id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.121 Arrest- Rolnummer: 121/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-09-25 Raadplegingen: 540 - laatst gezien 2026-06-14 19:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 54 van de wet van 18 mei 2022, in zoverre het artikel 25, § 1, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 « betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » vervangt) - Verwerping van de beroepen voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 29 januari 2022 « tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » en tot vernietiging van de artikelen 54 en 55, 2°, van de wet van 18 mei 2022 « houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid », ingesteld door de « Fédération des Mutualités Socialistes du Luxembourg », en het beroep tot vernietiging van artikel 54 van de voormelde wet van 18 mei 2022, ingesteld door Thierry Chamberland. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Landsbonden - Versterking van de controlemechanismen die ten aanzien van een ziekenfonds worden toegepast door de landsbond - Autonomie van de ziekenfondsen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 121/2023 van 14 september 2023 Rolnummers : 7851 en 7895 (versie ingevolge de beschikking tot verbetering van 4 oktober 2023) In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 29 januari 2022 « tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » en tot vernietiging van de artikelen 54 en 55, 2°, van de wet van 18 mei 2022 « houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid », ingesteld door de « Fédération des Mutualités Socialistes du Luxembourg », en het beroep tot vernietiging van artikel 54 van de voormelde wet van 18 mei 2022, ingesteld door Thierry Chamberland. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter T. Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van rechter T. Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 september 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 september 2022, heeft de « Fédération des Mutualités Socialistes du Luxembourg », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. De Baerdemaeker, Mr. E. Van Nuffel en Mr. E. Vauthier, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 29 januari 2022 « tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » en van de artikelen 54 en 55, 2°, van de wet van 18 mei 2022 « houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid » (bekendgemaakt respectievelijk in het Belgisch Staatsblad van 2 maart 2022 en 30 mei 2022). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 november 2022, heeft Thierry Chamberland, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. De Baerdemaeker, Mr. E. Van Nuffel en Mr. E. Vauthier, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 54 van de voormelde wet van 18 mei 2022. 2 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7851 en 7895 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers, Mr. M. Kerkhofs en Mr. J. Duval, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 31 mei 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 14 juni 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 14 juni 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft het beroep in de zaak nr. 7851 A.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7851 verantwoordt haar belang om in rechte te treden met het feit dat de bestreden bepalingen haar werking beïnvloeden, dat zij haar aan controlemechanismen onderwerpen en dat zij haar autonomie aantasten. A.1.2. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden niet. Wat betreft het beroep in de zaak nr. 7895 A.2.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7895 stelt dat zij met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen door de « Mutualité socialiste du Luxembourg », waar zij directiefuncties uitoefent, namelijk de functies van penningmeester en adjunct-secretaris. Op 23 december 2021 heeft de raad van bestuur van dat ziekenfonds haar mandaat hernieuwd voor een duur van zes jaar. Volgens de verzoekende partij zal artikel 25 van de wet van 6 augustus 1990 « betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » (hierna : de wet van 6 augustus 1990), zoals het bij artikel 54 van de wet van 18 mei 2022 « houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid » (hierna : de wet van 18 mei 2022) werd vervangen, hoewel dat momenteel niet op haar van toepassing is, wel op haar van toepassing zijn vanaf de volgende hernieuwing van haar mandaat. De verzoekende partij doet gelden dat zij de intentie heeft om de hernieuwing van haar mandaat te vragen. Zij is van mening dat de bestreden bepaling haar rechtspositie grondig zou wijzigen bij de hernieuwing van haar mandaat, zodat zij een belang heeft om in rechte te treden. 3 A.2.2. De Ministerraad voert aan dat het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden noch actueel, noch zeker is, aangezien zij slechts aan de bestreden bepaling onderworpen zou kunnen zijn indien haar mandaat werd hernieuwd en voor zover zij daarom heeft verzocht. A.2.3. De verzoekende partij antwoordt dat het belang om in rechte te treden zijn beperking vindt in de actio popularis, zodat een beroep slechts onontvankelijk moet worden verklaard indien het niet het particuliere belang van de verzoekende partij dient, maar het belang van alle burgers. Zij merkt op dat zulks te dezen niet het geval is, aangezien zij momenteel directiefuncties uitoefent binnen de « Mutualité socialiste du Luxembourg », en dat die functies moeten worden hernieuwd. A.2.4. De Ministerraad repliceert dat de bestreden bepaling van toepassing is op de persoon die is belast met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur van het ziekenfonds. Het mandaat waarover de verzoekende partij beschikt en dat zij graag hernieuwd zou zien, heeft betrekking op een andere directiefunctie, zodat zij niet doet blijken van een belang bij het vernietigingsberoep. Hoewel het juist is dat de bestreden bepaling, voor het ziekenfonds, in de mogelijkheid voorziet om de toepassing van de regeling uit te breiden tot de personen die andere leidinggevende functies uitoefenen, moeten de statuten van de landsbond uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorzien. In de statuten van het « Nationaal verbond van socialistische mutualiteiten » wordt hierover echter met geen woord gerept. Indien de statuten een dergelijk beding zouden bevatten, zou de eventuele inbreuk op het recht op arbeid van de verzoekende partij bovendien daaruit en niet uit de bestreden bepaling voortvloeien. Daaruit volgt dat het belang van de verzoekende partij hypothetisch is. Ten gronde Wat betreft de zaak nr. 7851 A.3. Het enige middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De grieven van de verzoekende partij zijn gericht tegen de artikelen 3, 5, 3°, 6, 7, 9, eerste lid, en 13, 1° en 2°, van de wet van 29 januari 2022 « tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » (hierna : de wet van 19 januari 2022) en tegen de artikelen 54 en 55, 2°, van de wet van 18 mei 2022. De verzoekende partij deelt haar middel op in zes grieven. Een van de grieven heeft betrekking op alle bestreden bepalingen, terwijl de andere grieven tegen specifieke bepalingen zijn gericht. De autonomie van de ziekenfondsen A.4.1. De verzoekende partij doet in het algemeen gelden dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de vrijheid van vereniging, aangezien zij de beslissingsbevoegdheid van het ziekenfonds overhevelen naar de landsbond van ziekenfondsen (hierna : de landsbond), en zo de autonomie van de ziekenfondsen op het gebied van organisatie en besluitvorming, die een van de onderdelen van de vrijheid van vereniging is, volkomen doen verdwijnen. Zij voert aan dat de bestreden bepalingen, onder het voorwendsel doelstellingen te willen bereiken die erin bestaan het bestuur te verbeteren en de controles op de ziekenfondsen uniform te maken, in werkelijkheid tot doel hebben om de ziekenfondsen te herleiden tot de functie van agent van de landsbonden van ziekenfondsen, door hen hun beslissingsautonomie te ontnemen. A.4.2. De verzoekende partij meent dat uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt dat in het licht van de vrijheid van vereniging niet kan worden aanvaard dat de overheid, zij het onder het mom van voorwaarden voor de erkenning en voor de toekenning van subsidies, regels vaststelt die het bestaan, de organisatie en de werking van privaatrechtelijke verenigingen grondig wijzigen of, wat de activiteiten van die verenigingen betreft, zulke beperkingen oplegt dat zij – omdat zij geen andere keuze zouden hebben dan loutere uitvoerders van het beleid van de overheid te worden – in hun wezen zelf zouden worden aangetast (RvSt, advies nr. 25.290/9 van 25 september 1996; zie ook de adviezen nrs. 52.653/2 van 14 januari 2013 en 62.625/4/VR van 13 februari 2018). De afdeling wetgeving van de Raad van State is ook van mening dat een regeling van bestuurlijk toezicht niet mogelijk is ten aanzien van een privaatrechtelijke rechtspersoon (RvSt, advies nr. 33.892/4 van 4 2 december 2002) en dat de invoering van een vervangend toezicht ertoe zou leiden dat het juridisch stelsel van de vereniging zonder winstoogmerk grondig wordt aangetast, zodat het afbreuk doet aan de vrijheid van vereniging, zelfs wanneer het wordt ingevoerd in het kader van een controle op het gebruik van de subsidies of op de naleving van de statuten (RvSt, advies nr. 60.694/4 van 18 januari 2017). De verzoekende partij herinnert ook eraan dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat een koninklijk besluit dat erin voorzag dat de ziekenfondsen 75 000 leden moesten tellen om erkend te worden, op onevenredige wijze afbreuk deed aan de vrijheid van vereniging van die ziekenfondsen en dat de loutere verwijzing naar de consensus van de sector – die in het Toekomstpact met de verzekeringsinstellingen (hierna : het Toekomstpact) werd gegoten, dat met name door de landsbonden van ziekenfondsen op 28 november 2016 werd ondertekend – niet volstaat om die afbreuk te verantwoorden (RvSt, 14 juni 2021, nr. 250.894). Zij meent dat dat standpunt werd bevestigd door de afdeling wetgeving van de Raad van State in een advies over een voorontwerp van wet met een soortgelijk doel (RvSt, advies nr. 70.026/1/2/3 van 28 september 2021). A.4.3. De verzoekende partij erkent weliswaar dat de opdrachten die aan de ziekenfondsen worden toevertrouwd en de financiering ervan kunnen verantwoorden dat hun activiteiten door de Staat en, in zekere mate, door de landsbonden worden gecontroleerd. Zij voert niettemin aan dat de wet van 6 augustus 1990, reeds vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepalingen, de ziekenfondsen aan een grondige controle onderwierp, die werd uitgeoefend door de Controledienst voor de ziekenfondsen en door de landsbond waarbij het ziekenfonds was aangesloten. De wetgever heeft de doeltreffendheid van die controlemechanismen nooit in twijfel getrokken en geen enkele bij de bestreden bepalingen voorgeschreven maatregel wordt verantwoord door de noodzaak om de bestaande mechanismen te verbeteren. Daaruit volgt, volgens haar, dat de bestreden bepalingen noch noodzakelijk, noch evenredig zijn. A.5.1. De Ministerraad herinnert eraan dat het Hof heeft geoordeeld dat de vrijheid van vereniging niet belet dat private instellingen die aanspraak willen maken op nauwe samenwerking met een publiekrechtelijke instelling onderworpen worden aan werkings- en toezichtsmodaliteiten die, gelet op die bijzondere verhouding en gelet op het beroep op overheidsmiddelen, verantwoord zijn (arrest nr. 10/93 van 11 februari 1993, ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.010, B.8.3). Hij doet gelden dat de ziekenfondsen instellingen zijn die nauw willen samenwerken met een publiekrechtelijke instelling, aangezien zij als lid van een landsbond deelnemen aan de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, en samenwerken met het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De landsbond is immers een verzekeringsinstelling in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994). Het is omdat de ziekenfondsen ervoor kiezen deel te nemen aan de uitvoering van een opdracht van algemeen belang dat zij moeten voldoen aan minimale voorwaarden en een erkenning dienen te verkrijgen. De ziekenfondsen krijgen de bij de wet van 6 augustus 1990 erkende rechtspersoonlijkheid slechts indien zij voldoen aan de voormelde vereisten. In die context zijn de beperkingen van de vrijheid van vereniging redelijk verantwoord. A.5.2. De Ministerraad voert aan dat de hervorming wordt verantwoord door de evolutie van de mutualistische sector en door de noodzaak de controle op de goede werking van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te versterken. De Ministerraad merkt op dat de rol van de ziekenfondsen is veranderd met de evolutie van de sector als gevolg van, met name, de dekking van de kleine risico’s door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, enerzijds, en de concurrentie tussen de ziekenfondsen en de verzekeringssector, anderzijds. Diensten die aanvankelijk door de ziekenfondsen werden aangeboden, hebben dus hun pertinentie verloren of werden opgegeven. De wetgever heeft met name als doel de controle door de verzekeringsinstellingen op het gebruik van de publieke middelen te versterken. De bestreden wetten consolideren het controlevermogen van de Controledienst voor de ziekenfondsen ten aanzien van de landsbonden, en versterken, bijgevolg, het controlevermogen van die landsbonden ten aanzien van de aangesloten ziekenfondsen. Bovendien werd over die hervorming overlegd met de mutualistische sector. Dat overleg heeft geleid tot de aanneming van het Toekomstpact, dat voorafging aan de aanneming van de bestreden wetten. 5 A.5.3. Volgens de Ministerraad is de deelname aan de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen de belangrijkste opdracht van de ziekenfondsen geworden. Niettemin berust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die opdracht is in de eerste plaats bij de landsbond. De autonomie van de ziekenfondsen is bijgevolg afgenomen. Door evenwel erin te voorzien dat de landsbond bepaalde opdrachten aan de aangesloten ziekenfondsen kan delegeren, heeft de wetgever de bijzonderheden van de ziekenfondsen zoveel als redelijkerwijze mogelijk behouden. De bestreden bepalingen verplichten de landsbonden niet de bijzonderheden van de ziekenfondsen te verminderen. Hij is van mening dat de wetgever, door een systeem te laten voortbestaan waarin meerdere ziekenfondsen bij een landsbond zijn aangesloten, ondanks de nagestreefde doelstelling van uniformiteit, de landsbonden ertoe dwingt de autonomie en de bijzonderheden van de aangesloten ziekenfondsen waaruit zij zijn samengesteld in overweging te nemen, met inachtneming van de vrijheid van vereniging. Zulks neemt niet weg dat de doelstelling die erin bestaat een goede werking van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te waarborgen, de bovenhand moet krijgen op de autonomiewensen van de ziekenfondsen. A.6.1. De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad, door aan te voeren dat de ziekenfondsen deelnemen aan de uitvoering van de verplichtingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, niet de bij de bestreden bepalingen nagestreefde doelstelling van algemeen belang identificeert. Zij doet ook gelden dat de verwijzing naar het Toekomstpact niet toelaat om die bepalingen te verantwoorden, aangezien dat Pact geen enkele aanbeveling bevat met betrekking tot de toegenomen controle vanwege de landsbonden ten aanzien van de ziekenfondsen. Volgens haar kan de sterkere controle vanwege de Controledienst voor de ziekenfondsen ten aanzien van de landsbonden geen sterkere greep van die landsbonden op de ziekenfondsen verantwoorden, aangezien de Controledienst de ziekenfondsen rechtstreeks kan controleren. De verzoekende partij leidt daaruit af dat de Ministerraad niet aantoont dat de bestreden maatregelen een doelstelling van algemeen belang nastreven. Zij merkt op dat de Raad van State het gebrek aan verantwoording voor de aantasting van de autonomie van de ziekenfondsen reeds heeft vastgesteld in zijn voormelde arrest nr. 250.894. A.6.2. De verzoekende partij is bovendien van mening dat de effectief door de bestreden bepalingen nagestreefde doelstelling erin bestaat de controlebevoegdheid van de landsbonden ten aanzien van de ziekenfondsen te versterken, zodat de vrijheid van vereniging van de landsbonden de bovenhand krijgt op de vrijheid van vereniging van de ziekenfondsen. Bovendien bestaat, volgens de verzoekende partij, het door de wetgever nagestreefde doel erin de financiën van de landsbonden te beschermen tegen de risico’s die een slecht beheer van de ziekenfondsen zou veroorzaken. Zij is in hoofdorde van mening dat die doelstelling van algemeen belang is, aangezien het gaat om de particuliere belangen van de landsbonden. Zij voert ook aan dat die doelstelling niet legitiem is, aangezien zij louter economisch is. Zij doet in ondergeschikte orde gelden dat, indien het Hof zou oordelen dat een louter economische doelstelling een beperking van een grondrecht kan verantwoorden, het zou moeten vaststellen dat de beoordelingsmarge van de wetgever, in dat geval, beperkt is. Bijgevolg zou enkel een ernstig risico op een aanzienlijke aantasting van die doelstelling de genoemde beperking kunnen verantwoorden. Zij herhaalt dat de beperkingen van haar vrijheid van vereniging niet evenredig zijn. A.7. De Ministerraad repliceert dat de bestreden maatregelen passen binnen de doelstelling om de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen zo adequaat mogelijk te laten functioneren. De bestreden maatregelen geven bijgevolg uitvoering aan artikel 23 van de Grondwet. Hij is van mening dat het niet onrechtmatig is de duurzaamheid van een dergelijk systeem te waarborgen door ervoor te zorgen dat het wetgevende kader is aangepast aan de evolutie van de maatschappij en die van de sector. De Ministerraad merkt op dat de nood aan coördinatie en aan modernisering van de ziekenfondsen en van de landsbonden is toegenomen sinds de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1990, in de oorspronkelijke versie ervan, terwijl de bestuursregels zeer weinig zijn geëvolueerd. Volgens de Ministerraad passen de bestreden bepalingen beginselen aan die bestaan sinds de aanneming van de wet van 6 augustus 1990. De aangenomen hervormingen liggen in dezelfde lijn als die welke het resultaat zijn van de aanneming van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Het toezicht op de persoon belast met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur van het ziekenfonds A.8.1. De verzoekende partij meent dat uit artikel 54 van de wet van 18 mei 2022, dat artikel 25 van de wet van 6 augustus 1990 vervangt, voortvloeit dat de ziekenfondsen niet langer een verantwoordelijke voor een leidinggevende functie kunnen aanstellen, niet meer over de duur van de functie noch over de hernieuwing ervan kunnen beslissen, niet meer het gezag over hun leidinggevende kunnen uitoefenen en niet langer een einde kunnen stellen aan zijn functie. 6 A.8.2. Zij voert aan dat de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling zich beperkt tot de omschrijving van de inhoud ervan, zonder de beperking van de vrijheid van vereniging te verantwoorden. Zij merkt op dat behalve op incidentele wijze, de controle ten aanzien van de ziekenfondsen evenmin in het Toekomstpact was vastgesteld. A.8.3. Aangezien in de bestreden bepaling wordt vastgesteld dat de landsbond kan eisen dat de persoon belast met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur van het ziekenfonds een personeelslid van de landsbond is, leidt de bestreden bepaling volgens de verzoekende partij tot een belangenconflict tussen de landsbond en het ziekenfonds. De bestreden bepaling laat de landsbond toe zijn belangen boven die van het ziekenfonds te stellen. De verzoekende partij meent ook dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 31, § 1, van de wet van 24 juli 1987 « betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers », dat, buiten de hypotheses die erin zijn bepaald, verbiedt om werknemers die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in dienst zijn genomen ter beschikking te stellen van derden die over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt. Volgens de verzoekende partij is de bestreden bepaling derhalve fundamenteel onwettig. A.8.4. De verzoekende partij is van mening dat, aangezien elke landsbond kan beslissen of hij al dan niet eist dat de persoon belast met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur van het ziekenfonds deel uitmaakt van zijn personeel, de bestreden bepaling, verschillen in behandeling onder de ziekenfondsen dreigt te veroorzaken, naar gelang van de landsbond waarbij zij zijn aangesloten. Zij leidt daaruit af dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 27 ervan, schendt. Zij doet ook gelden dat dat verschil in behandeling in tegenspraak is met de doelstelling van uniformiteit van de controles ten aanzien van de ziekenfondsen en de verwezenlijking van de doelstellingen van goed bestuur op het spel zet, zodat het de vrijheid van vereniging schendt. De verzoekende partij voert ten slotte aan dat de aan de landsbond gelaten mogelijkheid om te eisen dat de personen die de raad van bestuur in een andere leidinggevende functie of in een directiefunctie wenst aan te stellen, zouden zijn erkend, ook verschillen in behandeling zou kunnen veroorzaken, naar gelang van de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten, zodat de artikelen 10, 11 en 27 van de Grondwet worden geschonden. A.9.1. De Ministerraad merkt op dat de erkenning van de persoon belast met het dagelijks bestuur de bestuurshandeling is waarmee de landsbond, die verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van de hem door de wetgever opgelegde verplichtingen, die persoon bij zijn verantwoordelijkheid betrekt. Daaruit volgt dat het niet onredelijk is erin te voorzien dat de landsbond de voorwaarden kan vaststellen waaronder de persoon aan wie hij de concrete uitvoering van die opdracht delegeert, zijn activiteit zal uitoefenen. De Ministerraad voert ook aan dat de landsbond geen kandidaat oplegt, aangezien het ziekenfonds de mogelijkheid behoudt een andere persoon voor te dragen die aan de voorwaarden voldoet. De Ministerraad doet gelden dat de persoon belast met het dagelijks bestuur van het ziekenfonds vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen slechts kon worden aangesteld op eensluidend advies van de landsbond. Hij onderstreept dat de bestreden bepaling de mogelijkheid voor de landsbond om zich tegen de door het ziekenfonds voorgestelde kandidaat te verzetten preciezer bepaalt, zodat de waarborgen voor de vrijheid van vereniging worden uitgebreid. A.9.2. De Ministerraad is van mening dat de mogelijkheid, die aan de landsbond wordt gelaten om andere leidinggevenden van het ziekenfonds aan de erkenningsprocedure te onderwerpen of om erin te voorzien dat de verantwoordelijken voor het bestuur personeelsleden van de landsbond moeten zijn, wordt verantwoord door de wens dat de bijzonderheden van de organisatie van elke landsbond en van elk ziekenfonds in aanmerking zouden worden genomen. Volgens de Ministerraad laat de autonomie waarover de ziekenfondsen beschikken niet toe dat zij de belangrijkste bestuursbevoegdheden delegeren aan leden van het ziekenfonds die aan de landsbond geen verantwoording zouden moeten afleggen over hun bestuur, nu zij zich daardoor zouden kunnen onttrekken aan de legitieme controle van de landsbond. A.9.3. De Ministerraad erkent dat de persoon belast met de leiding, in de hypothese waarin de landsbond zou eisen dat die persoon een lid van zijn personeel is, zou zijn onderworpen aan het gezag van de landsbond. Hij is evenwel van mening dat die controle verantwoord is, omdat de landsbond de uitvoering van door de wetgever aan hem 7 toevertrouwde opdrachten van openbare dienst aan het ziekenfonds delegeert. De ziekenfondsen blijven bevoegd om de kandidaat voor te dragen. Zij kunnen ook beslissen zich bij een andere landsbond aan te sluiten of niet langer de opdrachten in verband met de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen uit te oefenen, in welk geval zij als « ziekenfonds » in de zin van de wet van 6 augustus 1990 worden gekwalificeerd. Hij meent bovendien dat de vrijheid van vereniging geen verbod op belangenconflicten inhoudt. Hij herinnert eraan dat, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, niets verbood dat een persoon die lid was van het personeel van een landsbond werd belast met het dagelijks bestuur van een ziekenfonds dat bij die bond is aangesloten. Volgens de Ministerraad vergroot de bestreden bepaling de rechtszekerheid door uitdrukkelijk in die mogelijkheid te voorzien. De Ministerraad merkt op dat een belangenconflict nog minder aan de orde is, aangezien de landsbonden en de ziekenfondsen bij wet zijn ingesteld, met het oog op de verwezenlijking van dezelfde doelstelling, namelijk de uitvoering van wettelijke opdrachten met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. De bestreden bepaling stelt de landsbond in staat de effectiviteit van die uitvoering, waarvoor hij de eindverantwoordelijkheid draagt, te waarborgen. A.9.4. De Ministerraad doet ten slotte gelden dat de vertegenwoordigers van het gecontroleerde ziekenfonds zitting hebben in de raad van bestuur van de landsbond, zodat het ziekenfonds deelneemt aan de controle die erop wordt uitgeoefend alsook aan het vastleggen van de nadere regels inzake die controle. A.10.1. De verzoekende partij antwoordt dat voor de beoordeling van het onevenredige karakter van de aantasting van haar grondrechten alle wijzigingen door artikel 54 van de wet van 18 mei 2022 in aanmerking moeten worden genomen. De verzoekende partij is van mening dat de bevoegdheden die aan de landsbond worden toevertrouwd niet kunnen worden verantwoord om de enige reden dat hij verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Zij doet gelden dat het dagelijks bestuur van het ziekenfonds onder de bevoegdheid van de raad van bestuur valt. Zij is van oordeel dat, indien het standpunt van de Ministerraad wordt gevolgd, ervan moet worden uitgegaan dat de wetgever de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de verplichtingen met betrekking tot de ziekteverzekering van het ziekenfonds, als juridische entiteit, aan de leidinggevenden ervan heeft overgedragen, terwijl dat niet overeenstemt met hetgeen in de wet van 6 augustus 1990 is bepaald. A.10.2. De verzoekende partij merkt ook op dat de erkenning niet vergelijkbaar is met het eensluidend advies, aangezien de landsbond de mogelijkheid heeft om de erkenning in te trekken wanneer de leidinggevende niet voldoet aan de voorwaarden die hem werden opgelegd, terwijl de gevolgen van het eensluidend advies definitief waren. A.11. De Ministerraad repliceert dat, aangezien de voorwaarden die bij de erkenning zijn vastgelegd moeten kunnen worden gecontroleerd en die erkenning wordt toegekend voor onbepaalde duur, het niet onredelijk is dat aan de landsbond de bevoegdheid werd toegekend om de erkenning in te trekken indien die voorwaarden niet worden nageleefd. Die maatregel laat toe een betere doeltreffendheid van de bij de wet van 6 augustus 1990 ingevoerde controle te waarborgen. Volgens hem zou een hypothetisch belangenconflict dat dermate blokkerend is dat de leidinggevende van het ziekenfonds zijn functie niet meer nuttig zou kunnen uitoefenen, noodzakelijkerwijs een impact hebben op de werking van de organen van de landsbond, aangezien die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de ziekenfondsen die bij die landsbond zijn aangesloten. De controle op het bestuur van de ziekenfondsen A.12.1. De verzoekende partij verwijt artikel 3 van de wet van 29 januari 2022, dat artikel 7 van de wet van 6 augustus 1990 gedeeltelijk vervangt, afbreuk te doen aan de vrijheid van vereniging van de ziekenfondsen, door de landsbond te verplichten een deontologische code en een governancecharter aan te nemen, die zowel op de landsbond als op de ziekenfondsen die erbij zijn aangesloten van toepassing zijn. Zij merkt op dat de parlementaire voorbereiding enkel de inhoud van die bepaling omschrijft, maar geen verantwoording ervoor geeft. Zij is van mening dat het Toekomstpact de aanneming van een deontologische code en van een governancecharter niet in beoogde. 8 Zij meent dat niets verantwoordt dat de landsbond regels inzake deontologie en bestuur aan de aangesloten ziekenfondsen kan opleggen. Aangezien de landsbond bovendien toezicht moet houden op de ziekenfondsen in het licht van de deontologische code en van het governancecharter, neemt hij volledig de plaats van het ziekenfonds in om de meest passende regels inzake deontologie en bestuur te bepalen. A.12.2. De verzoekende partij doet ook gelden dat de bestreden bepaling, doordat zij de bevoegdheid om een deontologische code en een governancecharter aan te nemen aan de landsbond toekent, het mogelijk maakt dat elke landsbond andere normen aanneemt, zodat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 27 ervan, worden geschonden. Bovendien brengt dat mogelijke verschil in behandeling de verwezenlijking in het gedrang van de doelstelling om de controles ten aanzien van de ziekenfondsen te uniformiseren, zodat de bestreden bepaling artikel 27 van de Grondwet schendt. A.13.1. De Ministerraad merkt op dat met de aanneming van de deontologische code en het governancecharter door de landsbond een gemeenschappelijke standaard voor de vereisten inzake deontologie en goed bestuur kan worden gewaarborgd voor alle ziekenfondsen die erbij zijn aangesloten. Hij herinnert eraan dat de verbetering van het bestuur van de ziekenfondsen in het Toekomstpact is ingeschreven. De bestreden bepaling beantwoordt aan die bezorgdheid. A.13.2. Gelet op de politieke en maatschappelijke strekkingen die de sector van de mutualiteiten traditioneel kenmerken, werd ervoor gekozen elke landsbond toe te laten een deontologische code en een governancecharter aan te nemen, veeleer dan die bevoegdheid aan de Koning toe te vertrouwen. Het is niet onredelijk om ervan uit te gaan dat de landsbond en de ziekenfondsen die erbij zijn aangesloten dezelfde waarden uitdragen. Volgens de Ministerraad vermocht de wetgever het kader voor de aanneming van de deontologische code en van het governancecharter vast te stellen, om zich ervan te vergewissen dat het lidmaatschap van de particulieren bij een ziekenfonds en, via dat laatste, bij een verzekeringsinstelling – namelijk de landsbond – overeenstemt met hun verlangens. Aangezien de ziekenfondsen in de landsbond worden vertegenwoordigd, kunnen zij deelnemen aan de uitwerking van de deontologische code en het governancecharter. De bestreden bepaling strekt ertoe te waarborgen dat de belangen, de standaarden en de regels van de landsbond en van alle aangesloten ziekenfondsen in aanmerking worden genomen. De wetgever heeft ook willen vermijden dat de inhoud van die teksten enkel zou worden ingegeven door plaatselijke bijzonderheden die niet zouden kunnen worden verantwoord ten aanzien van de regels van goed bestuur. A.13.3. Volgens de Ministerraad biedt het feit dat de Controledienst voor de ziekenfondsen ermee is belast aan de Koning een definitie voor te stellen van wat dient te worden verstaan onder « governancecharter » en « deontologische code », ook een waarborg voor de inhoud van die teksten. A.14. De verzoekende partij antwoordt dat, aangezien de specifieke waarden van de landsbonden onderling kunnen verschillen, de Ministerraad niet zonder zichzelf tegen te spreken kan stellen dat de aanneming van de deontologische code en van het governancecharter erop gericht is om een gemeenschappelijke standaard van eisen aan te nemen. Zij is ook van mening dat elke sociaal verzekerde op dezelfde wijze moet worden behandeld, ongeacht zijn politieke strekking, zodat het niet te verantwoorden valt dat elke landsbond verschillende regels kan aannemen. De controle door de landsbonden van de sociale documenten van de ziekenfondsen A.15.1. De verzoekende partij voert aan dat de artikelen 6 en 7 van de wet van 29 januari 2022 en artikel 55 van de wet van 18 mei 2022 aan de landsbonden een onbeperkte toegang geven tot de sociale documenten van de ziekenfondsen, met inbegrip van de documenten met betrekking tot hun dagelijks bestuur. A.15.2. Zij merkt op dat die maatregel in de parlementaire voorbereiding wordt verantwoord op grond van de doelstelling om de coördinerende en sturende rol van de landsbonden te versterken. Het Toekomstpact beoogt evenwel enkel een rapportering over de uitvoering van de aan de ziekenfondsen toevertrouwde opdrachten. Bijgevolg wordt niet aangetoond in welk opzicht de bestreden maatregel noodzakelijk is om een doelstelling van efficiënt bestuur van de ziekenfondsen te verwezenlijken. Zij is van mening dat de controles die vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen bestonden reeds aan de transparantievereisten voor de activiteit van de ziekenfondsen voldeden. 9 Zij meent dat de nagestreefde doelstelling in werkelijkheid erin bestaat zich te mengen in het dagelijks bestuur van de ziekenfondsen, aangezien de toegang tot de sociale documenten niet aan voorwaarden is onderworpen en niet in de tijd is beperkt. A.16.1. Volgens de Ministerraad worden de bepalingen verantwoord door de wil om de coördinerende en sturende rol van de landsbonden te versterken. Hij voert aan dat het niet onredelijk is erin te voorzien dat de landsbonden, die in eerste lijn verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en voor de concrete besteding van overheidsgeld, over de nodige middelen beschikken om zich ervan te vergewissen of die middelen goed worden besteed door de ziekenfondsen die erbij zijn aangesloten. A.16.2. De Ministerraad merkt op dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, de bevoegdheid van de landsbonden enkel betrekking heeft op de documenten die door de algemene vergadering en door de raad van bestuur worden aangenomen, en niet op de documenten over het dagelijks bestuur. Hij meent dat de audit van de activiteiten van de ziekenfondsen een aanvulling is op de audit van de activiteiten van de landsbond, aangezien een belangrijk deel van de aan de landsbond toevertrouwde opdrachten aan de ziekenfondsen wordt gedelegeerd. Daaruit volgt dat het niet pertinent zou zijn de landsbond ertoe te verplichten een audit van zijn activiteiten uit te voeren zonder hem op te leggen de ziekenfondsen te controleren. A.16.3. De Ministerraad merkt ook op dat artikel 31 van de wet van 6 augustus 1990 vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen de landsbonden reeds ertoe verplichtte een mechanisme van interne controle en interne audit op te zetten dat met name betrekking heeft op de activiteiten van de ziekenfondsen. De controle over het bestaan van de ziekenfondsen A.17.1. De verzoekende partij meent dat de artikelen 5, 3°, en 13, 2°, van de wet van 29 januari 2022 artikel 27 van de Grondwet schenden, in zoverre zij de beslissingsbevoegdheid inzake de fusie van meerdere ziekenfondsen en inzake de ontbinding van een ziekenfonds toekennen aan de landsbond waarbij zij zijn aangesloten. Bovendien schendt artikel 13, 1°, van de wet van 29 januari 2022, volgens haar, hetzelfde artikel van de Grondwet, in zoverre het erin voorziet dat de vereffenaar door het ziekenfonds moet worden aangesteld op voorstel van de landsbond. A.17.2. De verzoekende partij merkt op dat de maatregel in de parlementaire voorbereiding wordt verantwoord, enerzijds, door de doelstelling die erin bestaat de coördinerende en sturende rol van de landsbonden te versterken en hun controlemiddelen te ontwikkelen en, anderzijds, door de wil om het Toekomstpact uit te voeren. Hoewel het te verantwoorden is dat aan de landsbond dergelijke controlebevoegdheden worden toegekend ten aanzien van de maatschappijen van onderlinge bijstand, aangezien die laatste gemeenschappelijke behoeften van de aangesloten ziekenfondsen beheren, is zulks volgens haar niet het geval voor die laatste, aangezien zij geen wisselwerking hebben met de andere ziekenfondsen, noch met de landsbond. A.17.3. De verzoekende partij voert aan dat het niet een privaatrechtelijke rechtspersoon toekomt te beslissen of een andere privaatrechtelijke rechtspersoon al dan niet moet fuseren en of die al dan niet moet worden ontbonden, behalve om dwingende redenen van algemeen belang. A.18. De Ministerraad herinnert eraan dat de landsbond verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van de verplichtingen die op hem rusten met toepassing van de wet van 14 juli 1994. Een landsbond moet evenwel zijn samengesteld uit minstens twee ziekenfondsen. Daaruit volgt dat de ontbinding of de fusie van ziekenfondsen het bestaan van de landsbond bedreigt. Door erin te voorzien dat de beslissingen ter zake door de landsbond moeten worden goedgekeurd, waarborgt de wetgever de goede uitvoering van de opdrachten die aan de landsbond zijn toevertrouwd. Aangezien de landsbonden, krachtens de artikelen 60 en volgende van de wet van 6 augustus 1990, de financiële verantwoordelijkheid hebben voor eventuele inbreuken op dezelfde wet, is het bovendien niet onredelijk om aan hen bevoegdheden toe te kennen met betrekking tot de aanstelling van de vereffenaar en de toekenning van eventuele overblijvende activa. 10 A.19. De verzoekende partij antwoordt dat de argumentatie van de Ministerraad met betrekking tot het risico van een ontbinding of een fusie, in strijd is met het feit dat hij daarnaast opmerkt dat het ziekenfonds de landsbond waarvan het lid is, kan verlaten om zich aan te sluiten bij een andere landsbond of om te stoppen prestaties met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen te verrichten. Zij is ook van mening dat het risico op het verdwijnen van de landsbond erg klein is, aangezien het ziekenfonds, dat zijn juridisch bestaan aan zijn band met de landsbond ontleent, ook zou verdwijnen wanneer de landsbond verdwijnt. De controle door de landsbonden van de rekeningen van de ziekenfondsen A.20.1. De verzoekende partij is van mening dat artikel 9 van de wet van 29 januari 2022 artikel 27 van de Grondwet schendt, in zoverre het bepaalt dat de revisor van het ziekenfonds moet worden aangesteld op voorstel van de landsbond. A.20.2. Zij merkt op dat de maatregel wordt verantwoord door de zorg om een eenvormige controle van de landsbond en van de aangesloten ziekenfondsen door de revisor te waarborgen. Zij is van mening dat die doelstelling niet kan verantwoorden dat de landsbond bepaalt welke revisor de rekeningen van het ziekenfonds controleert. A.20.3. Bovendien is die maatregel volgens haar niet bestaanbaar met het overheidsopdrachtenrecht waaraan de ziekenfondsen zijn onderworpen gelet op hun activiteit en hun financiering door de Staat. Het voorstel van de landsbond is niet bestaanbaar met de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die een oproep tot mededinging impliceren, zelfs wanneer het beperkte opdrachten betreft die bij onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking kunnen worden gegund. A.21. Volgens de Ministerraad zijn de ziekenfondsen voor het overwegende deel van hun activiteit de operatoren van de landsbonden wat betreft de opdrachten waarvoor die laatste de wettelijke verantwoordelijkheid dragen. Daaruit volgt dat het niet onredelijk is dat aan de landsbond de bevoegdheid werd toegekend om deels het beleid inzake revisoren te bepalen, door op te leggen dat de revisor van het ziekenfonds enkel op voorstel van de landsbond kan worden aangesteld. Door de landsbond en de aangesloten ziekenfondsen niet te verplichten om dezelfde revisor aan te stellen, heeft de wetgever evenwel gekozen voor de optie die het minst afbreuk doet aan de vrijheid van vereniging van het ziekenfonds. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De bestreden bepalingen brengen een aantal wijzigingen aan in de wet van 6 augustus 1990 « betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen » (hierna : de wet van 6 augustus 1990). B.1.2. In de wet van 6 augustus 1990 worden de voorwaarden vastgelegd waaraan de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen (hierna : de landsbonden) moeten beantwoorden om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen, worden hun opdrachten en de basisregels voor hun werking bepaald en wordt het toezicht waaraan zij zijn onderworpen georganiseerd 11 (artikel 1). Zowel de landsbonden als de ziekenfondsen zijn private instellingen. Hun belangrijkste taak bestaat erin mee te werken aan de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (artikel 3, eerste lid, a)). Daarnaast hebben de ziekenfondsen als opdracht om financieel tussen te komen voor hun leden en de personen te hunnen laste, in de kosten die voortvloeien uit de preventie en behandeling van ziekte en invaliditeit of in het toekennen van uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid of wanneer zich een toestand voordoet waarbij het fysiek, psychisch of sociaal welzijn kan worden bevorderd alsook om hulp, voorlichting, begeleiding en bijstand te verlenen met het oog op het bevorderen van het fysiek, psychisch of sociaal welzijn (artikel 3, eerste lid,
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.