id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.132 Arrest- Rolnummer: 132/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-10-30 Raadplegingen: 1001 - laatst gezien 2026-06-18 20:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 77 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van onderwijzend personeel », ingesteld door Anne Lacroix en anderen. Sociaal recht - Onderwijs - Franse Gemeenschap - Leden van het onderwijzend personeel - Arbeidsongeval - Regeling inzake verlof en disponibiliteit - Wijziging Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 132/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer : 7762 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 77 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van onderwijzend personeel », ingesteld door Anne Lacroix en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter T. Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter T. Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 februari 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 februari 2022, is beroep tot vernietiging van artikel 77 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van onderwijzend personeel » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2021) ingesteld door Anne Lacroix, Huseyin Sönmez en Murielle Bovy, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Rase en Mr. A. Villers, advocaten bij de balie Luik-Hoei. De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie van Waals-Brabant, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 28 juni 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving 2 van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 juli 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 juli 2023 in beraad genomen. Bij beschikking van 12 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers te hebben gehoord, beslist : - de zetel aan te vullen met rechter M. Plovie, - de debatten te heropenen daar de beraadslaging niet is beëindigd vóór de pensionering van rechter T. Detienne, - de debatten te sluiten en de zaak in beraad te nemen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.
- De verzoekende partijen oefenen, respectievelijk, het beroep uit van schooldirecteur, van leerkracht en van meester-assistent. Zij waren allen het slachtoffer van een arbeidsongeval en zij zijn allen partij in hangende gerechtelijke procedures in het kader waarvan het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de afwezigheden op het werk van de verzoekende partijen na de datum van de consolidatie van de letsels, en het arbeidsongeval, alsook het lot dat aan die afwezigheden moet worden voorbehouden, worden behandeld. A.1.
- De verzoekende partijen menen belang te hebben bij de vernietiging van artikel 77 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van onderwijzend personeel » (hierna : het decreet van 19 juli 2021), aangezien de afwezigheden van het werk die in oorzakelijk verband staan met het arbeidsongeval waarvan zij het slachtoffer zijn geweest en die na de datum van de consolidatie van hun letsels plaatsvinden, krachtens die bepaling zullen of zouden kunnen worden afgetrokken van hun « aantal dagen ziekteverlof », terwijl dat niet het geval was krachtens artikel 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 « houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs » (hierna : het decreet van 5 juli 2000), zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli
- De bestreden bepaling heeft aldus nadelige gevolgen voor de administratieve en financiële situatie van de verzoekende partijen. Die zouden snel of zelfs onmiddellijk van een stand van « dienstactiviteit » naar een stand van « disponibiliteit wegens ziekte » kunnen overgaan of op tijdelijk of definitief rustpensioen worden gesteld. Op financieel vlak zouden zij van een volledige wedde naar een verlaagde wachtwedde van 80 % tot 60 % kunnen gaan, of zelfs naar een rustpensioen waarvan het bedrag op basis van een onvolledige loopbaan zou worden bepaald. Zij zetten uiteen dat het beroep niet is gericht tegen het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, al dan niet rekening houdend met de interpretatie ervan door de hoven en rechtbanken, maar wel tegen artikel 77 van het decreet van 19 juli
- Zij voegen eraan toe dat het bekritiseerde verschil in behandeling effectief voortvloeit uit die laatste bepaling. A.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partijen, aangezien de omstandigheid dat de afwezigheden na de datum van de consolidatie van de door een arbeidsongeval veroorzaakte letsels krachtens het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 niet van het aantal dagen ziekteverlof werden afgetrokken, niet voortvloeit uit die bepaling, maar uit de interpretatie ervan door bepaalde rechtscolleges. In 3 zoverre met artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021 slechts de interpretatie werd bevestigd die door de Franse Gemeenschap aan het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 werd gegeven, zou het bekritiseerde verschil in behandeling zijn oorsprong vinden in de door de verzoekende partijen aangehaalde rechtspraak, en niet in het oude of het nieuwe artikel 10 van het decreet van 5 juli
- A.3.
- De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, van de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen doet de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling ontstaan tussen de leden van het onderwijzend personeel en de personeelsleden van andere openbare sectoren, in zoverre enkel de eersten de afwezigheden in verband met een arbeidsongeval na de datum van de consolidatie van de letsels afgetrokken zien worden van hun aantal dagen ziekteverlof. De verzoekende partijen verwijzen naar het koninklijk besluit van 19 november 1998 « betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen », naar het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » (hierna : het koninklijk besluit van 30 maart 2001) en naar het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 « houdende de Waalse Ambtenarencode ». De bestreden bepaling zou ook een verschil in behandeling doen ontstaan tussen de leden van het onderwijzend personeel en de personeelsleden van de andere diensten van de Franse Gemeenschap. De verzoekende partijen verwijzen daarbij naar het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 2004 « betreffende de verloven en afwezigheden van de personeelsleden van de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ». Zij doet bovendien een verschil in behandeling ontstaan onder de leden van het onderwijzend personeel die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval, naargelang zij op het moment van de consolidatie het werk al dan niet hebben hervat. De bestreden bepaling zou bovendien een achteruitgang met zich meebrengen in de bescherming van het recht van de leden van het onderwijzend personeel op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, zoals dat wordt gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, achteruitgang die niet wordt verantwoord door een reden van algemeen belang. A.3.
- De verzoekende partijen voeren in de eerste plaats aan dat de decreetgever, in de parlementaire voorbereiding, niet de redenen heeft uiteengezet die de bekritiseerde decreetswijziging verantwoorden. De bestreden bepaling zou in ieder geval haaks staan op de ratio legis van de verlofregeling die geldt in geval van een arbeidsongeval. Ten tweede kunnen budgettaire redenen de in het geding zijnde schending van de grondrechten niet verantwoorden. De verzoekende partijen verwijzen daarbij naar de arresten van het Hof nrs. 38/96 (ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.038) en 93/2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.093). Ten derde kunnen de afwezigheden van de leden van het onderwijzend personeel waarvoor medisch is erkend dat die toe te schrijven zijn aan een arbeidsongeval, volgens een vaste rechtspraak van de hoven en rechtbanken en van het Hof van Cassatie, niet worden omgezet in ziekteverlof. De verzoekende partijen verwijzen hieromtrent naar het arrest van het Hof van Cassatie S.09.0105.F van 14 februari 2011 (ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110214.1). Zij zijn van mening dat de wil om die unanieme interpretatie opnieuw in het geding te brengen de bekritiseerde inbreuken op de grondrechten niet kan verantwoorden. De bestreden bepaling brengt bovendien het beginsel van de scheiding der machten in het gedrang, aangezien verschillende gerechtelijke procedures hangende zijn met betrekking tot de toepassing van artikel 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli
- Ten vierde komt de bestreden bepaling erop neer de begrippen « consolidatie » en « arbeidsongeschiktheid », die medische begrippen en begrippen van openbare orde zijn, opnieuw in het geding te brengen. Ten vijfde is de bestreden bepaling, bij ontstentenis van een overgangsbepaling, van toepassing op de gevolgen van de situaties die vóór de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan. Daaruit volgt dat zij met terugwerkende kracht van toepassing is op de verzoekende partijen, zonder dat die terugwerkende kracht door een doelstelling van algemeen belang wordt verantwoord, hetgeen ingaat tegen de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. A.3.
- De verzoekende partijen preciseren dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan in zoverre zij de voortzetting van het voordeel van de in geval van een arbeidsongeval van toepassing zijnde verlofregeling ondergeschikt maakt aan een effectieve hervatting van de beroepsactiviteit op de consolidatiedatum of daarna, terwijl het betrokken lid van het onderwijzend personeel zonder onderbreking arbeidsongeschikt zou zijn wegens het arbeidsongeval. Enerzijds wordt die vereiste niet opgelegd aan de personeelsleden van andere openbare diensten. Anderzijds legde het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 geen dergelijke voorwaarde op. De door de Franse Gemeenschapsregering aangeklaagde « interpretatieve afwijking » is in werkelijkheid het gevolg van haar eigen onjuiste en eenzijdige interpretatie van het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli
- 4 De verzoekende partijen voeren aan dat de bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 « houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid » (hierna : het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006) bepaalde regeling niet vergelijkbaar is met de regeling waarin is voorzien bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, noch met de andere voormelde regelingen. Die regeling voorziet in 666 dagen ziekteverlof (tegenover 182 dagen voor de door het decreet van 5 juli 2000 beoogde leden van het onderwijzend personeel). Zij voorziet bovendien niet in een verplichte effectieve hervatting van een beroepsactiviteit, noch in de toepassing van de in geval van een arbeidsongeval geldende verlofregeling in het kader van de hervatting van een beroepsactiviteit na de consolidatiedatum. De terugvordering van de wedden is daarentegen wel mogelijk, hetgeen niet het geval is in de andere regelingen. Ten slotte wordt in de bekritiseerde regeling voorzien door een decreetsbepaling, terwijl in de op het personeel van de Vlaamse overheid van toepassing zijnde regeling wordt voorzien door een besluit. Volgens de verzoekende partijen verantwoordt niets dat voorrang wordt gegeven aan een vergelijking van de bekritiseerde regeling met de regeling die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid. De verzoekende partijen geven aan de verlofregelingen waarnaar zij verwijzen grondig te hebben geanalyseerd. Zij voeren niet aan dat de leden van het onderwijzend personeel tot in het oneindige de verlofregeling zouden kunnen genieten die van toepassing is in geval van een arbeidsongeval. De toepassing van die regeling wordt beperkt door de oppensioenstelling wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid. Volgens de verzoekende partijen beperkt de bestreden bepaling zich niet tot het verduidelijken van een bestaande regel. Zij wijzigt de draagwijdte ervan en creëert een nieuwe regeling. De verzoekende partijen merken op dat het decreet van 5 juli 2000 van toepassing is op de personeelsleden die in vast verband zijn aangeworven, ongeacht of zij benoemd of bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen zijn. De bestreden bepaling is zo ook van toepassing op de personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs. Verwijzend naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 5 juli 2000 zetten de verzoekende partijen uiteen dat de ratio legis van de verlofregeling die van toepassing is in geval van een arbeidsongeval erin bestaat de sociale situatie van de leerkrachten te beschermen en te verbeteren. De vergoeding van de afwezigheden na de consolidatie in het kader van een ziekteverlof in plaats van een tenlasteneming overeenkomstig de verlofreglementering in verband met een arbeidsongeval, brengt een uitputting met zich mee van het aantal dagen ziekteverlof van het betrokken lid van het onderwijzend personeel, terwijl dat lid niet ziek is maar afwezig wegens een arbeidsongeval. Het zal sneller in disponibiliteit worden gesteld wegens ziekte, met minder gunstige geldelijke gevolgen. Een vermindering van de wedde van 20 % tot 40 % vormt een aantasting van zijn rechten. Sommigen zouden ertoe geneigd kunnen zijn het werk te hervatten met ongunstige gevolgen voor hun gezondheid en voor de veiligheid. De verzoekende partijen doen gelden dat een rente verbonden aan de aan het slachtoffer toegekende graad van blijvende arbeidsongeschiktheid kan worden gecumuleerd met een vergoeding verbonden aan de bij het decreet van 5 juli 2000 bepaalde verlofregeling. De vergoeding van de arbeidsongeschiktheid tijdens de door de wet van 3 juli 1967 geregelde periode van arbeidsongeschiktheid moet worden onderscheiden van de vergoeding die wordt toegekend tijdens de door het decreet van 5 juli 2000 geregelde periode van arbeidsongeschiktheid in verband met het arbeidsongeval. Terwijl de graad van blijvende invaliditeit wordt vastgesteld op basis van de overblijvende arbeidsgeschiktheid van het slachtoffer op de algemene arbeidsmarkt, worden de afwezigheden enkel beoordeeld ten aanzien van de functie die door het slachtoffer wordt uitgeoefend op het moment van het ongeval. Om die reden kan de datum van de consolidatie van de letsels, volgens de rechtspraak, verschillen van de uiterste afwezigheidsdatum die door het arbeidsongeval is verantwoord. De verzoekende partijen merken op dat het arrest van het Arbeidshof te Luik van 16 januari 2012 (2011/AL/174, ECLI:BE:CTLIE:2012:ARR.20120116.2), dat volgt op het arrest van het Hof van Cassatie van 14 februari 2011, antwoordt op de argumentatie van de Franse Gemeenschapsregering in de onderhavige procedure. De verzoekende partijen voeren aan dat de beslissingen waarnaar de Franse Gemeenschapsregering verwijst, achterhaald zijn en dat elke verwijzing naar de parlementaire voorbereiding en naar de rechtsleer met betrekking tot de wetgeving die van toepassing is in de privésector, niet relevant is. Het is volgens hen mogelijk dat de bestreden bepaling om budgettaire redenen werd aangenomen, aangezien het voor de Franse Gemeenschap financieel voordeliger is om een verminderde wedde uit te betalen. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering zet inleidend uiteen dat de reglementering inzake de afwezigheden van de personeelsleden die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval en de vergoeding ervan met elkaar zijn verbonden, omdat de eerste een weerslag heeft op de tweede. De bestreden bepaling is enkel van toepassing op de aan het decreet van 5 juli 2000 onderworpen leden van het onderwijzend personeel die zijn benoemd, in vast verband zijn aangenomen of toegelaten zijn tot de stage, met uitsluiting van de leden van het onderwijzend 5 personeel die bij arbeidsovereenkomst of via tijdelijke aanstellingen zijn aangeworven. De interpretatie volgens welke het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 voorzag in een verlof zonder tijdsbeperking vloeit niet voort uit die bepaling, maar uit de « interpretatieve afwijking » ervan. De bestreden bepaling beoogt « de toepassing van een door de meerderheid van de rechtspraak verkeerd geïnterpreteerde bepaling te verduidelijken ». De verzoekende partijen zouden bovendien de rechtspraak van het Hof van Cassatie verkeerd interpreteren. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het verschil in behandeling tussen de leden van het onderwijzend personeel en de personeelsleden van andere openbare sectoren niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten eerste passen andere openbare sectoren een regeling toe die vergelijkbaar is met de bij de bestreden bepaling vastgelegde regeling. Dat is met name het geval voor de bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 bepaalde regeling. Ten tweede vallen de regelingen omtrent de verlofdagen en de ziektedagen van de personeelsleden van de overheidsdiensten waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, onder de bevoegdheid van verschillende bevoegdheidsniveaus. Een verschil in behandeling dat zijn oorsprong vindt in de toepassing van normen die door verschillende wetgevers zijn uitgevaardigd, is evenwel niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ten derde citeren en analyseren de verzoekende partijen op onvolledige wijze de bepalingen en de regelingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van andere openbare sectoren waarnaar zij verwijzen. Wat de leden van de politiediensten betreft, blijkt uit de artikelen VIII.X.6 en VIII.X.8 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 dat de dagen ziekteverlof in mindering worden gebracht vanaf de datum van de consolidatie van de letsels. De leden van de politiediensten kunnen afwezigheden na die datum niet onbeperkt in tijd doen gelden. De verzoekende partijen voeren het bestaan van verschillende regelingen aan zonder aan te tonen dat daardoor een onverantwoord verschil in behandeling zou ontstaan. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat het verschil in behandeling onder de leden van het onderwijzend personeel naargelang zij onderworpen zijn aan de oude wet of aan de nieuwe wet ook niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof. Bovendien voert de bestreden bepaling geen nieuwe regeling in. De afwezigheden van de leden van het onderwijzend personeel na de datum van de consolidatie van de letsels worden krachtens de bestreden bepaling behandeld, zoals dat altijd het geval is geweest. Wat het verschil in behandeling betreft tussen de leden van het onderwijzend personeel en de personeelsleden van de andere overheidsdiensten van de Franse Gemeenschap, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat die twee categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Zij merkt bovendien op dat de verzoekende partijen niet het verschil in behandeling onder de leden van het onderwijzend personeel bekritiseren naargelang zij al dan niet onder het toepassingsgebied van het decreet van 5 juli 2000 vallen, noch naargelang zij benoemd zijn, in vast verband zijn aangeworven, toegelaten zijn tot de stage of tijdelijk zijn aangeworven. A.4.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de bestreden bepaling noodzakelijk was omdat er zich een gerechtelijk contentieux ontwikkelde. Zij merkt op dat de verzoekende partijen niet preciseren welke de ratio legis van de verlofregeling in verband met een arbeidsongeval zou zijn, noch de bron ervan aangeven. Zij doet gelden dat de van toepassing zijnde regeling erin voorziet dat de dagen van afwezigheid vanaf de consolidatiedatum in mindering worden gebracht van het aantal dagen ziekteverlof. Wanneer die dagen zijn uitgeput, bevindt het betrokken lid van het onderwijzend personeel zich van rechtswege in disponibiliteit en geniet het een verminderde wedde, namelijk 80 % van de laatste wedde van activiteit gedurende de eerste twaalf maanden, 70 % van de laatste wedde van activiteit gedurende de daaropvolgende twaalf maanden en 60 % van de laatste activiteitswedde na die periode. Volgens de Franse Gemeenschapsregering brengt die regeling geen achteruitgang in de bescherming van de grondrechten van de betrokken personen met zich mee, aangezien het de regeling betreft die altijd van toepassing is geweest. Zij voegt eraan toe dat het hier niet gaat om de arbeidsvoorwaarden en dat de aantasting van het recht op een billijke beloning niet wordt aangetoond met precieze en concrete elementen. In ieder geval is een verandering van regeling altijd mogelijk met toepassing van de wet van de veranderlijkheid, en is de eventuele achteruitgang niet betekenisvol. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het decreet van 5 juli 2000 en de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » in het licht van elkaar moeten worden geïnterpreteerd. Bij de wet van 3 juli 1967, die van openbare orde is, is het verboden om een tijdelijke arbeidsongeschiktheid te cumuleren met een blijvende arbeidsongeschiktheid. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 165/2018 van 29 november 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.165), naar het arrest van het Hof van Cassatie S.00.0178.F van 24 september 2001 (ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010924.7), naar de rechtspraak van de hoven en rechtbanken en naar de rechtsleer. Volgens haar is een tijdelijke arbeidsongeschiktheid per definitie tijdelijk, en eindigt die op het moment van de 6 consolidatie van de gezondheidstoestand van het slachtoffer. Periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatie kunnen worden vastgesteld indien zij een tijdelijk karakter behouden. De afwezigheden na de consolidatie moeten worden gedekt overeenkomstig de op de regeling van het ziekteverlof van toepassing zijnde mindering. Het niet hervatten van het werk na de consolidatie staat niet gelijk met de situatie van het in artikel 6, § 3, van de wet van 3 juli 1967 en in artikel 25 van de wet van 10 april 1971 « betreffende de arbeidsongevallen » bedoelde « herval in tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid ». De draagwijdte van het arrest van het Hof van Cassatie van 14 februari 2011 moet worden gerelativeerd. Dat arrest vernietigt het arrest van het Arbeidshof te Bergen van 9 april 2009 (AR 20.506) enkel in zoverre het aan het personeelslid het recht weigert om de kwalificatie van zijn afwezigheden ten aanzien van het decreet van 5 juli 2000 met een gerechtelijke expertise te bewijzen. Uit de rechtspraak en uit de parlementaire voorbereiding van artikel 25 van de voormelde wet van 10 april 1971 blijkt dat de regeling voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum een uitzonderingsregeling is, die een vergoeding mogelijk maakt bij een herval wanneer een persoon het werk heeft hervat. De door de verzoekende partijen voorgestelde extensieve interpretatie maakt het voor hen mogelijk te worden vergoed voor hun blijvende arbeidsongeschiktheid en voor tijdelijke arbeidsongeschiktheden vanaf de consolidatiedatum, zonder een beroepsactiviteit te hervatten. Het slachtoffer zou zo een dubbele schadevergoeding ontvangen en het begrip consolidatie zou zijn betekenis en zijn essentie verliezen. Die interpretatie zou, bovendien, aanleiding geven tot een discriminatie onder de slachtoffers van een arbeidsongeval. De verzoekende partijen proberen een verlofsituatie te verkrijgen waarin zij meer rechten krijgen dan die welke de wet toekent aan leerkrachten die ondanks hun blijvende arbeidsongeschiktheid blijven werken. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat de bestreden bepaling de grondbeginselen inzake de vergoeding van een arbeidsongeval in acht neemt en dat het gerechtvaardigd is dat de mindering van de ziektedagen ingaat vanaf de datum van de consolidatie van de letsels. Zij merkt op dat het verlof in geval van een herval in arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum opnieuw wordt verleend zonder dat uit het aantal verlofdagen wordt geput. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat geen budgettaire redenen werden ingeroepen om de aanneming van de bestreden bepaling te verantwoorden. Het middel zou niet ontvankelijk zijn in zoverre het is afgeleid uit de schending van de rechtspraak van de hoven en rechtbanken. De decreetgever wil de rechtspraak waarnaar de verzoekende partijen verwijzen geenszins in het geding brengen. Hij wil de tekst van een wetgevende bepaling verduidelijken gelet op de weigering van de hoven en rechtbanken om de vaste praktijk van de administratie ter zake te respecteren. Die rechtspraak zou de scheiding der machten en niet de bestreden bepaling in het gedrang brengen. De Franse Gemeenschapsregering ziet niet in hoe artikel 23 van de Grondwet zou zijn geschonden, noch hoe de bestreden bepaling de begrippen « consolidatie » en « arbeidsongeschiktheid » in het geding zou brengen. Ten slotte voorziet geen enkele bepaling van het decreet van 19 juli 2021 in een inwerkingtreding ervan met terugwerkende kracht. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, zoals het door de Franse Gemeenschap werd toegepast, reeds een werkhervatting vereiste om de in geval van een arbeidsongeval van toepassing zijnde verlofregeling te kunnen blijven genieten. De rechtsleer bevestigt dat de afwezigheden in mindering worden gebracht van het aantal dagen ziekteverlof zodra de tijdelijke arbeidsongeschiktheid overgaat in blijvende arbeidsongeschiktheid. De afwezigheden die voor vergoeding in aanmerking komen volgens de criteria van de wet van 3 juli 1967 spreken niet het kapitaal aan verlofdagen waarop het personeelslid recht heeft aan, in tegenstelling tot de afwezigheden die niet aan die criteria voldoen. De leden van het onderwijzend personeel genieten ook een « onbeperkt » aantal dagen ziekteverlof, onverminderd de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de indisponibiliteitstelling die een vermindering van de wedde met zich meebrengt. Het aantal dagen ziekteverlof van het lid van het onderwijzend personeel bedraagt niet 182 dagen over de hele loopbaan. Vanaf de consolidatie en indien er geen arbeidshervatting heeft plaatsgevonden op die datum, beschikt het over een reserve van 182 dagen gedurende welke het zijn integrale wedde ontvangt. Het wordt vervolgens in disponibiliteit gesteld en ontvangt dan een verminderde wedde. Die vermindering is trager en minder groot dan in de andere regelingen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen. De Franse Gemeenschapsregering zet uiteen dat een terugvorderingsmechanisme voor de wedden openstaat voor de openbare werkgever op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en dat in een dergelijk mechanisme is voorzien door de verschillende regelingen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen. Zij is van mening dat de verlofregelingen die van toepassing zijn op andere personeelsleden van het openbaar ambt en op de personeelsleden van de andere diensten van de Franse Gemeenschap een eigen logica volgen en dat zij niet vergelijkbaar zijn met de regeling waarin bij de bestreden bepaling is voorzien. Ten slotte is de voorwaarde van een hervatting van de beroepsactiviteit waarop het bekritiseerde verschil in behandeling zou berusten, een objectief criterium. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1.
- Artikel 77 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2021 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van onderwijzend personeel » (hierna : het decreet van 19 juli 2021) wijzigt de regeling inzake verlof wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval die krachtens artikel 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 « houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs » (hierna : het decreet van 5 juli 2000) van toepassing is op bepaalde leden van het onderwijzend personeel. Artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021 is overeenkomstig artikel 124 van hetzelfde decreet in werking getreden op 9 september
- B.1.
- De artikelen 7 tot 17bis van het decreet van 5 juli 2000 bepalen de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit die de in artikel 1 van dat decreet beoogde leden van het onderwijzend personeel die zijn benoemd, in vast verband zijn aangeworven of tot de stage zijn toegelaten (artikel 6 van hetzelfde decreet), genieten. Het lid van het onderwijzend personeel dat zijn functie niet langer normaal kan uitoefenen wegens ziekte of invaliditeit, geniet tijdens zijn loopbaan een maximumaantal verlofdagen om die reden (artikelen 7 tot 9). Het verlof wegens ziekte of invaliditeit wordt gelijkgesteld met periodes van actieve dienst (artikel 12). Tijdens dat verlof ontvangt het personeelslid zijn activiteitswedde, ofwel een wedde tegen 100 % (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1999-2000, nr. 87/1, p. 5). Het lid van het onderwijzend personeel bevindt zich van rechtswege in disponibiliteit wanneer het afwezig is wegens ziekte of invaliditeit nadat het maximumaantal verlofdagen dat « krachtens artikelen 7 tot 10 » om die reden aan het personeelslid kan worden verleend, is 8 opgebruikt (artikel 13). Tijdens die periode ontvangt het een verminderde wachtwedde, namelijk : 80 % van zijn laatste wedde in actieve dienst gedurende de eerste twaalf maanden disponibiliteit, 70 % van die wedde gedurende de volgende twaalf maanden en 60 % van die wedde na die eerste vierentwintig maanden (artikel 14). Het lid van het onderwijzend personeel kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of invaliditeit wanneer het niet alle in de artikelen 7 tot 9 bedoelde verlofdagen heeft opgenomen (artikel 11). B.1.
- Vóór de wijziging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021 bepaalde artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 : « In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt het verlof wegens ziekte of invaliditeit onbeperkt in de tijd toegestaan ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval van of naar het werk of van een beroepsziekte. Behoudens voor de toepassing van artikel 11 worden de krachtens het vorige lid toegestane verlofdagen niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal verlofdagen waarvan het personeelslid krachtens artikelen 7 tot 9 geniet ». Die bepaling voorzag erin dat, « in afwijking van de [artikelen 7 tot 9] », het verlof wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg van of naar het werk of van een beroepsziekte onbeperkt in de tijd wordt toegestaan (eerste lid) en dat, behalve in het geval van een definitieve ongeschiktheidsverklaring (« behoudens voor de toepassing van artikel 11 »), die verlofdagen niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het in de artikelen 7 tot 9 bedoelde aantal verlofdagen (tweede lid). B.1.
- Bij zijn arrest van 14 februari 2011 (S.09.0105.F, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110214.1) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, geen enkel onderscheid invoerde naargelang het verlof vóór dan wel na de consolidatie van de letsels wordt toegekend, en dat het arrest waarbij is beslist dat die bepaling niet kon worden toegepast na de consolidatie van de letsels, diezelfde bepaling schond : 9 « Krachtens artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 van de Franse Gemeenschap, wordt het verlof wegens ziekte of invaliditeit onbeperkt in de tijd toegestaan wanneer het een gevolg is van een arbeidsongeval, een ongeval van of naar het werk of van een beroepsziekte, en wordt dat verlof niet in aanmerking genomen om te beoordelen of de ambtenaar, die het maximum aantal verlofdagen heeft opgenomen die hem kunnen worden toegekend wegens ziekte of invaliditeit, met volle recht ter beschikking is gesteld. Evenmin als de andere bepalingen van het decreet, dat de verloven regelt waarop de ambtenaar, op wie dat decreet van toepassing is, wegens ziekte of invaliditeit recht heeft, heeft artikel 10 betrekking op de vergoeding van de getroffene van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg naar en van het werk of van een beroepsziekte. Dat artikel maakt geen enkel onderscheid naargelang het verlof, waarop het betrekking heeft, vóór dan wel na de consolidatie van de letsels wordt toegekend. Het arrest, dat om de in het middel weergegeven redenen beslist dat artikel 10 ‘ niet kan worden toegepast na de consolidatie van de letsels ’, wegens ‘ de duidelijke beginselen die uit de wet van 3 juli 1967 voortvloeien ’, ‘ die van openbare orde zijn ’, schendt die wettelijke bepaling ». In dezelfde zin is meermaals geoordeeld dat de afwezigheden van het werk na de datum van de consolidatie van de letsels krachtens artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, niet in mindering worden gebracht van het in de artikelen 7 tot 9 van het decreet van 5 juli 2000 bedoelde aantal verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit, wanneer zij een oorzakelijk verband vertonen met het arbeidsongeval, en dat de betrokken leerkracht tijdens die periode zijn integrale wedde ontvangt (Luik, 18 oktober 2016, AR 2015/1194; Luik, 24 april 2018, AR 2017/232; Bergen, 13 november 2018, AR 2018/88; Luik, 19 november 2018, AR 2017/1150, onuitgegeven). B.1.
- Sinds de wijziging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021 bepaalt artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 : « In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt verlof wegens ziekte of invaliditeit onbeperkt in de tijd toegestaan, ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op weg van of naar het werk of van een beroepsziekte : - tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid vóór de consolidatiedatum/tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid; - tijdens de perioden van afwezigheid na deze zelfde consolidatiedatum, voor zover het gaat om een nieuwe arbeidsongeschiktheid die verband houdt met de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid, maar die zich voordoet na een werkhervatting. 10 Behoudens voor de toepassing van artikel 11 worden de krachtens het vorige lid toegestane verlofdagen niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal verlofdagen waarvan het personeelslid krachtens artikelen 7 tot 9 geniet ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partijen. Het door hen aangeklaagde verschil in behandeling zou zijn oorsprong niet vinden in artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, zoals het van toepassing was vóór of na de vervanging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, maar wel in de rechtspraak van de rechtscolleges. B.2.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
- Het beroep is gericht tegen artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021 en niet tegen artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij die bepaling. De vraag of het door de verzoekende partijen bekritiseerde verschil in behandeling zijn oorsprong in die bepaling vindt, is verbonden met de grond van de zaak. B.2.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan. De verzoekende partijen doen gelden dat artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, door de voortzetting van het voordeel van de in geval van een arbeidsongeval van toepassing zijnde verlofregeling ondergeschikt te maken aan een effectieve hervatting van de beroepsactiviteit op de consolidatiedatum of daarna, terwijl het betrokken lid van het onderwijzend personeel 11 zonder onderbreking arbeidsongeschikt zou zijn wegens het arbeidsongeval waarvan het het slachtoffer was, de leden van het onderwijzend personeel en de personeelsleden van andere openbare diensten verschillend behandelt, zonder redelijke verantwoording. Zij vergelijken in dat verband, enerzijds, de situatie van de leden van het onderwijzend personeel die onderworpen zijn aan artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 en, anderzijds, die van de personeelsleden bedoeld in het koninklijk besluit van 19 november 1998 « betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen » (hierna : het koninklijk besluit van 19 november 1998), in het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » (hierna : het koninklijk besluit van 30 maart 2001), in het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 « houdende de Waalse Ambtenarencode » (hierna : het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003) en in het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 2004 « betreffende de verloven en afwezigheden van de personeelsleden van de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren » (hierna : het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 2004). Volgens de verzoekende partijen doet de bestreden bepaling ook een verschil in behandeling ontstaan onder de leden van het onderwijzend personeel die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval naargelang zij het werk al dan niet hebben hervat op het moment van de consolidatie. Zij leidt bovendien tot een achteruitgang van het recht van de leden van het onderwijzend personeel op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning zoals gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, achteruitgang die niet wordt verantwoord door een reden van algemeen belang. Tot slot voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling terugwerkende kracht heeft, zonder dat zulks noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. B.
- Vóór de inwerkingtreding van het decreet van 5 juli 2000 was de regel volgens welke de verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval onbeperkt in de tijd en zonder impact op het aantal verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit worden toegestaan, opgenomen in artikel 9 van het decreet van 4 februari 1997 « houdende de regeling inzake 12 verlof en disponibiliteit wegens ziekte en gebrekkigheid van sommige leden van het onderwijspersoneel ». In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt vermeld : « Artikel 9 herbevestigt het beginsel van de bescherming van de werknemer wanneer het verlof wegens ziekte of invaliditeit het gevolg is van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte. In dat geval wordt het verlof onbeperkt in de tijd toegestaan en zonder impact op de berekening van het aantal dagen ziekteverlof waarop hij aanspraak kan maken zowel per jaar als over de volledige loopbaan » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1996-1997, nr. 135/1, p. 3). « Er dient aan te worden herinnerd dat elke afwezigheid als gevolg van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte geen enkele impact heeft op de berekening van het aantal dagen ziekteverlof » (ibid., nr. 135/2, p. 3). Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 5 juli 2000 blijkt dat de decreetgever met artikel 10 van dat decreet, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling, die maatregel heeft willen behouden : « ‘ De Regering is zich ervan bewust dat de leerkrachten de belangrijkste actoren van het onderwijssysteem zijn en zal een nieuwe vertrouwensrelatie met hen en met de gehele onderwijsgemeenschap aangaan. Die zal met name een hervorming van de regeling van het ziekteverlof omvatten. Die hervorming zal zich met name vertalen [...] in een zekere vorm van progressieve herkapitalisatie, tot 182 dagen, die rekening zou houden met een deel van de ongebruikte dagen ziekteverlof. ’ Het is in die woorden dat de Franse Gemeenschapsregering in de verklaring van gemeenschapsbeleid een van de doelstellingen heeft aangehaald die zij wou nastreven, namelijk de verbetering van de sociale situatie van de leerkrachten. Het onderhavige decreet geeft concreet vorm aan die ambitie door de regeling van het verlof wegens ziekte of invaliditeit van de leerkrachten te herzien, regeling die vroeger was opgenomen in het decreet van 4 februari 1997 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte en gebrekkigheid van sommige leden van het onderwijspersoneel. [...] Voor het overige worden de meeste voorheen geldende bepalingen niet gewijzigd. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de bepalingen met betrekking tot de indisponibiliteitstelling wegens ziekte met degressieve wedde, de bescherming van de werknemer wanneer het verlof wegens ziekte of invaliditeit het gevolg is van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg naar of van het werk of van een beroepsziekte, de bijzondere bescherming van de personeelsleden met een ziekte of een invaliditeit die als ernstig en van lange duur is erkend en de gelijkstelling van de verloven wegens ziekte of invaliditeit aan periodes van actieve dienst » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1999-2000, nr. 87/1, p. 2). 13 In de parlementaire voorbereiding van hetzelfde decreet werd ook eraan herinnerd dat het systeem van een bepaald aantal verlofdagen wegens ziekte en van de indisponibiliteitstelling met degressieve wedde na het opgebruiken van dat aantal « niet van toepassing is voor [...] de beroepsziekten en de arbeidsongevallen » (ibid., nr. 87/2, p. 2). B.5.
- Uit de parlementaire voorbereiding, uit de in B.1.3 aangehaalde vorige versie van artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 en uit de in B.1.4 vermelde rechtspraak blijkt dat de verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval vóór de bestreden decreetswijziging aan de beoogde leden van het onderwijzend personeel werden toegestaan zonder beperking in de tijd en zonder impact op het in de artikelen 7 tot 9 van het decreet van 5 juli 2000 bedoelde aantal verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit, ongeacht of die zich vóór of na de datum van de consolidatie van de letsels voordoen. De betrokken leden van het onderwijzend personeel ontvingen tijdens die periode hun integrale wedde. B.5.
- Krachtens artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000, zoals het van toepassing is sinds de wijziging ervan bij artikel 77 van het decreet van 19 juli 2021, worden enkel de verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval van vóór de consolidatiedatum (« tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid vóór de consolidatiedatum / tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid »), enerzijds, en de verlofdagen van na die datum « voor zover het gaat om een nieuwe arbeidsongeschiktheid die verband houdt met de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid, maar die zich voordoet na een werkhervatting », anderzijds, toegekend zonder beperking in de tijd en zonder impact op het in de artikelen 7 tot 9 van het decreet van 5 juli 2000 bedoelde aantal verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit. Daaruit volgt dat de verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval na de consolidatiedatum die niet volgen op een werkhervatting voortaan in mindering worden gebracht van het in de artikelen 7 tot 9 van het decreet van 5 juli 2000 bedoelde aantal verlofdagen wegens ziekte of invaliditeit. Die verlofdagen worden dus in aanmerking genomen wanneer wordt beoordeeld of het personeelslid, wanneer dat aantal is opgebruikt, zich van rechtswege in disponibiliteit bevindt en een verminderde wachtwedde ontvangt, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van hetzelfde decreet. B.5.
- In tegenstelling tot hetgeen de Franse Gemeenschapsregering aanvoert, beperkt artikel 77 van het bestreden decreet van 19 juli 2021 zich niet tot de bevestiging van een voordien bestaande situatie. Die bepaling wijzigt de voorwaarden voor de toepassing van het 14 oude artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 en voert dus een nieuwe regeling inzake verlof en disponibiliteit in die van toepassing is op de betrokken leden van het onderwijzend personeel. Wat betreft het verschil in behandeling tussen de leden van het onderwijzend personeel en bepaalde federale en gewestelijke personeelsleden B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het bekritiseerde verschil in behandeling tussen, enerzijds, de leden van het onderwijzend personeel die onderworpen zijn aan artikel 10 van het decreet van 5 juli 2000 en, anderzijds, de personeelsleden bedoeld in het koninklijk besluit van 19 november 1998, in het koninklijk besluit van 30 maart 2001 en in het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003, wat de verlofregeling betreft die op hen van toepassing is in geval van een arbeidsongeval, is het gevolg van de autonomie die aan de gemeenschappen en de gewesten en aan de federale overheid door of krachtens de Grondwet is toegekend, in de aangelegenheden die onder hun respectieve bevoegdheden vallen. Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de bevoegdheidsuitoefening, zou die autonomie geen betekenis hebben indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, gemeenschapsregels en, anderzijds, federale en gewestelijke regels in analoge aangelegenheden, als zodanig strijdig zou worden geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In zoverre het enige middel betrekking heeft op dat verschil in behandeling, is het niet gegrond. 15 Wat betreft het verschil in behandeling tussen de leden van het onderwijzend personeel en de personeelsleden die worden beoogd in het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 2004 B.
- Artikel 1, § 1, van het voormelde besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 2004 bepaalt : « Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, van de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren. [...] ». Artikel 59 van hetzelfde besluit bepaalt : « §
- Onder voorbehoud van artikel 61 en in afwijking van artikel 53, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan aan het personeelslid : 1° wanneer zijn ziekte of zijn gebrekkigheid veroorzaakt werd door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of door een beroepsziekte; [...] Behalve voor de toepassing van artikel 61, worden de in die gevallen toegekende verloven niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die het personeelslid nog kan krijgen krachtens artikel
- Voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, blijven de bepalingen van het vorige lid zelfs na de consolidatiedatum van toepassing. [...] ». Artikel 53 van hetzelfde besluit bepaalt : « Voor de ganse duur van zijn loopbaan kan het personeelslid, dat wegens ziekte of gebrekkigheid, verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, verlof wegens ziekte of gebrekkigheid krijgen tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Bij zijn indiensttreding geniet het personeelslid een krediet van verlofdagen wegens ziekte of gebrekkigheid dat vastgesteld is op drieënzestig werkdagen die de eerste zesendertig maanden dienstanciënniteit dekken. 16 Voor het personeelslid dat oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid en het tweede lid vastgestelde dagen respectievelijk op tweeëndertig en vijfennegentig gebracht. Het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld ». Artikel 61, eerste lid, van hetzelfde besluit bepaalt : « Het personeelslid kan niet voorgoed ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of gebrekkigheid alvorens het de gezamenlijke verloven heeft uitgedaan waarop artikel 53 van dit besluit hem recht geeft ». B.9.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist niet dat aan iedere persoon die bij een overheidsdienst werkt een identiek juridisch statuut wordt toegekend. Het staat aan de bevoegde overheid de meest geschikte weg te kiezen teneinde de opdrachten van openbare dienst te verwezenlijken waarmee ze is belast. B.9.
- De bestreden bepaling is van toepassing op de leden van het onderwijzend personeel, bedoeld in artikel 1 van het decreet van 5 juli 2000, terwijl het besluit van 2 juni 2004 onder meer van toepassing is op de ambtenaren van de diensten van de Franse Gemeenschapsregering. Gelet op de objectieve verschillen tussen beide categorieën van personeelsleden en de sectoren waarin zij werkzaam zijn, is het verantwoord dat zij aan verschillende rechtspositieregelingen zijn onderworpen. Er kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide rechtspositieregelingen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van elk van die rechtspositieregelingen een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personeelsleden met zich zou meebrengen. B.
- De decreetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid in sociaal-economische aangelegenheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Dat is met name het geval wanneer het gaat om de rechtspositieregeling van de leden van het onderwijzend personeel, en in het bijzonder de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit als gevolg van een arbeidsongeval. 17 B.11.
- De bestreden bepaling is als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding : « Die wijziging beoogt de gevolgen te preciseren van een erkenning van een arbeidsongeval, van een ongeval op de weg van of naar het werk of van een beroepsziekte voor de bij het decreet van 5 juli 2000 vastgestelde regeling inzake ziekteverlof, om te verduidelijken dat de periodes van arbeidsongeschiktheid die onmiddellijk volgen op een consolidatie niet worden gedekt door de in artikel 10 van dat decreet opgenomen bepaling die voorkomt dat het aantal dagen ziekteverlof in mindering wordt gebracht » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 264/1, p. 23). B.11.
- Uit de memories van de Franse Gemeenschapsregering blijkt dat de bestreden decreetswijziging werd aangenomen ingevolge de in B.1.4 vermelde rechtspraak. De decreetgever zou met de bestreden bepaling hebben willen vermijden dat afwezigheden in aanmerking kunnen worden genomen « zonder beperking in de tijd na de consolidatie van de letsels [...] met behoud van een vergoeding tegen 100 % gecumuleerd met de rente bij arbeidsongeschiktheid verkregen vanaf de consolidatiedatum ». B.12.
- Zoals de Franse Gemeenschapsregering opmerkt, dient rekening te worden gehouden met de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967). In zoverre zij de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen regelt, heeft die wet immers tot doel aan het slachtoffer van een arbeidsongeval een « vergoeding [te] verzekeren welke aangepast is aan het nadeel opgelopen ten gevolge van een [arbeidsongeval] » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3-4; Parl. Hand., Kamer, 21 maart 1967, p. 30; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, p. 3). Artikel 3 van de wet van 3 juli 1967 somt de diverse vergoedingen op die verschuldigd kunnen zijn : « 1° degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte [heeft] recht op : a) een vergoeding van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie; b) een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid; 18 c) een bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de herzieningstermijn; [...] ». Artikel 3bis, eerste lid, bepaalt : « Onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling genieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld ». In dat verband bepaalt artikel 22 van de wet van 10 april 1971 « betreffende de arbeidsongevallen » (hierna : de arbeidsongevallenwet) : « Wanneer het ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, heeft de getroffene, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag. Voor de dag waarop het ongeval zich voordoet of de arbeidsongeschiktheid aanvangt, is de vergoeding gelijk aan het normaal dagloon, verminderd met het loon dat de getroffene eventueel heeft verdiend ». In de artikelen 4 tot 7 van de wet van 3 juli 1967 worden de regels vastgesteld die van toepassing zijn op de renten in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid. Artikel 4, § 1, bepaalt : « De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld. Zij is evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid. [...] ». Artikel 5 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van de artikelen 6 en 7 van de wet, de rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid en de bijslag wegens verergering van de 19 blijvende arbeidsongeschiktheid kunnen worden gecumuleerd met de bezoldiging en met het rustpensioen, toegekend krachtens de wets- en reglementsbepalingen eigen aan de overheidsdiensten. Artikel 6 bepaalt : « §
- Zolang het slachtoffer de uitoefening van ambten behoudt, mogen de rente bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, b, en de bijslag bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, c, niet hoger liggen dan 25 % van de bezoldiging op grond waarvan de rente werd vastgesteld. §
- Het slachtoffer [dat] ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen maar [dat] andere, met zijn gezondheidstoestand verenigbare ambten kan vervullen, kan volgens de regelen en binnen de grenzen die zijn statuut bepaalt, weder tewerkgesteld worden in een betrekking welke met zulk een ambt overeenkomt. Het wedertewerkgestelde slachtoffer behoudt het voordeel van de bezoldigingsregeling welke [het] genoot toen het ongeval zich voordeed of de beroepsziekte werd vastgesteld. §
- Indien de blijvende arbeidsongeschiktheid die in hoofde van het slachtoffer erkend wordt, dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, heeft het tijdens deze afwezigheidsperiode recht op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling ». B.12.
- Overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 kan een werknemer in de overheidssector die getroffen is door een arbeidsongeval gedurende de gehele periode waarin hij arbeidsongeschikt is, ongeacht of hij dat volledig of gedeeltelijk is, de vergoedingen genieten die voor algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid in de privésector zijn vastgesteld door de arbeidsongevallenwet, « onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling » (zie ook Cass., 10 oktober 2005, C.05.0074.N, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.4). De schadevergoeding voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid neemt een einde op de datum dat de getroffene het werk volledig herneemt, dan wel op de datum van de consolidatie van de letsels van het ongeval. Vanaf die laatste datum heeft de getroffene recht op een rente voor definitieve arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, b), van de wet van 3 juli
- 20 B.12.
- De schadeloosstelling voor tijdelijke ongeschiktheid strekt ertoe het loonverlies te compenseren dat de werknemer heeft geleden ingevolge het arbeidsongeval of het ongeval op de weg naar en van het werk waarvan hij het slachtoffer is geweest. B.12.
- De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid strekt daarentegen ertoe de schade te herstellen die het slachtoffer van het arbeidsongeval lijdt wegens onder meer de vermindering van zijn economische waarde op de algemene arbeidsmarkt (Cass., 24 maart 1986, AR 5052, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860324.7; Cass., 12 december 1988, AR 8421, ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19881212.12; Cass., 1 juni 1993, AR 6367, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930601.7; Cass., 17 maart 1997, S.95.0144.F, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970317.6). Die rente maakt een « eigen vergoedingswijze [uit] van de door het ongeval [...] veroorzaakte schade » en de uitbetaling ervan is onafhankelijk van de uitbetaling van de bezoldiging van het slachtoffer van dat ongeval (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, p. 5; Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 7; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, pp. 6-7). Het slachtoffer van een arbeidsongeval kan dus in beginsel tegelijk zijn bezoldiging en de met toepassing van artikel 3, eerste lid, 1°, b), van de wet van 3 juli 1967 verschuldigde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid ontvangen (artikel 5 van die wet). B.
- De bestreden bepaling past in het kader van het aldus in de wetgeving inzake arbeidsongevallen gemaakte onderscheid tussen tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid. Zoals is vermeld in B.1.2, wordt het verlof wegens ziekte of invaliditeit gelijkgesteld met periodes van actieve dienst en ontvangt het personeelslid tijdens dat verlof een integrale wedde. Door zulk een verlof onbeperkt toe te staan tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, laat de bestreden bepaling toe om, zolang de letsels evolueren, het loonverlies te compenseren dat het personeelslid lijdt ingevolge het arbeidsongeval. Gedurende de tijdelijke arbeidsongeschiktheid maakt het betrokken personeelslid in beginsel geen aanspraak op een andere vergoeding die de schade dekt met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het arbeidsongeval. 21 De tijdelijke arbeidsongeschiktheid neemt een einde op de datum dat de getroffene het werk volledig hervat, dan wel op de datum van de consolidatie van de gevolgen van het ongeval. Vanaf die laatste datum kan de ongeschiktheid worden geacht een voldoende zeker en bestendig karakter te vertonen en heeft de getroffene recht op een rente voor blijvende arbeidsongeschiktheid. De decreetgever vermocht ervoor te kiezen aan het personeelslid dat reeds een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid geniet en dat het werk niet of slechts gedeeltelijk kan hervatten, niet eveneens - zonder beperking in de tijd - een integrale wedde toe te kennen, gelet op de kostprijs die een dergelijke cumulatie van vergoedingen met zich zou meebrengen voor de publieke werkgever. Het personeelslid zou daardoor vergoedingen ontvangen die gezamenlijk hoger kunnen liggen dan zijn wedde vóór het arbeidsongeval, ook al is het gedurende de blijvende arbeidsongeschiktheid niet aan het werk. Zoals de Franse Gemeenschapsregering opmerkt, kan bovendien worden aangenomen dat de mogelijkheid om zowel een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid als een integrale wedde te ontvangen, de betrokken personeelsleden niet ertoe zou aanzetten om opnieuw aan het werk te gaan zodra hun gezondheidstoestand dat toelaat. Evenmin is het onredelijk om na de consolidatiedatum alsnog een onbeperkt verlof wegens ziekte of invaliditeit toe te staan, voor zover het gaat om een nieuwe arbeidsongeschiktheid die verband houdt met de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid, maar die zich voordoet na een werkhervatting. In die situatie zijn de letsels van het getroffen personeelslid na de consolidatie immers dusdanig verergerd dat het zijn betrekking, minstens tijdelijk, niet meer zal kunnen uitoefenen. De decreetgever vermocht van oordeel te zijn dat een dergelijk personeelslid op dezelfde wijze moet worden behandeld als een personeelslid in tijdelijke arbeidsongeschiktheid (zie in die zin ook artikel 6, § 3, van de wet van 3 juli 1967). B.
- De omstandigheid dat het verlof wegens ziekte of invaliditeit niet onbeperkt wordt toegestaan gedurende de blijvende arbeidsongeschiktheid, heeft ten slotte geen onevenredige gevolgen. Weliswaar heeft zulks als gevolg dat het betrokken personeelslid niet langer zonder beperking in de tijd een integrale wedde zal ontvangen. Zodra dat personeelslid zijn verlof wegens ziekte of invaliditeit heeft opgebruikt, bevindt het zich evenwel in disponibiliteit en ontvangt het, naast de toegekende rente voor blijvende arbeidsongeschiktheid, een wachtgeld gelijk aan 80 % van zijn laatste activiteitswedde gedurende de eerste twaalf maanden 22 disponibiliteit, 70 % van die wedde gedurende de volgende twaalf maanden en 60 % van die wedde na die eerste vierentwintig maanden (artikelen 13 en 14 van het decreet van 5 juli 2000). Het personeelslid in disponibiliteit heeft daarnaast recht op wachtgeld gelijk aan het bedrag van zijn activiteitswedde, indien de aandoening waaraan het lijdt is erkend als ernstige en langdurige ziekte of invaliditeit (artikel 15 van hetzelfde decreet). Het behoudt eveneens zijn rechten op een benoeming tot een bevorderingsambt, op een benoeming tot een selectieambt en op een vooruitbetaling van de wedde (artikel 16 van hetzelfde decreet). Bovendien doet de bestreden bepaling geen afbreuk aan artikel 10, tweede lid, van het decreet van 5 juli 2000, dat bepaalt dat het verlof dat onbeperkt wordt toegestaan krachtens het eerste lid van dat artikel, niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het aantal verlofdagen dat het personeelslid geniet krachtens de artikelen 7 tot 9 van hetzelfde decreet. De bestreden bepaling belet evenmin dat het personeelslid, na de datum van de consolidatie, het resterende aantal verlofdagen opgebruikt en gedurende dat gedeelte van de blijvende arbeidsongeschiktheid, naast de hem toegekende rente voor blijvende arbeidsongeschiktheid, alsnog een integrale wedde blijft ontvangen. Overigens heeft de bestreden bepaling als gevolg dat de in het decreet van 5 juli 2000 bedoelde leden van het onderwijzend personeel, zolang zij tijdelijk arbeidsongeschikt zijn, een integrale wedde behouden. Zij kunnen zich bijgevolg ook gedurende de tijdelijke arbeidsongeschiktheid in een gunstigere situatie bevinden dan de personeelsleden die, overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967, « het voordeel van de bepalingen [genieten] die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld ». De laatstgenoemde personeelsleden hebben immers « recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag » (artikel 22 van de arbeidsongevallenwet). B.
- Het door de verzoekende partijen bekritiseerde verschil in behandeling tussen de leden van het onderwijzend personeel bedoeld in het decreet van 5 juli 2000 en de personeelsleden bedoeld in het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 2004, is bijgevolg redelijk verantwoord. In zoverre het betrekking heeft op dat verschil in behandeling, is het enige middel niet gegrond. 23 Wat betreft het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning B.16.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het door de verzoekende partijen aangevoerde recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning (artikel 23, derde lid, 1°). Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, ermee is belast die rechten te waarborgen, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. B.16.
- Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. B.16.
- Zoals is vermeld in B.10, beschikt de decreetgever in sociaal-economische aangelegenheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. B.16.
- De standstill-verplichting kan evenwel niet zo worden begrepen dat ze elke wetgever, in het kader van zijn bevoegdheden, de verplichting oplegt om niet te raken aan de bij wet bepaalde nadere regels inzake arbeidsvoorwaarden en beloning. Zij verbiedt hun om maatregelen te nemen die, zonder redelijke verantwoording, een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van de in artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet gewaarborgde rechten, maar zij ontzegt hun niet de bevoegdheid om te oordelen hoe die rechten op de meest adequate wijze worden gewaarborgd. B.
- Zonder dat het noodzakelijk is om na te gaan of de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang veroorzaakt van de graad van bescherming van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, kan worden vastgesteld dat die achteruitgang hoe dan ook redelijk is verantwoord, zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in B.13 en B.
- 24 In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, is het enige middel niet gegrond. Wat betreft het beginsel van niet-retroactiviteit B.18.
- Overeenkomstig artikel 124 van het decreet van 19 juli 2021 is de bestreden bepaling in werking getreden op de tiende dag volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, namelijk 9 september
- Zij heeft enkel uitwerking voor de toekomst. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, heeft die bepaling bijgevolg geen terugwerkende kracht. De omstandigheid dat de bestreden bepaling eveneens van toepassing is op de personeelsleden ten aanzien van wie de consolidatie heeft plaatsgevonden vóór 9 september 2021, leidt niet tot een andere conclusie. B.18.
- In zoverre in het enige middel wordt aangevoerd dat de bestreden bepaling terugwerkende kracht heeft, zonder dat zulks noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, berust het op een verkeerd uitgangspunt en is het niet gegrond. 25 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 oktober
- De griffier, De wnd. voorzitter, F. Meersschaut T. Giet PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.132 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860324.7 ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19881212.12 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930601.7 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970317.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010924.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110214.1 ECLI:BE:CTLIE:2012:ARR.20120116.2 ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.038 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.093 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.165 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div