id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.129 Arrest- Rolnummer: 129/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-10-02 Raadplegingen: 974 - laatst gezien 2026-06-19 00:48 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de in B.17.3 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 », ingesteld door Inti De Bock en anderen. Waterbeleid - Vlaams Gewest - Uitrol van digitale watermeters Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 129/2023 van 21 september 2023 Rolnummer : 7903 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 », ingesteld door Inti De Bock en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 december 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 december 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 september 2022) door Inti De Bock, Vera De Moor, Ilias Sfikas, Jean Solon en Marleen Verbruggen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Deweirdt, advocaat bij de balie te Gent. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 28 juni 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters J. Moerman en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 juli 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 juli 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat hun belang bij het beroep in eerste instantie volgt uit het feit dat zij onder het toepassingsgebied van de bestreden bepalingen vallen, in die zin dat zij verplicht kunnen worden een digitale watermeter die draadloos communiceert, te laten installeren in hun woning. Het feit dat de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk de watermeter plaatst, verandert daar volgens hen niets aan. De omstandigheid dat het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 » (hierna : het decreet van 15 juli 2022) het plaatsen van een bekabelde meter niet uitsluit, doet volgens hen evenmin afbreuk aan hun belang, daar er op dit ogenblik geen bekabelde digitale watermeters bestaan. Hun belang volgt volgens hen ook uit het feit dat digitale watermeters elektromagnetische stralingen produceren die op termijn negatieve gevolgen kunnen hebben voor hun gezondheid. Zij wijzen daarnaast erop dat de eerste en de vijfde verzoekende partij elektrohypersensitief zijn, hetgeen inhoudt dat zij hypergevoelig zijn voor elektromagnetische straling en dat dergelijke straling voor hen kan leiden tot meerdere gezondheidssymptomen zoals slaapproblemen, hoofdpijn, irritatie en stress. Zij wijzen ten slotte erop dat de vierde verzoekende partij kinderen heeft en hen zo veel mogelijk wil beschermen tegen elektromagnetische straling. A.1.2. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen, omdat zij niet de adressaten zijn van de bestreden bepalingen. Volgens haar heeft het bestreden artikel 3 als dusdanig geen adressaat, daar die bepaling louter definities bevat, en is de adressaat van het bestreden artikel 4 de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk. Het loutere feit dat de verzoekende partijen onder het toepassingsgebied van die bepalingen vallen, volstaat volgens haar niet om hun belang bij het beroep aan te tonen. De ontstentenis van een belang volgt volgens de Vlaamse Regering eveneens uit het feit dat de bestreden bepalingen zich niet verzetten tegen de installatie van een bekabelde digitale meter, zolang die maar over de vereiste functionaliteiten beschikt. In zoverre sommige verzoekende partijen hun belang afleiden uit de bewering dat zij elektrohypersensitief zijn, doet de Vlaamse Regering gelden dat het elektrohypersensitief zijn van de betrokkenen met geen enkel stuk wordt gestaafd. Zij meent bovendien dat er geen wetenschappelijke basis bestaat voor het door de verzoekende partijen beweerde oorzakelijke verband tussen elektromagnetische straling en gezondheidsklachten. Zij doet gelden dat er heel sterke indicaties zijn dat wat de verzoekende partijen omtrent elektrohypersensitiviteit in het algemeen beweren, ongefundeerd is en alleszins sterk moet worden genuanceerd. A.1.3. In zoverre de Vlaamse Regering aanvoert dat de verzoekende partijen het elektrohypersensitief zijn van bepaalde van hen met geen enkel stuk staven, antwoorden de verzoekende partijen, met verwijzing naar artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat de toegang tot de rechter niet kan worden beperkt door die afhankelijk te maken van het voorleggen van een medisch dossier en dat het risico op het ontstaan van gezondheidsklachten volstaat. Met verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 133/2022 van 20 oktober 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.133), menen zij bovendien dat elke netgebruiker, ongeacht of die elektrohypersensitief is of niet, het recht heeft om te kiezen voor een bekabelde meter, zonder dat te moeten motiveren. A.2.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen niet tegen alle onderdelen van de bestreden bepalingen grieven aanvoeren en dat het beroep om die reden enkel ontvankelijk kan zijn in zoverre het is gericht tegen bepalingen ten aanzien waarvan daadwerkelijk grieven worden aangevoerd. Wat het bestreden artikel 3 3 betreft, wijst zij erop dat die bepaling uitsluitend definities bevat en dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin die definities griefhoudend voor hen zouden zijn. Wat het bestreden artikel 4 betreft, voeren de verzoekende partijen volgens de Vlaamse Regering enkel grieven aan tegen het bij dat artikel in het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 juli 2003 « betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 » (hierna : het decreet van 18 juli 2003) ingevoegde artikel 2.2.2, § 2/1, zodat het beroep, wat de andere aspecten van dat artikel 4 betreft, volgens haar niet ontvankelijk is. A.2.2. De Vlaamse Regering is eveneens van oordeel dat het enige middel niet ontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, daar de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet uiteenzetten welke categorieën van personen door de bestreden bepalingen ongelijk zouden worden behandeld en evenmin in welke zin er sprake zou zijn van een discriminatie. Het is volgens de Vlaamse Regering bovendien een raadsel hoe de bestreden bepalingen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zouden schenden. Zij meent dat de verzoekende partijen zelfs niet aangeven welke legitieme verwachting zij denken te hebben. Ten aanzien van het enige middel A.3. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 3, 2°, 3° en 6°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2022, van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. A.4. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden bepalingen aan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk een verplichting opleggen om digitale watermeters te plaatsen, waaruit volgens hen eveneens een verplichting voor de afnemers van water volgt om het plaatsen van een dergelijke meter in hun woning te aanvaarden. Zij wijzen erop dat, hoewel die bepalingen zelf niet verduidelijken of een digitale watermeter al dan niet via bedrading kan functioneren, uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat een digitale watermeter die communiceert via bedrading niet bestaat. Zij wijzen eveneens erop dat het bestreden artikel 4, 2°, van het decreet van 15 juli 2022 aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid verleent om nadere regels vast te stellen die betrekking hebben op modaliteiten voor uitzonderingen op het plaatsen van een digitale meter, maar menen dat het niet duidelijk is wat de precieze draagwijdte is van die delegatie. A.5.1. De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk niet verplichten om op verzoek van een abonnee een bekabelde digitale meter te plaatsen, de standstill-verplichting vervat in artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en de artikelen 10 en 11 ervan, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, schenden. Zij zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen een aanzienlijke achteruitgang van het bestaande beschermingsniveau inzake een gezond leefmilieu met zich meebrengen, doordat de afnemer van water wordt blootgesteld aan elektromagnetische straling en geen impact heeft op de hoeveelheid straling die hij ondergaat. Zij doen gelden dat voor die aanzienlijke achteruitgang geen redelijke verantwoording bestaat, daar de blootstelling aan elektromagnetische straling eenvoudig kan worden weggenomen door te voorzien in een mogelijkheid van een communicatiemiddel via bekabeling. Zij menen dat iedereen het recht heeft om zich en zijn naasten te beschermen tegen elektromagnetische straling. Zij menen dat de straling veroorzaakt door digitale meters te dezen niet vergelijkbaar is met de straling veroorzaakt door mobiele telefoons en wifinetwerken, daar men het gebruik van een mobiele telefoon en van een wifinetwerk in de eigen woning kan vermijden, terwijl dat niet het geval is bij de digitale watermeter. Zij menen dat de hoeveelheid straling die uitgaat van een digitale watermeter niet te verwaarlozen is en beklemtonen dat die straling bovenop de straling van de digitale elektriciteitsmeter komt. A.5.2. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden, doordat de ontstentenis van een overgangsregeling leidt tot een verschil in behandeling waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Ook aan het vertrouwensbeginsel wordt volgens hen op buitensporige wijze afbreuk gedaan, daar afbreuk wordt gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de verzoekende partijen zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is, die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden. Zij menen dat zij mochten ervan uitgaan dat de decreetgever de nodige lessen zou trekken uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot digitale meters. Zij wijzen erop dat het vertrouwensbeginsel nauw is verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel. A.5.3. De verzoekende partijen betwisten het in de parlementaire voorbereiding uiteengezette standpunt van de decreetgever dat er geen alternatieven bestaan voor de draadloze communicatie van een watermeter. De 4 decreetgever had volgens hen immers ook een bekabelde digitale meter, een watermeter zonder communicatie of een klassieke analoge watermeter mogelijk kunnen maken. Zij doen eveneens gelden dat de bestreden bepalingen voorzien in de installatie van digitale watermeters tegen 2030, zodat er nog tijd rest om alternatieve oplossingen te onderzoeken en te vinden. A.5.4. De omstandigheid dat de digitale watermeter de terugstroom van mogelijk vervuild water in het leidingnet detecteert en communiceert, kan volgens hen geen redelijke verantwoording vormen voor de bestreden bepalingen, omdat uit de decretale definitie van het begrip « watermeter » niet blijkt dat die meter de terugstroom van water moet meten en communiceren en omdat elke watermeter een beveiliging moet bevatten die de terugstroom van het water moet verhinderen. Het aantal geregistreerde gevallen van terugstroom van water is volgens hen bovendien zodanig klein dat het eraan verbonden risico niet opweegt tegen de continue straling van een digitale watermeter. A.5.5. De bestreden bepalingen kunnen volgens de verzoekende partijen evenmin worden verantwoord door de doelstelling water te besparen, daar die doelstelling eveneens kan worden nagestreefd met analoge meters en met bekabelde digitale meters en daar watermeters niet gebruikt kunnen worden om lekken in het waternet op te sporen. Zij zijn eveneens van oordeel dat de digitale watermeter, in tegenstelling tot de digitale elektriciteitsmeter, niet nodig is in het kader van de energietransitie. Uit de omstandigheid dat de decreetgever zelf erin heeft voorzien dat een digitale meter slechts moet worden geplaatst « waar technisch mogelijk », leiden zij ten slotte af dat het niet mogelijk is om overal een digitale meter te plaatsen, zodat een keuze van een deel van de bevolking voor een bekabelde of een analoge meter geen negatieve impact kan hebben op het waterbeheer. A.6.1. De Vlaamse Regering is allereerst van oordeel dat het middel steunt op uitgangspunten die volstrekt onjuist zijn of minstens sterk moeten worden genuanceerd en dat er alleen al om die reden geen sprake kan zijn van een schending van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. Zij wijst erop dat een bekabelde meter momenteel niet op de markt is, maar dat het decreet de installatie van zulk een meter niet in de weg staat. Dat er bij een gebruiker geen bekabelde meter wordt geïnstalleerd, kan aldus volgens haar niet worden verweten aan de decreetgever. Zij beklemtoont daarbij dat er geen andere alternatieven voorhanden zijn en dat een meter zonder communicatie de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen niet kan verwezenlijken. Zij beklemtoont eveneens dat er geen wetenschappelijke basis bestaat voor het door de verzoekende partijen aangevoerde oorzakelijk verband tussen elektromagnetische straling en ziektesymptomen. Ze betwist ten slotte de stelling van de verzoekende partijen dat de straling van mobiele telefoons en wifi-netwerken niet kan worden vergeleken met de straling van een digitale watermeter. A.6.2. De Vlaamse Regering meent dat er geen sprake is van een achteruitgang van het beschermingsniveau. Zij wijst erop dat het niet zo is dat de bevolking niet wordt beschermd tegen elektromagnetische straling, daar een stralingsreglementering is opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 « houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne » (hierna : VLAREM II). Wanneer wordt beweerd dat het recht op een gezond leefmilieu van iemand erop achteruitgaat doordat die persoon aan elektromagnetische straling wordt blootgesteld, dient volgens de Vlaamse Regering vooral te worden nagegaan of het beschermingsniveau dat op dat vlak in de regelgeving bestond, gewijzigd is, en zo ja, op een manier dat het een achteruitgang impliceert die al dan niet aanzienlijk is. Daar het bestreden decreet het stralingsniveau van een digitale meter niet regelt, valt volgens haar niet in te zien hoe er van enige achteruitgang op het vlak van het geboden beschermingsniveau sprake zou kunnen zijn. De Vlaamse Regering meent bovendien dat de in VLAREM II vervatte stralingsreglementering nog altijd een afdoende bescherming biedt. Zij wijst erop dat de Vlaamse stralingsnormen vele malen strenger zijn dan de door de instellingen van de Europese Unie vastgestelde normen, niet alleen omdat de vastgestelde grenswaarden vele malen veeleisender zijn, maar ook omdat die waarden gelden als grenswaarden voor cumulatieve immissie (op een bepaald meetpunt moet aan die immissienorm worden voldaan waarbij de veldsterkte van alle elektromagnetische velden die zich op dat meetpunt bevinden in acht worden genomen) en omdat daarnaast nog bijkomende normen gelden per operator. A.6.3. Volgens de Vlaamse Regering is er evenmin sprake van een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau omdat de straling die een digitale watermeter veroorzaakt verwaarloosbaar is. Aangezien die straling dermate laag en bovendien dermate weinig frequent is, zou het volgens haar als een manifeste beoordelingsfout overkomen om de bestreden bepalingen als een aanzienlijke achteruitgang van het geboden beschermingsniveau te kwalificeren. A.6.4. In zoverre niettemin aanvaard zou moeten worden dat de bestreden bepalingen een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau veroorzaken, zijn die bepalingen volgens de Vlaamse Regering in elk geval verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang. Zij doet gelden dat die bepalingen zijn 5 ingegeven door de doelstelling van de decreetgever om 1) het watergebruik te verduurzamen, 2) armoederisico’s terug te schroeven en 3) de volksgezondheid te beschermen. Zij zet uiteen dat een digitale watermeter over de technische functionaliteiten dient te beschikken om lekken of breuken in de leiding tijdig te detecteren en te signaleren zodat de netgebruiker bij een vermoeden van een lek of een breuk in de binnenleidingen snel kan worden verwittigd. Het sneller opsporen van waterlekken draagt volgens haar bij tot de efficiëntie van het waterbeheer en tot het voorkomen van watertekorten. De digitale watermeter draagt door middel van zijn signalisatiefunctie volgens haar ook bij tot het voorkomen van onnodige kosten voor de gebruiker, waardoor het armoederisico voor kwetsbare groepen wordt verminderd. De digitale watermeter draagt volgens haar ten slotte ook bij aan het waarborgen van de kwaliteit van het drinkwater, daar een dergelijke meter de terugstroom van mogelijk vervuild water kan detecteren en melden. Een dergelijk risico op terugstroom is volgens haar niet louter theoretisch, daar zulk een terugstroom in het verleden meermaals is voorgevallen, waarbij een grote groep van netgebruikers werd getroffen. In zoverre de verzoekende partijen argumenteren dat de terugstroom van water wordt verhinderd door een terugslagklep, merkt de Vlaamse Regering op dat een dergelijke klep niet alle risico’s afdekt. De voormelde redenen van algemeen belang brengen volgens de Vlaamse Regering met zich mee dat de rechtspraak van het Hof over de digitale elektriciteitsmeter niet zonder meer op de regelgeving van de digitale watermeter kan worden toegepast. A.7. Met betrekking tot de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voert de Vlaamse Regering aan dat de verzoekende partijen, in zoverre zij beweren dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies bij het bestreden decreet heeft gesteld dat er moet worden voorzien in een overgangsregeling, verkeerde conclusies trekken uit dat advies. Uit het advies kan volgens haar enkel worden afgeleid, enerzijds, dat de Raad de vraag heeft opgeworpen of naar analogie met wat geldt voor de digitale energiemeter, niet in een overgangsregeling moet worden voorzien waarbij de gebruiker bijvoorbeeld zou kunnen vragen om voorlopig te kunnen beschikken over een watermeter zonder communicatie en, anderzijds, dat de Raad van oordeel is geweest dat die vraag niet noodzakelijk bevestigend dient te worden beantwoord. Zij beklemtoont vervolgens dat de decreetgever in de parlementaire voorbereiding de verschillen tussen beide regelingen heeft verduidelijkt en dat hij is overgegaan tot een gedegen belangenafweging. Voor het overige verwijst de Vlaamse Regering naar haar argumentatie ter weerlegging van de vermeende schending van artikel 23 van de Grondwet. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 3 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 » (hierna : het decreet van 15 juli 2022). In hun memorie van antwoord geven zij aan dat hun beroep, wat het bestreden artikel 3 betreft, beperkt is tot de in de punten 2°, 3° en 6° van die bepaling vervatte definities van een watermeter. B.2.1. De bestreden bepalingen brengen wijzigingen aan in de artikelen 2.1.2 en 2.2.2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 (hierna : het decreet van 18 juli 2003). B.2.2. Het bestreden artikel 3, 2°, 3° en 6°, van het decreet van 15 juli 2022 bepaalt : 6 « In artikel 2.1.2 van hetzelfde decreet [het decreet van 18 juli 2003] worden de volgende wijzigingen aangebracht : […] 2° er worden een punt 3°/1 en 3°/2 ingevoegd, die luiden als volgt : ‘ 3°/1 […] 3°/2 analoge watermeter : een watermeter die geen digitale watermeter is; ’; 3° er wordt een punt 5°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : ‘ 5°/1 digitale watermeter : een watermeter die uitgerust is met een eenrichtingscommunicatiemiddel of een tweerichtingscommunicatiemiddel, dat ervoor zorgt dat de gegevens niet alleen lokaal, maar ook op afstand uitgelezen kunnen worden, en die in staat is gegevens lokaal of op afstand te ontvangen; ’; […] 6° aan punt 35° wordt de zin ‘ Een watermeter kan een analoge of een digitale watermeter zijn. ’ toegevoegd ». B.2.3. Het bestreden artikel 4 van het decreet van 15 juli 2022 bepaalt : « In artikel 2.2.2 van hetzelfde decreet [het decreet van 18 juli 2003], gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt : ‘ § 1/1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan beslissen om de aftakking uit te rusten met onderdelen die onder andere de volgende functionaliteiten mogelijk maken : 1° het waterverbruik op afstand opvolgen en de abonnee of de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk waarschuwen bij afwijkend waterverbruik of terugstroom; 2° het debiet op afstand opvolgen en instellen en op afstand de toegang tot het openbaar waterdistributienetwerk verlenen en onderbreken; 3° de omgevingstemperatuur meten op de plaats waar de watermeter zich bevindt en de abonnee of de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk waarschuwen als er een risico is dat de leidingen bevriezen; 4° toezicht houden op de kwaliteit van het geleverde water; 5° meten van de waterdruk ter hoogte van de aftakking. 7 De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan beslissen om naast de functionaliteiten, vermeld in het eerste lid, nog andere functionaliteiten ter beschikking te stellen. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de opbouw, de onderdelen, de functionaliteiten en de financiering van de aftakking. De functionaliteiten, vermeld in het eerste en het tweede lid, van de onderdelen van de aftakking zijn verplicht te aanvaarden door de abonnee. ’; 2° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : ‘ § 2/1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk plaatst waar technisch mogelijk, uiterlijk op 31 december 2030, een digitale watermeter in alle aftakkingen. De digitale watermeter beschikt minstens over al de volgende functionaliteiten : 1° hij kan het volume van het geleverde water meten, tonen en registreren en de meetgegevens in de vorm van een open standaard hetzij rechtstreeks, hetzij via een portaal ter beschikking stellen van de abonnee; 2° hij kan op afstand in een of twee richtingen communiceren met de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk; 3° hij maakt het mogelijk de abonnee en de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk te verwittigen bij een vermoeden van een lek in het huishoudelijk leidingnet; 4° hij maakt het mogelijk de abonnee en de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk te waarschuwen bij een vermoeden van een breuk in het huishoudelijk leidingnet; 5° hij kan een terugstroom vanuit het huishoudelijk leidingnet ten gevolge van een niet of slecht werkende terugslagklep detecteren en de abonnee of de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk daarvan verwittigen. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen of aanvullen met betrekking tot het eerste en tweede lid, die betrekking hebben op : 1° de timing en de prioritering voor de plaatsing en de financiering van een digitale watermeter; 2° de functionaliteiten van de digitale watermeter; 3° modaliteiten voor uitzonderingen op het plaatsen van een digitale watermeter. In het belang van de abonnee stemt de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk de invulling van zijn verplichtingen in deze paragraaf maximaal af met de distributienetbeheerder voor elektriciteit en gas, aangeduid voor het gebied in kwestie. De exploitant onderzoekt daarbij minstens tegen uiterlijk 31 december 2023 hoe de datacommunicatie van gegevens afkomstig van 8 een digitale watermeter afgestemd kan worden op de datacommunicatie van de meetgegevens en technische gegevens afkomstig van de digitale energiemeter, vermeld in artikel 4.1.22/2 tot en met 4.1.22/13 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. ’ ». B.3. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 15 juli 2022 blijkt dat de decreetgever een tweeledige doelstelling heeft nagestreefd : « enerzijds de organisatie van de uitrol en het beheer van digitale watermeters in Vlaanderen, anderzijds de organisatie van het beheer en de verwerking van de gegevens die in het kader van de in het ontwerp van decreet opgenomen activiteiten verzameld worden » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1324/1, p. 3). De kritiek van de verzoekende partijen heeft uitsluitend betrekking op de bepalingen van het decreet van 15 juli 2022 die beogen de eerste nagestreefde doelstelling te realiseren, meer bepaald de uitrol van digitale watermeters in het Vlaamse Gewest. B.4.1. Een digitale watermeter is « een watermeter die uitgerust is met een eenrichtingscommunicatiemiddel of een tweerichtingscommunicatiemiddel, dat ervoor zorgt dat de gegevens niet alleen lokaal, maar ook op afstand uitgelezen kunnen worden, en die in staat is gegevens lokaal of op afstand te ontvangen » (artikel 2.1.2, 5°/1, van het decreet van 18 juli 2003, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 3 van het decreet van 15 juli 2022). De digitale watermeter dient minstens te beschikken over een aantal functionaliteiten die worden opgesomd in artikel 2.2.2, § 2/1, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 4 van het decreet van 15 juli 2022. Die minimale functionaliteiten « betreffen onder meer het registreren van het verbruik, het verwittigen van de abonnee bij vermoeden van een lek en het detecteren van terugstroom vanuit het huishoudelijk leidingnet naar het openbare waterdistributienetwerk » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2021- 2022, nr. 1324/1, p. 3). Met betrekking tot de digitale watermeter vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Wat betreft digitale watermeters is een bedrade oplossing vandaag niet verkrijgbaar mede gelet op de internationale standaarden rond de dichtheidseisen voor watermeters. Dat betekent dat er momenteel geen alternatief bestaat voor de draadloze communicatie van de watermeter. Het enige alternatief voor de digitale watermeter zou dus een watermeter zonder communicatie, of een klassieke analoge watermeter zijn » (ibid., p. 10). 9 « Minister […] antwoordt dat een bekabelde meter momenteel niet op de markt is. Het ontwerp van decreet staat de installatie ervan toe, zodra dat technisch mogelijk is » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1324/2, p. 7). B.4.2. Het bestreden artikel 4 voegt in artikel 2.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 twee paragrafen in, namelijk de paragrafen 1/1 en 2/1. Terwijl paragraaf 1/1 voorziet in een mogelijkheid voor de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwet om een aftakking uit te rusten met onderdelen die bepaalde functionaliteiten mogelijk maken, voorziet paragraaf 2/1 in een principiële verplichting voor die exploitanten om tegen een bepaalde datum in alle aftakkingen een digitale watermeter te plaatsen. Een aftakking is het geheel van leidingen en apparatuur, gebruikt voor de watervoorziening van een onroerend goed dat door de exploitant wordt aangelegd vanaf de distributieleiding tot aan een huishoudelijk leidingnet (artikel 2.1.2, 3°, van het decreet van 18 juli 2003, zoals vervangen door artikel 3 van het decreet van 15 juli 2022). B.4.3. Volgens artikel 2.2.2, § 1/1, van het decreet van 18 juli 2003 kan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk beslissen om de aftakking uit te rusten met onderdelen die bepaalde functionaliteiten mogelijk maken. Die functionaliteiten worden op een niet- exhaustieve wijze opgesomd in het eerste lid van die bepaling, zodat de exploitant nog andere functionaliteiten ter beschikking kan stellen. De opgesomde functionaliteiten betreffen onder meer het waterverbruik op afstand opvolgen, de abonnee waarschuwen bij afwijkend waterverbruik of terugstroom, op afstand de toegang tot het netwerk verlenen en onderbreken, waarschuwen als er een risico is dat de leidingen bevriezen en toezicht houden op de kwaliteit van het geleverde water. De door de exploitant ter beschikking gestelde functionaliteiten zijn volgens het laatste lid van de voormelde paragraaf verplicht te aanvaarden door de abonnee. Met betrekking tot die bepaling vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Met deze bepaling wordt beoogd om aan de exploitanten van een openbaar water- distributienetwerk voldoende flexibiliteit te gunnen inzake de keuze van functionaliteiten zodat de dienstverlening afgestemd kan worden op zowel de karakteristieken van de aftakking als de behoeften van de abonnee. In hetzelfde punt wordt bepaald dat de functionaliteiten van de onderdelen van de aftakking verplicht zijn te aanvaarden door de abonnee. Er is met andere woorden voor gekozen de keuze 10 van de functionaliteiten bij de exploitant te leggen, niet bij de abonnee. Dit is van belang om de effectiviteit van investering te verzekeren. In geval van de digitale watermeter is het bijvoorbeeld van belang dat alle abonnees effectief aanvaarden dat meterstanden automatisch worden uitgelezen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1324/1, p. 16). B.4.4. Volgens artikel 2.2.2, § 2/1, eerste lid, van het decreet van 18 juli 2003, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 4, dient de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk uiterlijk op 31 december 2030 waar technisch mogelijk een digitale watermeter te plaatsen in alle aftakkingen. Zoals is vermeld in B.4.1, dient de digitale watermeter minstens te beschikken over de functionaliteiten opgesomd in het tweede lid van die paragraaf. Volgens artikel 2.2.2, § 2/1, derde lid, van het decreet van 18 juli 2003, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 4, kan de Vlaamse Regering nadere regels vastleggen of aanvullen met betrekking tot het eerste en het tweede lid van die bepaling, die betrekking hebben op 1) de timing en de prioritering voor de plaatsing en de financiering van een digitale watermeter, 2) de functionaliteiten van de digitale watermeter en 3) modaliteiten voor uitzonderingen op het plaatsen van een digitale watermeter. Volgens artikel 2.2.2, § 2/1, laatste lid, van het decreet van 18 juli 2003, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 4, dient de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk de invulling van zijn verplichtingen in het belang van de abonnee maximaal af te stemmen met de distributienetbeheerder voor elektriciteit en gas, aangeduid voor het gebied in kwestie. De exploitant dient daartoe minstens tegen uiterlijk 31 december 2023 te onderzoeken hoe de datacommunicatie van gegevens afkomstig van een digitale watermeter afgestemd kan worden op de datacommunicatie van de meetgegevens en technische gegevens afkomstig van de digitale energiemeter. B.5. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 15 juli 2022 blijkt dat de uitrol van digitale watermeters is ingegeven door meerdere doelstellingen die in die voorbereiding worden samengevat als volgt : « 1° het stimuleren van duurzaam watergebruik door de klant meer inzicht te geven in het eigen verbruik; 11 2° een duurzamer beheer van de waterbronnen door het terugdringen van het ‘ non-revenue water ’ [lees : water dat verloren gaat voordat het de klant bereikt] of netverliezen door correctere bemetering; 3° een correctere facturatie door geautomatiseerde meterstanddoorgave zowel in het belang van de klant als naar de exploitant toe; 4° een betere bewaking van de continue kwaliteit van het water bestemd voor menselijke consumptie door realtimealarmen, bijvoorbeeld bij terugstroming; 5° administratieve vereenvoudiging en ontzorging voor de klant, onder meer door :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.