater. B.17.
- Uit de voormelde artikelen D.254, §§ 2 en 3, en D.256/1 van het Waterwetboek vloeit voort dat de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en het afstaan aan een openbare producent zijn onderworpen aan een gunstigere bijdrageregeling dan die waaraan de personen zijn onderworpen die water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is dat geen bemalingswater is, en die het afstaan aan een openbare producent. B.18.
- De Waalse Regering voert aan dat de categorieën van personen die het voorwerp uitmaken van dat verschil in behandeling, niet vergelijkbaar zijn. B.18.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De verschillen tussen de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en de andere personen die water winnen dat tot drinkwater verwerkbaar is, kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.
- Het onderzochte verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit dat het water dat tot drinkwater verwerkbaar is en dat wordt afgestaan aan een openbare producent, al dan niet bemalingswater is. B.20.
- Uit de in B.2.1 vermelde parlementaire voorbereiding volgt dat de decreetgever met de bestreden bepalingen een juridisch kader heeft willen bieden voor de bestaande mechanismen voor de verwerking van bemalingswater, en die ongewijzigd wil laten voortbestaan. Die mechanismen zijn ontwikkeld vanuit de vaststelling dat sommige uitbaters van steengroeven in het kader van hun uitbating grondwater moeten oppompen, en tot doel hebben dat bemalingswater gedeeltelijk te recupereren, te verwerken en af te voeren naar het openbaar distributienet. Zoals de Waalse Regering benadrukt, beogen de bestreden bepalingen aldus de verwerking van bemalingswater verder aan te moedigen. 32 B.20.
- Gelet op die doelstelling heeft de decreetgever geen onredelijke beleidskeuze gemaakt door de uitbaters van steengroeven te onderwerpen aan een afzonderlijke bijdrageregeling die voorziet in een lagere afnamebijdrage dan de bijdragen die verschuldigd zijn door de uitbaters van andere winplaatsen van tot drinkwater verwerkbaar water. De laatstgenoemde uitbaters van winplaatsen van water moeten immers niet worden aangemoedigd om het gewonnen water ter beschikking te stellen voor verwerking, nu die winning van verwerkbaar water met het oog op de verdeling ervan hun hoofdactiviteit vormt, in tegenstelling tot hetgeen het geval is voor de uitbaters van steengroeven, voor wie de waterwinning louter een noodzakelijk accessorium is voor de uitbating van de steengroeve. B.20.
- Uit hetgeen vooraf gaat, vloeit voort dat het onderzochte verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.20.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het tweede middel Eerste onderdeel van het tweede middel B.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 1, 4, 6, 7, 8 en 18 van het decreet van 12 november 2021, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 4, 5 en 17 van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 « betreffende de milieuvergunning » (hierna : het decreet van 11 maart 1999), met bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002, met de artikelen D.2, 33° en 37°, D.167 tot D.176bis, D.180 tot D.193 en R.153 tot R.160 van het Waterwetboek, met artikel 2, 37), van de richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 « tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid » (hierna : de richtlijn 2000/60/EG) en met artikel 2, 1), van de richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 « betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2020/2184). 33 In essentie bekritiseert de verzoekende partij het feit dat de vergunningen voor een winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie waarvan de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen, houder zijn en die dateren van vóór de inwerkingtreding van het decreet van 12 november 2021, gelden als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, en zulks zonder dat de uitbatingsvoorwaarden zijn gewijzigd om in overeenstemming te zijn met de in het middel beoogde bepalingen. Volgens de verzoekende partij doen de bestreden bepalingen aldus een verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en voor wie de vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, geldt als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie en, anderzijds, de andere personen die water winnen dat verwerkbaar zou kunnen zijn en die houder zijn van een vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie. B.22.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.22.
- Het Hof is in beginsel niet bevoegd om een wetsbepaling te toetsen aan een andere wettelijke of reglementaire bepaling die geen bevoegdheidverdelende regel is, ongeacht of die laatste wetsbepaling al dan niet in samenhang wordt gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.22.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 3, 4, 5 en 17 van het decreet van 11 maart 1999, van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 en van de artikelen D.2, 33° en 37°, D.167 tot D.176bis, D.180 tot D.193 en R.153 tot R.160 van het Waterwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 34 B.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.24.
- De Waalse Regering voert aan dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de andere bepalingen van het decreet van 12 november 2021 dan artikel
- B.24.
- Uit de uiteenzetting van dat onderdeel van het tweede middel blijkt dat het uitsluitend is gericht tegen artikel 18 van het decreet van 12 november
- Het eerste onderdeel van het tweede middel is alleen ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen artikel 18 van het decreet van 12 november
- B.
- De verzoekende partij zet niet uiteen in welke zin artikel 18 van het decreet van 12 november 2021 artikel 2, 37), van de richtlijn 2000/60/EG en artikel 2, 1), van de richtlijn (EU) 2020/2184 zou schenden. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.26.
- De Waalse Regering voert aan dat het eerste onderdeel van het tweede middel vaag is, in zoverre de verzoekende partij de uitbatingsvoorwaarden waarvan de uitbaters van steengroeven zouden zijn vrijgesteld, niet identificeert. B.26.
- Uit de memories van de Waalse Regering vloeit voort dat zij op gepaste wijze heeft kunnen antwoorden op de grieven die de verzoekende partij in dat onderdeel van het middel heeft geformuleerd. B.26.
- De exceptie wordt verworpen. 35 B.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het Hof artikel 18 van het decreet van 12 november 2021 moet toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat wordt gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.28.
- De Waalse Regering voert aan dat de uitbaters van steengroeven die verwerkbaar bemalingswater winnen en voor wie de vergunning voor de winning van water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, verleend vóór de inwerkingtreding van het decreet van 12 november 2021, geldt als een vergunning voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, niet vergelijkbaar zijn met de andere personen die water winnen dat verwerkbaar zou zijn en die houder zijn van een vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie. De Waalse Regering onderstreept dat de vroegere administratieve praktijk volgens welke elk bemalingswater werd gekwalificeerd als water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, alleen betrekking had op de uitbaters van steengroeven. B.28.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Het verschil waarnaar de Waalse Regering verwijst, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.
- Het onderzochte verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit dat de vergunning voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie, verleend vóór de inwerkingtreding van het decreet van 12 november 2021, al dan niet betrekking heeft op de winning van bemalingswater waarvan de afgenomen hoeveelheden water helemaal of gedeeltelijk worden verwerkt om te worden verdeeld door het openbaar waterdistributienet. B.30.
- Dat criterium van onderscheid is eveneens relevant in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel. 36 Uit de in B.2.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt immers dat de bestreden bepaling de rechtsonzekerheid beoogt weg te werken die, naar aanleiding van de rechtspraak van de Raad van State waarbij de vroegere administratieve praktijk volgens welke elk bemalingswater werd gekwalificeerd als water dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet is bestemd voor menselijke consumptie in het geding werd gebracht, de projecten inzake de verwerking van bemalingswater kon aantasten. B.30.
- De uitbater van een steengroeve wiens vergunning voortaan, sinds de inwerkingtreding van artikel 18 van het decreet van 12 november 2021, namelijk op 1 januari 2022, betrekking heeft op de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, is in principe vanaf die datum onderworpen aan alle verplichtingen verbonden aan de hoedanigheid van houder van een dergelijke vergunning. De sectorale voorwaarden zijn identiek voor de installaties voor de winning van grondwater dat tot drinkwater verwerkbaar is of bestemd is voor menselijke consumptie, en voor de installaties voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is en niet bestemd is voor menselijke consumptie (besluit van de Waalse Regering van 12 februari 2009 « tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor de winning van tot [drinkwater] verwerkbaar grondwater of voor menselijke consumptie bestemd en betreffende de installaties voor de winning van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar of niet voor menselijke consumptie bestemd is en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning »). Wat betreft de indiening van een dossier inzake de afbakening van een voorkomingsgebied voorziet artikel 18, § 2, van het decreet van 12 november 2021 in een termijn van 36 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het decreet teneinde zich in overeenstemming te brengen. Uit de in B.2.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de betrokken uitbaters aldus beschikken « over een termijn om zich in overeenstemming te brengen teneinde hen in staat te stellen een aanvraag in te dienen voor de afbakening van een voorkomingsgebied waarbij de procedure wordt gevolgd die is bepaald in de artikelen R.157 tot R.163 van het Waterwetboek zoals vastgelegd door de Regering op grond van artikel D.172 van hetzelfde Wetboek », « met dien verstande dat, wanneer een nieuwe aanvraag of een aanvraag tot hernieuwing van die vergunningen wordt ingediend vóór die datum, de uitbater van een 37 steengroeve ertoe gehouden zal zijn de project-afbakening van het voorkomingsgebied in het kader van die aanvraag op te stellen en in te dienen » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 7). Tijdens de besprekingen in de commissie heeft de bevoegde minister gepreciseerd dat de termijn van 36 maanden « de termijn is die vereist is om een grondige hydrogeologische studie uit te voeren » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/3, p. 5). Wat betreft de naleving, binnen de toegestane extractieperimeter, van de beschermingsmaatregelen genomen op grond van artikel D.173 van het Waterwetboek, voorziet artikel 18, § 3, van het decreet van 12 november 2021 in een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het decreet om zich in overeenstemming te brengen. Uit de in B.2.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat een en ander betrekking heeft op de naleving van « alle beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel R.173 van het Waterwetboek binnen door de vergunning de toegestane extractieperimeter teneinde elke verslechtering van de hulpbron te voorkomen », waarbij die bepaling voorziet in « beschermingsmaatregelen die van toepassing zijn in het winningsgebied van grondwater in een actieve steengroeve, of wanneer de steengroeve actief is en zich in een voorkomingsgebied bevindt » (Parl. St., Waals Parlement, 2021-2022, nr. 684/1, p. 7). Tijdens de besprekingen in de commissie heeft de bevoegde minister gepreciseerd dat dit « de beschermingsmaatregelen binnen de steengroeve betreft, namelijk de kleine werkzaamheden waarin moet worden voorzien in de steengroeve, alsook de externe afvoer van afvalwater » (