id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.104 Arrest- Rolnummer: 104/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-07-10 Raadplegingen: 976 - laatst gezien 2026-06-18 20:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
- Geen schending (artikelen 182, eerste lid, en 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007)
- Schending (artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, in samenhang gelezen met artikel 100 van het Strafwetboek, in zoverre het van toepassing is op de weigering of het verzuim zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat, genomen met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, dringende maatregelen inhoudt om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van de misdrijven die het invoert, niet toestaat om rekening te houden met verzachtende omstandigheden ten aanzien van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt)
- Geen schending (artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, in zoverre het de persoon die verzuimt zich te gedragen naar de ministeriële maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn genomen, op dezelfde wijze behandelt als de persoon die weigert zich naar die maatregelen te gedragen)
- De derde prejudiciële vraag is onontvankelijk Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid », gesteld door de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel. Civiele veiligheid - Dreigende omstandigheden - Bescherming van de bevolking - Maatregelen ter bestrijding van de verspreiding van COVID-19 -
- Machtiging aan de minister -
- Vervolgingen en sancties - Verzachtende omstandigheden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 104/2023 van 29 juni 2023 Rolnummer : 7798 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid », gesteld door de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 27 april 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 mei 2022, heeft de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Vraag nr. 1 Schenden de artikelen 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid al dan niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en met de algemene beginselen van wettigheid en van rechtszekerheid, alsook met : - de artikelen 12, eerste lid, 15, 16, 22 en 26 van de Grondwet; - de artikelen 5, 8 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; - artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag; - artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij het Verdrag; - de artikelen 9, 12, 17 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 2 in zoverre zij het geheel of minstens een of meerdere van de volgende elementen onvoldoende verduidelijken : - het begrip ‘ dreigende omstandigheden ’; - het begrip ‘ bescherming van de bevolking ’ of het soort van maatregelen die bestemd zijn om dat doel te bereiken; - de nadere regels volgens welke de minister, zijn gemachtigde of de burgemeester de bevolking kunnen verplichten ‘ zich te verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn ’; haar ‘ een voorlopige verblijfplaats [kunnen] aanwijzen ’, en ‘ iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking [kunnen] verbieden ’ ? - Vraag nr. 2 Schendt artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van het persoonlijke karakter, van individualisering en van evenredigheid van de straffen, in zoverre het, enerzijds, de weigering en, anderzijds, het verzuim zich te gedragen naar de op grond van de artikelen 181 en 182 van de wet genomen maatregelen bestraft met dezelfde straffen zonder enig onderscheid ? Schendt artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (eventueel onderzocht in combinatie met artikel 13 van de wet van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en de artikelen 138 en 140 van het Wetboek van strafvordering) al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van het persoonlijke karakter, van individualisering en van evenredigheid van de straffen, in zoverre het de strafrechter niet de mogelijkheid biedt om de in die bepaling bedoelde geldboete en gevangenisstraf te matigen wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan ? - Vraag nr. 3 Schendt artikel 182, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid dat voorziet in strafrechtelijke sancties, al dan niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook met de algemene beginselen van de scheiding der machten, van de rechtsstaat, van wettigheid en van rechtszekerheid, in samenhang gelezen met : - de artikelen 12, eerste lid, 15, 16, 22 en 26 van de Grondwet; - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; - de artikelen 5, 6, 8, 11 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; - artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag; - artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij het Verdrag; 3 - de artikelen 9, 12, 14, 17, 21 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de minister van Binnenlandse Zaken ertoe zou machtigen aan elke persoon ouder dan twaalf jaar de verplichting op te leggen om de mond en de neus met een mondkapje of met elk ander stoffen alternatief te bedekken vanaf de binnenkomst in de luchthaven, het station, op het perron of aan een halte, in de bus, de (pre)metro, de tram, de trein of elk ander vervoermiddel dat door een overheid wordt georganiseerd ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. C. Dupret Torres, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 26 april 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 mei 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 mei 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een persoon wordt vervolgd voor de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel voor feiten die op 20 september 2020 werden gepleegd. Er wordt hem verweten een personeelslid van de NMBS te hebben beledigd, door hem in het gezicht te spuwen, in het station van de luchthaven van Zaventem en, naar aanleiding daarvan, de verplichting tot het dragen van een mondmasker waarin bij artikel 16, tweede lid, van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken » (hierna : het ministerieel besluit van 30 juni 2020) is voorzien, te hebben geschonden. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat het voormelde ministerieel besluit met name werd genomen ter uitvoering van de artikelen 181, 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007). Aangezien het verwijzende rechtscollege zich vragen stelt over de grondwettigheid van die bepalingen van de wet van 15 mei 2007, houdt het de uitspraak aan en stelt het de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
- De Ministerraad is van mening dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Ten aanzien van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, is de in de in het geding zijnde bepalingen opgenomen delegatie immers voldoende nauwkeurig, rekening houdend met de uitzonderlijke context waarin die bepalingen van toepassing zijn. Bovendien regelen die bepalingen op een adequate wijze de essentiële elementen van de strafbaarstelling en de sancties die eraan verbonden zijn. Die bepalingen geven
(1)het doel van de maatregel, namelijk de bescherming van de bevolking in geval van dreigende omstandigheden,
(2)de essentie van de strafbare gedragingen, namelijk de weigering of het verzuim zich te gedragen naar de door de minister opgelegde maatregelen, en
(3)de minimum- en maximumstraffen aan. In de uitzonderlijke context van een crisis is het moeilijk om nog nauwkeuriger te zijn. De nodige maatregelen hangen af van het concrete incident en van de betrokken ramp. A.1.
- De Ministerraad voert aan dat de wet niet elke concrete maatregel dient te bepalen. Dat zou niet alleen een onmogelijke taak zijn, maar het zou ook contraproductief zijn omdat de Staat dan de mogelijkheid zou worden ontzegd om snel en met de nodige flexibiliteit inzake ordehandhaving op te treden. A.1.
- Vervolgens merkt de Ministerraad op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State niet de aan de minister verleende machtiging heeft bekritiseerd. Integendeel, zij heeft reeds erkend dat een wet een rechtstreekse machtiging aan een minister kan verlenen, wanneer objectieve redenen voorhanden zijn die een dringend optreden van de uitvoerende macht vereisen. Dat is te dezen ontegensprekelijk het geval. Bovendien vloeien de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken inzake bestuurlijke politie voort uit verschillende juridische instrumenten, die in de loop der jaren werden ingevoerd. De wetgever is dus logischerwijze de minister van Binnenlandse Zaken blijven aanwijzen als de bevoegde autoriteit inzake civiele veiligheid om verwijderings-, evacuatie- en quarantainemaatregelen aan te nemen. A.1.
- Volgens de Ministerraad valt de aan de minister van Binnenlandse Zaken toegekende machtiging te verklaren door de doelstelling om in uitzonderlijke omstandigheden de openbare orde te handhaven, die met de in het geding zijnde bepalingen wordt nagestreefd. Hij herinnert eraan dat wanneer de wetgever een bevoegdheid delegeert, ervan dient te worden uitgegaan dat hij de overheid die hij aanwijst ertoe machtigt zijn bevoegdheid overeenkomstig de Grondwet en in naleving van de algemene beginselen van goed bestuur uit te oefenen. A.1.
- De Ministerraad besluit dat de in het geding zijnde bepalingen niet onbestaanbaar zijn met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag Wat betreft het eerste onderdeel A.2.
- Wat het eerste onderdeel van de tweede prejudiciële vraag betreft, zet de Ministerraad in hoofdorde uiteen dat dat onderdeel geen antwoord behoeft, enerzijds, omdat noch in de bewoordingen van die vraag, noch in de motieven van de verwijzingsbeslissingen de categorieën van personen worden geïdentificeerd wier situatie zou moeten worden onderzocht in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en, anderzijds, omdat die bewoordingen en die motieven het evenmin mogelijk maken te begrijpen in welk opzicht de in het geding zijnde wetsbepaling onbestaanbaar zou zijn met de internationale bepalingen en de in de prejudiciële vraag vermelde beginselen. A.2.
- In ondergeschikte orde zet de Ministerraad uiteen dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, omdat artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het de persoon die wordt vervolgd omdat hij heeft verzuimd zich te gedragen naar de 5 maatregelen die met toepassing van artikel 182 van dezelfde wet zijn genomen, op dezelfde wijze behandelt als die welke wordt vervolgd omdat hij heeft geweigerd zich naar die maatregelen te gedragen. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat geen enkele van de beoogde referentienormen verbiedt om een verzuim strafbaar te stellen of om onopzettelijke ongehoorzaamheid op dezelfde wijze te bestraffen als opzettelijke ongehoorzaamheid. Noch de afdeling wetgeving van de Raad van State, noch de Hoge Raad voor de Justitie hebben ook maar enige kritiek geuit over de regel die soortgelijk was aan die van artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 en die was vermeld in het voorontwerp van wet dat aan de oorsprong lag van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie ». Het schuldbestanddeel van de in artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 beschreven strafbaarstelling kan ten slotte worden afgeleid uit de loutere vaststelling dat de vervolgde persoon de met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet bevolen maatregelen niet heeft nageleefd. A.2.
- De Ministerraad is van mening dat de situatie van de persoon die opzettelijk inciviek gedrag stelt, ten aanzien van de wet van 15 mei 2007 niet wezenlijk verschilt van de situatie van de persoon wiens gebrek aan burgerzin voortvloeit uit een verzuim. Rekening houdend met het feit dat de maatregelen die met toepassing van artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 zijn bevolen, ertoe strekken de bevolking in geval van dreigende omstandigheden te beschermen, zijn de gevolgen van zulk een gebrek aan burgerzin dezelfde, ongeacht of dat laatste voortvloeit uit een opzettelijke handeling (dat wil zeggen egoïstisch gedrag) of uit een onopzettelijke handeling (dat wil zeggen onverschilligheid tegenover zijn medeburgers) : in beide gevallen wordt afbreuk gedaan aan het beleid van de evacuatie- of quarantainemaatregelen. A.2.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat het redelijk verantwoord en evenredig is om diegene die weigert zich naar de voormelde maatregelen te gedragen en diegene die verzuimt om zulks te doen, op dezelfde wijze te behandelen. Het legitieme doel van die gelijke behandeling bestaat erin de inachtneming te waarborgen van maatregelen van bijzondere politie die ertoe strekken chaos of onrust te vermijden bij dreigende omstandigheden die aanleiding geven tot een crisis. Het fundamentele doel van artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 bestaat erin het recht op leven en het recht op gezondheid te beschermen. De strafrechtelijke bestraffing is, door het ontradende effect ervan, het meest doeltreffende instrument om die grondrechten te beschermen, die in gevaar worden gebracht door omstandigheden die verantwoorden dat maatregelen worden genomen zoals bedoeld in artikel 182 van die wet. Ten slotte beschikt de rechtbank over verschillende instrumenten om rekening te houden met de aard en de ernst van het bestrafte gedrag wanneer zij moet beslissen over de hoogte van de op te leggen straf. De minimum- en maximumstraffen die artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 vaststelt, laten een grote beoordelingsbevoegdheid aan de rechter, waardoor hij onder meer rekening kan houden met de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn. De rechtbank kan ook een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf, en zelfs de opschorting van de uitspraak of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf overwegen. Wat betreft het tweede onderdeel A.3.
- De Ministerraad zet in hoofdorde uiteen dat het tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. A.3.
- Hij merkt in de eerste plaats op dat noch de bewoordingen van dat onderdeel, noch de motieven van het verwijzingsvonnis het mogelijk maken om de categorieën van personen die verschillend zouden worden behandeld door de wet, nauwkeurig en met zekerheid te identificeren. Hij merkt ook op dat de motieven van het verwijzingsvonnis het evenmin mogelijk maken te begrijpen in welk opzicht de in het geding zijnde wetsbepaling de andere in de vraag vermelde referentienormen zou schenden. A.3.
- De Ministerraad voert in de tweede plaats aan dat de prejudiciële vraag op een onjuiste premisse steunt, omdat het bekritiseerde verschil in behandeling niet voortvloeit uit de in die vraag vermelde wetsbepaling, maar in werkelijkheid voortvloeit uit artikel 100 van het Strafwetboek, volgens hetwelk artikel 85 van het Strafwetboek, waardoor rekening kan worden gehouden met verzachtende omstandigheden, in principe niet van toepassing is op de bijzondere strafwetten. Indien de prejudiciële vraag in die zin moet worden begrepen dat zij betrekking heeft op de ontstentenis van een uitzondering op dat beginsel, is het evenwel noodzakelijk om de 6 draagwijdte van die vraag uit te breiden tot die wetsbepaling, hetgeen de partijen niet kunnen doen, en hetgeen te dezen het tegensprekelijke karakter van de rechtspleging in gevaar zou brengen. A.3.
- In ondergeschikte orde zet de Ministerraad uiteen dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. A.3.
- De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de persoon die weigert of verzuimt zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 is genomen en dat dringende maatregelen bevat om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken en, anderzijds, de persoon die een in het Strafwetboek omschreven misdrijf pleegt, redelijk verantwoord is. Door de bevoegdheid van de rechter om rekening te houden met eventuele verzachtende omstandigheden voor de andere misdrijven dan die welke in het Strafwetboek worden omschreven, in beginsel te weren, wensten de opstellers van artikel 100 van het Strafwetboek immers te vermijden dat de daadwerkelijke bestraffing van de in de andere strafwetten omschreven misdrijven in gevaar werd gebracht. Enkel in geval van een kennelijk onredelijke maatregel acht het Hof zich bevoegd om het door de wetgevende macht gevoerde repressieve beleid in het geding te brengen, en in het bijzonder haar beslissing om elke beoordelingsbevoegdheid aan de rechter te ontnemen. Rekening houdend met het bij artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 nagestreefde doel, namelijk de bescherming van de veiligheid en van de gezondheid van de bevolking, is de beslissing om de bevoegde rechter niet ertoe te machtigen om verzachtende omstandigheden aan te nemen ten voordele van de persoon die het in die wetsbepaling omschreven misdrijf pleegt, niet kennelijk onredelijk. Bovendien schendt die bepaling artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet. Ten slotte maken de straffen onder elektronisch toezicht, de werkstraffen en de autonome probatiestraffen, bedoeld in het Strafwetboek, alsook de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen, bedoeld in de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie », het de bevoegde rechtbank mogelijk de in artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde sancties te verzachten. A.3.
- De Ministerraad merkt in de tweede plaats op dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die weigeren of verzuimen zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 is genomen en dat dringende maatregelen bevat om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken en, anderzijds, de personen die een in artikel 138 van het Wetboek van strafvordering bedoeld misdrijf plegen, feitelijke grondslag mist of, minstens, redelijk verantwoord is. Immers, sedert de inwerkingtreding van artikel 13 van de wet van 20 mei 2020, heeft artikel 138, 15°, van het Wetboek van strafvordering, waarbij aan de politierechtbank de bevoegdheid wordt verleend om kennis te nemen van de « wanbedrijven waarvan de kennisneming [haar] door een bijzondere bepaling is opgedragen », ook betrekking op de personen die tot de voormelde eerste categorie behoren. Die personen bevinden zich in precies dezelfde situatie als de daders van bepaalde wanbedrijven, bedoeld in artikel 138, 3° en 6°, van het Wetboek van strafvordering, wat betreft het verbod voor de politierechtbank om verzachtende omstandigheden te aanvaarden. De vergelijking mist dus feitelijke grondslag. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.4.
- In hoofdorde zet de Ministerraad uiteen dat de derde prejudiciële vraag onontvankelijk is omdat het Hof niet bevoegd is om ze te beantwoorden. Die vraag heeft immers niet betrekking op de grondwettigheid van de in het geding zijnde wetsbepalingen, maar op de geldigheid van de toepassing ervan op de voor het verwijzende rechtscollege hangende procedure. A.4.
- In ondergeschikte orde zet de Ministerraad uiteen dat de derde prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, in zoverre zij ertoe strekt het Hof te ondervragen over de omvang van de bevoegdheid die artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 aan de minister toekent. Overigens is geen van de grondrechten die in de derde prejudiciële vraag worden beoogd, absoluut. Artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 vormt de wettelijke grondslag van de beperkingen die de minister kan aanbrengen in de individuele vrijheid, in het recht op de onschendbaarheid van de woning, in het eigendomsrecht, 7 in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en in de vrijheid van vergadering. Hij brengt ook in herinnering dat die bepaling de essentiële elementen van de machtiging aan de minister heeft vastgesteld en dat die machtiging daarin voldoende nauwkeurig werd omschreven. A.4.
- De Ministerraad merkt op dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de aan de minister van Binnenlandse Zaken verleende bevoegdheid om iedere persoon van minstens twaalf jaar te verplichten een mondmasker of een vergelijkbaar hulpmiddel te dragen. A.4.4.
- In ondergeschikte orde dient te worden vastgesteld dat een dergelijke maatregel immers tot de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken behoort. Het dragen van een mondmasker is een gezondheidsmaatregel die steunt op de artikelen 11 en 42 van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt », op artikel 4 van de wet van 31 december 1963 « betreffende de civiele bescherming » en op de artikelen 181, 182 en 187 van de wet van 15 mei
- Het gaat om een maatregel van plaatsverbod of verplaatsingsverbod tenzij bepaalde regels die ertoe strekken de bevolking in dreigende omstandigheden te beschermen in acht worden genomen. A.4.4.
- De Ministerraad doet overigens gelden dat, in zoverre de maatregel van het dragen van een mondmasker van toepassing is bij gebruik van het openbaar vervoer, de vraag kan worden gesteld of de grenzen van de federale bevoegdheden inzake gezondheidspolitie, civiele bescherming en civiele veiligheid in acht worden genomen. De afdeling wetgeving van de Raad van State gaf in dat verband aan dat gezondheidsmaatregelen die een aanzienlijke weerslag hebben op bevoegdheidsdomeinen van de gemeenschappen of de gewesten, onder de federale bevoegdheid vallen indien het belangrijkste aspect van die maatregelen betrekking heeft op de gezondheidspolitie, de civiele bescherming of de civiele veiligheid. Vervolgens moet aan drie voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet het evenredigheidsbeginsel worden gewaarborgd. Dat is te dezen het geval vermits het dragen van een mondmasker een wetenschappelijk onderbouwde maatregel is die past in een gefaseerde benadering, waarbij het de bedoeling is de eerdere aan de bevolking opgelegde maatregelen geleidelijk in te trekken. Ten tweede moet er overleg zijn met de deelentiteiten. Aan die voorwaarde is te dezen voldaan. Ten derde vereist de voorwaarde met betrekking tot de inachtneming van de grenzen van de federale bevoegdheden inzake gezondheidspolitie, civiele bescherming en civiele veiligheid dat de maatregel een gezondheidsaspect vertoont. Dat is te dezen eveneens het geval. A.4.4.
- De Ministerraad merkt vervolgens op dat artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 de wettelijke grondslag vormt van de beperkingen die de minister kan aanbrengen in de individuele vrijheid, in het recht op de onschendbaarheid van de woning, in het eigendomsrecht, in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en in de vrijheid van vergadering. Ter herinnering : die bepaling heeft de essentiële elementen van de aan de minister verleende machtiging vastgesteld en heeft die machtiging voldoende nauwkeurig omschreven. De Ministerraad beklemtoont vervolgens de legitimiteit van het doel van bescherming van de volksgezondheid, dat met artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 wordt nagestreefd. Het recht op bescherming van de gezondheid, erkend bij artikel 23 van de Grondwet, en het recht op leven, erkend in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, verplichten de overheden om dat doel na te streven. A.4.4.
- De Ministerraad voert ten slotte aan dat de bevoegdheid die bij artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 aan de minister wordt verleend, noodzakelijk en evenredig is. Het feit dat maatregelen die ter uitvoering van die bepaling zijn genomen, grondrechten beperken, brengt op zich geen schending van die rechten met zich mee. De ruime bevoegdheden van bestuurlijke politie die aan de minister van Binnenlandse Zaken worden toegewezen, strekken ertoe het evenwicht tussen eenieders rechten en de gemeenschappelijke veiligheid te waarborgen en dragen bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden. Bovendien is de handhaving van de orde in uitzonderlijke omstandigheden een doel dat de toewijzing, aan de minister, van de bevoegdheid om een mondmaskerplicht op te leggen, verantwoordt. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de afdeling wetgeving van de Raad van State vereisen overigens niet dat de wet waarbij bevoegdheden inzake ordehandhaving worden toegewezen aan een administratieve overheid die maatregelen dient te nemen in geval van een gezondheidscrisis, alle mogelijke situaties van onrust en alle voor het herstel van de orde nuttige maatregelen, omvat. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.
- In uiterst ondergeschikte orde, in het geval dat het Hof een schending zou vaststellen, verzoekt de Ministerraad het Hof om de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen te handhaven totdat het arrest is 8 gewezen. Een dergelijke vaststelling zou immers leiden tot een aanzienlijke rechtsonzekerheid, meer bepaald gelet op de talrijke inbreuken die door het parket werden geregistreerd en de talrijke zaken waarvoor een onderzoek loopt. De Belgische Staat heeft overigens de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » als antwoord op de wettigheidskritiek met betrekking tot de in het geding zijnde bepalingen. De bepalingen van die wet staan de Koning toe maatregelen te nemen die vergelijkbaar zijn met die welke in het geschil voor het verwijzende rechtscollege worden toegepast. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.1.
- De artikelen 181 en 182 van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » (hierna : de wet van 15 mei 2007) vormen titel XI van die wet (« Opvordering en evacuatie »). B.1.
- Bij artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 wordt aan de minister van Binnenlandse Zaken, aan zijn gemachtigde en aan de burgemeester een bevoegdheid inzake bestuurlijke politie verleend teneinde de bescherming van de bevolking te verzekeren in geval van dreigende omstandigheden. Zoals gewijzigd bij artikel 110 van de wet van 21 december 2013 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken » (hierna : de wet van 21 december 2013), bepaalt artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 : « De minister of zijn gemachtigde kan in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn, en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden. Dezelfde bevoegdheid wordt toegekend aan de burgemeester ». B.1.
- Artikel 187 van de wet van 15 mei 2007, dat titel XIII (« Strafbepalingen ») vormt, bepaalt : « Weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikelen 181, § 1 en 182 zijn bevolen, wordt in vredestijd gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro, of met één van die straffen alleen. 9 In oorlogstijd of in daarmede gelijkgestelde perioden wordt weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 185 zijn bevolen gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot zes maanden en met geldboete van vijfhonderd euro tot duizend euro, of met één van de straffen alleen. De minister of, in voorkomend geval, de burgemeester of de zonecommandant, kan bovendien de genoemde maatregelen ambtshalve doen uitvoeren, op kosten van de weerspannige of in gebreke gebleven personen ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 182, eerste lid, en 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, eerste lid, 15, 16, 22 en 26 van de Grondwet, met de artikelen 5, 7, 8 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag en met de artikelen 9, 12, 15, 17 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre, enerzijds, de begrippen « dreigende omstandigheden » en « bescherming van de bevolking » die in artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 worden gebruikt om de contouren van de aan de minister verleende machtiging te bepalen, onduidelijk zouden zijn, en, anderzijds, de in het geding zijnde bepalingen niet de modaliteiten zouden regelen van de beslissingen die de minister, zijn gemachtigde of de burgemeester vermogen te nemen. B.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». 10 Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». B.4.
- Bij artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 worden de « weigering » of het « verzuim » zich in vredestijd te gedragen naar de « maatregelen » die met toepassing van artikel 182 van die wet door de bevoegde minister of zijn gemachtigde zijn « bevolen », strafbaar gesteld. De niet-naleving van de bevolen maatregelen wordt bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 500 euro, of met een van die straffen alleen. B.4.
- Aangezien de straffen zijn vastgelegd in een wetsbepaling, is artikel 14 van de Grondwet dat het beginsel van de wettigheid van de straffen vaststelt, niet geschonden. B.5.
- In zoverre zij vereisen dat elk strafbaar feit bij een voldoende duidelijke, voorzienbare en toegankelijke norm moet worden bepaald, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De door die bepalingen geboden waarborgen, die het inhoudelijke aspect van het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen betreffen, vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel. B.5.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan 11 elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling en internationale bepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.5.
- Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan een andere overheid is niet in strijd met dat beginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. 12 B.6.
- Op grond van artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 kan de bevoegde minister, zijn gemachtigde of de burgemeester, in geval van « dreigende omstandigheden » en « ter verzekering van [de] bescherming [van de bevolking] » : - de bevolking verplichten « zich te verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn »; - « degenen die bij [die verplichting tot verwijdering] betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen »; en - « om dezelfde reden […] iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden ». Daarenboven omvat de « civiele veiligheid » in de zin van de wet van 15 mei 2007 « alle civiele maatregelen en middelen nodig voor het volbrengen van de opdrachten vermeld in de wet om te allen tijde personen en hun goederen en leefomgeving ter hulp te komen en te beschermen » (artikel 3, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007). B.6.
- Om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 dat aan de oorsprong van de COVID-19-pandemie ligt, op het Belgische grondgebied te beperken, heeft de minister van Binnenlandse Zaken een reeks ministeriële besluiten genomen die onder meer op artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 zijn gebaseerd. B.6.
- Het verwijzende rechtscollege wordt ertoe gebracht het ministerieel besluit van 30 juni 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken » (hierna : het ministerieel besluit van 30 juni 2020), zoals gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 10 juli 2020, 14 juli 2020, 28 juli 2020 en 22 augustus 2020, toe te passen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het geding zijnde inbreuk met name betrekking heeft op het niet hebben gedragen van een mondmasker in een station in een pandemische context, hetgeen een inbreuk vormt op de verplichting om een dergelijk mondmasker of elk ander alternatief in stof te dragen, die rust op elke persoon die minstens twaalf jaar oud is, vanaf het betreden van een luchthaven, een station, op een perron of aan een halte, in een bus, een 13 (pre)metro, een tram, een trein of elk ander vervoersmiddel dat door een openbare overheid wordt georganiseerd (artikel 16 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020). B.7.
- Bij een arrest van 28 september 2021 (P.21.1129.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 een wettelijke grondslag vormt voor de artikelen 5 en 8 van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken » : « Het verbod tot samenscholingen en het verbod om zich onnodig op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, zoals omschreven in de artikelen 5 en 8 MB 23 maart 2020, beogen de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden. Die maatregelen strekken er dan ook toe te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid. Die bepaling biedt bijgevolg een rechtsgrond voor het in de artikelen 5 en 8 MB 23 maart 2020 bepaalde samenscholings- en verplaatsingsverbod ». Bij een arrest van 10 november 2021 (P.21.0931.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3) heeft het Hof van Cassatie gepreciseerd : « De wet strekt ertoe de bescherming van de bevolking te verzekeren wanneer die wordt bedreigd door rampen of noodlottige situaties, ongeacht de aard van de aldus beoogde rampspoed. Een noodsituatie die voortvloeit uit een epidemie of een pandemie die mogelijk levensbedreigend is voor de gehele bevolking, zoals de COVID-19-coronaviruspandemie, moet worden geacht een ramp of een noodlottige situatie uit te maken die kan leiden tot een situatie waarbij personen worden bedreigd. Bijgevolg kan die pandemie verantwoorden dat maatregelen worden genomen met toepassing van het voormelde artikel 182, eerste lid. De bewoordingen van de tenlasteleggingen, namelijk het samenscholingsverbod en het verbod om zich zonder reden op de openbare weg te bevinden, zijn wellicht niet letterlijk terug te vinden in de beschrijving van de maatregelen tot opvordering en evacuatie van de bevolking die bij de wet aan de minister zijn toevertrouwd. Aangezien zij geen andere doeleinden hebben dan te vermijden dat een rampzalig virus zich verspreidt, en zulks door de contacten tussen personen te beperken teneinde het aan de pandemie verbonden besmettingsrisico te verminderen, vallen de bij de vervolging beoogde verbodsbepalingen echter onder de ministeriële bevoegdheid om verbodsbepalingen op te leggen of bevelen te geven aan de bevolking wanneer het, ingevolge een ramp of een 14 noodlottige situatie en teneinde de civiele veiligheid van de burgers te beschermen, noodzakelijk is hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid worden bedreigd of hun te verbieden zich te verplaatsen. Dergelijke maatregelen beantwoorden derhalve aan het voorschrift van artikel 182 van de wet dat het mogelijk maakt de bevolking te verbieden zich te begeven naar plaatsen die in het bijzonder blootgesteld zijn aan gevaar » (eigen vertaling). B.7.
- Bij het arrest nr. 248.818 van 30 oktober 2020, dat in algemene vergadering is gewezen, heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in verband met een ministerieel besluit van 18 oktober 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken » dat een maatregel omvat tot sluiting van de inrichtingen die behoren tot de horecasector en andere eet- en drankgelegenheden, geoordeeld : « De opgelegde sluiting lijkt, zonder dat het ernstig kan worden betwist - en dat is ook het enige doel van de maatregel tot sluiting - de civiele veiligheid en dus de bescherming van de bevolking te dienen. De maatregel brengt immers, omgekeerd, mee dat burgers deze plaatsen of inrichtingen (restaurants en cafés) niet mogen of kunnen betreden behoudens, en strikt daartoe beperkt, voor de toegelaten activiteit (afhaalmaaltijden), die door de aard ervan kortstondig is, en bovendien slechts met inachtneming van de in hoofdstuk 9 van het bestreden besluit vervatte bepalingen betreffende de individuele verantwoordelijkheden van eenieder (artikelen 26 tot 28 van het bestreden besluit). In die zin lijkt in de opgelegde sluiting een verplaatsingsverbod te kunnen worden gezien in de zin van artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 krachtens hetwelk de minister in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, kan verplichten zich te verwijderen van plaatsen, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en zelfs, wat het geval is bij een (gehele) lockdown, om dezelfde reden iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking kan verbieden » (RvSt, algemene vergadering, nr. 248.818 van 30 oktober 2020). B.8.
- Artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 verleent aan de bevoegde minister, aan zijn gemachtigde of aan de burgemeester een ruime bevoegdheid om maatregelen van bestuurlijke politie inzake civiele veiligheid te nemen, wanneer aan de bij die bepaling vastgestelde voorwaarden wordt voldaan. B.8.
- De termen « dreigende omstandigheden » en « bescherming van de bevolking » die in artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 worden gebruikt, verlenen met name aan de minister een ruime machtiging. Die bepaling maakt het hem mogelijk de gepaste maatregelen van bestuurlijke politie te nemen in veelal dringende omstandigheden ter vrijwaring van de civiele veiligheid. Die doelstelling bestaat reeds geruime tijd. Zo bepaalt artikel 1 van de wet van 31 december 1963 « betreffende de civiele bescherming » dat de civiele bescherming alle civiele maatregelen en middelen omvat die moeten dienen om de bescherming en het 15 voortbestaan van de bevolking te verzekeren, en om 's lands patrimonium te vrijwaren in geval van gewapend conflict. Die bepaling beoogt ook, wat te dezen van belang is, bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen, te allen tijde personen bij te staan en goederen te beschermen. Al sinds lang is de minister van Binnenlandse Zaken belast met de coördinatie van dat beleid. Zo bepaalt artikel 4 van de wet van 31 december 1963 dat die minister de middelen organiseert en de maatregelen uitlokt welke voor geheel 's lands grondgebied nodig zijn voor de civiele bescherming. Hij coördineert de voorbereiding en de toepassing van die maatregelen zowel bij de verschillende ministeriële departementen als bij de openbare lichamen. Aangezien het gaat om risico- en noodsituaties van velerlei aard welke niet op exhaustieve wijze en in detail door de wetgever kunnen worden omschreven, vermocht de wetgever bewust ruime bewoordingen te kiezen teneinde gepast op te kunnen treden ten aanzien van die risico’s. Uitzonderlijk kan een rechtstreekse machtiging aan de minister of zijn gemachtigde worden verantwoord indien, zoals te dezen, objectieve redenen voorhanden zijn die een dringend optreden van de uitvoerende macht vereisen, in zoverre elk uitstel de bestaande risico- of noodsituatie kan verergeren (zie RvSt, advies nr. 68.936/AV van 7 april 2021, punten 58-67). De door de wetgever gegeven machtiging is evenwel niet onbeperkt. De te nemen maatregelen dienen immers, rekening houdend met alle omstandigheden, waaronder de dringendheid van het optreden, de mate van kennis van het risico en van de geschiktheid van de maatregelen die kunnen genomen worden, in redelijkheid te worden afgestemd op de aard, de omvang en de vermoedelijke duurtijd van de omstandigheden die de bevolking bedreigen. Teneinde de doeltreffendheid van de maatregelen te waarborgen, behoort het ook tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever te beslissen of een inbreuk op de maatregelen van bestuurlijke politie die op grond van artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 zijn genomen, moet worden bestraft en, in voorkomend geval, of het opportuun is om voor strafsancties sensu stricto of voor administratieve sancties te opteren. B.8.
- Rekening houdend met de hiervoor beschreven doelstelling, met de voortdurende evolutie van de omstandigheden, met de onzekerheden die daarmee verbonden zijn, en met de techniciteit van de te nemen maatregelen stellen de voormelde artikelen 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 de grenzen van het optreden van de uitvoerende macht in voldoende mate vast. Artikel 187 bepaalt ook de essentiële elementen van de strafbaarstelling, die bestaat in de 16 weigering of het verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 182 zijn bevolen. De lezing van die wetsbepalingen in samenhang met de ter uitvoering ervan genomen ministeriële besluiten, maakt het, in zoverre die ministeriële besluiten in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen zijn gesteld - wat ter beoordeling staat van de bevoegde rechter -, mogelijk vast te stellen welk gedrag strafbaar wordt gesteld en welk gedrag niet. B.8.
- Aangezien de wetgever zelf het doel heeft gepreciseerd van de bestreden machtiging en de grenzen waarbinnen zij is verleend, alsook de strafbaar geachte gedraging, zijn de essentiële elementen van de strafbaarstelling bij de wet vastgesteld, zodat is tegemoetgekomen aan het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. Bovendien kunnen de door de minister genomen maatregelen worden betwist voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en voor de gewone rechter, die zullen oordelen of zij beantwoorden aan het materieel wettigheidsbeginsel, het legitimiteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. B.9.
- Artikel 12, eerste lid, van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van de persoon is gewaarborgd ». B.9.
- Artikel 15 van de Grondwet bepaalt : « De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». B.9.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Bij die bepaling wordt aan de wetgevende macht de bevoegdheid toegewezen om de gevallen waarin en de wijze waarop een onteigening kan plaatsvinden te bepalen. Zij verbiedt 17 haar evenwel niet om een orgaan van de uitvoerende macht ertoe te machtigen die gevallen en die wijze te regelen, voor zover die machtiging voldoende nauwkeurige aanwijzingen bevat. B.9.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Bij die bepaling wordt aan de wetgevende macht de bevoegdheid toegewezen om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Zij verbiedt haar evenwel niet om een orgaan van de uitvoerende macht ertoe te machtigen die gevallen en die voorwaarden te regelen, voor zover zij die machtiging in voldoende nauwkeurige bewoordingen omschrijft en die machtiging betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan zij de essentiële elementen voorafgaandelijk heeft vastgesteld. B.9.
- Artikel 26 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen, mits zij zich gedragen naar de wetten, die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen zonder het echter aan een voorafgaand verlof te onderwerpen. Deze bepaling is niet van toepassing op bijeenkomsten in de open lucht, die ten volle aan de politiewetten onderworpen blijven ». B.
- Bij de artikelen 5, 7, 8 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag en de artikelen 9, 12, 15, 17 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten wordt geen enkele bevoegdheid voorbehouden aan de wetgevende macht. B.
- Voor zover artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 de minister ertoe machtigt maatregelen te nemen die de rechten en vrijheden beperken die bij de in B.9.1 tot B.10 vermelde grondwettelijke en internationale bepalingen zijn erkend, maakt de gecombineerde 18 lezing ervan met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet het niet mogelijk te oordelen dat de aan de minister verleende machtiging bij artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, buitensporig is om de redenen die zijn vermeld in B.8.1 tot B.8.
- B.
- De artikelen 182, eerste lid, en 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 zijn bestaanbaar met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in B.2 vermelde grondwets- en internationale bepalingen. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die wetsbepaling de correctionele rechtbank die, wegens de regels van de samenhang, bevoegd is om kennis te nemen van de misdrijven die bij die bepaling worden ingevoerd, niet ertoe machtigt rekening te houden met verzachtende omstandigheden waardoor hij de persoon die heeft geweigerd of verzuimd zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn bevolen, zou kunnen veroordelen tot een geldboete of tot een gevangenisstraf die minder zwaar is dan de bij de in het geding zijnde wetsbepaling vastgestelde minimumstraffen. B.14.
- Het Strafwetboek bestaat uit twee boeken. Het eerste (« De misdrijven en de bestraffing in het algemeen ») vermeldt een groot aantal algemene regels, die in beginsel van toepassing zijn op alle in de strafwetten omschreven misdrijven (Cass., 26 oktober 2010, P.09.1627.N, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.7). Die algemene regels zijn dus in beginsel onder meer van toepassing op de talrijke misdrijven die worden omschreven in boek II van het Strafwetboek (« De misdrijven en hun bestraffing in het bijzonder »). B.14.
- De artikelen 85 en 100 van het Strafwetboek maken deel uit van het eerste boek van dat Wetboek. B.14.
- Artikel 85, eerste lid, van dat Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 17 april 2002 « tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken », en vervolgens gewijzigd bij artikel 55 van de wet van 5 februari 2016 « tot 19 wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie », bepaalt : « Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kunnen de gevangenisstraffen, de straffen onder elektronisch toezicht, de werkstraffen, de autonome probatiestraffen en de geldboeten respectievelijk tot beneden acht dagen, een maand, vijfenveertig uren, twaalf maanden en zesentwintig euro worden verminderd, zonder dat zij lager mogen zijn dan politiestraffen ». Die bepaling betreft de vermindering van correctionele straffen (Cass., 5 juni 2007, P.06.1655.N, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.11). Het misdrijf, naar de wet strafbaar met een dergelijke straf, is een wanbedrijf (artikel 1, tweede lid, van het Strafwetboek). B.14.4.
- Artikel 100 van het Strafwetboek bepaalt : « Bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en verordeningen, worden de bepalingen van het eerste boek van dit wetboek toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85 ». B.14.4.
- Bij die bepaling heeft de wetgever niet ervoor gekozen om de toepassing van de op de wanbedrijven toepasselijke verzachtende omstandigheden, bedoeld in artikel 85 van het Strafwetboek, op algemene wijze uit te breiden tot alle bijzondere strafwetten (Parl. St., Kamer, 1866-1867, zitting van 22 februari 1867, nr. 95, p. 6). De wetgever is uitgegaan van de vaststelling dat « het aanvaarden, voor alle misdrijven, van de [strafvermindering] die voortvloeit uit verzachtende omstandigheden, kwalijke gevolgen kan hebben vanuit het oogpunt van de bestraffing », waarbij hij ervoor vreesde dat « de rechters al te gemakkelijk bereid zouden zijn verzachtende omstandigheden te aanvaarden en het straffen aldus ondoeltreffend te maken » (Parl. St., Senaat, 1862-1863, zitting van 20 december 1862, nr. 19, pp. 4-5, eigen vertaling). Met betrekking tot het aanvaarden van verzachtende omstandigheden werd beklemtoond : « Sedert een vrij aanzienlijk aantal jaren werd, telkens als een wet werd aangenomen, de aandacht van de wetgever gevestigd op het aanvaarden van verzachtende omstandigheden. Verschillende wetten hebben de rechter bekleed met de bevoegdheid om ermee rekening te houden, via een formele tekst, terwijl andere wetten de toepassing ervan niet toestonden. 20 Dat feit op zich toont aan dat er aangelegenheden zijn waarin zij niet moeten kunnen worden aanvaard door de rechter, en dat een algemene bepaling in dat verband bijgevolg het doel te buiten zou gaan » (Parl. St., Kamer, 1866-1867, zitting van 28 november 1866, nr. 27, p. 14, eigen vertaling). B.14.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat een persoon die schuldig is bevonden aan een misdrijf dat, krachtens een bepaling van boek II van het Strafwetboek, wordt bestraft met een correctionele straf, - tenzij die bepaling anders erover beschikt - verzachtende omstandigheden kan aanvoeren die de rechter ertoe machtigen met toepassing van artikel 85, eerste lid, van dat Wetboek een geldboete of een gevangenisstraf uit te spreken die minder zwaar is dan de minimumstraffen die boek II vaststelt voor dat wanbedrijf. Daarentegen vloeit uit artikel 100 van het Strafwetboek voort dat de persoon die schuldig is bevonden aan een wanbedrijf dat in een andere wet dan het Strafwetboek wordt omschreven, enkel verzachtende omstandigheden kan aanvoeren die de rechter ertoe machtigen met toepassing van artikel 85, eerste lid, van dat Wetboek een minder zware straf uit te spreken dan de minimumstraf die bij die andere wet is vastgesteld indien die laatste wet daarin voorziet. B.14.
- Artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, in samenhang gelezen met artikel 100 van het Strafwetboek, heeft dan ook tot gevolg dat de rechter wordt verhinderd alle omstandigheden van de zaak te beoordelen, en daarbij rekening te houden met verzachtende omstandigheden die hem, in voorkomend geval, ertoe zouden machtigen met toepassing van artikel 85, eerste lid, van dat Wetboek een straf uit te spreken die minder zwaar is dan de bij artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 vastgestelde minimumstraffen. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 21 B.16.
- Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is, vermag de democratisch gekozen wetgever het repressief beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsvrijheid van de rechter te beperken. Het komt de wetgever bijgevolg toe te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang in het bijzonder schaadt. Die gestrengheid moet in haar geheel worden beoordeeld, ten aanzien van de verschillende elementen van de in het leven geroepen repressieve regeling, en zij kan met name betrekking hebben op de aan de rechter geboden mogelijkheid, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, om een minder zware straf dan de in de wet bedoelde minimumstraffen op te leggen. B.16.
- Het beginsel van de evenredigheid van de straffen maakt integraal deel uit van ons rechtssysteem dat in de regel de rechter in staat stelt de straf te kiezen tussen een minimum en een maximum, hem ertoe machtigt rekening te houden met verzachtende omstandigheden en maatregelen van uitstel en opschorting van de uitspraak te bevelen, waardoor de rechter aldus in zekere mate de straf kan individualiseren door de straf op te leggen die hij evenredig acht met het geheel van de elementen van de zaak. Voor het in artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde misdrijf is het echter uitgesloten dat rekening wordt gehouden met de evenredigheid van de straf, door de mogelijkheid om verzachtende omstandigheden aan te nemen. Niet alleen zijn de strafrechtelijke sancties waarin die bepaling voorziet, van toepassing op de persoon die schuldig eraan werd bevonden te hebben geweigerd of verzuimd zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 is genomen, maar ook is de mogelijkheid om die sancties te matigen, door rekening te houden met verzachtende omstandigheden, onbestaande. B.16.
- Indien, zoals vermeld in B.16.1, het aan de wetgever staat te oordelen of het wenselijk is de rechter te verplichten tot gestrengheid wanneer een strafbaar feit in het bijzonder het algemeen belang schaadt, dient te worden beoordeeld of zijn keuze niet kennelijk onredelijk is. 22 Uit de in B.14.4.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt immers dat de wetgever, door artikel 100 van het Strafwetboek aan te nemen, weliswaar een automatische toepassing van verzachtende omstandigheden op de in de bijzondere strafwetten bedoelde misdrijven heeft uitgesloten, maar hij heeft het mogelijk willen maken dat de wetgever, voor elke bijzondere strafwet, een keuze maakt met betrekking tot het aanvaarden van verzachtende omstandigheden. Overigens, wat de gemeenschappen en de gewesten betreft, bepaalt artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen dat binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar kunnen stellen en de straffen wegens die niet- naleving bepalen. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, waaronder artikel 85 betreffende de verzachtende omstandigheden, zijn hierop van toepassing, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Wat de decreten en ordonnanties betreft is de regel derhalve dat verzachtende omstandigheden van toepassing zijn, tenzij dat in het desbetreffende decreet of de desbetreffende ordonnantie uitgesloten wordt. B.17.
- Het staat aan het Hof om te dezen te onderzoeken of, ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, de keuze van de wetgever om de rechter niet toe te staan rekening te houden met verzachtende omstandigheden, niet kennelijk onredelijk is. B.17.
- Krachtens artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 wordt de persoon die schuldig werd bevonden te hebben geweigerd of verzuimd zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat, genomen met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, dringende maatregelen inhoudt om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, beschouwd als een persoon die heeft geweigerd of verzuimd zich te gedragen naar een regel die is aangenomen « in geval van dreigende omstandigheden […], ter verzekering van [de] bescherming [van de bevolking] ». Onder voorbehoud van hetgeen met betrekking tot het eerste onderdeel van de tweede prejudiciële vraag zal worden gezegd, maakt de wetgever het aldus mogelijk om een gedrag inzake weigering of verzuim, los van de mate van verwijtbaarheid in het concrete geval, te kwalificeren als een wanbedrijf dat wordt geacht in het bijzonder het algemeen belang te 23 schaden. Een dergelijke regeling getuigt van meer gestrengheid van de wetgever, temeer daar de strafbaar gestelde gedragingen, wanneer zij plaatsvinden buiten de in artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde « dreigende omstandigheden », tot het dagelijkse leven van de burgers behoren. B.17.
- Te dezen blijkt niet om welke reden de uitsluiting van de toepassing van verzachtende omstandigheden, zou zijn verantwoord ten aanzien van de nagestreefde doelstelling van algemeen belang. Daarenboven vereist het in artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde misdrijf geen bijzonder moreel bestanddeel. Het is bijgevolg kennelijk onredelijk om de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van dat soort van wanbedrijven, niet ertoe te machtigen artikel 85 van het Strafwetboek toe te passen. B.
- Artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 is, in samenhang gelezen met artikel 100 van het Strafwetboek, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de correctionele rechtbank die, krachtens de regels van de samenhang, bevoegd is om kennis te nemen van de misdrijven die het invoert, niet toestaat om artikel 85 van het Strafwetboek toe te passen. Uit die vaststelling vloeit voort dat de rechter die zich uitspreekt over de in artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde wanbedrijven, die bestaan in de weigering of het verzuim zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat, genomen met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, dringende maatregelen inhoudt om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, rekening moet kunnen houden met verzachtende omstandigheden ten aanzien van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de tweede prejudiciële vraag B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat aan het Hof ook een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die wetsbepaling 24 de persoon die verzuimt zich te gedragen naar de ministeriële maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn bevolen, blootstelt aan een even zware straf als die welke de persoon oploopt die zich naar dezelfde maatregelen weigert te gedragen. B.
- Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Allen […] hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. […] ». B.21.
- Artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 machtigt de bevoegde rechter om aan de persoon die, in vredestijd, verzuimt zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn bevolen, een even zware straf op te leggen als die welke hij zou kunnen opleggen aan de persoon die, in dezelfde omstandigheden, weigert zich naar die maatregelen te gedragen. Zoals in B.17.2 is vermeld, stelt de wetgever, door diegene die weigert en diegene die verzuimt zich te gedragen overeenkomstig de met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet bevolen maatregelen op dezelfde wijze te behandelen, een gedrag inzake weigering of verzuim, los van een intentioneel element, strafbaar en bestraft hij een gedrag dat, buiten de in artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bedoelde « dreigende omstandigheden », tot het dagelijkse leven van de burgers behoort, hetgeen getuigt van meer gestrengheid vanwege de wetgever. B.21.
- In zoverre het verwijst naar artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, strekt artikel 187, eerste lid, van dezelfde wet ertoe de naleving te verzekeren van beslissingen die door de bevoegde overheid zijn genomen « in geval van dreigende omstandigheden […], ter verzekering van [de] bescherming [van de bevolking] ». De wetgever vermocht te oordelen dat het gedrag van de persoon die verzuimt zich te gedragen naar de maatregelen die in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn genomen, de belangen van de gemeenschap evenveel schaadt als het gedrag van de persoon die weigert zich te gedragen naar die maatregelen. 25 Rekening houdend met hetgeen in B.18 met betrekking tot het aanvaarden van verzachtende omstandigheden is vermeld, zal het feit dat de twee in B.19 beschreven categorieën van personen, ten aanzien van de bekritiseerde maatregel, worden geacht een zelfde laakbaar gedrag te hebben aangenomen, de rechter niet verhinderen om, in voorkomend geval, rekening te houden met verzachtende omstandigheden waardoor hij, ten aanzien van alle voorliggende omstandigheden, een geldboete of gevangenisstraf kan uitspreken die minder zwaar is dan de minimumstraffen die de wet voor de gepleegde misdrijven vaststelt. B.
- Rekening houdend met hetgeen in B.18 en B.21.2 is vermeld, is artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het de persoon die verzuimt zich te gedragen naar de ministeriële maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn bevolen, op dezelfde wijze behandelt als de persoon die weigert zich te gedragen naar die maatregelen. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de derde prejudiciële vraag in essentie het Hof erom verzoekt te onderzoeken of artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, in zoverre het de bevoegde minister ertoe zou machtigen het dragen van het mondmasker op bepaalde openbare plaatsen op te leggen, om reden dat de inhoud van die ministeriële maatregelen of de nadere regels voor het aannemen ervan onbestaanbaar zouden zijn met diverse andere regels die zijn opgenomen in de Grondwet, in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in een aantal aanvullende protocollen erbij, alsook in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.24.
- Zoals in B.5.3 is vermeld, verbiedt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet de wetgever niet om een orgaan van de uitvoerende macht ertoe te machtigen de contouren te preciseren van een door hem ingevoerd misdrijf, voor zover hij die machtiging in voldoende nauwkeurige bewoordingen omschrijft en die machtiging betrekking heeft op de 26 tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan hij de essentiële elementen voorafgaandelijk heeft vastgesteld. B.24.
- Zoals in B.8.3 en B.8.4 is vermeld, heeft de wetgever de essentiële elementen bepaald van de maatregelen die de minister vermag te nemen ter uitvoering van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, en de termen « dreigende omstandigheden » en « bescherming van de bevolking » die in die bepaling worden gebruikt, zijn, gelet op de context, voldoende nauwkeurig om de contouren van die machtiging te bepalen. B.24.
- Daarenboven is, zoals in B.8.2 is vermeld, de door de wetgever gegeven machtiging niet onbeperkt. De te nemen maatregelen dienen immers, rekening houdend met alle omstandigheden, waaronder de dringendheid van het optreden, de mate van kennis van het risico en van de geschiktheid van de maatregelen die kunnen worden genomen, in redelijkheid te worden afgestemd op de aard, de omvang en de vermoedelijke duurtijd van de omstandigheden die de bevolking bedreigen, hetgeen de bevoegde rechter dient na te gaan. B.
- Met de derde prejudiciële vraag wordt het Hof voor het overige verzocht te oordelen of de inhoud van de maatregelen die de minister van Binnenlandse Zaken heeft genomen ter uitvoering van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, en de wijze waarop die maatregelen zijn genomen, bestaanbaar zijn met diverse regels die zijn vermeld in de Grondwet, in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in een aantal aanvullende protocollen erbij, alsook in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.
- Het Hof is evenwel uitsluitend bevoegd om te antwoorden op prejudiciële vragen die betrekking hebben op de geldigheid van normen die zijn aangenomen door een wetgever (artikel 142, tweede lid, van de Grondwet; artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het onderzoek van de bestaanbaarheid van de inhoud van ministeriële maatregelen die ter uitvoering van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 zijn genomen en van de wijze waarop tot die maatregelen is beslist met regels die zijn opgenomen in de Grondwet, in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in een aantal aanvullende protocollen erbij, alsook in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. 27 B.
- De derde prejudiciële vraag is onontvankelijk. 28 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- De artikelen 182, eerste lid, en 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 « betreffende de civiele veiligheid » schenden niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, eerste lid, 15, 16, 22 en 26 van de Grondwet, met de artikelen 5, 7, 8 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij hetzelfde Verdrag en met de artikelen 9, 12, 15, 17 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
- Artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, in samenhang gelezen met artikel 100 van het Strafwetboek, in zoverre het van toepassing is op de weigering of het verzuim zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat, genomen met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, dringende maatregelen inhoudt om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van de misdrijven die het invoert, niet toestaat om rekening te houden met verzachtende omstandigheden ten aanzien van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt.
- Artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het de persoon die verzuimt zich te gedragen naar de ministeriële maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn genomen, op dezelfde wijze behandelt als de persoon die weigert zich naar die maatregelen te gedragen. 29
- De derde prejudiciële vraag is onontvankelijk. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 juni
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.104 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div