← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.108

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.108 Arrest- Rolnummer: 108/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-07-17 Raadplegingen: 821 - laatst gezien 2026-06-19 02:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel. COVID-19-pandemie - Strafrechtspleging - Schorsing van de verjaring van de strafvordering - Algemene toepasbaarheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 108/2023 van 6 juli 2023 Rolnummer : 7880 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) », gesteld door de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 oktober 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 oktober 2022, heeft de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de schorsing van de verjaring van de strafvordering ingevoerd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 algemeen van toepassing is, zonder daarvan de rechtsplegingen uit te sluiten waarvan het vonnis vertraging heeft opgelopen om redenen die losstaan van de gezondheidscrisis die de invoering van die schorsing heeft verantwoord ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 17 mei 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Detienne en W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 mei 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 31 mei 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Vier beklaagden zijn verschenen voor de zesde correctionele kamer van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel voor een reeks misdrijven met betrekking tot slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope middelen. Verschillende beklaagden zijn van mening dat de feiten te hunnen aanzien zijn verjaard, rekening houdend met het feit dat de schorsing, bedoeld in de artikelen 1 en 3 van het bijzonderemachtenbesluit nr. 3 van 9 april 2020 « houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 », niet op hen zou moeten worden toegepast. Zij menen immers dat de traagheid van de rechtspleging in hun dossier te dezen losstaat van de COVID-19-pandemie. Zij vestigen eveneens de aandacht op het feit dat het Hof van Cassatie, op 20 oktober 2021, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag over hetzelfde koninklijk besluit heeft gesteld waarvan het antwoord op hen zou kunnen worden toegepast. Op verzoek van de beklaagden en van het openbaar ministerie stelt de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, verwijzend rechtscollege, bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat rechtzoekenden die behoren tot de twee categorieën die in de prejudiciële vraag worden geïdentificeerd, zich niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Hij herinnert eraan dat het met de maatregel nagestreefde doel erin bestaat de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtstaat te vrijwaren, gelet op het feit dat de activiteiten van de rechterlijke instanties tot de dringendste en belangrijkste zaken zijn beperkt. Volgens hem is de vraag of een vonnis al dan niet achterstand heeft opgelopen wegens de gezondheidscrisis, geen relevant criterium van onderscheid in het licht van dat doel. Het lijkt hem gewaagd op voorhand te bepalen welke zaken al dan niet door de gezondheidscrisis kunnen worden getroffen. De maatregel gaat integendeel ervan uit dat de crisis de werking van de rechtscolleges op algemene wijze sterk heeft beïnvloed. Hieruit volgt dat op die grond alle zaken mogelijk achterstand hebben opgelopen. A.
  2. Hij voert aan dat evenmin de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van rechtzoekenden kunnen worden onderscheiden naargelang de pleidooien van de rechtspleging al dan niet reeds waren vastgesteld op de dag van inwerkingtreding van de schorsingsmaatregel. Dat criterium is niet relevant. De Koning kon niet uitsluiten dat handelingen die de rechtspleging schorsen of stuiten zich kunnen voordoen vóór de terechtzitting, of nog, dat een terechtzitting sine die kan worden uitgesteld, vooral tijdens een crisisperiode. 3 De Ministerraad is van mening dat dat onderscheid erop neerkomt te voorzien in een uitzondering op de maatregel tot schorsing van de verjaringstermijn van de strafvordering voor de reeds vastgestelde zaken, zodat de rechtzoekenden wier strafvordering zou zijn verjaard tussen 9 april 2020 en 17 juli 2020, maar voor wie de pleitzitting niet was vastgesteld, die verjaring niet zouden hebben kunnen genieten. Hij is van oordeel dat dat verschil in behandeling niet kan worden verantwoord, noch in de praktijk kan worden uitgevoerd. A.
  3. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de identieke behandeling van de twee in het geding zijnde categorieën van rechtzoekenden redelijk verantwoord is. Hij herinnert eraan dat de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de regels van de verjaring vast te stellen. Volgens de Ministerraad vermocht de wetgever, gelet op de aanzienlijke impact van de gezondheidscrisis op de rechtscolleges, met inbegrip van de strafgerechten, in het stadium van het opsporingsonderzoek, van het gerechtelijk onderzoek of van de vervolgingen, redelijkerwijs ervan uit te gaan dat een algemene schorsing van de verjaringstermijnen van de strafvordering verantwoord was door de noodzaak om de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtstaat te vrijwaren, rekening houdend met de beperking van de activiteiten van de rechterlijke instanties tot de dringendste en belangrijkste zaken. De Ministerraad herhaalt de argumentatie die hij in hoofdorde heeft uiteengezet. Daarnaast voert hij aan dat de lering uit het arrest van het Hof van Cassatie van 19 augustus 2020 (P.20.0840.F, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAC.1) niet kan worden omgezet naar het onderzoek van de prejudiciële vraag, daar de eiser voor het verwijzende rechtscollege niet bekritiseert dat voor de verjaring van de strafvordering een grond van schorsing wordt ingevoerd, maar wel dat die werd toegepast op de beklaagden wier zaak werd ingeleid vóór de gezondheidscrisis en voor pleidooien werd vastgesteld na het einde van de schorsingstermijn van de verjaring. De Ministerraad zet eveneens uiteen dat het arrest van 19 augustus 2020 betrekking heeft op een schorsingsgrond voor de strafuitvoering. Het staat bijgevolg los van de regels inzake de verjaring van de strafvordering. Bovendien besluit het arrest van 19 augustus 2020 niet dat moest worden voorzien in een uitzondering op de toepassing van die algemene maatregel voor een bepaalde categorie van veroordeelden. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  4. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 24 december 2020) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de schorsing van de verjaring van de strafvordering ingevoerd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 « houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020) algemeen van 4 toepassing is, zonder daarvan de rechtsplegingen uit te sluiten waarvan het vonnis vertraging heeft opgelopen om redenen die losstaan van de gezondheidscrisis die de invoering van die schorsing heeft verantwoord. B.2.
  5. Het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 is genomen krachtens de delegatie vervat in de artikelen 2, eerste lid, en 5, § 1, 7°, van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » (hierna : de wet van 27 maart 2020). Die wet is genomen in het kader van het beheer van de gezondheidscrisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie. B.2.
  6. Teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, kon de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad (artikel 2, eerste lid), maatregelen nemen om de goede werking van de rechterlijke instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling te garanderen, voor zowel burgerlijke als strafzaken, met naleving van de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en met inachtneming van de rechten van verdediging van de rechtzoekenden. Daartoe kon Hij met name de organisatie van de bevoegdheid aanpassen alsook de rechtspleging, met inbegrip van de bij de wet bepaalde termijnen (artikel 5, § 1, 7°). B.2.
  7. Die bijzonderemachtenbesluiten konden de geldende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt (artikel 5, § 2). De bijzonderemachtenbesluiten moesten worden bekrachtigd binnen een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding ervan, zo niet werden zij geacht nooit uitwerking te hebben gehad (artikel 7, tweede en derde lid). De bijzondere machten zijn vervallen op 30 juni 2020 (artikel 7, eerste lid). B.3.
  8. Luidens de artikelen 1, eerste lid, en 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 worden de verjaringstermijnen van de strafvordering voor de inbreuken op het 5 Strafwetboek en voor de inbreuken op de bijzondere wetten geschorst gedurende een termijn gelijk aan de periode van 18 maart 2020 tot en met 3 mei 2020, aangevuld met een periode van een maand. Overeenkomstig artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 is die periode tweemaal verlengd tot 17 juni 2020 (koninklijke besluiten van 28 april 2020 en van 13 mei 2020). Hieruit vloeit voort dat de schorsingsperiode van de verjaringstermijn van de strafvordering liep tot 17 juli
  9. B.3.
  10. In het verslag aan de Koning van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 wordt uiteengezet : « bepalingen [zijn] vereist houdende opschorting van de verjaringstermijnen. Teneinde de goede werking van de gerechtelijke instanties te waarborgen en het personeel en de rechtzoekenden te beschermen tegen de risico's op besmetting met het coronavirus, en teneinde de continuïteit van de strafrechtspleging te verzekeren, dient de strafrechtelijke procedure te worden aangepast, met inbegrip van de termijnen waarin de wet voorziet. Er wordt voorzien in een schorsingsgrond van de verjaringstermijnen in strafzaken voor een termijn gelijk aan de duur van de coronacrisis, aangevuld met een maand. [Die] schorsingsgrond [verhindert] dat de verjaringstermijnen van de strafvordering verstrijken. Binnen die verjaringstermijnen, die variëren naargelang van de ernst van het misdrijf (misdaad, wanbedrijf, overtreding), moet de strafvordering zijn uitgeoefend. Door de crisis in samenhang met de coronavirus-pandemie zijn de gerechtelijke instanties echter verplicht om hun activiteiten drastisch te beperken tot de dringendste en belangrijkste zaken. Zij kunnen niet langer hun gewone taken vervullen en kunnen inzonderheid niet langer de misdrijven vervolgen met inachtneming van de prioriteiten van het strafrechtelijk beleid zoals vastgesteld vóór de uitbraak van de pandemie. Derhalve is het, om de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtsstaat te waarborgen, noodzakelijk om de weerslag van het tijdsverloop op de verjaring van de misdrijven wettelijk en voor beperkte tijd te schorsen. […] Gelet op het feit dat vele strafzaken zowel op het vlak van de strafvordering als op het vlak van de tenuitvoerlegging niet kunnen doorgaan, bepaalt dit artikel dat de verjaringstermijnen zijn opgeschort voor een bepaalde duur. De duur is bepaald op de duur van de crisis aangevuld met één maand. Deze aanvulling van één maand wordt verantwoord door het feit dat na het 6 einde van de crisis dergelijke zaken van onderzoek, berechtingen en tenuitvoerlegging niet meteen op één dag kunnen worden behandeld of ingehaald ». B.
  11. Artikel 4 van de wet van 24 december 2020 bekrachtigt het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020, alsook de koninklijke besluiten van 28 april 2020 en van 13 mei 2020, die de periode waarin de verjaring van de strafvordering kon worden geschorst, hebben verlengd. De wet van 24 december 2020 is in werking getreden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 15 januari 2021 (artikel 34). Ten gronde B.
  12. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 4 van de wet van 24 december 2020 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 ingevoerde en bij de koninklijke besluiten van 28 april 2020 en 13 mei 2020 verlengde schorsing van de verjaring van de strafvordering algemeen van toepassing is, zonder daarbij een onderscheid te maken naargelang de strafprocedures wel of geen vertraging hebben opgelopen ingevolge de COVID-19-pandemie. B.
  13. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de identieke behandeling van twee categorieën van personen : diegenen wier uitspraak in de strafprocedure achterstand heeft opgelopen om redenen die losstaan van de COVID-19-pandemie en diegenen wier uitspraak in de strafprocedure een achterstand heeft opgelopen die aan de COVID-19-pandemie is toe te schrijven. B.
  14. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. 7 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  15. Zoals is vermeld in B.3.2 heeft het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 tot doel de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtsstaat te vrijwaren, daar de rechterlijke instanties, door de crisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie, ertoe zijn verplicht hun activiteiten drastisch te beperken tot de dringendste en belangrijkste zaken. Die doelstellingen zijn legitiem. B.
  16. De wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat het in de in B.8 vermelde omstandigheden niet noodzakelijk, noch haalbaar was van die rechterlijke instanties te eisen dat zij geval per geval bepalen of de pandemie een concrete weerslag heeft gehad op de behandeling van een zaak, om te beslissen dat de verjaring van de strafvordering in een zaak geschorst wordt. Bovendien, gelet op het feit dat het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 tot doel heeft de goede werking van de rechterlijke instanties en de continuïteit van de rechtsbedeling op strafrechtelijk niveau te garanderen, is het niet onredelijk te voorkomen dat de rechterlijke instanties extra werklast wordt opgelegd. B.
  17. Uit het voormelde volgt dat artikel 4 van de wet van 24 december 2020 niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 juli
  18. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.108 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAC.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.