id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.113 Arrest- Rolnummer: 113/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-07-31 Raadplegingen: 616 - laatst gezien 2026-06-19 01:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 7, 3°, eerste zin, en 9°, artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021) - Verwerping van de beroepen voor het overige (rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.36.2 en B.36.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021 « tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten », ingesteld door de vzw « Internationale Vereniging Diyanet van België » en anderen en door de provincie Antwerpen. Publiek recht - Vlaams Gewest - Lokale religieuze gemeenschappen - Erkenningsvoorwaarden - 1. Bedienaars van de eredienst en hun vervangers - Inburgeringsplicht - Controle - 2. Verbod van elke buitenlandse ondersteuning en financiering - 3. Bestuursorgaan - Vereisten - 4. Wachtperiode van minimaal vier jaar en maximaal vijf jaar - 5. Omvang van de toetsing door het bestuur - 6. Overgangsmaatregel - Verkorte erkenningsprocedure Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 113/2023 van 20 juli 2023 Rolnummers : 7802 en 7805 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021 « tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten », ingesteld door de ivzw « Internationale Vereniging Diyanet van België » en anderen en door de provincie Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 mei 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 mei 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021 « tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 november 2021) door de ivzw « Internationale Vereniging Diyanet van België », de vzw « L'Association musulmane culturelle albanaise de Belgique », de vzw « Islamitische Federatie van België » en de vzw « Rassemblement des Musulmans de Belgique », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. Bilge, advocaat bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 mei 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 mei 2022, heeft de provincie Antwerpen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Vernaillen, advocaat bij de balie van Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 67 en tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 18 en 47 van hetzelfde decreet. 2 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7802 en 7805 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. D. Daniels, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7802); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel (in beide zaken). De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. De Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 april 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 mei 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 17 mei 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 7 juni 2023. Op de openbare terechtzitting van 7 juni 2023 : - zijn verschenen : . Mr. K. Bilge en Mr. V. Woronoff, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802; . Mr. S. Vernaillen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7805; . Mr. E. Jacubowitz, voor de Ministerraad; . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 7802 A.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 leiden een enig middel af uit de schending, door het bestreden decreet, van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de artikelen 10, 11, 19, 21, 22 en 27 van de Grondwet, de artikelen 8, 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het middel bestaat uit vijf onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft A.2.1. In het eerste onderdeel van het enige middel betogen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 in de eerste plaats, met verwijzing naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 38.491/3 van 14 juni 2005 en nr. 69.114/3 van 17 mei 2021, dat de erkenningscriteria opgenomen in artikel 7, 3°, 8° en 9°, van het bestreden decreet en de verplichtingen van de besturen van de eredienst opgenomen in artikel 16, 7° en 8°, en artikel 17, § 1, van het bestreden decreet niet tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren. Zij werpen op dat het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten. Het Vlaamse Gewest is volgens hen aldus niet bevoegd om rechtstreeks verplichtingen op te leggen aan de bedienaars van de eredienst, inzonderheid wat betreft hun wedde. De in de voormelde bepalingen van het bestreden decreet opgenomen vereisten dat de bedienaars van de eredienst en hun vervangers geen bezoldiging mogen ontvangen van een buitenlandse overheid en dat ze desgevallend moeten voldoen aan de inburgeringsplicht vallen volgens hen dan ook buiten de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. A.2.2. In de tweede plaats betogen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 dat de erkenningsvoorwaarden en het verbod op buitenlandse financiering en ondersteuning de vrijheid van eredienst schenden. Zij voeren aan dat er geen verband is tussen, enerzijds, de met het bestreden decreet nagestreefde doelstelling, namelijk het bestrijden van radicalisme en van de verspreiding van radicale boodschappen via eredienstplaatsen en, anderzijds, het beheer van de temporaliën van de erediensten. De temporaliën van de erediensten hebben volgens hen immers geen invloed op de boodschappen die worden verspreid tijdens de vieringen. Bovendien zijn zij van oordeel dat de inmenging niet evenredig is. De in de parlementaire voorbereiding gegeven verantwoording dat de erkenning facultatief is en dat alleen buitenlandse financiering of ondersteuning die afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lokale religieuze gemeenschap verboden is, kan volgens hen niet worden gevolgd. Ten eerste bestaat er wel een feitelijke verplichting voor lokale religieuze moslimgemeenschappen om zich te laten erkennen. De bedienaars van moslimerediensten zijn immers steeds personen van buitenlandse afkomst met een buitenlandse opleiding die een verblijfsvergunning nodig hebben om hun functie te kunnen uitvoeren. Dergelijke vergunning wordt hun enkel verleend indien ze erediensten gaan verzorgen in een erkende moskee. Ten tweede is het niet duidelijk wanneer financiering of ondersteuning afbreuk doet aan de onafhankelijkheid, zodat de overheid willekeurige beslissingen kan nemen. A.3.1. De Vlaamse Regering is vooreerst van mening dat het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 onontvankelijk is wegens gebrek aan grieven of uiteenzetting, in zoverre het een bevoegdheidsrechtelijke kritiek zou bevatten tegen de verplichting voor respectievelijk de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst om noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning te ontvangen als die afbreuk doet aan hun onafhankelijkheid, en in zoverre het onderdeel het verbod om financiering of ondersteuning te ontvangen die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met terrorisme, spionage of clandestiene inmenging zou bekritiseren op grond van de vrijheid van eredienst. Het middel is volgens haar ook onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie aantonen. 4 A.3.2. Vervolgens voert de Vlaamse Regering aan dat het Vlaamse Gewest op grond van zijn bevoegdheid inzake de temporaliën van de erediensten wel bevoegd is om op te leggen dat een erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst enkel bedienaars van de eredienst en vervangers mag hebben die voldoen aan de inburgeringsplicht en die noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks worden bezoldigd door een buitenlandse overheid. Ten aanzien van het verbod voor de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst om bedienaars van de eredienst of vervangers te hebben die niet voldoen aan de inburgeringsplicht, merkt de Vlaamse Regering op dat daarmee niet beoogd wordt om een rechtstreekse verplichting op te leggen aan de bedienaars van de erediensten. Het gaat daarentegen om een erkenningsvoorwaarde die verband houdt met de gewestelijke bevoegdheid inzake de temporaliën van de erediensten, die de bevoegdheid omvat om de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erediensten te erkennen en bijgevolg er de erkenningsvoorwaarden voor te bepalen. De inburgeringsplicht zelf wordt niet opgelegd door het bestreden decreet. Of dat vereiste ook onrechtstreeks beoogt bij te dragen aan de verwezenlijking van doelstellingen inzake integratie en inburgering die ook (kunnen) worden nagestreefd door andere overheden, is volgens de Vlaamse Regering niet relevant. Om te bepalen of een norm binnen de bevoegdheidssfeer van een overheid valt, dient immers in de eerste plaats te worden gekeken naar de aard en het voorwerp van de geregelde materie en niet zozeer naar de finaliteit of de doelstellingen ervan. Uit een eventuele weerslag van de maatregel op de beweerde residuaire federale bevoegdheid inzake het statuut van de bedienaar van de eredienst, vloeit volgens haar dan ook geenszins voort dat het Vlaamse Gewest onbevoegd is om op te treden. Ten aanzien van de verplichting voor de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst om geen bedienaars van de eredienst of vervangers te hebben die rechtstreeks of onrechtstreeks worden bezoldigd door een buitenlandse overheid, merkt de Vlaamse Regering eveneens op dat het een erkenningsvoorwaarde betreft die tot de bevoegdheden van de gewesten behoort. Zij strekt er volgens haar geenszins toe om verplichtingen op te leggen aan de bedienaars van de erediensten. Bijgevolg kan het volgens haar hoe dan ook geen maatregel zijn die behoort tot de federale bevoegdheid inzake de wedden en pensioenen van de bedienaars van de eredienst. Die laatste bevoegdheid heeft volgens haar overigens alleen betrekking op de wedden en pensioenen die krachtens artikel 181, § 1, van de Grondwet ten laste zijn van de federale overheid. In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden voorwaarden ook aanvaardbaar zijn indien de zienswijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt gevolgd. Die voorwaarden zijn volgens haar immers relevant en noodzakelijk om het goede beheer van de temporaliën van de erediensten te verzekeren. De bedienaar van de eredienst is immers een sleutel- en gezagsfiguur binnen de geloofsgemeenschap, die niet alleen een invloed heeft op de uitoefening van de eredienst, maar ook op de organisatie en werking van de lokale geloofsgemeenschap en, in geval van erkenning, het bestuur van de eredienst. De voorwaarde dat de bedienaar van de eredienst niet bezoldigd mag zijn door een buitenlandse overheid is volgens haar bovendien niets meer dan een specificatie van het gekwalificeerde verbod op buitenlandse financiering van de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk het bestuur van de eredienst, waarbij de afdeling wetgeving van de Raad van State geen bevoegdheidsrechtelijke opmerking heeft gemaakt. In meest ondergeschikte orde wijst de Vlaamse Regering nog erop dat het Vlaamse Gewest minstens bevoegd is om maatregelen te treffen die betrekking hebben op de bedienaars van de erediensten in hun hoedanigheid van lid van rechtswege van de beheersorganen van de geloofsinstelling. De bestreden bepalingen kunnen volgens haar bijgevolg in geen geval volledig worden vernietigd. Ze kunnen hooguit worden vernietigd in de mate dat ze van toepassing zijn op bedienaars van de eredienst die niet tot het (voorlopig) bestuursorgaan van het bestuur van de eredienst zouden behoren. A.3.3. De Vlaamse Regering is voorts van mening dat het verbod om rechtstreeks of onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning te ontvangen als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst, de vrijheid van godsdienst en eredienst niet schendt. De Vlaamse Regering wijst erop dat het verbod bij wet is bepaald, een legitieme doelstelling nastreeft, namelijk de bescherming van de openbare orde en van de rechten en vrijheden van anderen, en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Wat dat laatste betreft, verwijst de Vlaamse Regering in de eerste plaats naar de verantwoording die opgenomen is in de parlementaire voorbereiding. Die verantwoording is volgens haar veel ruimer dan wat de verzoekende partijen willen doen uitschijnen. Daarnaast voert ze nog aan dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze staven dat imams steeds van buitenlandse afkomst zijn, daar ook Belgen of buitenlanders met 5 verblijfsrecht in België een buitenlandse opleiding kunnen volgen, dat de federale praktijk inzake het verstrekken van verblijfsvergunningen irrelevant is, dat het feit dat de lokale geloofsgemeenschappen nooit gedwongen kunnen worden om zich te laten erkennen wel relevant is, en dat het voldoende omschreven is wanneer buitenlandse financiering of ondersteuning afbreuk doet aan de onafhankelijkheid. A.4. De Ministerraad voert aan dat de bevoegdheidsrechtelijke kritieken ongegrond zijn. Hij wijst erop dat de gewesten op grond van hun bevoegdheid inzake kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, bevoegd zijn voor de administratieve, budgettaire en boekhoudkundige organisatie van de instellingen die belast zijn met het beheer van de goederen en de inkomsten van de erkende erediensten. Zij zijn volgens hem bevoegd om de lokale geloofsgemeenschappen te erkennen en om hun financiering te regelen. De bestreden voorwaarden passen volgens de Ministerraad binnen die bevoegdheid. De voorwaarde inzake buitenlandse financiering en ondersteuning van de lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst raakt op directe wijze de budgettaire en boekhoudkundige organisatie. De voorwaarden met betrekking tot de buitenlandse bezoldiging en de inburgeringsplicht van de bedienaars van de eredienst betreffen het beheer van de temporaliën, aangezien de bedienaars van de eredienst sleutel- en gezagsfiguren zijn binnen de geloofsgemeenschap die invloed hebben op de organisatie van de lokale geloofsgemeenschap. Ten aanzien van die voorwaarden merkt de Ministerraad nog op dat een eventuele buitenlandse bezoldiging niet raakt aan de federale bevoegdheid inzake de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erkende erediensten, en dat de inburgeringsplicht niet voortvloeit uit het bestreden decreet. Wat het tweede onderdeel betreft A.5. In het tweede onderdeel van het enige middel betogen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 dat de verplichtingen die de artikelen 7, 5°, en 16, 3°, van het bestreden decreet opleggen aan de leden van het (voorlopig) bestuursorgaan, de vrijheid van eredienst schenden. Zij zijn van mening dat een onevenredige rol van sociale controle wordt toevertrouwd aan het (voorlopig) bestuursorgaan. Het bestreden decreet vereist niet alleen dat het bestuursorgaan zich ertoe verbindt de inspanningen te leveren die noodzakelijk zijn om te vermijden dat de lokale geloofsgemeenschap in verband wordt gebracht met woorden of handelingen die strijdig zijn met de Grondwet, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of de bestaande wetgeving, een vereiste die het Hof reeds gevalideerd heeft bij zijn arrest nr. 203/2019 van 19 december 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.203), maar ook dat het bestuursorgaan alle redelijke inspanningen levert om al wie niet aan die eisen voldoet, te weren uit de lokalen. A.6.1. De Vlaamse Regering is van mening dat het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 onontvankelijk is wegens gebrek aan grieven of uiteenzetting in zoverre het ook de verplichtingen opgenomen in artikel 7, 5°, a),
- d)en e), en artikel 16, 3°, a),
- d)en e), zou bestrijden. A.6.2. Ten gronde voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden verplichtingen de vrijheid van eredienst niet schenden. De verplichtingen betreffen volgens haar immers slechts inspanningsverbintenissen met beperkte draagwijdte. Het (voorlopig) bestuursorgaan moet slechts redelijke inspanningen leveren om personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld te weren uit de organisatie, werking, gebruikte lokalen en plaatsen. Zij moet dat bovendien maar doen wanneer de verboden handelingen plaatsvinden in de door de lokale geloofsgemeenschap gebruikte lokalen en plaatsen. Volgens de Vlaamse Regering gaat het bestreden decreet zo minder ver dan de Waalse regeling die het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 203/2019 grondwettig achtte. De Waalse regeling viseert immers woorden en handelingen strijdig met de Grondwet en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en vereist dat de nodige inspanningen worden geleverd opdat de lokale geloofsgemeenschap niet in verband wordt gebracht met dergelijke woorden en handelingen. Wat het derde onderdeel betreft A.7. In het derde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 aan dat de artikelen 8 tot en met 15 van het bestreden decreet zware erkenningsvoorwaarden bevatten, die de vrijheid van eredienst en de vrijheid van vereniging schenden. In het bijzonder bekritiseren zij de minimale wachtperiode van vier jaar waarin het bestreden decreet voorziet. Die wachtperiode gaat volgens hen verder dan wat in de Waalse 6 regeling is voorzien en zou onevenredige gevolgen voor het moslimgeloof hebben. Zij herinneren eraan dat alle imams buitenlanders zijn die een verblijfsvergunning nodig hebben om hun functie te kunnen uitoefenen in België en dat de federale Regering slechts een verblijfsvergunning toekent indien het gaat om een erkende moskee. Aangezien dezelfde problematiek zich niet voordoet bij bedienaars van andere erediensten, is er volgens hen ook sprake van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.8. De Vlaamse Regering betoogt dat de erkenningsvoorwaarden in de artikelen 8 tot en met 15 van het bestreden decreet, en meer specifiek de wachtperiode, de vrijheid van eredienst en de vrijheid van vereniging niet schenden. In hoofdorde voert ze aan dat de wachtperiode geen inmenging vormt in de vrijheid van eredienst en vereniging. Het is immers voor lokale geloofsgemeenschappen steeds mogelijk om zich te verenigen in de vorm van een private vereniging zonder winstoogmerk. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van mening dat het om een gerechtvaardigde inmenging gaat. Zij wijst erop dat de wachtperiode is ingevoerd bij decreet en een legitieme doelstelling nastreeft. Ze beschermt namelijk de openbare orde en veiligheid door een grondige screening en toetsing van de erkenningsverplichtingen mogelijk te maken, door alle actoren de tijd te geven om een gefundeerd advies te geven, en door de nodige tijd te bieden om een constructieve relatie op te zetten. Verder is de wachtperiode volgens haar ook noodzakelijk in een democratische samenleving. Een wachtperiode van vier jaar is nodig om de lokale geloofsgemeenschap te kunnen observeren teneinde zekerheid te hebben over haar intenties. Aangezien lokale geloofsgemeenschappen nooit verplicht zijn om een erkenning aan te vragen, is dat volgens haar ook niet onevenredig. Volgens de Vlaamse Regering blijkt het tegendeel ook niet uit het voormelde arrest van het Hof nr. 203/2019. Uit het feit dat een wachtperiode van minstens drie jaar redelijk verantwoord is, volgt niet dat een wachtperiode van vier jaar overdreven is. Tot slot merkt de Vlaamse Regering nog op dat het feitelijk onjuist is dat er geen imams zijn met de Belgische nationaliteit, dat het ontbreken van een imamopleiding in België uitsluitend toegerekend kan worden aan het representatief orgaan van de moslimgemeenschap en de verzoekende partijen en dat de grieven in feite gericht zijn tegen de federale praktijk. Wat het vierde onderdeel betreft A.9.1. In het vierde onderdeel van het enige middel werpen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 in de eerste plaats op dat de artikelen 18 tot en met 27 van het bestreden decreet de bevoegdheidverdelende regels schenden. Zij zijn van mening dat de voorziene oprichting van een nieuwe Vlaamse informatie- en screeningdienst de federale residuaire bevoegdheid inzake binnenlandse zaken en justitie aantast. Volgens hen behoren de opdrachten van die nieuwe dienst stuk voor stuk tot de opdrachten die artikel 7 van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » (hierna : wet van 30 november 1998) toekent aan de Veiligheid van de Staat. A.9.2. In de tweede plaats betogen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 dat die bepalingen van het bestreden decreet de vrijheid van eredienst en het recht op eerbiediging van het privéleven schenden. De bevoegdheden van de nieuwe Vlaamse informatie- en screeningdienst gaan volgens hen verder dan nodig. Zij menen dat de personeelsleden van de nieuwe dienst bevoegdheden hebben die vergelijkbaar zijn met de bevoegdheden van de onderzoeksrechter in de woonplaats van de beschuldigde. Zij wijzen voorts erop dat de personeelsleden van de nieuwe dienst identiteitscontroles kunnen uitvoeren zonder enige beperking. A.9.3. In de derde plaats voeren ze aan dat de voormelde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, omdat de lokale geloofsgemeenschappen minder gunstig worden behandeld dan andere rechtsonderhorigen, ten aanzien van wie enkel mag worden overgegaan tot een huiszoeking na tussenkomst van de onderzoeksrechter en indien zij ervan verdacht worden een misdrijf te hebben gepleegd. A.10.1. Ten aanzien van de bevoegdheidsrechtelijke kritiek voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden bepalingen niet raken aan de opdrachten die de federale wetgever bij de voormelde wet van 30 november 1998 aan de Veiligheid van de Staat heeft opgedragen. Verder volgt volgens haar uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State dat de gemeenschappen en gewesten zelf ook bijzondere (preventieve) veiligheidsbevoegdheden kunnen doen gelden binnen hun eigen materiële bevoegdheden. A.10.2. Ten aanzien van de beweerde schending van de vrijheid van eredienst en het recht op eerbiediging van het privéleven merkt de Vlaamse Regering vooreerst op dat de grieven van de verzoekende partijen enkel 7 gericht zijn tegen artikel 20, artikel 21, 1° tot 3°, artikel 22 en artikel 23 van het bestreden decreet. In zoverre het onderdeel ook gericht is tegen andere bepalingen, is het volgens haar onontvankelijk. Vervolgens laat de Vlaamse Regering gelden dat de vrijheid van eredienst en het recht op eerbiediging van het privéleven niet geschonden zijn. De bestreden regeling heeft volgens haar geen onevenredige gevolgen, daar de decreetgever de nodige waarborgen heeft ingebouwd. Ten eerste kunnen de bevoegdheden uit de artikelen 20 tot en met 27, § 1, van het bestreden decreet slechts in specifieke situaties worden uitgeoefend. Ten tweede moet de uitoefening van de bevoegdheden steeds passend en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het toezicht. Alle bevoegdheden zijn volgens haar ook nodig om op de naleving van de erkenningsvoorwaarden te kunnen toezien. A.11. De Ministerraad bevestigt dat het Vlaamse Gewest bevoegd is voor de bestreden regeling. Hij voert aan dat er geen nieuwe Vlaamse inlichtingendienst wordt opgericht, maar een orgaan dat moet toezien op de naleving van de voorwaarden die opgenomen zijn in het bestreden decreet. Volgens de Ministerraad doet dat laatste geen afbreuk aan de bevoegdheden van de federale overheid. Wat het vijfde onderdeel betreft A.12. In het vijfde onderdeel betogen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 dat het bestreden decreet de moslimerediensten discrimineert. Zij wijzen opnieuw erop dat het bestreden decreet specifieke gevolgen heeft voor de moslimerediensten, doordat de bedienaars van moslimerediensten steeds personen van buitenlandse afkomst zijn met een buitenlandse opleiding die een verblijfsvergunning nodig hebben om hun functie uit te oefenen. Een verblijfsvergunning wordt volgens hen maar door de federale Regering afgeleverd indien zij hun functie gaan uitoefenen in een erkende moskee. Gelet op de wachtperiode van vier jaar heeft dat volgens hen tot gevolg dat een moskee die in aanmerking komt om een aanvraag tot erkenning in te dienen, gedurende ten minste vier jaar geen imam kan rekruteren en zelfs de verlenging van de verblijfsvergunning van de huidige imam niet kan vragen. Aangezien het Vlaamse Gewest op de hoogte was van die praktijk, had zij daarmee rekening moeten houden. A.13. De Vlaamse Regering is van mening dat het middel faalt in feite. Volgens haar staven de verzoekende partijen niet dat alle imams van buitenlandse afkomst zijn. Het is volgens haar perfect mogelijk dat een persoon met Belgische nationaliteit een buitenlandse imamopleiding volgt. Bovendien zijn er imams die reeds over een verblijfsrecht van onbepaalde duur of over een statuut van langdurig ingezetene beschikken. Daarnaast merkt zij op dat de discriminerende behandeling, voor zover zij bestaat, voortvloeit uit de federale praktijk en niet uit het bestreden decreet. Het Hof heeft volgens haar reeds in die zin geoordeeld bij zijn arrest nr. 203/2019. Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 7805 A.14. De verzoekende partij in de zaak nr. 7805 leidt een enig middel af uit de schending, door de artikelen 18, eerste lid, 2°, 47, § 2, 7°, en § 3, 7°, en 67 van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De bestreden bepalingen betreffen de verkorte erkenningsprocedure voor aanvragen die ingediend zijn vóór 1 juli 2019. De verzoekende partij in de zaak nr. 7805 voert aan dat de decreetgever beoogt om de bestaande regels maximaal aan te passen in lijn met de aanbevelingen uit de studie-Torfs. Een aanbeveling uit die studie is om in een voldoende lange proefperiode te voorzien, zodat een vertrouwensband kan worden opgebouwd en nagegaan kan worden of de lokale geloofsgemeenschap voldoet aan de voorwaarden. Een andere aanbeveling is om in een uniforme erkenningsprocedure te voorzien voor alle nog niet erkende geloofsgemeenschappen. De verkorte erkenningsprocedure voor aanvragen die ingediend zijn vóór 1 juli 2019 doet daaraan volgens haar op een ongeoorloofde wijze afbreuk. Zij is van oordeel dat zo een verschil in behandeling is ingevoerd tussen twee categorieën van erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschappen dat niet berust op een objectief en pertinent criterium en dat niet redelijk te verantwoorden is. Of de aanvraag vóór of na 1 juli 2019 is ingediend, is volgens haar geen objectief en pertinent criterium van onderscheid. Het is volgens haar onduidelijk hoe die datum zou toelaten klaarheid te scheppen over welke erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschappen in aanmerking komen voor de verkorte erkenningsprocedure of hoe die datum zou vermijden dat erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschappen een aanvraag tot 8 erkenning zouden indienen enkel om de wachtperiode te omzeilen. De keuze voor 1 juli 2019 als bepalende datum is niet verantwoord. Daarnaast vormen de rechtmatige verwachtingen van de indieners van de aanvraag volgens haar ook geen redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. Het indienen van een aanvraag geeft geen recht op erkenning en doet ook geen rechtmatige verwachtingen ontstaan. De aanvraag diende immers ook vóór 1 juli 2019 te voldoen aan verschillende voorwaarden. Het feit dat de aanvraag die vóór 1 juli 2019 ingediend is, nog niet afgehandeld is, toont volgens haar net aan dat de aanvraag tot discussie en verder onderzoek aanleiding geeft. Bovendien waren de lokale geloofsgemeenschappen volgens haar ook op de hoogte van de erkenningsstop die vanaf april 2017 is ingegaan tot de inwerkingtreding van het bestreden decreet. In ieder geval doet de verkorte erkenningsprocedure volgens haar afbreuk aan de belangen van de financierende overheden, aangezien niet uit te sluiten valt dat zij moeten instaan voor tekorten van lokale geloofsgemeenschappen die op grond van de gewone erkenningsprocedure, en dus na een uitgebreide screening, nooit erkend zouden zijn geweest. Voorts is de verzoekende partij in de zaak nr. 7805 van mening dat de verkorte erkenningsprocedure nog om een andere reden problematisch is. Het betreft volgens haar geen echte overgangsregeling, aangezien ze geen uitspraak doet over de voormalige erkenningscriteria, maar wel voorziet in een onderscheiden erkenningsprocedure binnen de contouren van de nieuwe regeling. De verkorte erkenningsprocedure berust volgens haar aldus niet op een objectief en pertinent criterium van onderscheid. Ze maakt immers geen onderscheid tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de opgeheven regeling vallen en personen die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Tot slot merkt ze op dat de regeling in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Financierende en adviserende overheden hebben volgens haar niet de mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de verkorte procedure en op de verregaande, veelal financiële, gevolgen die ze zal teweegbrengen. Het feit dat de verplichting om in te staan voor de financiële tekorten voortvloeit uit het decreet van 7 mei 2004 « betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten » (hierna : het decreet van 7 mei 2004), doet daaraan volgens haar geen afbreuk. Evenmin kan volgens haar op nuttige wijze worden verwezen naar een loutere verwachting dat, ook bij gebrek aan een overgangsregeling, nieuwe aanvragen zouden worden ingediend met dezelfde gevolgen, aangezien voor nieuwe aanvragen de wachtperiode wel geldt. A.15. De Vlaamse Regering is van mening dat het enige middel in de zaak nr. 7805 ongegrond is. Zij wijst er vooreerst op dat de overgangsregeling niet noodzakelijk hoeft te bestaan in de toepassing van de oude regeling. De decreetgever mag ook een regime sui generis creëren. Vervolgens voert ze aan dat de overgangsregeling twee legitieme doelstellingen nastreeft. Ten eerste wil de decreetgever het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel waarborgen door het legitieme vertrouwen van de lokale geloofsgemeenschappen met betrekking tot een snelle behandeling van hun sedert meerdere jaren aanhangig zijnde erkenningsaanvraag te eerbiedigen. Ten tweede wil de decreetgever vermijden dat lokale geloofsgemeenschappen vóór de inwerkingtreding van het decreet een aanvraag zouden indienen om de wachtperiode te omzeilen. Tegelijk wil de decreetgever volgens haar ook de algemene doelstellingen van het bestreden decreet ten volle nastreven. Verder merkt ze op dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, met name de datum van indiening van de aanvraag, dat tevens pertinent is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. De datum situeert zich immers tussen de erkenningsstop in afwachting van een aangepaste regelgeving en de datum van inwerkingtreding van het bestreden decreet, waardoor alleen de lokale geloofsgemeenschappen die minstens twee en een half jaar aan het wachten zijn, de verkorte procedure kunnen genieten. De verkorte procedure is aldus niet van toepassing op lokale geloofsgemeenschappen die naar aanleiding van het ontwerp van decreet snel een aanvraag hebben ingediend. Daarnaast bevat de verkorte procedure volgens de Vlaamse Regering voldoende waarborgen om de aanvraag te beoordelen, waardoor ze ook pertinent is in het licht van de algemene doelstellingen van het bestreden decreet. Daarnaast is de overgangsregeling volgens haar ook redelijk verantwoord. De lokale geloofsgemeenschappen die hun aanvraag hebben ingediend vóór 1 juli 2019, hebben minstens een rechtmatig vertrouwen dat hun aanvraag binnen een redelijke termijn zal worden behandeld na de inwerkingtreding van het bestreden decreet. Zij wachten immers reeds lang, soms zelfs langer dan de wachtperiode van vier jaar. Hen nog veel langer laten wachten, zou zelfs in strijd kunnen zijn met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 9 De overgangsregeling heeft volgens de Vlaamse Regering ook geen onevenredige gevolgen in het licht van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De verkorte procedure dwingt de financierende overheid helemaal niet om onmiddellijk uitspraak te doen over alle vóór 1 juli 2019 ingediende aanvragen. De verkorte procedure vereist immers dat het representatief orgaan eerst binnen het jaar na de inwerkingtreding van het bestreden decreet een geactualiseerde aanvraag indient, waarna de Vlaamse Regering, indien de aanvraag ontvankelijk is, binnen 30 dagen de aanvraag ter kennis overmaakt aan onder andere de financierende overheid voor advies binnen vier maanden. Dat advies had de financierende overheid hoe dan ook moeten verstrekken, ook indien er geen overgangsregeling zou zijn, aangezien er dan waarschijnlijk een nieuwe aanvraag zou zijn ingediend. Daarnaast wijst de Vlaamse Regering erop dat de financiële gevolgen van een erkenning niet voortvloeien uit het bestreden decreet, maar uit het decreet van 7 mei 2004. Het bestreden decreet verstrengt enkel de erkenningsvoorwaarden en de erkenningsprocedure, ook in het geval dat de verkorte procedure wordt toegepast. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet en de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021 « tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten » (hierna : het bestreden decreet). Het bestreden decreet voert een nieuw erkennings-, toezichts- en sanctiekader in voor lokale geloofsgemeenschappen, dat de oude regeling opgenomen in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten » (hierna : het decreet van 7 mei 2004) en het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 « houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten » (hierna : het besluit van 30 september 2005) vervangt. Er was volgens de decreetgever nood aan een actualisatie van die kaders. Bovendien bleek volgens de decreetgever « de noodzakelijke informatie om erkennings- en sanctiedossiers te kunnen beoordelen soms onvoldoende beschikbaar te zijn » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, p. 6). Het bestreden decreet bestaat uit negen hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen. Hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6 bepalen achtereenvolgens de erkenningscriteria en -procedure, de verplichtingen van de besturen van de eredienst, de opdracht en de bevoegdheden van de bevoegde instantie, de sanctioneringsprocedure en de sancties, en de 10 procedure voor en gevolgen van verschillende wijzigingen van erkenningen en van de opheffing van de erkenning van annexkerken en kapelanijen. Hoofdstuk 7 regelt de verwerking van persoonsgegevens en hoofdstuk 8 bevat de wijzigingen van het decreet van 7 mei 2004. Hoofdstuk 9 bevat tot slot de slotbepalingen waaronder enkele overgangsbepalingen. Het bestreden decreet is op 16 november 2021 in werking getreden. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2. Het enige middel in de zaak nr. 7802 is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de artikelen 10, 11, 19, 21, 22 en 27 van de Grondwet, de artikelen 8, 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het middel bestaat uit vijf onderdelen. B.3. De Vlaamse Regering werpt, bij meerdere onderdelen van het enige middel in de zaak nr. 7802, op dat de verzoekende partijen niet tegen alle met dat onderdeel van het enige middel bestreden bepalingen of onderdelen van die bepalingen grieven uiteenzetten en dat zij niet steeds te kennen geven in welke zin die bepalingen of onderdelen van bepalingen de in de desbetreffende onderdelen van het enige middel vermelde referentienormen schenden. B.4.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.4.2. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift van het enige middel in de zaak nr. 7802 blijkt dat : 11 - in het eerste onderdeel van het enige middel uitsluitend grieven worden geformuleerd tegen artikel 7, 3°, eerste zin, 8° en 9°, artikel 16, 7° en 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het bestreden decreet, met dien verstande dat er geen bevoegdheidsrechtelijke kritiek is geformuleerd ten aanzien van artikel 7, 3°, eerste zin, en artikel 17, § 1, eerste zin, en dat er geen kritiek op grond van de vrijheid van godsdienst en eredienst is geformuleerd ten aanzien van artikel 7, 8°, en artikel 16, 7°, van dat decreet; - in het tweede onderdeel enkel grieven worden geformuleerd tegen de artikelen 7, 5°,
- b)en c), en 16, 3°,
- b)en c), van hetzelfde decreet; - in het derde en vijfde onderdeel uitsluitend grieven worden geformuleerd tegen de artikelen 10 en 14, § 3, van hetzelfde decreet; - en in het vierde onderdeel enkel grieven worden geformuleerd tegen de artikelen 18 tot en met 27 van hetzelfde decreet, met dien verstande dat alleen de bevoegdheidsrechtelijke kritiek betrekking heeft op al die bepalingen. De kritiek op grond van de vrijheid van eredienst, het recht op eerbiediging van het privéleven en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft uitsluitend betrekking op de artikelen 20, 21, eerste lid, 1° tot 3°, 22 en 23. Bijgevolg is het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 7802 enkel in die mate ontvankelijk. B.5.1. De Vlaamse Regering voert ook aan dat het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 onontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.5.2. Aangezien de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie aantonen, is het enige middel, en dus niet enkel het eerste onderdeel van dat middel, onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 12 Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 7802 B.6. De bestreden bepalingen en de bepalingen die onlosmakelijk ermee verbonden zijn, luiden als volgt : « HOOFDSTUK 2. - Erkenning van lokale geloofsgemeenschappen Afdeling 1. - Erkenningscriteria Art. 7. Een lokale geloofsgemeenschap kan worden erkend als ze voldoet aan al de volgende criteria : 1° ze heeft een juridische structuur die aangepast is aan het aangevraagde openbaar statuut en waarover er transparantie is; 2° ze is financieel leefbaar en biedt transparantie daarover; 3° ze ontvangt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan haar onafhankelijkheid. Ze ontvangt geen financiering of ondersteuning die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met terrorisme, extremisme, spionage of clandestiene inmenging; 4° ze toont de maatschappelijke relevantie aan van de lokale geloofsgemeenschap aan de hand van :
- a)de bevestiging door het representatief orgaan dat de lokale geloofsgemeenschap minstens tweehonderd leden telt binnen de gebiedsomschrijving;
- b)de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken;
- c)het onderhoud en de bewaring van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst;
- d)het onderhouden van duurzame contacten met de lokale overheid van de gemeente waar de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst gelegen zijn;
- e)het respecteren van het principe van goed nabuurschap en het onderhouden van duurzame contacten met de lokale gemeenschap waar de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst gelegen zijn; 5° de leden van het voorlopig bestuursorgaan leven, behalve bij incidentele overmacht, al de volgende verplichtingen na :
- a)de verplichting om in geen geval, op welke wijze dan ook, medewerking te verlenen aan activiteiten die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of leden daarvan; 13
- b)de verplichting om alle redelijke inspanningen te ondernemen om personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de organisatie en werking van het voorlopig bestuursorgaan;
- c)de verplichting om alle redelijke inspanningen te ondernemen om personen die in door de lokale geloofsgemeenschap gebruikte lokalen en plaatsen aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de gebruikte lokalen en plaatsen;
- d)de verplichting om, onverminderd de vrijheid van godsdienst, alle redelijke inspanningen te ondernemen om geldende wetgeving na te leven en niet hun medewerking te verlenen aan handelingen strijdig met de geldende wetgeving, in het bijzonder de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
- e)de verplichting om in geen geval, op welke wijze dan ook aan te zetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of leden daarvan; 6° ze toont aan dat het toekomstig bestuur van de eredienst houder zal worden van zakelijke rechten op de gebouwen of de andere infrastructuur bestemd voor de uitoefening van de eredienst of bij gebreke daarvan, wanneer de gebouwen of de andere infrastructuur bestemd voor de uitoefening van de eredienst geen eigendom zijn van een publieke rechtspersoon, kan ze een afschrift voorleggen van een overeenkomst die met de eigenaar van de gebouwen of de andere infrastructuur bestemd voor de uitoefening van de eredienst is gesloten over het gebruik van de gebouwen of de andere infrastructuur door het toekomstig bestuur van de eredienst; 7° het voorlopig bestuursorgaan bezorgt de voor- en achternaam, adres, rijksregisternummer, e-mailadres, telefoonnummer, nationaliteit, geboortedatum en geslacht van de leden van het voorlopig bestuursorgaan aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente. Als er tussentijdse wijzigingen zijn, meldt het voorlopig bestuursorgaan dat binnen dertig dagen aan deze instanties; 8° ze heeft enkel bedienaars van de eredienst en hun vervangers die voldoen aan de inburgeringsplicht die in voorkomend geval op hen van toepassing is conform het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse [integratie-] en inburgeringsbeleid; 9° ze heeft geen bedienaars van de eredienst en hun vervangers die rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door een buitenlandse overheid; 10° ze voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 11 en 12; 11° ze doorloopt de wachtperiode van vier jaar, vermeld in afdeling 3, met gunstig gevolg. […] Afdeling 3. - Wachtperiode Art. 10. Vanaf de bezorging van de aanvraag tot erkenning, vermeld in artikel 8, tweede lid, start een wachtperiode van vier jaar. 14 Art. 11. § 1. Tijdens de wachtperiode bezorgt het voorlopig bestuursorgaan jaarlijks een afschrift van de begroting en de jaarrekening van de lokale geloofsgemeenschap aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente. Het voorlopig bestuursorgaan verleent inzage in de boekhouding van de lokale geloofsgemeenschap aan de voormelde instanties, als ze dat vragen. § 2. Tijdens de wachtperiode maakt het voorlopig bestuursorgaan de volgende financiële documenten op voor dat gedeelte van de activiteiten dat betrekking heeft op de materiële aspecten van de eredienst : 1° een budget voor 15 december van het voorgaande kalenderjaar conform de modellen die gelden voor de besturen van de eredienst; 2° een jaarrekening voor 1 mei van het volgende kalenderjaar conform de modellen die gelden voor de besturen van de eredienst; 3° een giftenregister conform artikel 17, § 2, met dien verstande dat de woorden ‘ het bestuursorgaan ’ worden gelezen als ‘ het voorlopig bestuursorgaan ’ en de woorden ‘ het bestuur van de eredienst ’ worden gelezen als ‘ de lokale geloofsgemeenschap ’. Het voorlopig bestuursorgaan bezorgt jaarlijks een afschrift van de financiële documenten, vermeld in het eerste lid, aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente. § 3. In de loop van het laatste jaar van de wachtperiode maakt het voorlopig bestuursorgaan een ontwerp van meerjarenplan voor de komende zes jaar, waarin een inschatting wordt gegeven van de ontvangsten en uitgaven van het op te richten bestuur van de eredienst na de erkenning. Het ontwerp wordt opgemaakt conform de modellen die gelden voor de besturen van de eredienst. Het voorlopig bestuursorgaan bezorgt een afschrift van het ontwerp van meerjarenplan aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente. Art. 12. Tijdens de wachtperiode voldoet het voorlopig bestuursorgaan aan de volgende verplichtingen : 1° het voorlopig bestuursorgaan meldt binnen dertig dagen alle wijzigingen die van belang zijn voor de beoordeling van de erkenningscriteria, vermeld in artikel 7, aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente; 2° het voorlopig bestuursorgaan vergadert zo dikwijls als nodig is om te voldoen aan de vereisten van de erkenningscriteria, vermeld in artikel 7, en ten minste een keer per kwartaal; 3° het voorlopig bestuursorgaan stelt een verslag op van de vergaderingen, vermeld in punt 2°, en bezorgt dat binnen tien dagen aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente; 15 4° het voorlopig bestuursorgaan draagt zorg voor het archief. Art. 13. Uiterlijk 22 maanden na de start van de wachtperiode wordt door het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente een tussentijds advies bezorgd aan de Vlaamse Regering over de mate waarin de lokale geloofsgemeenschap voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 7, en de volledigheid van de aanvraag tot erkenning conform artikel 8, tweede lid. Uiterlijk zestig dagen voor het einde van de wachtperiode wordt door het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente een advies bezorgd aan de Vlaamse Regering over de vraag of de lokale geloofsgemeenschap voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 7, en de volledigheid van de aanvraag tot erkenning conform artikel 8, tweede lid. Als het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente het advies, vermeld in het eerste en tweede lid, niet op tijd bezorgen, kan aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan. Afdeling 4. – Erkenning Art. 14. § 1. Uiterlijk zestig dagen na het einde van de wachtperiode, vermeld in paragraaf 3 en artikel 10, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de erkenning van de lokale geloofsgemeenschap en brengt ze het voorlopig bestuursorgaan, het representatief orgaan, de federale overheid, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente op de hoogte van die beslissing. […] § 3. De Vlaamse Regering kan binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, de wachtperiode verlengen met maximaal twaalf maanden en brengt in voorkomend geval het voorlopig bestuursorgaan, het representatief orgaan, de federale overheid, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente op de hoogte van die verlenging. Bij een verlenging als vermeld in het eerste lid vraagt de Vlaamse Regering opnieuw een advies aan de instanties, vermeld in artikel 13. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarin dat advies moet worden bezorgd. […] HOOFDSTUK 3. - Verplichtingen van de besturen van de eredienst Art. 16. Met behoud van de verplichtingen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004, voldoet het bestuur van de eredienst aan al de volgende verplichtingen : 1° het is financieel leefbaar en is transparant daarover; 2° het toont zijn maatschappelijke relevantie aan door aan volgende verplichtingen te voldoen : 16
- a)het zorg dragen voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken;
- b)het onderhouden en bewaren van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst;
- c)het onderhouden van duurzame contacten met de lokale overheid van de gemeente waar de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst gelegen zijn;
- d)het respecteren van het principe van goed nabuurschap en het onderhouden van duurzame contacten met de lokale gemeenschap waar de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst gelegen zijn; 3° de leden van het bestuursorgaan leven, behalve bij incidentele overmacht, al de volgende verplichtingen na :
- a)de verplichting om in geen geval, op welke wijze dan ook, medewerking te verlenen aan activiteiten die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of leden daarvan;
- b)de verplichting om alle redelijke inspanningen te ondernemen om personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de organisatie en werking van het bestuur van de eredienst;
- c)de verplichting om alle redelijke inspanningen te ondernemen om personen die in door het bestuur van de eredienst gebruikte lokalen en plaatsen aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de gebruikte lokalen en plaatsen;
- d)de verplichting om, onverminderd de vrijheid van godsdienst, alle redelijke inspanningen te ondernemen om geldende wetgeving na te leven en niet hun medewerking te verlenen aan handelingen strijdig met de geldende wetgeving, in het bijzonder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de Grondwet;
- e)de verplichting om in geen geval, op welke wijze dan ook aan te zetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of leden daarvan; 4° het kan een bewijs voorleggen dat het bestuur van de eredienst houder is van zakelijke rechten op de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst of, bij gebreke daarvan, wanneer de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst geen eigendom zijn van een publieke rechtspersoon, kan het een afschrift voorleggen van een overeenkomst die met de eigenaar van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst is gesloten over het gebruik van de gebouwen door het bestuur van de eredienst; 5° het deelt de voor- en achternaam, adres, rijksregisternummer, e-mailadres, telefoonnummer, nationaliteit, geboortedatum en geslacht van de bedienaars van de eredienst, hun vervangers en de leden van het bestuursorgaan mee aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente; 17 6° het meldt alle wijzigingen van de gegevens, vermeld in punt 5°, binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering, het representatief orgaan, de financierende overheid en in voorkomend geval de adviserende gemeente; 7° zijn bedienaars van de eredienst en hun vervangers voldoen aan de inburgeringsplicht die in voorkomend geval op hen van toepassing is conform het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse [integratie-] en inburgeringsbeleid; 8° zijn bedienaars van de eredienst en hun vervangers worden noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks bezoldigd door een buitenlandse overheid. Art. 17. § 1. Een bestuur van de eredienst ontvangt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan zijn onafhankelijkheid. […] […] HOOFDSTUK 4. - Opdracht en bevoegdheden van de bevoegde instantie Art. 18. De bevoegde instantie die de Vlaamse Regering aanwijst, controleert : 1° of de lokale geloofsgemeenschappen de verplichtingen, vermeld in artikel 7 en 8, tweede lid, naleven tijdens de wachtperiode, vermeld in artikel 10, en in voorkomend geval verlengd, conform artikel 14, § 3; 2° of de lokale geloofsgemeenschappen de verplichtingen, vermeld in artikel 7, met uitzondering van punt 10° en 11°, naleven tijdens de procedure, vermeld in artikel 67, § 1; 3° of de besturen van de eredienst blijvend voldoen aan de verplichtingen, vermeld in hoofdstuk 3 van dit decreet. Op verzoek van de toezichthoudende overheid kan de bevoegde instantie de nodige informatie opvragen en informatie verstrekken over de besturen van de eredienst in het kader van het blijvend voldoen aan de verplichtingen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004. De bevoegde instantie mag tijdens de uitvoering van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, de aan de gang zijnde eredienst niet verstoren of onderbreken. Art. 19. Om de opdrachten, vermeld in artikel 18, te vervullen : 1° sluit de bevoegde instantie informatie-uitwisselingsakkoorden af met andere overheidsinstanties; 2° kunnen de personeelsleden van de bevoegde instantie een beroep doen op de bevoegdheden, vermeld in artikel 20 tot en met 27. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen de bevoegdheden, vermeld in artikel 20 tot en met 27, § 1, enkel aanwenden in volgende gevallen : 18 1° voor de opdrachten, vermeld in artikel 18, eerste lid, 1° en 2°; 2° voor de opdrachten, vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, na door de bevoegde instantie ontvankelijk beoordeelde zwaarwichtige aanwijzingen van een tekortkoming door een bestuur van de eredienst op zijn verplichtingen, vermeld in hoofdstuk 3. De bevoegde instantie stelt het representatief orgaan in kennis ingeval een aanwijzing als vermeld in het tweede lid, 2°, als ontvankelijk beoordeeld en onderzocht wordt door de bevoegde instantie. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen hun bevoegdheden als vermeld in dit hoofdstuk enkel aanwenden indien ze voor de uitoefening van het toezicht passend en noodzakelijk zijn. De personeelsleden van de bevoegde instantie zijn bij de uitoefening van hun opdrachten als vermeld in artikel 18 steeds voorzien van een legitimatiebewijs dat wordt vertoond wanneer daar om wordt verzocht. De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor het beoordelen van de ontvankelijkheid, als bedoeld in het tweede lid, 2°. De Vlaamse Regering kan : 1° de voorwaarden waaronder de personeelsleden van de bevoegde instantie worden aangesteld bepalen; 2° het model van het legitimatiebewijs, vermeld in het vijfde lid, bepalen; 3° de procedure die de personeelsleden van de bevoegde instantie moeten naleven bij de uitoefening van hun opdrachten en bevoegdheden, vermeld in dit hoofdstuk, vaststellen. Art. 20. De personeelsleden van de bevoegde instantie hebben zonder voorafgaande aankondiging toegang tot de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst, de ruimtes en de infrastructuur die het bestuur van de eredienst gebruikt of die de lokale geloofsgemeenschap gebruikt tijdens de wachtperiode, met uitzondering van de gebouwen en ruimtes die exclusief bestemd zijn als private woning. Art. 21. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen de volgende handelingen stellen: 1° de identiteit opnemen; 2° de voorlegging van officiële identiteitsdocumenten vorderen; 3° als de identiteit niet kan worden vastgesteld, conform punt 1° of 2°, de identiteit achterhalen met de hulp van niet-officiële documenten die hen vrijwillig worden voorgelegd als de te identificeren personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen wordt getwijfeld. Met toepassing van artikel 25 kan getracht worden om de identiteit van die personen te achterhalen met beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan. 19 4° het vorderen van transparantie over verbonden juridische structuren van de besturen van de eredienst indien dit proportioneel en noodzakelijk is en mits voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 19, tweede lid, 2°; 5° het vorderen van transparantie over verbonden juridische structuren van de lokale geloofsgemeenschap, vermeld in artikel 18, eerste lid, 1° en 2°; 6° het vorderen van transparantie over de door het bestuur van de eredienst en de lokale geloofsgemeenschap gebruikte infrastructuur. De documenten, vermeld in het eerste lid, 2°, worden onmiddellijk na de verificatie van de identiteit teruggegeven aan de betrokkene. Art. 22. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen inlichtingen vorderen van iedere persoon die betrokken is bij of kennis heeft of kan hebben van de feiten die worden gecontroleerd. Art. 23. § 1. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen zonder voorafgaande waarschuwing de onmiddellijke voorlegging vorderen van alle informatie, documenten ongeacht de aard ervan en informatiedragers in geschreven, digitale of analoge vorm. De voorlegging, vermeld in het eerste lid, gebeurt ter plaatse in een verstaanbare, leesbare en kopieerbare vorm. § 2. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen inzage nemen in de informatie, de gegevens, de documenten en de informatiedragers, vermeld in paragraaf 1. § 3. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen zich kosteloos een kopie laten bezorgen in de vorm die ze vragen of zelf een kopie maken. Als kopiëren ter plaatse niet mogelijk is, mogen de personeelsleden van de bevoegde instantie tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, de informatiedrager en documenten bij zich houden of meenemen tijdens een periode die vereist is om ze te kopiëren of te onderzoeken. Die periode mag niet langer duren dan dertig dagen, tenzij personeelsleden van de bevoegde instantie de betrokkenen voor het verstrijken van die termijn de bijzondere redenen meedelen die een langere duur verantwoorden. Art. 24. Binnen de termijn die de personeelsleden van de bevoegde instantie bepalen, verleent iedereen alle medewerking aan de personeelsleden van de bevoegde instantie die redelijkerwijze kan worden gevraagd. Art. 25. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen vaststellingen doen met audiovisuele middelen. De identificatie van het gebruikte audiovisuele middel, de start en het einde van een opname worden vermeld in een verslag. Tenzij de controle daardoor in het gedrang zou komen, wordt iedereen die betrokken is in een onderzoek op de hoogte gebracht van de inzet van audiovisuele middelen. Die kennisgeving gebeurt voorafgaand aan of op het ogenblik van het gebruik van de audiovisuele middelen. 20 De audiovisuele vaststellingen hebben alleen bewijswaarde op voorwaarde dat ze in afdoende mate steun vinden in andersoortige bewijsmiddelen. De toepassing van dit artikel mag nooit leiden tot de observatie of het direct afluisteren, vermeld in artikel 47sexies en 90ter, van het Wetboek van Strafvordering. Art. 26. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen zich laten bijstaan door deskundigen of andere personen die ze daarvoor aanwijst. Art. 27. § 1. De personeelsleden van de bevoegde instantie stellen bij de uitoefening van hun opdracht een verslag van vaststelling op als tekortkomingen op de verplichtingen, vermeld in dit decreet of in het decreet van 7 mei 2004, worden vastgesteld. Het verslag van vaststelling heeft bewijswaarde tot het bewijs van het tegendeel. § 2. De personeelsleden van de bevoegde instantie geven raadgevingen aan de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst om dreigende tekortkomingen aan de verplichtingen, vermeld in dit decreet of in het decreet van 7 mei 2004, te voorkomen. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen een waarschuwing richten tot het bestuur van de eredienst en in voorkomend geval de leden van het bestuursorgaan, waarbij opgedragen wordt om zich binnen een bepaalde termijn in regel te stellen, de schadelijke gevolgen van de tekortkomingen te herstellen en het bewijs daarvan te verschaffen. De personeelsleden van de bevoegde instantie geven onmiddellijk kennis van de raadgevingen, vermeld in het eerste lid, en de waarschuwingen, vermeld in het tweede lid, aan het representatief orgaan ». B.7.1. Het enige middel is deels afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en deels uit de schending van meerdere bepalingen beoogd in artikel 1, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. B.7.2. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. Het Hof onderzoekt bijgevolg eerst de grieven die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. 21 Wat betreft het eerste onderdeel van het enige middel, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de bevoegdheidverdelende regels B.8. In het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 7, 8° en 9°, en 16, 7° en 8°, van het bestreden decreet de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest te buiten gaan, in zoverre zij als erkenningscriteria respectievelijk als verplichtingen voor het bestuur van de eredienst bepalen dat de bedienaars van de eredienst en hun vervangers moeten voldoen aan de inburgeringsplicht die in voorkomend geval op hen van toepassing is overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juni 2013 « betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid » (hierna : het Vlaamse decreet van 7 juni 2013), en dat zij noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks mogen worden bezoldigd door een buitenlandse overheid. B.9.1. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals het is ingevoegd bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 « houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen », bepaalt : « VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft : […] 6° de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten ». B.9.2. Krachtens die bepaling zijn de gewesten, sedert 1 januari 2002, bevoegd om hetgeen betrekking heeft op de kerkfabrieken en de andere instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, te regelen in het kader van hun bevoegdheden inzake de ondergeschikte besturen. Dezelfde bepaling behoudt aan de federale overheid de bevoegdheid voor om de erediensten te erkennen en wedden en pensioenen toe te kennen aan de bedienaars van de erediensten, die eveneens worden beoogd in artikel 181, § 1, van de Grondwet. B.9.3. Krachtens hun bevoegdheid inzake kerkfabrieken en instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, zijn de gewesten bevoegd om alles 22 met betrekking tot de temporaliën van de erkende erediensten te regelen, met andere woorden het beheer van de goederen en van de inkomsten van de erkende erediensten. Zij zijn eveneens bevoegd om de plaatselijke geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten en hun gebiedsomschrijving te erkennen teneinde de gebiedsomschrijving te bepalen van de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. De aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid om de erediensten te erkennen, houdt de bevoegdheid in om de erediensten als dusdanig en de representatieve organen ervan te erkennen. De erkenning van een eredienst door de federale overheid brengt een overheidsfinanciering vanwege de Staat met zich mee. B.9.4. De bevoegdheid van de gewesten inzake het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten beperkt zich tot de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de door de federale overheid erkende erediensten. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheid brengt de erkenning, door een gewest, van een plaatselijke geloofsgemeenschap, in beginsel, de oprichting van een openbare instelling die belast is met het beheer van de goederen en de inkomsten van die gemeenschap, met zich mee. B.10.1. Een lokale geloofsgemeenschap kan, overeenkomstig artikel 7, 8° en 9°, van het bestreden decreet, alleen worden erkend als ze enkel bedienaars van de eredienst en hun vervangers heeft die voldoen aan de inburgeringsplicht die in voorkomend geval op hen van toepassing is conform het decreet van 7 juni 2013, en die niet rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door een buitenlandse overheid. Bovendien dienen de besturen van de eredienst beide verplichtingen na te leven krachtens artikel 16, 7° en 8°, van het bestreden decreet. B.10.2. Die bepalingen voorzien niet in een algemene inburgeringsplicht voor bedienaars van de eredienst en hun vervangers, noch in een algemeen verbod voor die personen om rechtstreeks of onrechtstreeks een bezoldiging te ontvangen van een buitenlandse overheid. Zij bepalen slechts dat een lokale geloofsgemeenschap niet in aanmerking komt voor een erkenning indien zij bedienaars van de eredienst of vervangers heeft die niet aan beide voorwaarden voldoen en dat dergelijke bedienaars van de eredienst en hun vervangers ook niet in het bestuur van de eredienst zitting mogen hebben. 23 B.11.1. Zoals in de parlementaire voorbereiding wordt beklemtoond, zijn het erkenningscriterium en de verplichting om enkel bedienaars van de eredienst of vervangers te hebben die voldoen aan de inburgeringsplicht van belang voor het goede beheer van de temporaliën van de eredienst (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, pp. 21 en 22). Die personen zijn immers de « sleutel- en gezagsfiguur binnen de lokale geloofsgemeenschap en van ambtswege lid van het bestuursorgaan van het bestuur van de eredienst (uitgezonderd bij de rooms-katholieke eredienst waar de door het representatief orgaan aangestelde verantwoordelijke van ambtswege lid is van het bestuursorgaan) » (ibid., p. 42). Aldus hebben zij een aanzienlijke invloed op het beheer van de temporaliën van de eredienst. Indien zij onvoldoende kennis en inzicht hebben in de samenleving waarin zij hun functie uitoefenen, kan dat nadelige gevolgen hebben voor dat beheer. B.11.2. Het erkenningscriterium en de verplichting om geen bedienaars van de eredienst of vervangers te hebben die rechtstreeks of onrechtstreeks een bezoldiging ontvangen van een buitenlandse overheid, beoogt « buitenlandse overheidsinmenging te allen tijde te weren » (ibid. p. 44) en houdt aldus eveneens rechtstreeks verband met het beheer van de temporaliën van de eredienst. B.11.3. Dat erkenningscriterium en die verplichting vallen bovendien niet onder de federale voorbehouden bevoegdheid inzake de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erediensten. Die bevoegdheid heeft immers slechts betrekking op wedden en pensioenen die worden beoogd in artikel 181, § 1, van de Grondwet, zijnde de wedden en pensioenen ten laste van de Staat. Zij strekt zich niet uit tot rechtstreekse of onrechtstreekse bezoldigingen van buitenlandse overheden. B.12. Beide erkenningscriteria respectievelijk verplichtingen voor het bestuur van de eredienst vallen derhalve onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest inzake de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 24 Wat betreft het vierde onderdeel van het enige middel, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de bevoegdheidverdelende regels B.13. In het vierde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 aan dat de artikelen 18 tot en met 27 van het bestreden decreet de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest te buiten gaan, in zoverre zij een « nieuwe Vlaamse informatie- en screeningdienst » oprichten met verregaande bevoegdheden. B.14. Krachtens artikel 18 van het bestreden decreet controleert de bevoegde instantie die de Vlaamse Regering aanwijst, 1) of de lokale geloofsgemeenschappen tijdens de wachtperiode de erkenningscriteria en administratieve verplichtingen opgenomen in artikel 7 en artikel 8, tweede lid, van dat decreet naleven, 2) of de lokale geloofsgemeenschappen de relevante erkenningscriteria uit artikel 7 naleven tijdens de verkorte procedure vermeld in artikel 67 van dat decreet, en 3) of de besturen van de eredienst voldoen aan de verplichtingen vermeld in hoofdstuk 3 van dat decreet. Krachtens artikel 19 van het bestreden decreet sluit de bevoegde instantie, om die opdrachten te vervullen, informatie-uitwisselingsakkoorden met andere overheidsinstanties en kunnen de personeelsleden daartoe een beroep doen op de bevoegdheden die vermeld zijn in de artikelen 20 tot en met 27 van hetzelfde decreet. De personeelsleden kunnen die bevoegdheden wel maar aanwenden om te controleren of een bestuur van de eredienst blijvend voldoet aan de verplichtingen vermeld in hoofdstuk 3 indien er ontvankelijk beoordeelde zwaarwichtige aanwijzingen van een tekortkoming aan die verplichtingen door een bestuur van de eredienst zijn. In dat geval wordt het representatief orgaan daarvan in kennis gesteld. Hoe dan ook kunnen de personeelsleden hun bevoegdheden maar aanwenden indien ze voor de uitoefening van het toezicht passend en noodzakelijk zijn. De artikelen 20 tot en met 27 van het bestreden decreet beschrijven tot slot de bevoegdheden waarover de personeelsleden kunnen beschikken. B.15. De bevoegdheid van de gewesten inzake de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten houdt tevens de bevoegdheid in om te 25 controleren of de lokale geloofsgemeenschappen voldoen aan de erkenningscriteria en aan de administratieve verplichtingen, alsook om toezicht uit te oefenen op de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. B.16. Door te voorzien in een instantie die nagaat of lokale geloofsgemeenschappen in aanmerking komen voor erkenning en of besturen van erkende erediensten voldoen aan hun verplichtingen, gaan de bestreden bepalingen de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest bijgevolg niet te buiten. Het vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. Wat betreft het eerste onderdeel van het enige middel, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de grondrechten B.17. In punt 2 van het eerste onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 aan dat het bestreden decreet de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, in zoverre de erkenningsvoorwaarden elke « buitenlandse ondersteuning en financiering » verbieden. B.18. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 21 van de Grondwet bepaalt : « De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking. 26 Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn ». Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften. 2. De vrijheid zijn godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid, zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan. 2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden. 3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen. 4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ». B.19.1. De vrijheid van godsdienst, die met name in artikel 19 van de Grondwet is gewaarborgd, omvat onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen zijn godsdienst tot uiting te brengen. Geloofsgemeenschappen bestaan traditioneel in de vorm van georganiseerde structuren. De deelname aan het leven van de geloofsgemeenschap is een uiting van de geloofsovertuiging 27 die de bescherming geniet van de vrijheid van godsdienst. Mede in het perspectief van de vrijheid van vereniging, houdt de vrijheid van godsdienst in dat de geloofsgemeenschap vreedzaam kan functioneren, zonder willekeurige inmenging van de overheid. De autonomie van de geloofsgemeenschappen is immers onmisbaar voor het pluralisme in een democratische samenleving en raakt derhalve de kern zelf van de vrijheid van godsdienst. Zij vertoont niet alleen een rechtstreeks belang voor de organisatie van de geloofsgemeenschap op zich, maar ook voor het daadwerkelijke genot van de vrijheid van godsdienst voor alle actieve leden van de geloofsgemeenschap. Indien de organisatie van het leven van de geloofsgemeenschap niet door artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn beschermd, zouden alle andere aspecten van de vrijheid van godsdienst van het individu hierdoor kwetsbaar worden (EHRM, grote kamer, 26 oktober 2000, Hassan en Tchaouch t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003098596, § 62; 26 april 2016, İzzettin Doğan e.a. t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD006264910, § 93). De in artikel 21, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van eredienst erkent diezelfde organisatorische autonomie van de godsdienstige gemeenschappen. Elke godsdienst is vrij zijn eigen organisatie in te richten. B.19.2. In zoverre zij het recht erkennen om hetzij alleen, hetzij met anderen zijn godsdienst tot uiting te brengen, hebben artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet, dat onder meer de vrijheid van godsdienst erkent. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen dan ook, in die mate, een onlosmakelijk geheel. Artikel 19 van de Grondwet verbiedt bovendien dat de vrijheid van eredienst aan preventieve beperkingen wordt onderworpen, maar niet dat misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheid worden gepleegd, worden bestraft. B.19.3. De vrijheid van godsdienst en eredienst staat niet eraan in de weg dat de overheid positieve maatregelen neemt waardoor de daadwerkelijke uitoefening van die vrijheid mogelijk wordt gemaakt. De regeling, door de bevoegde wetgever, van de erkenning van de plaatselijke geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten en van de verplichtingen van de 28 instellingen die zijn belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, kan worden geacht bij te dragen tot het effectieve genot van de vrijheid van eredienst. Het voorgaande belet evenwel niet dat dergelijke maatregelen moeten worden beschouwd als inmengingen in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. Dergelijke inmengingen zijn aanvaardbaar op voorwaarde dat zij maatregelen uitmaken die in een democratische samenleving nodig zijn om te voldoen aan een in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bedoelde dwingende maatschappelijke behoefte en op voorwaarde dat die maatregelen het voorwerp van een voldoende toegankelijke en precieze regeling uitmaken. Er dient een redelijk verband van evenredigheid te bestaan tussen het nagestreefde wettige doel, enerzijds, en de beperking van die vrijheid, anderzijds. Te dezen dient te worden nagegaan of aan die vereisten is voldaan. B.20.1. De bestreden bepalingen zijn geen preventieve beperkingen van de godsdienstvrijheid. Zij houden geen verbod in om een geloofsgemeenschap te vormen, maar voeren een bijkomende voorwaarde in om als lokale geloofsgemeenschap te worden erkend. Artikel 7, 3°, eerste zin, van het bestreden decreet bepaalt als erkenningscriterium dat de lokale geloofsgemeenschap noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning ontvangt als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan haar onafhankelijkheid. Artikel 17, § 1, eerste zin, van hetzelfde decreet bepaalt dat de besturen van de eredienst geen dergelijke buitenlandse financiering of ondersteuning mogen ontvangen. Zoals vermeld in B.10.1, bepalen de artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het bestreden decreet dat het niet hebben van bedienaars van de eredienst of vervangers die rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door een buitenlandse overheid een erkenningscriterium, respectievelijk, een verplichting voor het bestuur van de eredienst is. B.20.2. Een erkenning als lokale geloofsgemeenschap heeft aanzienlijke rechtsgevolgen. Zij brengt de oprichting van het bestuur van de eredienst, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zich mee en doet bovendien verscheidene verplichtingen voor de financierende overheid ontstaan, zoals de verplichting om in te staan voor de tekorten en de verplichting om bij te dragen bij investeringen in gebouwen van de eredienst. 29 De voorwaarden om als lokale geloofsgemeenschap te worden erkend, vormen een inmenging in het recht van de geloofsgemeenschappen om hun werking autonoom te regelen. B.20.3. Met die bepalingen beoogt de decreetgever buitenlandse inmenging in het bestuur van de eredienst te weren, zodat op die manier « geen maatschappijmodel kan worden gepromoot dat haaks staat op onze samenleving, waarbij de rechten en vrijheden van anderen in het gedrang komen », en de integratie en inclusie van de lokale geloofsgemeenschappen binnen de Vlaamse samenleving te bevorderen. Hij wil daarmee in het bijzonder ook het principe van de scheiding tussen kerk en staat waarborgen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020- 2021, nr. 854/1, p. 51) en verhinderen dat buitenlandse financiering en ondersteuning « een kanaal vormen waarlangs nationalistisch, polariserend, segregerend of extremistisch en fundamentalistisch gedachtegoed (politiek en religieus) uit het buitenland op actieve wijze wordt opgedrongen en gepropageerd in Vlaamse lokale geloofsgemeenschappen » (ibid., p. 44). Die doelstellingen zijn legitiem en strekken ertoe de rechten en vrijheden van anderen te beschermen in de zin van artikel 9, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 18, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.21. De inmenging dient evenwel ook te voldoen aan de in B.19.2 en B.19.3 vermelde vereisten van voorzienbaarheid en evenredigheid. De bestreden bepalingen viseren niet alle buitenlandse financiering of ondersteuning. Zij betreffen enkel buitenlandse financiering of ondersteuning « die afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap » en bezoldigingen voor bedienaars van de eredienst afkomstig van buitenlandse overheden. Voor het overige is buitenlandse financiering of ondersteuning toegestaan voor zover ze niet rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met terrorisme, extremisme, spionage of clandestiene inmenging (artikel 7, 3°, tweede zin, en artikel 17, § 1, tweede zin). De voorwaarde dat buitenlandse financiering of ondersteuning « afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap » is onvoldoende precies. De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat het begrip betrekking heeft op « buitenlandse financiering of ondersteuning die een dergelijke weerslag heeft op de erkenningszoekende 30 lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst dat deze niet op onafhankelijke wijze kan beslissen over de eigen organisatie, werking of beheer van de goederen of van de inkomsten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, p. 19). Noch die precisering, noch de « aanwijzingen van buitenlandse financiering of ondersteuning » (ibid., p. 51), die overigens niet uit de bestreden bepalingen zelf blijken, laten toe op voldoende voorzienbare wijze te bepalen welke buitenlandse financiering of ondersteuning is toegestaan. B.22. Er is op geen enkele wijze aangetoond dat de beperking van de buitenlandse financiering of ondersteuning van geloofsgemeenschappen, met inbegrip van het vereiste dat de bedienaars van de eredienst en hun vervangers niet rechtstreeks of onrechtstreeks worden bezoldigd door een buitenlandse overheid, in een redelijk verband van evenredigheid staat tot de vrijwaring van de democratische rechtsstaat die ermee wordt nagestreefd. Dat maatschappijmodel wordt gekenmerkt door een geheel van rechtsregels, zowel van burgerrechtelijke als van strafrechtelijke aard, waaraan ook de geloofsgemeenschappen en hun leden zijn onderworpen en die in geval van niet-naleving voor de rechter kunnen worden afgedwongen. De bijkomende voorwaarde dat buitenlandse financiering of ondersteuning geen afbreuk mag doen aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap is een onevenredige inmenging in de vrijheid van eredienst. B.23. Artikel 7, 3°, eerste zin, en 9°, artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het bestreden decreet schenden bijgevolg de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van de vrijheid van godsdienst en van eredienst. Artikel 7, 3°, eerste zin, en 9°, artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het bestreden decreet moeten worden vernietigd. 31 Wat betreft het tweede onderdeel van het enige middel B.24. In het tweede onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 aan dat de artikelen 7, 5°,
- b)en c), en 16, 3°,
- b)en c), van het bestreden decreet de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schenden, in zoverre die bepalingen het bestuursorgaan van de lokale geloofsgemeenschap een onevenredig zware rol van sociale controle toevertrouwen. B.25. Artikel 7, 5°,
- b)en c), van het bestreden decreet bevat als erkenningscriterium de vereisten dat de leden van het voorlopig bestuursorgaan, behalve bij incidentele overmacht, 1) alle redelijke inspanningen leveren om personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de organisatie en werking van het voorlopig bestuursorgaan, en 2) alle redelijke inspanningen ondernemen om personen die in door de lokale geloofsgemeenschap gebruikte lokalen en plaatsen aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de gebruikte lokalen en plaatsen. Artikel 16, 3°,
- b)en c), van hetzelfde decreet legt identieke verplichtingen op aan de leden van het bestuursorgaan van een erkende eredienst. Die bepalingen vormen een inmenging in de vrijheid van godsdienst en eredienst. B.26.1. De decreetgever streeft met de bestreden bepalingen een legitieme doelstelling na, namelijk de bescherming van de openbare veiligheid, de openbare orde en de rechten en vrijheden van anderen. Hij wil immers vermijden dat de lokalen en plaatsen van de lokale geloofsgemeenschap of het (voorlopig) bestuur een vrijhaven worden voor personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan. B.26.2. De bestreden bepalingen leggen de leden van het (voorlopig) bestuursorgaan slechts een inspanningsverbintenis op. Zij moeten redelijke inspanningen leveren om personen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden daarvan, te weren uit de werking en organisatie van het (voorlopig) bestuursorgaan 32 en, indien die handelingen hebben plaatsgevonden in de gebouwen en lokalen van de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk het bestuur van de eredienst, uit die lokalen en gebouwen. De draagwijdte van die inspanningsverbintenis is beperkt, aangezien op de leden van het (voorlopig) bestuursorgaan geen verplichting rust om die personen te weren uit de lokalen en plaatsen van de lokale geloofsgemeenschap indien zij alleen buiten die lokalen en plaatsen aanzetten tot discriminatie, haat of geweld. Evenmin zijn de leden van het (voorlopig) bestuursorgaan verplicht om op te treden tegen personen die andere handelingen stellen. Bijgevolg gaan de bestreden verplichtingen niet verder dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. B.27. Het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is niet gegrond. Wat betreft het derde onderdeel van het enige middel B.28. In het derde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7802 aan dat de artikelen 10 en 14, § 3, van het bestreden decreet de artikelen 19, 21 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schenden, in zoverre zij in een wachtperiode van minimaal vier jaar en maximaal vijf jaar voorzien. B.29.1. Artikel 27 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ». Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen. 33 2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ». B.29.2. De vrijheid van vereniging waarin artikel 27 van de Grondwet voorziet, heeft tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen. Zij impliceert het recht om zich te verenigen en de interne organisatie van de vereniging vrij te bepalen, maar ook het recht om zich niet te verenigen. In artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ligt eveneens het recht van eenieder besloten om verenigingen op te richten, om zich aan te sluiten bij bestaande verenigingen en om hun interne organisatie te bepalen teneinde de beide voormelde rechten te kunnen uitoefenen. B.29.3. De vrijheid van vereniging houdt geen recht in op een specifieke rechtsvorm of een bepaald publiekrechtelijk statuut, ook niet indien zij in samenhang wordt gelezen met de vrijheid van godsdienst (EHRM, 8 april 2014, Magyar Keresztény Mennonita Egyház e.a. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2014:0408JUD007094511, § 91). B.29.4. Artikel 27 van de Grondwet verbiedt elke preventieve maatregel. Andere overheidsinmengingen in de vrijheid van vereniging zijn toegelaten, voor zover zij hun grondslag vinden in een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig zijn met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. B.30. Krachtens artikel 10 van het bestreden decreet start een wachtperiode van vier jaar zodra het representatief orgaan de aanvraag tot erkenning van de lokale geloofsgemeenschap aan de Vlaamse Regering bezorgt. Krachtens artikel 14, § 3, van hetzelfde decreet kan de Vlaamse Regering de wachtperiode binnen de zestig dagen na het einde ervan verlengen met maximaal twaalf maanden. 34 B.31. De wachtperiode heeft volgens de decreetgever tot doel voldoende tijd in te bouwen in de erkenningsprocedure om de erkenningsaanvragen grondig te screenen en te toetsen, om gefundeerde adviezen in te winnen van de betrokken actoren, om een constructieve relatie op te bouwen met de lokale geloofsgemeenschap en om haar kennis te laten maken met de verplichtingen die na erkenning op haar zullen rusten. In de parlementaire voorbereiding wordt de bestreden maatregel als volgt verwoord : « De invoering van een wachtperiode van vier jaar heeft tot doel de erkenningsaanvragen grondig te screenen en te toetsen op de erkenningsverplichtingen, alsook een constructieve relatie op te bouwen met de betreffende lokale geloofsgemeenschap. De wachtperiode zorgt er ook voor dat alle betrokken actoren bij de erkenningsprocedure een gefundeerd advies kunnen geven. Op deze wijze kan er ook vertrouwen worden opgebouwd tussen de lokale geloofsgemeenschap en de lokale overheid, waarvan de Vlaamse Regering de essentiële rol in deze materie ten volle wil erkennen. […] Tijdens deze wachtperiode zal de lokale geloofsgemeenschap aan een aantal administratieve verplichtingen moeten voldoen, waaronder financiële rapportering en opstellen en bijhouden van een giftenregister. De lokale geloofsgemeenschap dient tijdens de wachtperiode te handelen alsof zij als het ware erkend is. Zo is de lokale geloofsgemeenschap reeds beter op de hoogte van welke verplichtingen na de erkenning op haar zullen rusten en hoe zij deze kan vervullen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, p. 11). B.32.1. Een erkenning als lokale geloofsgemeenschap heeft aanzienlijke rechtsgevolgen. Zij brengt immers de oprichting van het bestuur van de eredienst, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zich mee en doet bovendien verscheidene verplichtingen voor de financierende overheid ontstaan, zoals de verplichting om in te staan voor de tekorten en de verplichting om bij te dragen bij investeringen in gebouwen van de eredienst. Rekening houdend met die rechtsgevolgen zijn de wachttermijn van vier jaar en de eventuele verlenging ervan met twaalf maanden niet overdreven in het licht van de in B.31 vermelde doelstellingen. B.32.2. Daarenboven verhindert de wachtperiode niet dat de lokale geloofsgemeenschap reeds rechtspersoonlijkheid verwerft. Krachtens artikel 7, 1°, van het hetzelfde decreet mag de lokale geloofsgemeenschap elke juridische structuur hebben zolang die aangepast is aan het aangevraagde openbaar statuut en daar transparant over is. 35 B.33. Het derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is niet gegrond. Wat betreft het vierde onderdeel van het enige middel, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de grondrechten B.34.1. In het vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 voeren de verzoekende partijen vooreerst aan dat de artikelen 20, 21, eerste lid, 1° tot 3°, 22 en 23 van het bestreden decreet de artikelen 19, 21 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden, in zoverre zij verregaande bevoegdheden geven aan de personeelsleden van de bevoegde instantie. De verzoekende partijen werpen verder nog op dat de artikelen 20, 21, eerste lid, 1° tot 3°, 22 en 23 van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre zij, in tegenstelling tot wat het geval is voor andere rechtsonderhorigen, huiszoekingen toestaan bij lokale geloofsgemeenschappen en bij de besturen van de eredienst zonder voorafgaande tussenkomst van de onderzoeksrechter en zonder dat zij ervan verdacht worden een misdrijf te hebben gepleegd. B.34.2. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de grieven van de verzoekende partijen in wezen betrekking hebben op de bescherming van de woning, eventueel in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en op het recht op eerbiediging van godsdienst en eredienst. Het Hof onderzoekt eerst de grieven die betrekking hebben op de verenigbaarheid van artikel 20 van het bestreden decreet met het beginsel van de onschendbaarheid van de woning, vervolgens de grieven met betrekking tot de verenigbaarheid van de artikelen 20, 21, eerste lid, 1° tot 3°, 22 en 23 van het bestreden decreet met het recht op eerbiediging van het privéleven en met de vrijheid van godsdienst en eredienst. B.35.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 36 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.35.2. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.35.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992 1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.35.4. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. 37 Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens, van persoonlijke informatie en van de woning. B.35.5. Hoewel de onschendbaarheid van de woning, die eveneens wordt gewaarborgd door artikel 15 van de Grondwet, geïnterpreteerd in het licht van artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de diverse plaatsen beschermt die een persoon bewoont om er zijn verblijf of zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen, is die evenwel niet beperkt tot de plaatsen die voor privédoeleinden worden bewoond : het begrip « woning » moet immers in de ruime zin worden geïnterpreteerd en beoogt eveneens de ruimtes waar beroeps- en handelsactiviteiten worden uitgeoefend (zie. arresten van het EHRM, 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:1992:1216JUD001371088; 25 februari 1993, Funke t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1993:0225JUD001082884, Crémieux t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1993:0225JUD001147185, en Miailhe t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1993:1129JUD001266187; 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België, ECLI:CE:ECHR:2003:0715JUD003340096). De inmenging van de wetgever kan overigens groter zijn wanneer het gaat om beroeps- of handelsactiviteiten of om de ruimtes waar die activiteiten worden uitgeoefend (EHRM, 14 maart 2013, Bernh Larsen Holding AS e.a. t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2013:0314JUD002411708, § 104; 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:1992:1216JUD001371088, § 31). Het recht op de eerbiediging van het privéleven komt in zekere mate ook toe aan de rechtspersonen. In dat opzicht kunnen de maatschappelijke zetel, het agentschap of de professionele lokalen van een rechtspersoon in bepaalde omstandigheden worden beschouwd als zijn woning (EHRM, 16 april 2002, Société Colas Est e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003797197, § 41). B.35.6. De rechten die bij de artikelen 15 en 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en van de woning wordt voorgeschreven in een voldoende precieze wettelijke bepaling, beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de daarin nagestreefde wettige doelstelling. 38 B.36.1. Artikel 20 van het bestreden decreet geeft de personeelsleden van de bevoegde instantie het recht om zonder voorafgaande aankondiging de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst, de ruimtes en de infrastructuur die het bestuur van de eredienst gebruikt of die de lokale geloofsgemeenschap gebruikt tijdens de wachtperiode, met uitzondering van de gebouwen en ruimtes die exclusief bestemd zijn als private woning, te betreden. Hoewel het recht om de gebouwen en ruimtes te betreden die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst, valt onder het geheel van de regeling die bevoegdheden toekent aan de personeelsleden van de instantie die bevoegd is om de naleving na te gaan van de door het bestreden decreet opgelegde verplichtingen, vormt dat recht echter geen voorwaarde voor de uitoefening van de controlebevoegdheden opgesomd in de artikelen 21, eerste lid, 1° tot 3°, 22 en 23 van het bestreden decreet, die het recht op het vorderen van diverse inlichtingen regelen. Het recht vermeld in artikel 20 van het bestreden decreet staat dus los van de tenuitvoerlegging van de andere in het onderdeel van het middel beoogde bepalingen. B.36.2. Door aan de personeelsleden van de bevoegde instantie het recht toe te kennen om « zonder voorafgaande aankondiging toegang [te hebben] » tot de opgesomde gebouwen en ruimtes, met als enige uitzondering de gebouwen en ruimtes die exclusief bestemd zijn als private woning, kan de bestreden bepaling afbreuk doen aan de onschendbaarheid van de woning, gelet op de ruime draagwijdte van het begrip « woning » vermeld in B.35.5. Artikel 20 van het bestreden decreet moet dus worden geïnterpreteerd op een wijze die in overeenstemming is met de naleving van het beginsel van de onschendbaarheid van de woning, zodat de gebouwen die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst, de ruimtes en de infrastructuur die worden gebruikt door het bestuur van de eredienst, of door de lokale geloofsgemeenschap, moeten worden geacht te ressorteren onder het ruime toepassingsgebied van het begrip « woning ». B.36.3. Er dient te worden vastgesteld dat het recht om de in die bepaling opgesomde gebouwen en ruimtes « te betreden », zich ertoe beperkt te bepalen dat de uitoefening van dat recht, wanneer het op die gebouwen en ruimtes betrekking heeft, kan plaatshebben « zonder voorafgaande aankondiging », dus zonder de betrokkenen vooraf te hebben verwittigd. De 39 gebouwen en ruimtes die exclusief bestemd zijn als private woning vallen daarentegen geenszins onder het toepassingsgebied van artikel 20 van het bestreden decreet. Dat « recht om te betreden » heeft louter tot doel de naleving van de administratieve voorwaarden na te gaan die door het bestreden decreet zijn opgelegd, los van elk onderzoek naar of vermoeden van een inbreuk of van elke tenuitvoerlegging van een dwangmaatregel. Een dergelijke maatregel vormt geen huiszoeking beslist in het kader van een gerechtelijk onderzoek, noch zelfs een huisvisitatie, daar hij niet het voorwerp uitmaakt van enige voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter. Artikel 20 van het bestreden decreet maakt het bijgevolg en a fortiori de bevoegde personeelsleden niet mogelijk om zich met geweld of dwang toegang te verschaffen tot de gebouwen die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst, tot de ruimtes en de infrastructuur die het bestuur van de eredienst gebruikt of die de lokale geloofsgemeenschap gebruikt tijdens de wachtperiode, indien de betrokkenen hun medewerking niet hebben verleend. De bevoegde personeelsleden kunnen evenmin de personen bestraffen die de toegang tot die gebouwen en ruimtes zouden weigeren, maar enkel daarvan melding maken in hun advies omtrent de toekenning van de erkenning. B.37. Gelet op hetgeen is vermeld in B.36.2 en B.36.3, is het onderdeel van het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het recht op eerbiediging van de woning, niet gegrond. B.38. Thans moet worden nagegaan of artikel 20 van het bestreden decreet, alsook de artikelen 21, eerste lid, 1° tot 3°, 22 en 23 van het bestreden decreet het recht op eerbiediging van het privéleven en de vrijheid van godsdienst en eredienst in acht nemen. B.39.1. Artikel 21, 1° tot 3°, van hetzelfde decreet geeft de personeelsleden van de bevoegde instantie het recht om 1) de identiteit van personen op te nemen, 2) de voorlegging van officiële identiteitsdocumenten te vorderen, en 3) als de te identificeren personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen wordt getwijfeld, de identiteit te achterhalen met behulp van niet- officiële documenten die hun vrijwillig worden voorgelegd of met beeldmateriaal. 40 Artikel 22 van hetzelfde decreet geeft de personeelsleden het recht om inlichtingen te vorderen van iedere persoon die betrokken is bij of kennis heeft of kan hebben van de feiten die worden gecontroleerd. Artikel 23 van hetzelfde decreet maakt de personeelsleden van de bevoegde instantie bevoegd om, zonder voorafgaande aankondiging, de voorlegging te vorderen van alle informatie, documenten en infodragers, ze in te zien, en er kopie van te laten bezorgen of van te maken. Als kopiëren ter plaatse niet mogelijk is, hebben de personeelsleden op grond van die bepaling eveneens het recht om tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, de informatiedrager en documenten bij zich te houden of mee te nemen tijdens een periode die vereist is om ze te kopiëren of te onderzoeken. Die periode mag niet langer duren dan dertig dagen, tenzij personeelsleden van de bevoegde instantie de betrokkenen voor het verstrijken van die termijn de bijzondere redenen meedelen die een langere duur verantwoorden. B.39.2. Die controlebevoegdheden maken een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in de vrijheid van godsdienst en eredienst uit. B.40. De decreetgever heeft controlebevoegdheden toegekend aan de personeelsleden van de bevoegde instantie om te kunnen controleren of het bestuur van de eredienst of de lokale geloofsgemeenschap tijdens de wachtperiode voldoet aan de door het bestreden decreet opgelegde verplichtingen. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Deze bevoegdheden moeten de bevoegde instantie voldoende daadkracht geven om zelf noodzakelijke inlichtingen te kunnen verzamelen over de besturen van de eredienst en de lokale geloofsgemeenschappen tijdens de wachtperiode. Deze bevoegdheden zijn noodzakelijk om alle vereiste informatie vanuit veiligheids-, bestuurlijk- en samenlevingsperspectief te kunnen vervolledigen, vergelijken en blijvend actualiseren. De bevoegde instantie moet kunnen verifiëren dat de informatie die de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschappen en de besturen van de eredienst meedelen correct en volledig zijn. De toegekende bevoegdheden zijn nodig opdat de bevoegde instantie in staat zou zijn om een grondig en adequaat onderzoek te kunnen verrichten en de feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven te kunnen verifiëren en vaststellen. De toekenning van deze bevoegdheden aan de bevoegde instantie is ook nodig om een gefundeerd advies te kunnen formuleren aan de Vlaamse Regering omtrent de naleving van de verplichtingen door de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschappen en de besturen van de eredienst. Deze bevoegdheden beschermen ook de erkenningszoekende lokale 41 geloofsgemeenschappen en besturen van de erediensten tegen informatie die foutief over hen wordt verspreid » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, pp. 13-14). B.41.1. De uitoefening van de controlebevoegdheden is aan verschillende beperkingen onderworpen. Zoals in B.14 is vermeld, mogen de personeelsleden van de bevoegde instantie hun bevoegdheden slechts aanwenden om te controleren of lokale geloofsgemeenschappen tijdens de wachtperiode voldoen aan de verplichtingen vermeld in artikel 7 en artikel 8, tweede lid, van het bestreden decreet, om te controleren of de lokale geloofsgemeenschappen die gebruikmaken van de verkorte procedure voldoen aan de verplichtingen vermeld in artikel 7, 1° tot 9°, van het bestreden decreet, en om te controleren of de besturen van de eredienst voldoen aan de verplichtingen vermeld in hoofdstuk 3 van het bestreden decreet indien er ontvankelijk beoordeelde zwaarwichtige aanwijzingen van een tekortkoming door een bestuur van de eredienst aan die verplichtingen zijn. Zij mogen bovendien hun bevoegdheden slechts aanwenden indien ze voor de uitoefening van het toezicht passend en noodzakelijk zijn. Zij mogen voorts krachtens artikel 18, laatste lid, van het bestreden decreet een aan de gang zijnde eredienst niet verstoren of onderbreken. B.41.2. De personeelsleden van de bevoegde instantie kunnen de personen die niet meewerken voorts niet sanctioneren. De bevoegde instantie kan hoogstens daarvan melding maken in haar advies over de toekenning van de erkenning of, indien er reeds een erkenning is, aansturen op de sanctionering van het bestuur van de eredienst overeenkomstig hoofdstuk 5 van het bestreden decreet. Zoals is vermeld in B.36.3, kunnen de personeelsleden van de bevoegde instantie zich evenmin met dwang toegang verschaffen tot de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst en de ruimtes en de infrastructuur die het bestuur van de eredienst gebruikt of die de lokale geloofsgemeenschap gebruikt tijdens de wachtperiode. Wanneer de personeelsleden van de bevoegde instantie de grenzen van hun onderzoeksbevoegdheid overschrijden, maken zij zich schuldig aan machtafwending of machtsoverschrijding. Het staat aan de bevoegde rechter om dat in voorkomend geval passend te sanctioneren. 42 B.42. Gelet op hetgeen voorafgaat en rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.36.2 en B.36.3, zijn de controlebevoegdheden die zijn vermeld in de artikelen 20, 21, 1° tot 3°, 22 en 23 van het bestreden decreet niet strijdig met het recht op eerbiediging van het privéleven en de vrijheid van godsdienst en eredienst. B.43. Rekening houdend met hetgeen in B.36.2 en B.36.3 is vermeld, is het vierde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van het recht op eerbiediging van het privéleven, de vrijheid van godsdienst en eredienst, en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Wat betreft het vijfde onderdeel van het enige middel B.44. In het vijfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 10 en 14, § 3, van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre de wachtperiode ertoe leidt dat de nog niet erkende moskeeën riskeren in de onmogelijkheid te verkeren een imam aan te werven of hun imam te behouden, daar de imams die hun functie in België uitoefenen « onveranderlijk personen van buitenlandse afkomst [zijn], die in het buitenland zijn opgeleid en een verblijfsvergunning krijgen om hun functie van imam te kunnen uitoefenen » en daar de federale Regering enkel een tijdelijke verblijfstitel toekent aan de imams die hun functie uitoefenen in een erkende moskee. B.45.1. Uit het overzicht van de nationaliteiten van de islamitische bedienaars van de eredienst die opgenomen zijn in reeds ingediende erkenningsaanvragen, en uit drie erkenningsaanvragen die de Vlaamse Regering bij haar memorie van wederantwoord heeft gevoegd, blijkt dat de veronderstelling waarop de grief van de verzoekende partijen berust, feitelijk onjuist is. Uit die stukken blijkt immers dat verscheidene islamitische lokale geloofsgemeenschappen beschikken over een imam die de Belgische nationaliteit heeft. Het bekritiseerde verschil in behandeling is dan ook onbestaande. B.45.2. Overigens zou een dergelijk verschil in behandeling niet toe te schrijven zijn aan de bestreden bepalingen, maar aan de praktijk van de federale Regering om enkel een tijdelijke 43 verblijfstitel toe te kennen aan imams die hun functie uitoefenen in een erkende moskee. De toetsing van een dergelijke praktijk valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. B.46. Het vijfde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is niet gegrond. Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 7805 B.47. De verzoekende partij in de zaak nr. 7805 voert in een enig middel aan dat artikel 67 van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, schendt, in zoverre het bij wijze van overgangsmaatregel voorziet in een verkorte erkenningsprocedure voor aanvragen die bij het representatief orgaan zijn ingediend vóór 1 juli 2019, die geen vierjarige wachtperiode bevat en die tot erkenning kan leiden zonder dat aan alle verplichtingen vermeld in de artikelen 7 tot en met 15 is voldaan. De verzoekende partij wijst voorts erop dat de artikelen 18, eerste lid, 2°, en 47, § 2, 7°, en § 3, 7°, van hetzelfde decreet onlosmakelijk verbonden zijn met artikel 67 en bijgevolg ook zouden moeten worden vernietigd. B.48.1. Artikel 67 van het bestreden decreet bepaalt : « § 1. In afwijking van hoofdstuk 2 kunnen de lokale geloofsgemeenschappen die conform artikel 3, § 1, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 juli 2008 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 27 mei 2004 tussen de Federale Overheid, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de erkenning van de erediensten, de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten, de kerkfabrieken en de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten een aanvraag tot erkenning bij het representatief orgaan hebben ingediend voor 1 juli 2019 erkend worden met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 6. § 2. Het representatief orgaan bezorgt binnen één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet een geactualiseerd dossier aan de Vlaamse Regering dat, op straffe van onontvankelijkheid, al de volgende gegevens en documenten bevat : 1° de identificatie van de lokale geloofsgemeenschap: de naam en de denominatie van de lokale geloofsgemeenschap; 44 2° in voorkomend geval de huidige juridische structuur, de naam, het adres, statuten en het nummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen; 3° de gebiedsomschrijving, namelijk de duidelijke aanwijzing van het territoriale werkingsgebied van de lokale geloofsgemeenschap : de naam van de gemeente(
- n)of van de delen ervan; 4° de vermelding van de financierende overheid en in voorkomend geval een voorstel van verdeelsleutel van de kosten tussen de financierende overheden; 5° het adres van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst en het adres van alle andere infrastructuur die de lokale geloofsgemeenschap gebruikt; 6° voor- en achternaam, adres, rijksregisternummer, e-mailadres, telefoonnummer, nationaliteit, geboortedatum en geslacht van de personen die, als de lokale geloofsgemeenschap wordt erkend, conform artikel 15 aangesteld worden als leden van het tijdelijk voltallig bestuursorgaan en voor elk van hen, een uittreksel uit het strafregister, conform artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat niet ouder is dan negentig dagen. Het tijdelijk voltallig bestuursorgaan treedt tijdens de procedure, vermeld in dit artikel, eveneens op als bestuursorgaan van de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap. Als er tussentijdse wijzigingen zij