) - Vernietiging (artikel 27, in zoverre het, behalve in naar behoren gerechtvaardigde dringende gevallen, de verstrekking van de PNR-gegevens met het oog op een beoordeling achteraf, niet ongeschikt maakt aan een voorafgaande controle die wordt uitgevoerd ofwel door een rechtscollege, ofwel door een onafhankelijke bestuurlijke
titeit, naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de bevoegde autoriteiten) - Vernietiging (artikelen 28 tot 31) - Vernietiging (artikel 16/3 van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdiensten », zoals ingevoegd bij artikel 51 van de wet van 25 december 2016) - Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.33.2 tot B.33.5, B.49, B.63.2.3, B.63.3.2, B.63.4.1, B.69.1 et B.74.1,
rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.40.3.2, in B.40.3.3
in B.61.2.2) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK
ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme » (thans « Ligue des droits humains »). Verwerking van passagiersgegevens - Omzetting van de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 « betreffende de verplichting voor [lucht] vervoerders om passagiersgegevens door te geven »
van de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016 « over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken
vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit » Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 131/2023 van 12 oktober 2023 Rolnummer : 6713 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » (thans « Ligue des droits humains »). Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter P. Nihoul, rechter J. Moerman, waarnemend voorzitster,
de rechters T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt
K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 juli 2017 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 26 juli 2017, heeft de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » (thans « Ligue des droits humains »), bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. C. Forget, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot gehele of gedeeltelijke (artikelen 3, § 1,
8, § 2,
hoofdstuk 11) vernietiging ingesteld van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2017). Bij tussenarrest nr. 135/2019 van 17 oktober 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.135), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 2020, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « 1. Dient artikel 23 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016 ‘ betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG ’ (Algemene verordening gegevens - AVG), in samenhang gelezen met artikel 2, lid 2, d), van die verordening, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op een nationale wetgeving zoals de wet van 25 december 2016 ‘ betreffende 2 de verwerking van passagiersgegevens ’, die niet
kel de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016 ‘ over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken
vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit ’ omzet, alsook de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘ betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven ’
de richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement
de Raad van 20 oktober 2010 ‘ betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in
/of vertrekken uit havens van de lidstaten
tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG ’ ? 2. Is bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin dat de erin opgesomde gegevens zeer ruim zijn - onder meer de gegevens die worden beoogd in punt 18 van bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681, die verder gaan dan de gegevens beoogd in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2004/82/EG -
doordat die gegevens, in hun geheel beschouwd, gevoelige gegevens zouden kunnen onthullen,
aldus de grenzen van het ‘ strikt noodzakelijke ’ zou kunnen overschrijden ? 3. Zijn de punten 12
18 van bijlage I bij de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre, rekening houdend met de bewoordingen ‘ onder meer ’
‘ met inbegrip van ’, de erin beoogde gegevens bij wijze van voorbeeld
niet exhaustief worden vermeld, zodat de vereiste van nauwkeurigheid
duidelijkheid van de regels die leiden tot een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven
in het recht op bescherming van de persoonsgegevens niet in acht zou zijn genomen ? 4. Zijn artikel 3, punt 4, van de richtlijn 2016/681/EU
bijlage I bij dezelfde richtlijn bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het systeem van het algemeen verzamelen, doorgeven
verwerken van passagiersgegevens dat die bepalingen instellen, iedere persoon beoogt die het desbetreffende vervoersmiddel gebruikt, los van elk objectief element dat het mogelijk maakt ervan uit te gaan dat die persoon een risico voor de openbare veiligheid kan vormen ? 5. Dient artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet, die, als doel van de ‘ PNR-gegevensverwerking ’, het toezien op door de inlichtingen-
veiligheidsdiensten beoogde activiteiten aanvaardt, waarbij het dat doel aldus opneemt in het voorkomen, het opsporen, het onderzoeken
het vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit ? 6. Is artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de voorafgaande beoordeling die daarin wordt geregeld, door een correlatie met de gegevensbanken
de vooraf bepaalde criteria, stelselmatig
op algemene wijze van toepassing is op de passagiersgegevens, los van elk objectief element dat toelaat ervan uit te gaan dat die passagiers een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid ? 7. Kan het begrip ‘ andere bevoegde nationale instantie ’ bepaald in artikel 12, lid 3, van de richtlijn (EU) 2016/681 zo worden geïnterpreteerd dat het de PIE beoogt die bij de wet van 3 25 december 2016 is opgericht
die derhalve de toegang tot de ‘ PNR-gegevens ’, na een termijn van zes maanden, in het kader van de gerichte opzoekingen zou kunnen toestaan ? 8. Dient artikel 12 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet die voorziet in een algemene bewaartermijn van de gegevens van vijf jaar, zonder onderscheid of de betrokken passagiers, in het kader van de voorafgaande beoordeling, al dan niet een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid ? 9. a) Is de richtlijn 2004/82/EG bestaanbaar met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie
met artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de daarbij ingevoerde verplichtingen van toepassing zijn op de vluchten binnen de Europese Unie ? b) Dient de richtlijn 2004/82/EG, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie
met artikel 45 van het Verdrag betreffende de grondrechten van de Europese Unie, zo te worden geïnterpreteerd dat zij zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet die, met het oog op de strijd tegen illegale immigratie
het verbeteren van de grenscontroles, een systeem toestaat voor de verzameling
verwerking van de passagiersgegevens ‘ van, naar
op doorreis over het nationaal grondgebied ’, hetgeen indirect een herinvoering van de controles aan de binnengrenzen zou kunnen impliceren ? 10. Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van de antwoorden op de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen, tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet, die met name de richtlijn (EU) 2016/681 omzet, één of meer van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van de wet van 25 december 2016 ‘ betreffende de verwerking van passagiersgegevens ’ tijdelijk kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen
het mogelijk te maken dat de voorheen verzamelde
bewaarde gegevens alsnog kunnen worden gebruikt voor de door de wet beoogde doelstellingen ? ». Bij arrest van 21 juni 2022 in de zaak C-817/19 (ECLI:EU:C:2022:491) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord. Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet
W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist : - de debatten te heropenen, - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 30 september 2022 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt mee te delen over de weerslag van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het beroep tot vernietiging, meer bepaald : a) wat betreft de gevolgen, voor de voortzetting van het onderzoek van het beroep tot vernietiging voor het Hof, van de overwegingen met betrekking tot onder meer : - de samenhang tussen de PNR-richtlijn
de AVG; 4 - het toepassingsgebied van het verzamelen
het verwerken van de PNR-gegevens (geïdentificeerde gegevens, doeleinden
beoogde misdrijven, betrokken vluchten); - de waarborgen met betrekking tot de verwerking van de PNR-gegevens (voorafgaande beoordeling, geautomatiseerde verwerking, toegang tot de PNR-gegevens, begrip « onafhankelijke nationale autoriteit », bewaartermijn van de PNR-gegevens); - de onmogelijkheid om de gevolgen te handhaven in geval van gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens »; b) wat betreft de verantwoordingen
voorwaarden, die concreet onderbouwd zijn, in verband met het tot het « strikt noodzakelijke » beperkte karakter
de overeenstemming met de interpretatie van de PNR-richtlijn van elk van de hiervoor aangegeven elementen, zoals die te dezen zijn bepaald in de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens »; - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,
- dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 oktober 2022
de zaak in beraad zal worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Ministerraad, bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz
Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 21 september 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 26 oktober
Gunter Ceuppens, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet
W. Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 5 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– Ten aanzien van de aanvullende memories ingediend naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 juni 2022 A.1.1. De verzoekende partij is van mening dat, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-817/19, de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de bestreden wet) het evenredigheidsbeginsel schendt dat is vervat in artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, in samenhang gelezen met de artikelen 7
8 ervan. A.1.2. Ten eerste blijkt uit de overwegingen 128 tot 140 van het voormelde arrest dat de PNR-gegevens (Passenger Name Record), alsook de API-gegevens (Advance Passenger Information), bedoeld in respectievelijk de artikelen 4, 10°,
9 van de bestreden wet, de grenzen van het « strikt noodzakelijke » overschrijden omdat sommige van die gegevens onvoldoende nauwkeurig
duidelijk zijn. A.1.3. Ten tweede impliceert de bestreden wet verschillende verwerkingen van persoonsgegevens die, doordat zij onvoldoende duidelijk zijn, eveneens het evenredigheidsbeginsel schenden, zoals in herinnering is gebracht door het voormelde arrest van het Hof van Justitie. (1°) Artikel 3, § 2, van de bestreden wet laat aan de Koning de zorg over om, per vervoerssector
per operator, de nadere regels te bepalen inzake de verplichtingen voor de vervoerders
reisoperatoren om de passagiersgegevens door te sturen. Een dergelijke inmenging in het privéleven had bij wet vastgelegd moeten zijn, temeer daar de begrippen « identiteitsdocument »
« reisdocument » niet worden gedefinieerd in artikel 7, §§ 1
2, van de bestreden wet. (2°) De oprichting van een passagiersgegevensbank, geregeld bij de artikelen 12 tot 15 van de bestreden wet, reikt bovendien niet verder dan de grenzen van het strikt noodzakelijke. (3°) De correlatie tussen de gegevensbanken, bedoeld in artikel 24 van de bestreden wet, is niet beperkt tot de gegevensbanken die worden beheerd met betrekking tot de strijd tegen terrorisme
ernstige criminaliteit, in tegenstelling tot wat het Hof van Justitie aangeeft in de overwegingen 182 tot 191 van het voormelde arrest. Wat betreft de kruising van de passagiersgegevensbank met behulp van vooraf vastgestelde criteria die dienen als « dreigingsindicatoren », wordt verwezen naar de overwegingen 202 tot 213 van het voormelde arrest van het Hof van Justitie : gelet op het vage karakter ervan beantwoordt de bestreden wet niet aan de vereiste volgens welke « de wet moet voorzien » in de inmengingen die zij inhoudt, in de zin van de artikelen 7
8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. (4°) Ten slotte, wat de gerichte onderzoeken betreft, preciseert de bestreden wet niet welke gegevens toegankelijk zijn voor de bevoegde diensten,
zijn de ambtenaren van die diensten die zijn gedetacheerd binnen de « Passagiersinformatie-eenheid » (PIE) in zekere zin rechter
partij. A.1.
evenredigheid wat betreft de inmenging waarin het voorziet in het recht op eerbiediging van het privéleven
de bescherming van persoonsgegevens. A.2.1. De Ministerraad herinnert allereerst eraan dat de nationale rechter
kel door het dictum van het prejudicieel arrest van het Hof van Justitie is gebonden voor wat het Unierecht betreft. Het staat daarentegen alleen aan de nationale rechter het Unierecht toe te passen
derhalve te beslissen of dat recht van toepassing is op het geschil dat bij hem aanhangig is gemaakt. Te dezen heeft het Hof van Justitie de hele PNR-richtlijn geldig verklaard door die conform de grondrechten te interpreteren
heeft de Belgische wetgever die op zeer getrouwe wijze omgezet door daarin de waarborgen inzake de eerbiediging van de grondrechten op te nemen. A.2.2. Ten aanzien van het eerste middel stelt de Ministerraad vast dat het Hof van Justitie van mening is dat de algemene verordening gegevensbescherming (hierna : de AVG) van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens waarin een nationale wetgeving voorziet die de bepalingen van de API-richtlijn, van de richtlijn 2010/65
van de PNR-richtlijn, in onderlinge samenhang gelezen, of alleen de bepalingen van de API-richtlijn of van de richtlijn 2010/65, in het interne recht beoogt om te zetten. Het Hof van Justitie is daarentegen van mening dat de AVG niet van toepassing is op de in een dergelijke wetgeving bedoelde gegevensverwerkingen die alleen vallen onder de PNR-richtlijn
worden uitgevoerd door de PIE of door de bevoegde overheden. Het eerste middel is dus niet gegrond in zoverre het artikel 23 van de AVG beoogt. Voor het overige betwist de Ministerraad niet dat punt van het dictum dat geen weerslag heeft op de bestreden wet, in zoverre artikel 15, § 4, ervan de bij de bestreden wet bepaalde gegevensverwerkingen onderwerpt aan de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de verwerking van gegevens met een persoonlijk karakter, die de AVG ten uitvoer legt. A.2.3. Ten aanzien van de PNR-gegevens besluit het Hof van Justitie dat bijlage I van de PNR-richtlijn in zijn geheel een voldoende duidelijk
nauwkeurig karakter heeft, zodat hetzelfde geldt voor artikel 9, § 1, van de bestreden wet, waarvan de formulering zeer vergelijkbaar is met die bijlage. De Ministerraad besluit hieruit dat het eerste middel niet gegrond is in zoverre het is gericht tegen die bepaling. A.2.4. Ten aanzien van de doelstellingen van de verwerking van PNR-gegevens heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de doelstellingen waarin de PNR-richtlijn voorziet, duidelijk
nauwkeurig waren,
dat de opsomming van de doelstellingen een exhaustief karakter heeft. Wat de doelstellingen van de inlichtingen-
veiligheidsdiensten betreft, laat het Hof van Justitie aan het rechtscollege dat de vragen stelt de zorg over om te bepalen of die doelstellingen zijn opgenomen in de exhaustieve doelstellingen van de PNR-richtlijn. De Ministerraad is van mening dat zulks het geval is, waarbij hij verwijst naar de overwegingen 5
6 van de PNR-richtlijn
naar het feit dat het Hof van Justitie erkent dat, in geval van een reële terroristische dreiging, die actueel of voorzienbaar is, het maximale gebruik van de PNR-gegevens niet verder reikt dan de grenzen van het strikt noodzakelijke. De opdracht van de inlichtingen-
veiligheidsdiensten bestaat in de preventie
de opsporing van activiteiten die de democratische werking
de fundamentele belangen van de maatschappij, inzonderheid de interne veiligheid, bedreigen of zouden kunnen bedreigen. Die bedreigingen vertonen gelijkenissen met verschillende ernstige misdrijven, die almaar meer hybride zijn,
zijn opgesomd in bijlage II van de PNR-richtlijn (spionage, extremisme, georganiseerde misdaad, inmenging),
het Hof heeft, bij zijn arrest nr. 64/2021 van 22 april 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.064), de specifieke kenmerken van de doelstellingen van de inlichtingendiensten die zijn gericht op het opsporen
voorkomen van de meest ernstige bedreigingen voor de Staatsveiligheid benadrukt, alsook de complementariteit ervan met de politie-
gerechtelijke diensten, die door de inlichtingen-
veiligheidsdiensten worden verwittigd zodra die laatste het bestaan ontdekken van terroristische misdrijven of andere vormen van ernstige criminaliteit. Ten slotte zij eraan herinnerd dat België extra is blootgesteld aan de voormelde bedreigingen, als gastland van talrijke Europese
internationale instellingen, maar ook als « transportknooppunt » dat als « draaischijf » kan worden gebruikt door terroristische
criminele organisaties. A.2.5. Het Hof van Justitie heeft de voorafgaande beoordeling van de gegevens door geautomatiseerde verwerkingen geldig verklaard voor zover die beoordeling gebeurt op een niet-discriminerende manier
op grond van doelgerichte, evenredige
specifieke criteria. De Ministerraad stelt vast dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 135/2019 van 17 oktober 2019, heeft geoordeeld dat de voorafgaande beoordeling gepaard ging met criteria 7 die toereikend bleken
is van mening dat het middel niet gegrond is in zoverre het is gericht tegen artikel 25 van de bestreden wet. A.2.6. Wat de bewaartermijn van de PNR-gegevens betreft, is het Hof van Justitie van mening dat de bewaring na een oorspronkelijke periode van zes maanden van de passagiersgegevens waarvan noch de voorafgaande beoordeling, noch de controles, noch
ige andere omstandigheid hebben toegelaten een risico inzake terroristische misdrijven of ernstige vormen van criminaliteit vast te stellen, verder reikt dan het strikt noodzakelijke. Een algemene bewaartermijn van vijf jaar, zonder onderscheid van toepassing op alle passagiers, kan derhalve artikel 12, lid 1, van de PNR-richtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 7
8, alsook van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, schenden. Daar artikel 18 van de bestreden wet bepaalt dat de termijn van vijf jaar een maximumtermijn is waarna de gegevens moeten worden vernietigd, verzoekt de Ministerraad het Hof echter die bepaling conform de voormelde bepalingen van het Handvest te interpreteren
ervan uit te gaan dat niet alle passagiersgegevens noodzakelijkerwijs zullen worden bewaard gedurende een termijn van vijf jaar. A.2.7. In verband met het tweede middel stelt de Ministerraad vast dat het Hof van Justitie oordeelt dat de API-richtlijn zo moet worden geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op de vluchten binnen de EU
dat het Unierecht zich verzet tegen een nationale reglementering die voorziet in een systeem van overdracht
verwerking van de API-gegevens met het oog op de verbetering van de grenscontroles
de bestrijding van illegale immigratie. De Ministerraad is van mening dat een interpretatie van hoofdstuk 11 van de bestreden wet mogelijk is in zoverre artikel 29 van de bestreden wet alleen van toepassing is op de vluchten buiten de EU
alleen betrekking heeft op de API-gegevens. Hieruit vloeit voort dat dat hoofdstuk niet kan worden opgevat als de herinvoering van een controle aan de binnengrenzen van de Schengenruimte, zodat het middel niet gegrond is. –B– Ten aanzien van de bestreden wet
de context ervan B.1. Het beroep tot vernietiging, ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » (thans « Ligue des droits humains »), is gericht tegen de wet van 25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de wet van 25 december 2016), die de vervoerders
reisoperatoren de verplichting oplegt om de passagiersgegevens, de zogenoemde PNR-gegevens (Passenger Name Record) door te geven. B.2.
de Raad van 27 april 2016 « over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken
vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit » (hierna : de PNR-richtlijn) om. 8 De PNR-richtlijn voorziet in het verzamelen
doorgeven, door de luchtvaartmaatschappijen, van de persoonsgegevens van passagiers naar of vanuit derde landen om terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit te voorkomen, op te sporen alsook te onderzoeken
te vervolgen. Die richtlijn is van toepassing op de verwerking van de PNR- gegevens betreffende de luchtvaart maar, overeenkomstig overweging 33 ervan, sluit zij voor de lidstaten niet de mogelijkheid uit om, krachtens hun nationaal recht, het PNR-mechanisme waarin zij voorziet uit te breiden tot andere vervoermiddelen of tot marktdeelnemers die geen luchtvaartmaatschappij zijn. Bovendien kan de PNR-richtlijn, overeenkomstig artikel 2 ervan, ook worden toegepast op vluchten binnen de EU. B.2.
de Raad van 20 oktober 2010 « betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in
/of vertrekken uit havens van de lidstaten
tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG » (hierna : de richtlijn 2010/65/EU) om. Die richtlijn heeft tot doel de administratieve procedures die van toepassing zijn op het zeevervoer te vereenvoudigen
te harmoniseren door de algemene invoering van de elektronische overdracht van gegevens
door rationalisering van de meldingsformaliteiten (artikel 1, lid 1). B.3.1. De wet van 25 december 2016 beoogt « een wettelijk kader te scheppen om de vervoerders van passagiers in verschillende internationale transportsectoren (luchtvervoer, treinverkeer, internationaal wegvervoer
maritiem transport), alsook reisoperatoren, te verplichten de gegevens van hun passagiers door te sturen naar een gegevensbank, beheerd door de FOD Binnenlandse Zaken » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-2069/001, p. 6) : 9 « De verwerking van de passagiersgegevens, het vergelijken ervan met databanken
het aftoetsen ervan aan vooraf bepaalde criteria zijn noodzakelijk om deze modi operandi te ontdekken, om nieuwe trends
fenomenen in kaart te brengen, maar ook om te bepalen welke passagiers aan een nader onderzoek dienen onderworpen te worden, aangezien zij, op basis van het resultaat van de verwerking, kunnen betrokken zijn bij een terroristisch misdrijf, bij vormen van ernstige criminaliteit, bij inbreuken op de openbare orde in het kader van gewelddadige radicalisering
bij activiteiten die de fundamentele belangen van de Staat kunnen bedreigen […] Als omzetting van de Europese Richtlijn over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken
vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige misdrijven, houdt dit voorontwerp van wet maximaal rekening met alle vastgelegde bepalingen op Europees niveau. Dit is essentieel om een doeltreffende mechanisme voor de verwerking van passagiersgegevens op te zetten dat streeft naar een maximale interoperabiliteit met de passagiers informatie eenheden van de andere lidstaten. […] De analyse van de passagiersgegevens zal uitsluitend worden toevertrouwd aan een Passagiersinformatie-eenheid (PIE), die wordt opgericht binnen de FOD Binnenlandse Zaken
onder meer, onder het functioneel toezicht van een leidend ambtenaar van de PIE zal worden samengesteld uit gedetacheerden van de politiediensten, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Directie Inlichtingen
Veiligheid
de Douane (wat betreft de Douane is de verwerking van de passagiersgegevens noodzakelijk met het oog op het opsporen
vervolgen van fraude zoals voorzien in bijlage 2, punt 7 van Richtlijn 2016/681) » (ibid., pp. 5-6). B.3.2. Het door de PNR-richtlijn ingevoerde systeem voor het verzamelen van gegevens vult het systeem voor het verzamelen van gegevens aan dat door de API-richtlijn werd gecreëerd, doordat PNR-gegevens ruimer zijn dan API-gegevens : « De API-gegevens (Advanced Passenger Information), zijn authentieke gegevens. Ze zijn afkomstig uit authentieke documenten (o.a. uit de identiteitskaarten)
zijn voldoende accuraat om een persoon te identificeren. Dit betreffen de gegevens die doorgegeven worden in het kader van de check-in
het instappen. Bij de bestrijding van terrorisme
ernstige criminaliteit is de informatie in de API-gegevens voldoende om bekende terroristen
criminelen met behulp van waarschuwingssystemen te identificeren. De PNR-gegevens, zijnde de reservatiegegevens, bevatten meer gegevenselementen
zijn sneller beschikbaar dan API-gegevens. Deze gegevenselementen vormen een zeer belangrijk instrument voor het uitvoeren van risicobeoordelingen van personen
het leggen van verbanden tussen bekende
onbekende personen. Ook voor de gerichte opzoekingen bieden de PNR gegevens een zeer belangrijke meerwaarde » (ibid., p. 6-7). 10 B.3.3. De verplichting om passagiersgegevens door te sturen geldt « voor internationale vluchten, internationale hogesnelheidstreinen, geregeld internationaal busvervoer
maritiem transport zowel naar
vanuit de Europese Unie, als inkomend
uitgaand binnen de Europese Unie » (ibid., p. 7), krachtens de mogelijkheid waarin artikel 2 van de PNR-richtlijn voorziet. De wettelijke verplichting om passagiersgegevens door te sturen geldt overigens niet alleen voor de door de PNR-richtlijn beoogde luchtvaartmaatschappijen, maar ook voor de reisoperatoren, krachtens de door de PNR-richtlijn geboden mogelijkheid om die verplichting op te leggen aan marktdeelnemers die geen luchtvaartmaatschappij zijn (ibid., p. 8). B.4.1. Artikel 4, 9°, van de wet van 25 december 2016 definieert de « PNR » als « het bestand met de reisgegevens van iedere passagier, dat de in artikel 9 bedoelde informatie bevat, die de boekende
de deelnemende vervoerders
reisoperatoren nodig hebben om reserveringen te kunnen verwerken
controleren bij elke reis die door of namens iemand wordt geboekt; dit bestand kan zich bevinden in een reserveringssysteem, een vertrekcontrolesysteem (voor de controle van vertrekkende passagiers) of een soortgelijk systeem dat dezelfde functies vervult ». Wat de gegevens van de check-in-status
het instappen betreft, zijn de voorafgaande gegevens (API-gegevens - Advanced Passenger Information) bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, exhaustief opgesomd in de zestien punten van artikel 9, § 2, van de wet van 25 december
reisoperatoren
doorgestuurd met het oog op de registratie ervan in de passagiersgegevensbank bedoeld in artikel 15, die wordt beheerd door de « Passagiersinformatie-eenheid » (hierna : de PIE), die is opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken (artikelen 12
volgende). De passagiers worden 11 geïnformeerd over het feit dat hun gegevens worden doorgestuurd naar de PIE
dat die gegevens achteraf kunnen worden verwerkt voor de in artikel 8 beoogde doelen (artikel 6). De doeleinden van de verwerking van PNR-gegevens zijn opgesomd in artikel 8 van de wet van 25 december 2016 : het gaat,
erzijds, om het opsporen
vervolgen van misdrijven (artikel 8, § 1)
, anderzijds, onder de voorwaarden bepaald in hoofdstuk 11, om de verbetering van de controles van personen aan de buitengrenzen
de bestrijding van illegale immigratie (artikel 8, § 2). In het kader van de doeleinden beoogd in artikel 8, § 1, bepaalt artikel 16 van de wet van 25 december 2016 dat de passagiersgegevensbank rechtstreeks toegankelijk is door de PIE voor de verwerkingen bedoeld in de artikelen 24 tot 27, overeenkomstig de bepalingen waarin hoofdstuk 9 voorziet. In het kader van de in artikel 8, § 2 beoogde doeleinden worden
kel de in artikel 9, § 1, 18° (API-gegevens) bedoelde passagiersgegevens doorgegeven die betrekking hebben op de categorieën van passagiers die worden beoogd in artikel 29, § 2, van de wet van 25 december 2016. De bewaartermijn van de gegevens is vastgesteld bij de artikelen 18
volgende van de wet van 25 december
, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. 12 B.5.2. Hoewel de verzoekende partij, met haar eerste middel, de vernietiging vordert van de volledige wet van 25 december 2016, blijkt uit de uiteenzetting van het middel dat de grieven
kel gericht zijn tegen de artikelen 3, § 2, 4, 9°
10°, 7 tot 9, 12 tot 16, 18, 24 tot 27, 50
51 van de wet van 25 december 2016. Bijgevolg is het beroep tot vernietiging slechts in die mate ontvankelijk. Het tweede middel, dat in ondergeschikte orde wordt geformuleerd, is gericht tegen de artikelen 3, § 1, 8, § 2,
tegen hoofdstuk 11, dat de artikelen 28 tot 31, van de wet van 25 december 2016 bevat. B.5.3. Wanneer evenwel uit het nader onderzoek van de middelen zou blijken dat
kel bepaalde onderdelen van de bestreden bepalingen worden bekritiseerd, zal het onderzoek in voorkomend geval tot die onderdelen worden beperkt. B.
de reisoperatoren inzake de doorgifte van gegevens van passagiers van, naar
op doorreis over het nationaal grondgebied. § 2. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, per vervoerssector
voor de reisoperatoren, de passagiersgegevens die moeten worden doorgestuurd
de nadere regels voor het doorsturen, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. HOOFDSTUK 3. - Definities Art. 4. Voor de toepassing van deze wet
de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder : […] 9° ‘ PNR ’ : het bestand met de reisgegevens van iedere passagier, dat de in artikel 9 bedoelde informatie bevat, die de boekende
de deelnemende vervoerders
reisoperatoren nodig hebben om reserveringen te kunnen verwerken
controleren bij elke reis die door of namens iemand wordt geboekt; dit bestand kan zich bevinden in een reserveringssysteem, een vertrekcontrolesysteem (voor de controle van vertrekkende passagiers) of een soortgelijk systeem dat dezelfde functies vervult; 13 10° ‘ passagier ’ : iedere persoon, met inbegrip van de transferpassagiers
transitpassagiers
met uitsluiting van de bemanningsleden, die wordt vervoerd of moet worden vervoerd door een vervoerder, met de toestemming van deze laatste, wat zich vertaalt door de inschrijving van deze persoon op de passagierslijst; […] HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen van de vervoerders
reisoperatoren […] Art.
verzekeren zich ervan dat de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, waarover zij beschikken, volledig, juist
actueel zijn. Hiervoor controleren zij de overeenstemming tussen de reisdocumenten
de identiteit van de betrokken passagier. § 2. De reisoperatoren sturen de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, waarover zij beschikken, door
verzekeren zich ervan dat de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, waarover zij beschikken, volledig, juist
actueel zijn. Hiervoor nemen ze alle noodzakelijke maatregelen om de overeenstemming tussen de reisdocumenten
de identiteit van de betrokken passagier te controleren. § 3. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, per vervoerssector
voor de reisoperatoren, de nadere regels met betrekking tot de verplichting bepaald in §§ 1
vervolgen, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen, met betrekking tot misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, 1°bis, 1°ter, 1°quater, 1°quinquies, 1°octies, 4°, 5°, 6°, 7°, 7°bis, 7°ter, 8°, 9°, 10°, 10°bis, 10°ter, 11°, 13°, 13° bis, 14°, 16°, 17°, 18°, 19°
, van het Wetboek van Strafvordering; 2° het opsporen
vervolgen, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen, met betrekking tot misdrijven bedoeld in de artikelen 196, voor wat betreft valsheid in authentieke
openbare geschriften, 198, 199, 199bis, 207, 213, 375
505 van het Strafwetboek; 3° de preventie van ernstige inbreuken op de openbare veiligheid in het kader van gewelddadige radicalisering door het toezien op fenomenen
groeperingen overeenkomstig artikel 44/5, § 1, 2°
3°
, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt; 4° het toezien op activiteiten bedoeld in de artikelen 7, 1°
3°/1,
11, § 1, 1° tot 3°
5°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst; 14 5° het opsporen
vervolgen met betrekking tot de misdrijven bedoeld in artikel 220, § 2, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane
accijnzen
artikel 45, derde lid, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen. § 2. Onder de voorwaarden bepaald in hoofdstuk 11, worden de passagiersgegevens eveneens verwerkt ter verbetering van de controles van personen aan de buitengrenzen
ter bestrijding van illegale immigratie. HOOFDSTUK
afgifte van het biljet; 3° de geplande reisdata; 4° de namen, voornamen
geboortedatum; 5° het adres
de contactgegevens (telefoonnummer, e-mailadres); 6° de betalingsinformatie, met inbegrip van het factureringsadres; 7° de volledige reisroute voor de betrokken passagier; 8° de informatie over de ‘ geregistreerde reizigers ’, met name de reizigers die gebruikmaken van een loyauteitsprogramma voor frequent reizen; 9° het reisbureau of de reisagent; 10° de status van de reiziger, met inbegrip van de bevestigingen, check-in-status, no-show- of go-show-informatie; 11° de aanwijzingen over de opgesplitste of opgedeelde PNR-informatie; 12° de algemene opmerkingen, met inbegrip van alle beschikbare informatie over de niet- begeleide minderjarigen onder 18 jaar, zoals de naam
het geslacht van de minderjarige, zijn leeftijd, de taal/talen die hij spreekt, de naam
de contactgegevens van de voogd die de minderjarige begeleidt bij het vertrek
de aard van zijn relatie met de minderjarige, de naam
de contactgegevens van de voogd aanwezig bij de aankomst
de aard van zijn relatie met de minderjarige, de ambtenaar die bij het vertrek
de aankomst aanwezig is; 13° de informatie betreffende de biljetuitgifte, waaronder het biljetnummer, de uitgiftedatum, de biljetten voor
kele reizen
de geautomatiseerde prijsnotering van de biljetten; 14° het zitplaatsnummer
andere informatie over de zitplaats; 15 15° de informatie over gezamenlijke vluchtnummers; 16° alle bagage-informatie; 17° het aantal
de namen van de andere reizigers in het PNR; 18° alle voorafgaande passagiersgegevens (API-gegevens) die werden verzameld
worden opgesomd in § 2; 19° alle vroegere wijzigingen van de onder 1° tot 18° opgesomde gegevens; § 2. Wat de gegevens van de check-in-status
het instappen betreft, zijn de voorafgaande gegevens bedoeld in § 1, 18°, de volgende : 1° soort reisdocument; 2° nummer van het document; 3° nationaliteit; 4° land van afgifte van het document; 5° vervaldatum van het document; 6° familienaam, voornaam, geslacht, geboortedatum; 7° vervoerder / reisoperator; 8° nummer van het vervoer; 9° datum van vertrek, datum van aankomst; 10° plaats van vertrek, plaats van aankomst; 11° tijdstip van vertrek, tijdstip van aankomst; 12° totaal aantal vervoerde personen; 13° zitplaatsnummer; 14° PNR-bestandslocatiecode; 15° aantal, gewicht
identificatie van de bagagestukken; 16° grensdoorlaatpost van binnenkomst op het nationaal grondgebied. [...] 16 HOOFDSTUK
het verwerken van de passagiersgegevens die door de vervoerders
reisoperatoren zijn doorgestuurd, evenals met het beheer van de passagiersgegevensbank; 2° de uitwisseling met de PIE’s van andere lidstaten van de Europese Unie, met Europol,
met derde landen van zowel de passagiersgegevens als de resultaten van hun verwerking, overeenkomstig hoofdstuk
de werking van de PIE; b) het toezicht op de naleving door de vervoerders
de reisoperatoren van hun verplichtingen bepaald in hoofdstuk 4; c) het beheer
het gebruik van de passagiersgegevensbank;
de regelmatigheid van de in hoofdstuk 10 bedoelde verwerkingen;
veiligheidsdienst; c) de Algemene Inlichtingen-
Veiligheidsdienst, bedoeld in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst; 17 d) de Administratie Onderzoek
Opsporing
de Administratie Toezicht, Controle
Vaststelling van de Algemene Administratie van de Douane
Accijnzen, bedoeld in het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 16 oktober 2014 tot oprichting van de nieuwe diensten van de Algemene Administratie van de Douane
Accijnzen. De leden van de bevoegde diensten worden gedurende de periode van hun detachering onder het functioneel
hiërarchisch toezicht geplaatst van de leidend ambtenaar van de PIE. Zij behouden evenwel het statuut van hun oorspronkelijke dienst. § 2. Na overleg met de functionaris voor de gegevensbescherming
na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, sluiten de leidend ambtenaar van de PIE
de bevoegde diensten het protocolakkoord bedoeld in artikel 17, teneinde de nadere regels te bepalen met betrekking tot de doorgifte van de gegevens. Het protocol vermeldt minstens de volgende garanties : - de nadere regels met betrekking tot de uitwisseling van de gegevens; - de door de wet bepaalde maximumtermijnen voor de verwerking van de gegevens; - het informeren van de PIE door de bevoegde diensten over het gevolg gegeven aan de gevalideerde positieve overeenstemmingen. § 3. Overeenkomstig de wettelijke verplichtingen van iedere bevoegde dienst homologeert de Nationale Veiligheidsoverheid een beveiligd
gecodeerd communicatie-
informatiesysteem voor het automatisch versturen van de positieve overeenstemmingen. § 4. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit
na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels voor de samenstelling
de organisatie van de PIE, het statuut van de leidend ambtenaar
de leden van de PIE, evenals de directies of afdelingen die binnen de bevoegde diensten instaan voor de verwerking van de passagiersgegevens. HOOFDSTUK
waarin de passagiersgegevens worden geregistreerd. §
rechtzetting inzake de passagiersgegevens, bepaald in respectievelijk de artikelen 10
12 van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wordt rechtstreeks uitgeoefend bij de functionaris voor de gegevensbescherming. In afwijking van het eerste lid worden deze rechten uitgeoefend bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de positieve overeenstemmingen
de resultaten van de gerichte opzoekingen bedoeld in de artikelen 24 tot
5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g)
11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst, berust de voorafgaande beoordeling van de passagiers op een positieve overeenstemming, voortvloeiende uit een correlatie van de passagiersgegevens met : 1° de gegevensbanken die door de bevoegde diensten worden beheerd of die voor hen rechtstreeks beschikbaar of toegankelijk zijn in het kader van hun opdrachten of met lijsten van personen die worden opgesteld door de bevoegde diensten in het kader van hun opdrachten. 2° de door de PIE vooraf bepaalde beoordelingscriteria, bedoeld in artikel
moeten doelgericht, evenredig
specifiek zijn. §
kel de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18° met betrekking tot de persoon of personen voor wie een positieve overeenstemming werd gegenereerd, toegankelijk zijn. § 2. Voor het doel beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 4°
5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g),
11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst, zijn alle passagiersgegevens bedoeld in artikel 9 toegankelijk. Afdeling
5°,
onder de voorwaarden bepaald in artikel 46septies van het Wetboek van Strafvordering of in artikel 16/3 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst. HOOFDSTUK 11. - De verwerking van de passagiersgegevens ter verbetering van de grenscontroles
ter bestrijding van de illegale immigratie Art.
door de Dienst Vreemdelingenzaken, met het oog op de verbetering van de controles van personen aan de buitengrenzen
met het oog op de bestrijding van de illegale immigratie. 20 § 2. Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd de verplichtingen van de politiediensten belast met de grenscontroles
van de Dienst Vreemdelingenzaken om persoonsgegevens of inlichtingen door te geven krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen. Art.
aan de Dienst Vreemdelingenzaken, om hen in staat te stellen hun wettelijke opdrachten te vervullen, binnen de in dit artikel bepaalde grenzen. § 2.
kel de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9, § 1, 18°, worden doorgegeven voor de volgende categorieën van passagiers : 1° de passagiers die van plan zijn om het grondgebied via de buitengrenzen van België te betreden of het grondgebied via de buitengrenzen van België betreden hebben; 2° de passagiers die van plan zijn om het grondgebied via de buitengrenzen van België te verlaten of het grondgebied via de buitengrenzen van België verlaten hebben; 3° de passagiers die van plan zijn om via een in België gelegen internationale transitzone te passeren, die zich in een in België gelegen internationale transitzone bevinden of die via een in België gelegen transitzone gepasseerd zijn. § 3. De passagiersgegevens bedoeld in § 2 worden onmiddellijk na hun registratie in de passagiersgegevensbank doorgestuurd naar de politiediensten die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen van België. Deze bewaren de gegevens in een tijdelijk bestand
vernietigen ze binnen de vierentwintig uur na doorsturing. § 4. Wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken de gegevens nodig heeft voor de vervulling van zijn wettelijke opdrachten, worden de passagiersgegevens bedoeld in § 2 onmiddellijk na hun registratie in de passagiersgegevensbank doorgestuurd. De Dienst Vreemdelingenzaken bewaart deze gegevens in een tijdelijk bestand
vernietigt ze binnen de vierentwintig uur na doorsturing. Indien, na het verstrijken van deze termijn, de toegang tot de passagiersgegevens bedoeld in § 2 voor de Dienst Vreemdelingenzaken noodzakelijk is in het kader van de uitvoering van zijn wettelijke opdrachten, richt hij hiertoe een afdoende gemotiveerde aanvraag tot de PIE. De Dienst Vreemdelingenzaken stuurt maandelijks een verslag naar de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreffende de toepassing van het tweede lid. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit
na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de toegangsvoorwaarden bedoeld in het tweede lid. Art. 30. § 1. De technische beveiligings-
toegangsregels, alsook de nadere regels voor de doorgifte van de passagiersgegevens aan de politiediensten belast met de grenscontroles
aan de Dienst Vreemdelingenzaken, worden gepreciseerd in een protocol dat afgesloten wordt, in overleg met de functionaris voor de gegevensbescherming
na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tussen,
erzijds, de leidend ambtenaar 21 van de PIE
, anderzijds, de Commissaris-generaal van de federale politie
de leidend ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken. §
de reisoperatoren vernietigen, binnen de vierentwintig uur na het einde van het in artikel 4, 3° tot 6° bedoelde vervoer, alle in artikel 9, § 2, bedoelde passagiersgegevens, die ze overeenkomstig artikel 7 doorsturen. [...] HOOFDSTUK
wanbedrijven bedoeld in artikel 8, § 1, 1°, 2°
5°, van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, kan de procureur des Konings, bij een schriftelijke
met redenen omklede beslissing, de officier van gerechtelijke politie opdragen om de PIE te vorderen tot het meedelen van de passagiersgegevens overeenkomstig artikel 27 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens. De motivering weerspiegelt de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer
de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. De maatregel kan betrekking hebben op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek onderzoek. In dit geval preciseert de procureur des Konings de duur van de maatregel die niet langer kan zijn dan een maand, te rekenen vanaf de beslissing, onverminderd hernieuwing. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan iedere officier van gerechtelijke politie, na mondelinge
voorafgaande instemming van de procureur des Konings,
bij een gemotiveerde
schriftelijke beslissing, de leidend ambtenaar van de PIE vorderen tot het meedelen van de passagiersgegevens. De officier van de gerechtelijke politie deelt deze 22 gemotiveerde
schriftelijke beslissing
de verkregen informatie binnen vierentwintig uur mee aan de procureur des Konings
motiveert tevens de uiterst dringende noodzakelijkheid. ’ Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst Art. 51. In hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst, wordt een artikel 16/3 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 16/3. § 1. De inlichtingen-
veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, mits afdoende motivering, beslissen om toegang te hebben tot de passagiersgegevens bedoeld in artikel 27 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens. § 2. De in § 1 bedoelde beslissing, wordt door een diensthoofd genomen
schriftelijk overgemaakt aan de Passagiersinformatie-eenheid bedoeld in hoofdstuk 7 van voormelde wet. De beslissing wordt met de motivering van deze beslissing aan het Vast Comité I betekend. Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen-
veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke voorwaarden voldoen. De beslissing kan betrekking hebben op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek. In dit geval wordt de lijst van de raadplegingen van de passagiersgegevens een keer per maand aan het Vast Comité I doorgegeven. ’ ». Ten aanzien van de inwerkingtreding
het toepassingsgebied van de wet van 25 december 2016 B.7. Krachtens artikel 54 van de wet van 25 december 2016 bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per vervoerssector
voor de reisoperatoren, de datum van inwerkingtreding van deze wet. B.8. De wet van 25 december 2016 is in werking getreden op 7 augustus 2017, wat betreft de luchtvaartmaatschappijen, overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 18 juli 2017 « ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van de passagiersgegevens, houdende de verplichtingen opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen » (hierna : het koninklijk besluit van 18 juli 2017). 23 Sinds 22 februari 2019 is de wet van 25 december 2016 eveneens in werking getreden wat betreft de HST-vervoerders (High speed train – internationale dienst voor reizigersvervoer over het spoor)
de HST-ticketverdelers, overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 februari 2019 « ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, houdende de verplichtingen opgelegd aan de HST-vervoerders
de HST-ticketverdelers », evenals wat betreft de busvervoerders, overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 februari 2019 « ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, houdende de verplichtingen opgelegd aan de busvervoerders ». Ten aanzien van de wijzigingen aangebracht in de wet van 25 december 2016 B.9. De wet van 25 december 2016 is gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018), bij de wet van 15 juli 2018 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken » (hierna : de wet van 15 juli 2018)
bij de wet van 2 mei 2019 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de wet van 2 mei 2019). B.10.1. Artikel 280, vierde lid, van de wet van 30 juli 2018 heeft, met ingang van 5 september 2018, artikel 15, § 3, van de wet van 25 december 2016 opgeheven. Daar geen
kel beroep tot vernietiging is ingesteld tegen artikel 280, vierde lid, van de wet van 30 juli 2018, is het thans voorliggende beroep tot vernietiging, in zoverre het betrekking heeft op artikel 15, § 3, van de wet van 25 december 2016, definitief zonder voorwerp geworden. B.10.
bestrijding van de illegale immigratie, bedoeld in artikel 8, § 2, van voornoemde wet van 25 december 2016, die een omzetting betreft van de API-Richtlijn, worden ingedeeld onder titel 1 van deze wet. De verwerkingen in het kader van de finaliteiten opgenomen in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 3°
5°, van voornoemde wet van 25 december 2016 worden ingedeeld onder titel 2 aangezien dit verwerkingen betreffen van persoonsgegevens (passagiersgegevens) door de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. De verwerkingen in het kader van de finaliteit bedoeld in artikel 8, § 1, 4°, van voornoemde wet van 25 december 2016 worden ingedeeld onder titel 3 daar dit verwerkingen [betreft] van persoonsgegevens (passagiersgegevens), uitgevoerd in het kader van de opdrachten van de inlichtingen-
veiligheidsdiensten als bedoeld in artikelen 7
11 van de wet van 30 november
vervolgen, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen, met betrekking tot misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, 2°, 3°, 7°, 8°, 11°, 14°, 17° tot 20°, 22°, 24° tot 28°, 30°, 32°, 33°, 34°, 36° tot 39°, 43° tot 45°
, van het Wetboek van strafvordering; ’ 25 2° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt : ‘ 5° het opsporen
vervolgen van de misdrijven bedoeld in artikel 220, § 2, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane
accijnzen, in artikel 45, derde lid, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, in artikel 5 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak
piraterij van intellectuele eigendomsrechten, in artikel 26 van het decreet van de Duitstalige gemeenschap van 20 februari 2017 ter bescherming van roerende cultuurgoederen van uitzonderlijk belang alsook in artikel 24 van het decreet van de Vlaamse gemeenschap van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, het ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 7 februari 2012 waarbij de invoer van goederen van oorsprong of van herkomst uit Syrië, aan een vergunning onderworpen wordt, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 juli 2014, het ministerieel besluit van 23 maart 2004 tot opheffing van het ministerieel besluit van 17 januari 2003 waarbij de in-, uit-
doorvoer van goederen van oorsprong of van herkomst uit of met bestemming Irak, aan een voorafgaande machtiging onderworpen wordt
waarbij de in-, uit-
doorvoer van zekere goederen van oorsprong, van herkomst uit of met bestemming Irak aan een vergunning onderworpen wordt alsook het opsporen van misdrijven bedoeld in artikel 5 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier-
plantensoorten,
van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni
diensten belast met toezicht, controle
vaststelling van de Algemene Administratie van de Douane
Accijnzen. ’; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : ‘ § 4. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad
na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens, de nadere regels voor de samenstelling
de organisatie van de PIE alsook het statuut van de leidend ambtenaar
de leden van de PIE. ’. Art.
na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens, sluiten de leidend ambtenaar van de PIE
de bevoegde diensten een protocol af dat de technische beveiligings-
toegangsregels uitwerkt. 26 Dit protocol : 1° garandeert dat de verwerkte gegevens aan dezelfde beveiligings-
beschermingsvereisten worden onderworpen; 2° zorgt ervoor dat de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen genomen worden teneinde : - te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de regels betreffende de in deze wet bepaalde termijnen, de bewaring
de vernietiging van de gegevens die in de passagiersgegevensbank zijn bewaard; - de gegevens ontoegankelijk te maken voor elke persoon die niet gemachtigd is om hiertoe toegang te hebben; - te verzekeren dat de verwerkingen uitgevoerd door de leden van de PIE, gebeuren overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie
de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten
veiligheidsadviezen; 3° bepaalt dat machtigingen om toegang tot de passagiersgegevens
gemeenschappelijke gebruikersprofielen worden toegekend aan elke persoon die toegang zou kunnen hebben tot de passagiersgegevens; 4° garandeert dat de gegevens op het grondgebied van de Europese Unie worden bewaard. ’. Art. 66. In artikel 24, § 2, van dezelfde wet, wordt de inleidende zin van het eerste lid vervangen als volgt : ‘ In het kader van de doelen beoogd in artikel 8, § 1, 1°, 2°, 4°
5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g),
11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst, berust de voorafgaande beoordeling van de passagiers op een positieve overeenstemming, voortvloeiende uit een correlatie van de passagiersgegevens met : ’. Art.
5°, of met betrekking tot de bedreigingen vermeld in de artikelen 8, 1°, a), b), c), d), f), g),
11, § 2, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst, zijn alle passagiersgegevens bedoeld in artikel 9 toegankelijk. ’. Art.
67 van de wet van 15 juli 2018 vervangen, respectievelijk, de artikelen 8, § 1, 1°
5°, 14, § 1, 2°, d),
, 17, 24, § 2, eerste lid, inleidende zin,
26, § 2, van de wet van 25 december 2016. Daar geen
kel beroep tot vernietiging is ingesteld tegen de voormelde artikelen van de wet van 15 juli 2018, is het thans voorliggende beroep tot vernietiging in beginsel zonder voorwerp geworden in zoverre het is gericht tegen de vervangen artikelen van de wet van 25 december 2016. Het thans voorliggende beroep tot vernietiging is gericht tegen de wet van 25 december 2016 in de oorspronkelijke versie ervan. Ook al zijn de artikelen 8, § 1, 1°
5°, 14, § 1, 2°, d),
, 17, 24, § 2, eerste lid, inleidende zin,
26, § 2, van de wet van 25 december 2016 vervangen door de voormelde artikelen van de wet van 15 juli 2018, het beroep tot vernietiging behoudt, in zoverre het is gericht tegen de artikelen 8, § 1, 1°
5°, 14, § 1, 2°, d),
, 17, 24, § 2, eerste lid, inleidende zin,
26, § 2, van de wet van 25 december 2016, een voorwerp in zoverre de wet van 15 juli 2018 die bestreden artikelen van de wet van 25 december 2016 niet wezenlijk wijzigt. Het Hof onderzoekt bijgevolg, voor elk van die bepalingen
voor elke grief, in welke mate het beroep tot vernietiging al dan niet een voorwerp heeft behouden. B.11.3. Artikel 64 van de wet van 15 juli 2018 vervangt, in artikel 15, § 2, van de wet van 25 december 2016, het woord « passagiersgegevensbank » door het woord « passagiersgegevens ». Artikel 68 van de wet van 15 juli 2018 vervangt, in artikel 31 van de wet van 25 december 2016, de woorden « in artikel 9, § 2 » door de woorden « in artikel 9, § 1, 18° ». Die wijzigingen vormen slechts technische correcties van de artikelen 15, § 2,
31 van de wet van 25 december 2016, zonder dat zij die bepalingen vervangen, zodat zij niet kunnen worden geacht een weerslag te hebben op het voorwerp van het voorliggende beroep. B.11.
4 tot 7 van de wet van 2 mei 2019 wijzigen verscheidene bestreden artikelen van de wet van 25 december 2016 als volgt : « Art. 2. In de artikelen 3, § 2, 14, § 2, 15, § 4, 23, § 2, tweede lid, 29, § 4, 30, § 1, 44, § 2, 7°
9°
, van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, worden de woorden ‘ de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ’ telkens vervangen door de woorden ‘ de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens ’ ». « Art. 4. In artikel 15 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 2018
30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In paragrafen 2
4, worden de woorden ‘ wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ’ telkens vervangen door de woorden ‘ wet gegevensbescherming ’. 2° In paragraaf 2, worden de woorden ‘ artikel 1, § 4 ’ vervangen door de woorden ‘ artikel 26, 8°. ’ Art. 5. Artikel 24, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 2018 wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ In het kader van het in het eerste lid beoogde doel waarvoor de positieve overeenstemming werd verkregen, berust het gebruik van passagiersgegevens in het kader van de voorafgaande beoordeling gedurende een periode van vierentwintig uur vanaf de validatie bedoeld in paragraaf 4 op : 1° de relevante passagiersgegevens van hetzelfde vervoer als dit waaruit de positieve overeenstemming voortvloeit voor zover deze gegevens verband houden met de gegevens opgenomen in de positieve overeenstemming. 2° de andere in de passagiersgegevensbank geregistreerde passagiersgegevens van de persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van de positieve overeenstemming, onverminderd de toepassing van artikelen 19
20 ’. Art.
5°,
onder de voorwaarden bepaald in artikel 46septies van het Wetboek van strafvordering, in artikel 16/3 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen-
veiligheidsdienst of in artikel 281, § 4 van de algemene wet inzake douane
accijnzen gecoördineerd op 18 juli 1977 ’. 29 Art. 7. In artikel 29 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, worden de woorden ‘ belast met de grenscontroles ’ vervangen door de woorden ‘ bedoeld in artikel 14, § 1, 2°,
7 van de wet van 2 mei 2019 vormen
kel technische correcties van de artikelen 3, § 2, 14, § 2, 15, § 4, 29
30, § 1, van de wet van 25 december 2016, zodat die wijzigingen geen weerslag hebben op het voorwerp van het onderhavige beroep. Overigens, ook al vervangt artikel 6 van de wet van 2 mei 2019 het bestreden artikel 27 van de wet van 25 december 2016, het beroep tot vernietiging behoudt, in zoverre het is gericht tegen die bepaling, een voorwerp voor zover de inhoud van artikel 6 van de wet van 2 mei 2019 identiek is aan de oorspronkelijke versie van dat artikel
de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG » (algemene verordening gegevensbescherming) (hierna : de AVG), alsook over de uitlegging
de geldigheid van de PNR-richtlijn
van de API-richtlijn. Het Hof heeft het Hof van Justitie eveneens gevraagd of het, in geval van vernietiging van de bestreden wet wegens schending van het Europees recht, de gevolgen van die wet voorlopig zou kunnen handhaven. 30 B.13.
de Raad van 27 april 2016 ‘ betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG ’ (Algemene verordening gegevens - AVG) », in samenhang gelezen met artikel 2, lid 2, d), van die verordening, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op een nationale wetgeving zoals de wet van 25 december 2016 ‘ betreffende de verwerking van passagiersgegevens ’, die niet
kel de richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016 ‘ over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken
vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit ’ omzet, alsook de richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘ betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven ’
de richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement
de Raad van 20 oktober 2010 ‘ betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in
/of vertrekken uit havens van de lidstaten
tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG ’ ? 2. Is bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin dat de erin opgesomde gegevens zeer ruim zijn - onder meer de gegevens die worden beoogd in punt 18 van bijlage I van de richtlijn (EU) 2016/681, die verder gaan dan de gegevens beoogd in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2004/82/EG -
doordat die gegevens, in hun geheel beschouwd, gevoelige gegevens zouden kunnen onthullen,
aldus de grenzen van het « strikt noodzakelijke » zou kunnen overschrijden ? 3. Zijn de punten 12
18 van bijlage I bij de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre, rekening houdend met de bewoordingen ‘ onder meer ’
‘ met inbegrip van ’, de erin beoogde gegevens bij wijze van voorbeeld
niet exhaustief worden vermeld, zodat de vereiste van nauwkeurigheid
duidelijkheid van de regels die leiden tot een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven
in het recht op bescherming van de persoonsgegevens niet in acht zou zijn genomen ? 4. Zijn artikel 3, punt 4, van de richtlijn 2016/681/EU
bijlage I bij dezelfde richtlijn bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het systeem van het algemeen verzamelen, doorgeven
verwerken van passagiersgegevens dat die bepalingen instellen, iedere persoon beoogt die het desbetreffende vervoersmiddel gebruikt, los van elk objectief element dat het mogelijk maakt ervan uit te gaan dat die persoon een risico voor de openbare veiligheid kan vormen ? 5. Dient artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet, die, als doel van de ‘ PNR-gegevensverwerking ’, het toezien op door de inlichtingen-
veiligheidsdiensten beoogde activiteiten aanvaardt, waarbij het dat doel aldus opneemt in het 31 voorkomen, het opsporen, het onderzoeken
het vervolgen van terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit ? 6. Is artikel 6 van de richtlijn (EU) 2016/681 bestaanbaar met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de voorafgaande beoordeling die daarin wordt geregeld, door een correlatie met de gegevensbanken
de vooraf bepaalde criteria, stelselmatig
op algemene wijze van toepassing is op de passagiersgegevens, los van elk objectief element dat toelaat ervan uit te gaan dat die passagiers een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid ? 7. Kan het begrip ‘ andere bevoegde nationale instantie ’ bepaald in artikel 12, lid 3, van de richtlijn (EU) 2016/681 zo worden geïnterpreteerd dat het de PIE beoogt die bij de wet van 25 december 2016 is opgericht
die derhalve de toegang tot de ‘ PNR-gegevens ’, na een termijn van zes maanden, in het kader van de gerichte opzoekingen zou kunnen toestaan ? 8. Dient artikel 12 van de richtlijn (EU) 2016/681, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet die voorziet in een algemene bewaartermijn van de gegevens van vijf jaar, zonder onderscheid of de betrokken passagiers, in het kader van de voorafgaande beoordeling, al dan niet een risico kunnen vormen voor de openbare veiligheid ? 9. a) Is de richtlijn 2004/82/EG bestaanbaar met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie
met artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de daarbij ingevoerde verplichtingen van toepassing zijn op de vluchten binnen de Europese Unie ? b) Dient de richtlijn 2004/82/EG, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie
met artikel 45 van het Verdrag betreffende de grondrechten van de Europese Unie, zo te worden geïnterpreteerd dat zij zich verzet tegen een nationale wetgeving zoals de bestreden wet die, met het oog op de strijd tegen illegale immigratie
het verbeteren van de grenscontroles, een systeem toestaat voor de verzameling
verwerking van de passagiersgegevens ‘ van, naar
op doorreis over het nationaal grondgebied ’, hetgeen indirect een herinvoering van de controles aan de binnengrenzen zou kunnen impliceren ? 10. Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van de antwoorden op de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen, tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet, die met name de richtlijn (EU) 2016/681 omzet, één of meer van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van de wet van 25 december 2016 ‘ betreffende de verwerking van passagiersgegevens ’ tijdelijk kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen
het mogelijk te maken dat de voorheen verzamelde
bewaarde gegevens alsnog kunnen worden gebruikt voor de door de wet beoogde doelstellingen ? ». B.14. Bij zijn arrest van 21 juni 2022 in zake Ligue des droits humains t. Ministerraad, (C-817/19, ECLI:EU:C:2022:491), heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, in grote kamer, op de voormelde prejudiciële vragen geantwoord. 32 In het voormelde arrest onderzoekt het Hof van Justitie opeenvolgend : - de eerste prejudiciële vraag betreffende de samenhang van de AVG met de PNR-richtlijn (punten 63 tot 84); - de tweede tot de vierde
de zesde prejudiciële vraag met betrekking tot de geldigheid van de PNR-richtlijn
/of van de bijlagen ervan wat betreft het systeem voor de verzameling van gegevens
de beoogde gegevens (punten 85 tot 228); - de vijfde prejudiciële vraag met betrekking tot de uitlegging van de PNR-richtlijn wat betreft de doeleinden op het vlak van inlichting
veiligheid (punten 229 tot 237); - de zevende prejudiciële vraag met betrekking tot de uitlegging van het begrip « onafhankelijke nationale autoriteit » bedoeld in de PNR-richtlijn (punten 238 tot 247); - de achtste prejudiciële vraag met betrekking tot de uitlegging van de bewaartermijn van de gegevens zoals bedoeld in de PNR-richtlijn (punten 248 tot 262); - de negende prejudiciële vraag, punt a, met betrekking tot de geldigheid van de API-richtlijn, indien die richtlijn van toepassing is op de vluchten binnen de EU (punten 263 tot 269); - de negende prejudiciële vraag, punt b, met betrekking tot de uitlegging van de API-richtlijn in zoverre zij zou toelaten illegale immigratie te bestrijden
opnieuw een vorm van controle aan de grenzen in te voeren (punten 270 tot 291); - de tiende prejudiciële vraag met betrekking tot een eventuele handhaving van de gevolgen van de wet die mogelijk onverenigbaar zou zijn met het Unierecht (punten 292 tot 298). 33 Ten aanzien van het eerste middel B.15. Het eerste middel, dat in hoofdorde wordt geformuleerd, is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016, met de artikelen 7, 8
52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partij zou de wet van 25 december 2016 afbreuk doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven
het recht op bescherming van persoonsgegevens, die door die bepalingen worden gewaarborgd. De wet van 25 december 2016 zou het wettigheidsbeginsel niet in acht nemen. Het systematisch
ongedifferentieerd verzamelen, doorgeven
verwerken van PNR-gegevens volgens een methode van « pre-screening » zou niet noodzakelijk zijn, noch verantwoord door een doel van algemeen belang
verscheidene doorgevoerde maatregelen zouden onevenredig zijn. Wat de referentienormen betreft B.16.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven
zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen
onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.16.
zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van
ig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien
in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde
het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten
vrijheden van anderen ». 34 B.16.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet
artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.17.1. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets-
verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte
omvat, onder meer, de eerbiediging van de fysieke integriteit van de persoon (EHRM, grote kamer, 8 april 2021, Vavřička e.a. t. Tsjechië, ECLI:CE:ECHR:2021:0408JUD004762113, § 261)
de bescherming van persoonsgegevens
van persoonlijke informatie met betrekking tot de gezondheid (EHRM, 25 februari 1997, Z. t. Finland, ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993, § 95; 10 oktober 2006, L.L. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2006:1010JUD000750802, § 32; 27 februari 2018, Mockuté t. Litouwen, ECLI:CE:ECHR:2018:0227JUD006649009, § 93). Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, onder meer, de volgende gegevens
informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of inverdenkingstelling), financiële gegevens, informatie over bezittingen
medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S.
Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:1217JUD000533506, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD001137903, §§ 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2011:1018JUD001618807, §§ 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2012:1009JUD004281106, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0418JUD001952209, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2014:0918JUD002101010, § 31; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613, § 51). 35 B.17.2. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet
bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut. Zij sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving
dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, ook in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1994:1027JUD001853591, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2013:1112JUD000578608, § 78). Wanneer zij de afweging maken tussen het belang van de Staat bij de verwerking van persoonsgegevens
het individueel belang bij de bescherming van de vertrouwelijkheid van die gegevens, beschikken de nationale autoriteiten over een zekere beoordelingsmarge (ibid., § 99). In het licht van het fundamentele belang van de bescherming van persoonsgegevens is die marge evenwel vrij beperkt (EHRM, 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD004278806, § 73). Opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat een billijk evenwicht wordt bereikt tussen alle rechten
belangen die in het geding zijn. Bij de beoordeling van dat evenwicht dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (hierna : het Verdrag nr. 108) (EHRM, 25 februari 1997, Z t. Finland, ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993, § 95; grote kamer, 4 december 2008, S.
Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, § 103; 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD004278806, § 74). Het Verdrag nr. 108 bevat onder meer de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens : rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding, evenredigheid, juistheid, opslagbeperking, integriteit
vertrouwelijkheid,
verantwoordingsplicht. 36 Datzelfde Verdrag is geactualiseerd bij een protocol tot amendering dat op 10 oktober 2018 voor ondertekening is opengesteld. Uit Verdrag nr. 108 vloeit voort dat het nationale recht in het bijzonder moet garanderen dat persoonsgegevens relevant
niet excessief zijn in het licht van de doeleinden waarvoor ze worden verzameld of bijgehouden, dat de gegevens worden bewaard in een vorm die de identificatie van de betrokkenen niet langer dan vereist mogelijk maakt,
dat de bijgehouden data op efficiënte wijze worden beschermd tegen verkeerdelijk gebruik
misbruik. Het heeft ook erop gewezen dat het van essentieel belang is dat het nationale recht duidelijke
gedetailleerde regels bevat inzake de reikwijdte
toepassing van de betrokken maatregelen,
ook minimumwaarborgen bevat inzake, onder andere, de duurtijd, de bewaring, het gebruik, de toegang van derden, procedures voor het behoud van de integriteit
vertrouwelijkheid van gegevens
procedures voor de vernietiging ervan, zodat in elke fase van de gegevensverwerking er voldoende waarborgen zijn tegen het risico van misbruik
willekeur (EHRM, 26 januari 2017, Surikov t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD004278806, § 74). B.18.1. Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie-
gezinsleven, zijn woning
zijn communicatie ». B.18.
met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens
op rectificatie daarvan.
artikel 7 van het Handvest analoge grondrechten (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09
C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR
anderen, ECLI:EU:C:2010:662), terwijl artikel 8 van dat 37 Handvest een specifieke rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt (HvJ, grote kamer, 21 december 2016, C-203/15
C-698/15, Tele2 Sverige AB, ECLI:EU:C:2016:970, punt 129; HvJ, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18
C-520/18, La Quadrature du Net e.a., ECLI:EU:C:2020:791, punt 114). Het Hof van Justitie herinnert in dat verband eraan dat « artikel 7 van het Handvest, inzake de eerbiediging van het privéleven
van het familie-
gezinsleven, rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna : het EVRM),
dat, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, aan dat artikel 7 dus dezelfde inhoud
reikwijdte moeten worden toegekend als die welke aan artikel 8, lid 1, van het EVRM worden toegekend, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens » (HvJ, 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses Kft., ECLI:EU:C:2015:832, punt 70; 14 februari 2019, C-345/17, Buivids, ECLI:EU:C:2019:122, punt 65). B.18.4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is van mening dat de eerbiediging van het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens gelijk welke informatie betreft aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09
C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR e.a., ECLI:EU:C:2010:662, punt 52; 16 januari 2019, C-496/17, Deutsche Post AG, ECLI:EU:C:2019:26, punt 54). B.18.5. De in de artikelen 7
8 van het Handvest verankerde grondrechten hebben evenmin een absolute gelding (HvJ, grote kamer, 16 juli 2020, C-311/18, Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2020:559, punt 172). Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten
vrijheden, waaronder met name het door artikel 7 gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven
het in artikel 8 ervan neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen
, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn
daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten
vrijheden van 38 anderen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 64). B.18.6. In zijn advies 1/15 van 26 juli 2017 « betreffende het ontwerp van overeenkomst tussen Canada
de Europese Unie over de doorgifte
verwerking van persoonsgegevens van luchtreizigers », stelt het Hof van Justitie vast dat PNR-gegevens informatie bevatten over geïdentificeerde of identificeerbare personen, waardoor het verzamelen
verwerken ervan alsook de toegang tot die gegevens kunnen raken aan het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven,
aan het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens (HvJ, grote kamer, 26 juli 2017, advies 1/15, Overeenkomst PNR EU-Canada, ECLI:EU:C:2017:592, punten 122-126). Met betrekking tot de beperkingen die kunnen worden gesteld aan de artikelen 7
8 van het Handvest, oordeelt het Hof van Justitie dat « de in de artikelen 7
8 van het Handvest verankerde rechten […] geen absolute gelding [hebben], maar […] in relatie tot hun sociale functie [moeten] worden beschouwd » (ibid., punt 136) : « 137. In dit verband moet tevens worden opgemerkt dat persoonsgegevens luidens artikel 8, lid 2, van het Handvest met name moeten worden verwerkt ‘ voor bepaalde doeleinden
met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet ’. 138. Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten
vrijheden bij wet worden gesteld
moeten zij de wezenlijke inhoud van die rechten
vrijheden eerbiedigen. Volgens artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts beperkingen aan deze rechten
vrijheden worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn
daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten
vrijheden van anderen » (ibid.). B.19.1. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen
onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. 39 Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven
betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. B.19.2. Naast het formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
met de artikelen 7, 8
52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de verplichting op dat de inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven
van het recht op bescherming van persoonsgegevens in duidelijke
voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging toestaat. Inzake de bescherming van de persoonsgegevens impliceert dat vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2000:0504JUD002834195, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S.
Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, § 99). Het vereiste dat de beperking bij wet dient te worden ingesteld, houdt met name in dat de wettelijke grondslag die de inmenging in die rechten toestaat, zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen (HvJ, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 65). Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde gegevensverwerking betrokken personen
de voorwaarden voor
de doeleinden van de verwerking. B.20.
rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot
met 22
artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten
verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot
met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten
fundamentele vrijheden onverlet laat 40
in een democratische samenleving een noodzakelijke
evenredige maatregel is ter waarborging van :
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire
fiscale aangelegenheden, volksgezondheid
sociale zekerheid; f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter
gerechtelijke procedures; g) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing
de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen; h) een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), tot
met e)
punt
vrijheden van anderen;
de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang
de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking, g) de risico’s voor de rechten
vrijheden van de betrokkenen,
41 h) het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking ». Overeenkomstig die bepaling moeten beperkingen van bepaalde verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijken - waarin het Handvest voorziet -
van de rechten van de betrokkenen worden ingesteld bij wet, moeten zij de wezenlijke inhoud van de grondrechten
fundamentele vrijheden onverlet laten
moeten zij een in een democratische samenleving noodzakelijke
evenredige maatregel zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel
de in het tweede lid geformuleerde specifieke vereisten naleven (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18
C-520/18, La Quadrature du Net e.a., ECLI:EU:C:2020:791, punten 209-210; 10 december 2020, C-620/19, Land Nordrhein-Westfalen, ECLI:EU:C:2020:1011, punt 46). B.20.
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. […] ». B.20.3. Overweging 19 van de AVG bepaalt : « De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid,
het vrije verkeer van die gegevens wordt geregeld in een specifieke rechtshandeling van de Unie. Deze verordening mag derhalve niet van toepassing zijn op de met die doeleinden verrichte verwerkingsactiviteiten. Overeenkomstig deze verordening door overheidsinstanties verwerkte persoonsgegevens die voor die doeleinden worden gebruikt, moeten vallen onder een meer specifieke rechtshandeling van de Unie, namelijk Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement
de Raad. De lidstaten kunnen bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn (EU) 2016/680 taken opdragen die niet noodzakelijk worden verricht met het oog op 42 de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, zodat de verwerking van persoonsgegevens voor die andere doeleinden binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, voor zover zij binnen het toepassingsgebied van de Uniewetgeving valt. Aangaande de verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde instanties voor doeleinden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten de lidstaten meer specifieke bepalingen kunnen handhaven of invoeren om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen. In die bepalingen kunnen meer bepaald specifieke voorschriften voor de verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde instanties voor de genoemde andere doeleinden worden vastgesteld, rekening houdend met de grondwettelijke, organisatorische
bestuurlijke structuur van de lidstaat in kwestie. Wanneer de verwerking van persoonsgegevens door privaatrechtelijke organen onder de onderhavige verordening valt, moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid dat de lidstaten onder specifieke voorwaarden bij wet vastgestelde verplichtingen
rechten beperken, indien een dergelijke beperking in een democratische samenleving een noodzakelijke
evenredige maatregel vormt ter bescherming van specifieke belangen van betekenis, waaronder de openbare veiligheid
de voorkoming, het onderzoek, de opsporing
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. Dit is bijvoorbeeld van belang in het kader van de bestrijding van witwassen of de werkzaamheden van forensische laboratoria ». Zoals uit die overweging blijkt, valt de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde instanties met het oog op de voorkoming, de opsporing, het onderzoek
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen in principe niet onder de AVG, maar onder de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement
de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen,
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de Politierichtlijn). B.20.4. De Politierichtlijn stelt, op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken
politiële samenwerking, specifieke regels vast betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, met inachtneming van de specifieke aard van die activiteiten. 43 Artikel 1, lid 1, van de Politierichtlijn bepaalt : « Bij deze richtlijn worden de regels vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid ». Artikel 9, leden 1
2, van dezelfde richtlijn bepaalt : «
titeit die krachtens het lidstatelijke recht is gemachtigd openbaar gezag
openbare bevoegdheden uit te oefenen voor de doeleinden van deze richtlijn. Wanneer dat orgaan of die
titeit persoonsgegevens verwerkt voor andere doeleinden dan die van deze richtlijn, is Verordening (EU) 2016/679 van toepassing. Verordening (EU) 2016/679 is dan ook van toepassing in gevallen waarin een orgaan of
titeit persoonsgegevens verzamelt voor andere doeleinden
die persoonsgegevens verder verwerkt met het oog op nakoming van een wettelijke verplichting waaraan het orgaan of de
titeit is onderworpen. Zo bewaren financiële instellingen met het oog op onderzoek, opsporing of vervolging van strafbare feiten bepaalde persoonsgegevens die door hen worden verwerkt,
verstrekken zij die persoonsgegevens uitsluitend in specifieke gevallen
overeenkomstig het lidstatelijke recht aan de bevoegde nationale autoriteiten. Een orgaan dat of
titeit die namens die autoriteiten persoonsgegevens verwerkt binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, dient gebonden te zijn door een overeenkomst of een andere rechtshandeling
door de ingevolge deze richtlijn op verwerkers toepasselijke bepalingen, terwijl Verordening (EU) 2016/679 onverminderd van toepassing blijft op de verwerking van persoonsgegevens door de verwerker die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn valt ». 44 Overweging 34 van de Politierichtlijn preciseert ook : « […] Wanneer de persoonsgegevens in eerste instantie zijn verzameld door een bevoegde autoriteit voor een van de doeleinden van deze richtlijn, moet Verordening (EU) 2016/679 van toepassing zijn op de doorzending van die gegevens voor andere doeleinden dan die van deze richtlijn, indien deze verwerking is toegestaan bij het Unierecht of het lidstatelijke recht. Meer bepaald dienen de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van toepassing te zijn op de doorgifte van persoonsgegevens voor doeleinden die niet onder deze richtlijn vallen. Verordening (EU) 2016/679 dient van toepassing te zijn op de verwerking van persoonsgegevens door een ontvanger die niet de bevoegde autoriteit is of die niet optreedt als bevoegde autoriteit in de zin van deze richtlijn
aan wie de persoonsgegevens rechtmatig zijn bekendgemaakt door een bevoegde autoriteit […] ». B.21.
de doorgifte van PNR-gegevens, de oprichting van een passagiersgegevensbank, die wordt beheerd door de PIE, de doelstellingen van de verwerking van die gegevensbank
de toegang tot die laatste. De wet van 25 december 2016 zet hoofdzakelijk de PNR-richtlijn om, maar heeft ook, zoals aangegeven in artikel 2 ervan,
zoals vermeld in B.2, een inhoud die verder gaat dan de omzetting van die richtlijn. B.21.3. Op de vraag van het Hof of artikel 23, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 2, d), van de AVG zo moet worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op een nationale wetgeving zoals de wet van 25 december 2016, die tegelijk de PNR-richtlijn, de API-richtlijn
de richtlijn 2010/65/EU omzet, heeft het Hof van Justitie, in zijn voormelde arrest in zake Ligue des droits humains t. Ministerraad van 21 juni 2022, geantwoord dat uit de bewoordingen van artikel 2, lid 2, d), van de AVG « duidelijk […] blijkt […] dat aan twee voorwaarden moet zijn voldaan opdat gegevensverwerking onder de daarin genoemde uitzondering valt »
dat « de eerste voorwaarde […] de doeleinden [betreft] van de verwerking, die moet plaatsvinden met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing
de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. De tweede 45 voorwaarde betreft de auteur van deze verwerking, waarbij het moet gaan om een ‘ bevoegde autoriteit ’ in de zin van die bepaling » (punt 67), maar dat de in artikel 2, lid 2, onder d), van de AVG bedoelde uitzondering « net als de andere in artikel 2, lid 2, AVG genoemde uitzonderingen op de werkingssfeer van deze verordening, strikt [dient] te worden uitgelegd » (punt 70) : « 71. Blijkens overweging 19 van deze verordening is deze uitzondering ingegeven door de omstandigheid dat de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten met het oog op onder meer de voorkoming
de opsporing van strafbare feiten, met inbegrip van de bescherming tegen
de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, onder een specifiekere handeling van de Unie valt, te weten richtlijn 2016/680, die is vastgesteld op dezelfde dag als de AVG [arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C-439/19, EU:C:2021:504, punt 69]. 72. Zoals de overwegingen 9 tot
met 11 van richtlijn 2016/680 trouwens verduidelijken, zijn in deze richtlijn specifieke regels voor de bescherming van natuurlijke personen in verband met die verwerkingen vastgesteld, daarbij rekening houdend met de specifieke aard van deze activiteiten die onder de justitiële samenwerking in strafzaken
de politiële samenwerking vallen, terwijl in de AVG algemene regels voor de bescherming van die personen zijn vastgesteld die voor die verwerkingen gelden wanneer de specifiekere handeling – richtlijn 2016/680 – niet van toepassing is. Zo staat in overweging 11 van deze richtlijn dat de AVG van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens die door een ‘ bevoegde autoriteit ’ in de zin van artikel 3, punt 7, van deze richtlijn wordt verricht voor andere doeleinden dan die welke worden genoemd in deze richtlijn [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C-439/19, EU:C:2021:504, punt 70]. 73. Wat de eerste van de in punt 67 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden betreft, namelijk de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de PNR-richtlijn, zij eraan herinnerd dat PNR-gegevens volgens artikel 1, lid 2, van deze richtlijn uitsluitend mogen worden verwerkt om terroristische misdrijven
ernstige criminaliteit te voorkomen, op te sporen, te onderzoeken
te vervolgen. Deze doelstellingen vallen onder die welke in artikel 2, lid 2, onder d), AVG
artikel 1, lid 1, van richtlijn 2016/680 worden genoemd, zodat die verwerking onder de uitzondering van artikel 2, lid 2, onder d), van deze verordening
dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn kan vallen. 74. Dit is daarentegen niet het geval voor de verwerking waarin de API-richtlijn
richtlijn 2010/65 voorzien, die andere doeleinden hebben dan die welke in artikel 2, lid 2, onder d), AVG
artikel 1, lid 1, van richtlijn 2016/680 worden genoemd. 75. Zoals uit de overwegingen 1, 7
9
artikel 1 van de API-richtlijn blijkt, beoogt deze immers grenscontroles te verbeteren
illegale immigratie te bestrijden, door te verlangen dat vervoerders vooraf passagiersgegevens verstrekken aan de bevoegde nationale autoriteiten. Verschillende overwegingen
bepalingen van de API-richtlijn maken trouwens duidelijk dat de hierin voorgeschreven gegevensverwerking binnen de werkingssfeer van de AVG valt. Zo luidt het in overweging 12 van deze richtlijn dat ‘ richtlijn [95/46] van toepassing [is] op de 46 verwerking van persoonsgegevens door de autoriteiten van de lidstaten ’,
wordt in artikel 6, lid 1, vijfde alinea, ervan verduidelijkt dat de lidstaten de API-gegevens ook kunnen gebruiken voor wetshandhavingsdoeleinden ‘ overeenkomstig […] de in [richtlijn 95/46] vervatte bepalingen inzake gegevensbescherming ’, een uitdrukking die ook voorkomt in de derde alinea van deze bepaling. Evenzo staat onder meer in overweging 9 ‘ zonder afbreuk te doen aan [richtlijn 95/46] ’. Tot slot heet het in artikel 6, lid 2, van de API-richtlijn dat de vervoerders informatie moeten verstrekken aan de passagiers ‘ overeenkomstig [richtlijn 95/46] ’. 76. Richtlijn 2010/65 heeft dan weer tot doel, zoals uit overweging 2
artikel 1, lid 1, ervan blijkt, de administratieve procedures die van toepassing zijn op het zeevervoer te vereenvoudigen
te harmoniseren door een algemene invoering van de elektronische overdracht van gegevens
door rationalisering van de meldingsformaliteiten. Artikel
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.