← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.119

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.119 Arrest- Rolnummer: 119/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-09-25 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-06-14 19:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door een onderzoeksrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht - Gebruik der talen in gerechtszaken - Taal van de procedure - Wijziging van de taal in de loop van het gerechtelijk onderzoek - Vertaling van de essentiële documenten van het dossier Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 119/2023 van 14 september 2023 Rolnummer : 7844 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door een onderzoeksrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter T. Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van rechter T. Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 7 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juli 2022, heeft een onderzoeksrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het enkel aan de personen die de taal van de procedure niet verstaan, de mogelijkheid biedt om de vertaling te verkrijgen van stukken die niet in die taal zijn opgesteld ? ». Memories zijn ingediend door : - C.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Pelgrims, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 31 mei 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters K. Jadin en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 14 juni 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 14 juni 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij verzoekschrift dat op 3 juni 2022 is neergelegd, vraagt C.M. dat de stukken van het dossier van het gerechtelijk onderzoek die in het Nederlands zijn opgesteld, worden vertaald in het Frans. In de verwijzingsbeslissing geeft de verwijzende onderzoeksrechter aan dat C.M. burgerlijke partij is en merkt hij op dat artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) erin voorziet dat een verzoek om vertaling kan worden ingediend door de verdachte, de beklaagde, de veroordeelde of de burgerlijke partij « die de taal van de procedure niet verstaat ». Hij stelt vast dat de taal van de procedure te dezen het Frans is en dat C.M. die taal verstaat. Hij leidt daaruit af dat C.M. geen recht heeft om de vertaling te verkrijgen van de stukken die in een andere taal zijn opgesteld. Hij staat stil bij het onderscheid dat aldus wordt doorgevoerd tussen de personen die de taal van de procedure spreken en die welke een andere taal dan die van de procedure spreken. Hij stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad brengt allereerst de draagwijdte van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in herinnering. Hij merkt eveneens op dat uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, op zich niet discriminerend is; het zou dat enkel zijn indien het een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich mee zou brengen. De Ministerraad stelt vast dat in de prejudiciële vraag de personen die de taal van de procedure kennen en die welke de taal van de procedure niet kennen, met elkaar worden vergeleken. Volgens hem zijn die twee categorieën van personen niet vergelijkbaar. Verwijzend naar de artikelen 12, 32, 33, 35 en 37 van de wet van 15 juni 1935, doet de Ministerraad gelden dat die wet erin voorziet dat de essentiële documenten worden opgesteld in de taal van de procedure. Hij leidt daaruit af dat de personen die de taal van de procedure verstaan, kennis kunnen nemen van de essentiële stukken van het dossier, zodat zij in beginsel geen vertaling nodig hebben. Volgens hem bevinden de personen die de taal van de procedure niet kennen, zich daarentegen in een fundamenteel verschillende situatie, aangezien zij de inhoud van de desbetreffende documenten niet begrijpen. Hij beklemtoont dat verschillende bepalingen aan die personen bijgevolg het recht op vertaling waarborgen van een reeks essentiële stukken; hij verwijst in dat verband naar de artikelen 145, 164, 182, 216quater, 223, 275 en 285 van het Wetboek van strafvordering en naar de in het geding zijnde bepaling, die betrekking heeft op de vertaling van andere documenten dan die welke in dat Wetboek worden beoogd. Vervolgens doet hij gelden dat er tussen de twee vergeleken categorieën van personen geen verschil in behandeling bestaat. Verwijzend naar artikel 22, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935, alsook naar de 3 parlementaire voorbereiding, beklemtoont hij dat het recht op vertaling dat wordt toegekend aan de personen die de taal van de procedure niet verstaan, enkel betrekking heeft op de essentiële stukken en niet op het volledige dossier. Hij vestigt de aandacht op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke het recht op een eerlijk proces niet vereist dat alle stukken van het strafdossier worden vertaald. Hij besluit dat, niettegenstaande de weg die is gevolgd om het doel van de wetgever te verwezenlijken, het resultaat identiek is, aangezien beide vergeleken categorieën van personen hun rechten die passen in het kader van een eerlijk proces, op nuttige wijze kunnen uitoefenen. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat, gesteld dat er een verschil in behandeling tussen de twee vergeleken categorieën van personen zou bestaan, met dat verschil een legitiem doel wordt nagestreefd en dat het evenredig is. Volgens hem heeft de wetgever geprobeerd een evenwicht te vinden tussen doelstellingen die a priori tegenstrijdig lijken, door ervoor te zorgen, enerzijds, dat de partijen het dossier voldoende kunnen kennen om hun rechten op nuttige wijze uit te oefenen en, anderzijds, dat zulks geen onredelijke last voor de Staat met zich meebrengt. Verwijzend naar het arrest van het Hof nr. 1/2006 van 11 januari 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.001), beklemtoont de Ministerraad dat de personen die de taal van de procedure verstaan, steeds, op hun kosten, kunnen verzoeken om een officiële vertaling van de documenten die in een andere taal dan die van de procedure zijn opgesteld en, in voorkomend geval, rechtsbijstand kunnen genieten teneinde de diensten van een vertaler te verkrijgen. A.
  2. C.M. preciseert allereerst dat zij, in tegenstelling tot hetgeen in de verwijzingsbeslissing wordt aangegeven, geen burgerlijke partij is maar de vervolgde persoon. Bovendien geeft zij aan dat het gerechtelijk onderzoek is aangevat in het Nederlands, dat zij vervolgens heeft verzocht om de taal van de procedure te veranderen naar het Frans en dat dat verzoek werd ingewilligd bij een op 9 december 2021 gewezen beschikking van de raadkamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Vervolgens verwijst C.M. naar de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 « betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures » (hierna : de richtlijn 2010/64/EU), waarvan artikel 3 betrekking heeft op het recht op vertaling van essentiële processtukken voor beklaagden die de taal van de strafprocedure niet verstaan. Daarenboven leidt C.M. uit het voormelde arrest van het Hof nr. 1/2006 af dat de stukken van een dossier worden verondersteld te zijn opgesteld in de taal van de procedure. In hoofdorde doet C.M. gelden dat, indien de in het geding zijnde bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het de partij die de nieuwe taal van de procedure verstaat ingevolge een wijziging van de taal van de procedure, mogelijk maakt om de vertaling te verkrijgen van stukken die in de oorspronkelijke taal van de procedure zijn opgesteld, de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij doet gelden dat de wijziging van de taal van de procedure contraproductief zou zijn indien zij aan de vervolgde persoon het recht zou ontzeggen om de vertaling te verkrijgen van de stukken die in de vroegere taal van de procedure zijn opgesteld. Volgens haar dient de in het geding zijnde bepaling dus in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij betrekking heeft op de persoon die niet de taal verstaat die de taal van de procedure was op het ogenblik dat de stukken werden opgesteld. Nog steeds volgens haar zouden, bij gebrek aan een dergelijke interpretatie, alle stukken moeten worden geweerd die zijn opgesteld in een andere taal dan die welke van toepassing is na de wijziging van de taal van de procedure. In ondergeschikte orde doet C.M. gelden dat, indien de in het geding zijnde bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij verhindert om het verzoek om vertaling van stukken in te willigen om reden dat de partij de nieuwe taal van de procedure verstaat ingevolge een wijziging van de taal van de procedure, de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU, met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het algemene beginsel van de rechten van verdediging. C.M. doet gelden dat de vervolgde persoon, in een dergelijke interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, wordt verplicht te kiezen tussen het begrijpen van de procedurestukken zonder de rechter te verstaan of vice versa. Volgens haar doet de in het geding zijnde bepaling, in een dergelijke interpretatie, afbreuk aan de rechten van verdediging en doet zij een onverantwoord verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, de vervolgde persoon die de nieuwe taal van de procedure verstaat ingevolge een wijziging van de taal van de procedure maar die de stukken die vóór die taalwijziging werden opgesteld, niet begrijpt, en, anderzijds, de vervolgde persoon die geen wijziging van de taal van de procedure heeft verkregen en die de procedurestukken niet begrijpt. A.
  3. De Ministerraad antwoordt dat de argumentatie die hij in zijn memorie heeft uiteengezet, pertinent blijft, ook al zou C.M. de hoedanigheid van vervolgde persoon hebben. Hij voegt eraan toe dat de prejudiciële 4 vraag, zoals zij is geformuleerd, betrekking heeft op de vertaling van alle stukken van het dossier en niet enkel op de vertaling van de stukken die vóór de wijziging van de taal van de procedure werden opgesteld. Volgens hem bakent het feit dat er te dezen een wijziging van de taal van de procedure zou zijn geweest, de draagwijdte van de prejudiciële vraag af. Bovendien beklemtoont hij dat de twee categorieën van personen die dan te dezen met elkaar zouden moeten worden vergeleken, enerzijds, de vervolgde persoon die de nieuwe taal van de procedure verstaat ingevolge een wijziging van de taal van de procedure en, anderzijds, de vervolgde persoon die geen wijziging van de taal van de procedure heeft verkregen en die de stukken van het dossier niet begrijpt, zouden zijn. In hoofdorde verzoekt de Ministerraad om de zaak terug te zenden naar de verwijzende onderzoeksrechter. Volgens hem is de verwijzingsbeslissing onvoldoende met redenen omkleed opdat het Hof zijn toetsing zou kunnen uitoefenen, aangezien de verwijzingsbeslissing

(1)wordt tegengesproken door de memorie van C.M. met betrekking tot haar procedurele rol,
(2)niet vermeldt of een wijziging van de taal van de procedure te dezen zou hebben plaatsgevonden en
(3)niet de stukken identificeert waarop het verzoek om vertaling betrekking heeft. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat, in het licht van de memorie van C.M. - die zou inhouden dat de prejudiciële vraag wordt geherformuleerd, hetgeen de partijen niet vermogen te doen -, dient te worden geantwoord dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens hem zou de in het geding zijnde bepaling, indien de vervolgde persoon zich in de onmogelijkheid zou bevinden om de vertaling te verkrijgen van de stukken die vóór de wijziging van de taal van de procedure zijn opgesteld, in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij betrekking heeft op de persoon die niet de taal verstaat die de taal van de procedure was op het ogenblik dat de stukken werden opgesteld. Hij beklemtoont dat, in die interpretatie, de in het geding zijnde bepaling, het de partij die de nieuwe taal van de procedure verstaat ingevolge een wijziging van de taal van de procedure, mogelijk maakt om de vertaling te verkrijgen van stukken die in de vroegere taal van de procedure zijn opgesteld. -B- B.
  1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). Zoals vervangen bij artikel 16 van de wet van 28 oktober 2016 « houdende verdere omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ » (hierna : de wet van 28 oktober 2016), bepaalt artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 : « De verdachte, de beklaagde, de veroordeelde of de burgerlijke partij die de taal van de procedure niet verstaat, kan de onderzoeksrechter of het openbaar ministerie, naargelang van de stand van de procedure, verzoeken om de vertaling naar een taal die hij of zij verstaat van andere documenten dan deze waarvan reeds in de vertaling wordt voorzien in het Wetboek van strafvordering. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt neergelegd op de griffie van de 5 rechtbank van eerste aanleg of op het secretariaat van het parket en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. Het verzoekschrift is enkel ontvankelijk indien de stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd, erin worden vermeld en het ondertekend is door de betrokkene of door zijn advocaat. De onderzoeksrechter of het openbaar ministerie doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. De met redenen omklede beslissing wordt per faxpost, bij een ter post aangetekende brief of langs elektronische weg ter kennis gebracht van de verzoeker of van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing. Het verzoek kan geheel of gedeeltelijk worden toegestaan. De vertaling wordt beperkt tot de passages van het dossier die essentieel zijn om te waarborgen dat de verzoeker zijn rechten effectief kan uitoefenen. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. Het verzoekschrift is niet meer ontvankelijk na verloop van acht dagen, hetzij na de betekening van het arrest tot verwijzing naar het hof van assisen of van de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank zitting houdend in eerste aanleg, hetzij na de oproeping bij proces-verbaal overeenkomstig artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering. Hetzelfde recht wordt erkend, voor de rechtscolleges in hoger beroep, voor stukken waar nog geen vertaling voor werd gevraagd. De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat ». B.2.
  2. Uit de procedurestukken blijkt dat de situatie voor de verwijzende onderzoeksrechter, een gerechtelijk onderzoek betreft dat in het Nederlands werd aangevat. Op grond van artikel 16, § 2, van de wet van 15 juni 1935 heeft de verdachte persoon verzocht om de taal van de procedure te veranderen naar het Frans. De raadkamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft dat verzoek ingewilligd. De verdachte persoon vraagt de verwijzende onderzoeksrechter dat de stukken van het dossier van het gerechtelijk onderzoek die in het Nederlands zijn opgesteld, voortaan worden vertaald in het Frans. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.2.
  3. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en uit hetgeen in B.2.1 is vermeld, blijkt dat het Hof, enerzijds, de verdachten die de taal van de procedure niet verstaan en, anderzijds, de verdachten die de oorspronkelijke taal van de procedure niet verstaan en die, ingevolge een wijziging van de taal van de procedure in de loop van het gerechtelijk onderzoek, de nieuwe taal van de procedure verstaan, met elkaar dient te vergelijken. De verdachten die tot de eerste categorie behoren, kunnen op grond van de in het geding zijnde bepaling verzoeken om de vertaling van de essentiële documenten van het dossier. In de interpretatie van de 6 verwijzende onderzoeksrechter kunnen de verdachten die tot de tweede categorie behoren, op grond van de in het geding zijnde bepaling niet verzoeken om de vertaling van de essentiële documenten van het dossier die in de oorspronkelijke taal van de procedure werden opgesteld. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van dat verschil in behandeling met het door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
  4. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  5. Zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 oktober 2016 wordt aangegeven (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-2029/001, pp. 24-29 en pp. 42-43), draagt de in het geding zijnde bepaling onder meer bij tot het omzetten van de artikelen 3 en 4 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 « betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures », die ertoe strekken aan de verdachten en aan de beklaagden die de taal van de strafprocedure niet verstaan, het recht te waarborgen op de kosteloze vertaling van de processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat zij hun recht van verdediging kunnen uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. B.
  6. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 oktober 2016 wordt niet de kwestie aangesneden van hoe de woorden « die de taal van de procedure niet verstaat » die in het eerste lid van de in het geding zijnde bepaling worden gebruikt, moeten worden geïnterpreteerd, wanneer de taal van de procedure wordt gewijzigd in de loop van het gerechtelijk onderzoek met toepassing van artikel 16, § 2, van de wet van 15 juni
  7. 7 Zoals de partijen opmerken, moet de in het geding zijnde bepaling, in een dergelijke situatie, in die zin worden geïnterpreteerd dat zij betrekking heeft op de verdachte die niet de taal verstaat die de taal van de procedure was op het ogenblik waarop de essentiële documenten waarvan de vertaling wordt gevraagd, werden opgesteld. In die interpretatie kan op grond van de in het geding zijnde bepaling de verdachte die de oorspronkelijke taal van de procedure niet verstaat en die, ingevolge een wijziging van de taal van de procedure in de loop van het gerechtelijk onderzoek met toepassing van artikel 16, § 2, van de wet van 15 juni 1935, de nieuwe taal van de procedure verstaat, verzoeken om de vertaling van de essentiële documenten van het dossier die, vóór die taalwijziging, in de oorspronkelijke taal van de procedure werden opgesteld. B.
  8. Daaruit volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling onbestaande is. B.
  9. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 september
  10. De griffier, De wnd. voorzitter, N. Dupont T. Giet PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.119 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.