← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.133

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.133 Arrest- Rolnummer: 133/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-10-30 Raadplegingen: 884 - laatst gezien 2026-06-19 03:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Sociale zekerheid - Openbare sector - Rustpensioenen - Wezenoverlevingspensioen - Huwelijk van de langstlevende ouder Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 133/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer : 7842 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, Y. Kherbache, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 juli 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 juli 2022, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen de artikelen 10, 11, 22bis en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 14 en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 2, 3, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, alsmede de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest, doordat het weeskinderen verschillend behandelt naargelang hun langstlevende ouder al dan niet opnieuw is gehuwd ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, 2 behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 september 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M. Ngoie Tshiyamba en O. Steenhout hebben tijdens hun huwelijk twee kinderen gekregen. Zij scheiden uit de echt in

  1. M. Ngoie Tshiyamba huwt opnieuw in 2010 met A. Jacob, die twee kinderen uit een vorig huwelijk heeft. M. Ngoie Tshiyamba en A. Jacob hebben samen drie kinderen. O. Steenhout overlijdt in
  2. M. Ngoie Tshiyamba dient in naam van haar minderjarige kinderen bij de Federale Pensioendienst een aanvraag in voor een wezenoverlevingspensioen. Die laatste antwoordt dat met toepassing van artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen » (hierna : de wet van 15 mei 1984), geen wezenoverlevingspensioen kan worden uitgekeerd, gelet op het nieuwe huwelijk van M. Ngoie Tshiyamba. M. Ngoie Tshiyamba dagvaardt de Federale Pensioendienst om te verschijnen voor de Rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat het Hof zich niet eerder over de grondwettigheid van artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 heeft uitgesproken. Op verzoek van M. Ngoie Tshiyamba stelt het bovenvermelde prejudiciële vraag aan het Hof. III. In rechte –A– A.
  3. De Ministerraad zet uiteen dat het overlevingspensioen als doel heeft een inkomen te verschaffen aan de nabestaanden van de overledene die te zijnen laste waren en, hen in staat te stellen verder in hun levensonderhoud te voorzien. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het recht op het overlevingspensioen, de uitbetaling van dat pensioen, het huwelijksvermogensstelsel van het echtpaar waarvan één van de echtgenoten is overleden en het maritaal stelsel van de langstlevende echtgenoot. Binnen een kerngezin kan slechts één type van overlevingspensioen worden toegekend : een overlevingspensioen van langstlevende echtgenoot of één (of meerdere) wezenoverlevingspensioen(en). Indien de langstlevende echtgenoot recht heeft op een overlevingspensioen, heeft de wees geen recht op een overlevingspensioen, en omgekeerd. Wanneer een wees recht heeft op een overlevingspensioen (wanneer zijn ouders niet gehuwd zijn of wanneer de langstlevende ouder vóór het overlijden opnieuw is gehuwd), bepaalt artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 dat de uitbetaling van dat pensioen ingevolge het huwelijk van de langstlevende ouder wordt geschorst tot de meerderjarigheid van de wees of tot het overlijden van de langstlevende ouder vóór die datum. Volgens de Ministerraad blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat die bepaling ertoe strekt een einde te stellen aan een verschil in behandeling tussen twee categorieën van wezen van wie de langstlevende ouder (opnieuw) is gehuwd : enerzijds, de wees van gehuwde of uit de echt gescheiden ouders van wie de langstlevende ouder opnieuw huwt na het overlijden van de overleden ouder en, anderzijds, de wees van ongehuwde of uit de echt gescheiden ouders van wie de langstlevende ouder (opnieuw) is gehuwd vóór het overlijden van de overleden ouder. A.
  4. Volgens de Ministerraad moet de prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. Hij voert in hoofdorde aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen (de wezen van wie de langstlevende ouder (opnieuw) is gehuwd en de wezen van wie de langstlevende ouder niet (opnieuw) is gehuwd) 3 niet vergelijkbaar zijn. De eerste categorie van wezen zijn kinderen die in een gezin leven waarin de kosten door meerdere personen worden gedragen (de langstlevende ouder en diens partner). De tweede categorie van wezen zijn kinderen die in een gezin leven waarin de kosten a priori alleen door de langstlevende ouder worden gedragen. Bovendien worden de wezen die tot de ene of de andere categorie behoren, niet op dezelfde wijze behandeld. Onder de wezen van wie de langstlevende ouder (opnieuw) is gehuwd, wordt de wees van gehuwde of uit de echt gescheiden ouders van wie de langstlevende ouder opnieuw huwt na het overlijden van de overleden ouder anders behandeld dan de wees van ongehuwde of uit de echt gescheiden ouders van wie de langstlevende echtgenoot (opnieuw) is gehuwd vóór het overlijden van de overleden ouder. In het eerste geval geniet geen enkel lid van het kerngezin een overlevingspensioen : de uitbetaling van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot wordt geschorst ingevolge zijn nieuwe huwelijk, en de wees heeft geen recht op een overlevingspensioen, aangezien de langstlevende ouder er recht op heeft. In het tweede geval heeft de wees recht op een overlevingspensioen, aangezien de langstlevende ouder er geen recht op heeft. De uitbetaling van dat pensioen wordt evenwel geschorst krachtens de in het geding zijnde bepaling. Onder de wezen van wie de langstlevende ouder niet (opnieuw) gehuwd is, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de wees van gehuwde of uit de echt gescheiden ouders en de wees van ongehuwde ouders. De eerste geniet geen overlevingspensioen, aangezien zijn langstlevende ouder er een geniet. De tweede geniet een overlevingspensioen, aangezien zijn langstlevende ouder er geen geniet. De Ministerraad voert aan dat gelet op het door de wetgever nagestreefde doel, het al dan niet discriminerende karakter van de regeling van het wezenoverlevingspensioen wordt beoordeeld ten aanzien van de situatie van het overblijvende kerngezin, en niet enkel ten aanzien van die van de wees. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 44/2001 van 29 maart 2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.044). Hij is van mening dat de kerngezinnen waarvan de wezen deel uitmaken, moeten worden vergeleken om te bepalen of een persoon binnen het gezin het overlevingspensioen geniet. A.
  5. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de bekritiseerde verschillen in behandeling op een objectief criterium berusten, namelijk het feit of het een eenoudergezin of een nieuw samengesteld gezin betreft. Bij zijn arresten nrs. 176/2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.176), 174/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.174) en 17/2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.017), heeft het Hof reeds geoordeeld dat een dergelijk criterium een verschil in behandeling ten gunste van de wezen van een eenoudergezin kan verantwoorden. Dat criterium is bovendien pertinent ten aanzien van de doelstelling van de wetgever die erin bestaat het kerngezin de nodige bestaansmiddelen te garanderen. De Ministerraad voert aan dat de verschillen in behandeling redelijk verantwoord zijn. Enerzijds bestaat er weliswaar een juridisch maar geen concreet verschil in behandeling tussen de wees van wie de ouder opnieuw is gehuwd en de wees van gehuwde of uit de echt gescheiden ouders van wie de langstlevende ouder niet opnieuw is gehuwd. Geen van hen geniet immers een wezenoverlevingspensioen. In het eerste geval wordt de uitbetaling van het wezenoverlevingspensioen geschorst. In het tweede geval heeft de wees geen recht op een overlevingspensioen, aangezien de langstlevende ouder er een geniet. In beide gevallen geniet de langstlevende ouder een economisch-financieel voordeel dat ertoe dient het verlies van het inkomen van de overleden echtgenoot te compenseren. Dat voordeel ligt ofwel in de gevolgen van zijn nieuwe huwelijk, ofwel, bij ontstentenis van een huwelijk, in het overlevingspensioen dat hij geniet. Die situatie is evenredig met de doelstelling van de wetgever om aan het kerngezin voldoende inkomsten te waarborgen ondanks het overlijden van een ouder. Anderzijds bestaat er een verschil in behandeling tussen de wees van wie de ouder opnieuw is gehuwd en de wees van ongehuwde ouders van wie de langstlevende ouder niet is gehuwd. In tegenstelling tot de tweede, geniet de eerste geen wezenoverlevingspensioen. Dat verschil in behandeling is verantwoord, ten eerste, door het feit dat de wees van wie de ouder opnieuw is gehuwd deel uitmaakt van een kerngezin waarin de langstlevende ouder een economisch-financieel voordeel geniet dat het verlies van het inkomen van de overleden echtgenoot kan compenseren, terwijl de wees van ongehuwde ouders van wie de langstlevende ouder niet is gehuwd zich in een eenoudergezin bevindt waarin de langstlevende ouder niet wordt verondersteld een dergelijk voordeel te genieten. Ten tweede beoogt de schorsing van de uitbetaling van het overlevingspensioen van de wees van wie de ouder opnieuw is gehuwd alle wezen van wie de langstlevende ouder (opnieuw) is gehuwd op dezelfde wijze te behandelen, ongeacht of hun ouders gehuwd waren of niet. De in het geding zijnde bepaling is evenredig, aangezien zij toelaat te waarborgen dat het kerngezin « langstlevende ouder-kind » bestaansmiddelen geniet. 4 De schorsing van de uitbetaling van het overlevingspensioen van de wees is bovendien beperkt in de tijd : vanaf zijn meerderjarigheid ontvangt de wees zijn wezenoverlevingspensioen indien hij recht heeft op kinderbijslag. Het wezenoverlevingspensioen is bovendien onderworpen aan de regels van titel V, hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 5 augustus 1978 « houdende economische en budgettaire hervormingen ». Zonder de in het geding zijnde bepaling zouden de wezen van wie de langstlevende ouder (opnieuw) is gehuwd anders worden behandeld naargelang hun ouders al dan niet waren gehuwd, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. A.
  6. De Ministerraad zet uiteen dat het verwijzende rechtscollege niet uitdrukkelijk aangeeft hoe de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet en de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen van internationaal recht zouden worden geschonden. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling bijdraagt aan de bescherming van de belangen van de kinderen en aan de uitoefening van het recht op een menswaardig leven, in zoverre zij toelaat te waarborgen dat wezen opgroeien in een kerngezin dat in hun behoeften voorziet. Zij waarborgt bovendien dat er geen discriminatie is tussen de categorieën van wezen van wie de langstlevende ouder opnieuw is gehuwd. De Ministerraad ziet niet in hoe de in het geding zijnde bepaling de in artikel 23 van de Grondwet opgenomen standstill-verplichting zou schenden. -B- B.1.
  7. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen » (hierna : de wet van 15 mei 1984), dat bepaalt : « Indien het recht op wezenpensioen voortvloeit uit de toepassing van artikel 9, tweede lid, wordt de uitbetaling van het pensioen geschorst vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van het huwelijk van de langstlevende ouder. Deze schorsing is niet meer van toepassing wanneer de wees de leeftijd van meerderjarigheid bereikt of wanneer de langstlevende ouder overlijdt vooraleer de wees deze leeftijd bereikt. [...] ». B.1.
  8. De wet van 15 mei 1984 regelt de toekenning van een overlevingspensioen aan de rechtverkrijgenden van personen die onderworpen zijn aan een stelsel inzake rustpensioenen in de openbare sector (artikel 1). B.1.
  9. De langstlevende echtgenoot heeft onder bepaalde voorwaarden recht op een overlevingspensioen (artikel 2). Ook de uit de echt gescheiden echtgenoot die geen nieuw huwelijk heeft aangegaan vóór het overlijden van zijn of haar gewezen echtgenoot, geniet een dergelijk recht (artikel 6, eerste lid). Daaruit volgt dat de uit de echt gescheiden echtgenoot die opnieuw is gehuwd vóór het overlijden van zijn of haar gewezen echtgenoot, geen recht heeft op een overlevingspensioen. 5 De hele wees heeft recht op een overlevingspensioen tot de leeftijd van achttien jaar of tot boven die leeftijd, zolang hij recht geeft op kinderbijslag (artikel 9, eerste lid). De vaderloze of moederloze wees wordt met de hele wees gelijkgesteld wanneer de langstlevende ouder geen recht heeft op een overlevingspensioen (artikel 9, tweede lid). Daaruit vloeit voort dat de vaderloze of moederloze wees recht heeft op een overlevingspensioen wanneer de langstlevende ouder geen recht erop heeft. Artikel 15bis bepaalt dat, wanneer het recht op wezenpensioen voortvloeit uit de toepassing van het voormelde artikel 9, tweede lid, de uitbetaling van het wezenoverlevingspensioen van de vaderloze of moederloze wees in geval van een huwelijk van de langstlevende ouder wordt geschorst vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van het huwelijk van de langstlevende ouder totdat de wees de leeftijd van meerderjarigheid bereikt of tot het overlijden van de langstlevende ouder dat zich vóór die datum heeft voorgedaan. B.
  10. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op minderjarige wezen van wie een van de ouders is overleden en van wie de langstlevende uit de echt gescheiden ouder vóór het overlijden van de overleden ouder opnieuw is gehuwd met een derde persoon, die zelf kinderen heeft die zijn geboren uit een vorige verbintenis en gemeenschappelijke kinderen heeft met de langstlevende ouder, en die geen enkele last met betrekking tot de desbetreffende wezen op zich neemt. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.3.
  11. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 22bis en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 2, 3, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest, « doordat het weeskinderen verschillend behandelt naargelang hun langstlevende ouder al dan niet opnieuw is gehuwd ». B.3.
  12. Rekening houdend met hetgeen in B.2 is vermeld, dient de prejudiciële vraag in die zin te worden begrepen dat zij betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen twee categorieën van minderjarige wezen : enerzijds, de minderjarige wezen van wie een van de 6 ouders is overleden en van wie de langstlevende uit de echt gescheiden ouder opnieuw is gehuwd vóór het overlijden van de overleden ouder en, anderzijds, de minderjarige wezen van wie een van de ouders is overleden en van wie de langstlevende uit de echt gescheiden ouder niet opnieuw is gehuwd vóór het overlijden van de overleden ouder. De minderjarige wezen die tot de eerste categorie behoren, hebben recht op een overlevingspensioen krachtens artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984, maar de uitbetaling ervan wordt geschorst tot hun meerderjarigheid of tot het overlijden van de langstlevende ouder dat zich vóór die datum heeft voorgedaan, krachtens artikel 15bis van dezelfde wet. De minderjarige wezen die tot de tweede categorie behoren, hebben geen recht op een overlevingspensioen, aangezien hun langstlevende uit de echt gescheiden ouder recht erop heeft, krachtens artikel 6, eerste lid, van de wet van 15 mei
  13. Dat overlevingspensioen wordt daadwerkelijk uitbetaald aan de uit de echt gescheiden echtgenoot. De in hetzelfde artikel 6, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde maatregel waarbij de uitbetaling van het overlevingspensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot wordt geschorst is immers niet van toepassing, aangezien, te dezen, de uit de echt gescheiden echtgenoot die niet opnieuw is gehuwd vóór het overlijden van zijn of haar gewezen echtgenoot, per definitie een kind ten laste heeft in de zin van die bepaling, ongeacht de leeftijd die het had op het ogenblik van dat overlijden. B.3.
  14. Noch in de prejudiciële vraag, noch in de motieven van de verwijzingsbeslissing wordt verduidelijkt in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 2, 3, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en met de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest. In zoverre zij betrekking heeft op de inachtneming van die bepalingen, is de prejudiciële vraag bijgevolg niet ontvankelijk. B.4.
  15. De in het geding zijnde bepaling werd in de wet van 15 mei 1984 ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 21 mei 1991 « houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving 7 betreffende de pensioenen van de openbare sector ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die bepaling ertoe strekt een einde te maken aan een verschil in behandeling dat ongunstig is voor het kerngezin dat bestaat uit de langstlevende echtgenoot en de wezen uit het huwelijk, in geval van een nieuw huwelijk van de langstlevende echtgenoot. Zij is geïnspireerd op de schorsing van de uitbetaling van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984, in geval van een nieuw huwelijk van de langstlevende echtgenoot : « Artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 stelt dat de vaderloze wees met de hele wees wordt gelijkgesteld indien zijn moeder geen recht op pensioen heeft. Hetzelfde geldt voor de moederloze wees indien zijn vader geen recht heeft op pensioen. De verwijzing door artikel 9 naar de afwezigheid van recht in hoofde van de langstlevende ouder kan, in bepaalde gevallen, tot gevolg hebben dat de wees wiens ouders niet gehuwd waren, bevoordeeld wordt tegenover de wees wiens ouders wel gehuwd waren, hetgeen in strijd is met de geest van de wet van 31 maart 1987 betreffende de afstamming. Een dergelijke situatie doet zich met name voor wanneer de langstlevende ouder recht heeft op een pensioen, maar de betaling ervan geschorst is in toepassing van sommige bepalingen van de wet van 15 mei 1984 of van de in de wet van 5 augustus 1978 voorziene cumulatieregels. Zo wordt krachtens artikel 3, § 2, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984 de betaling van het pensioen van de langstlevende echtgenoot die een nieuw huwelijk aangaat geschorst vanaf de eerste dag van de dertiende maand die volgt op die van het nieuwe huwelijk. Aangezien het recht op pensioen in hoofde van deze echtgenoot blijft bestaan, kan een eventuele wees die voortspruit uit zijn huwelijk met de overledene, geen aanspraak maken op een pensioen. In toepassing van het huidige artikel 9, tweede lid, heeft de ‘ natuurlijke ’ wees daarentegen, in het geval van een koppel dat niet gehuwd was, wel recht op een dergelijk pensioen vermits de overlevende ‘ natuurlijke ’ ouder, tengevolge van het feit dat hij niet gehuwd was met het overleden personeelslid, geen overlevingspensioen kan bekomen. Wat het inkomen betreft van de familiale cel (langstlevende ouder en kind of kinderen) bevindt de ‘ natuurlijke ’ cel zich dus in een voordeliger situatie dan de ‘ wettige ’ cel. Artikel 10 van het ontwerp maakt een einde aan deze discriminatie door in geval van huwelijk van de langstlevende ouder te voorzien in een schorsing van de betaling van het pensioen dat overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de voormelde wet aan een minderjarige wees wordt toegekend. Deze schorsing komt overeen met deze die door artikel 3, § 2, eerste lid, van dezelfde wet voorzien wordt voor de langstlevende echtgenoot » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 1050/1, p. 9). Indien de uit de echt gescheiden echtgenoot een nieuw huwelijk aangaat na het overlijden van de overleden ouder, wordt de uitbetaling van zijn overlevingspensioen eveneens geschorst « vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van het nieuwe huwelijk en tot de eerste dag van de maand na het overlijden van de echtgenoot of van de gewezen echtgenoot met wie de langstlevende echtgenoot hertrouwd is », krachtens artikel 3, § 2, eerste lid, van de wet van 8 15 mei 1984, dat bij artikel 6, eerste lid, van dezelfde wet op de uit de echt gescheiden echtgenoot van toepassing is gemaakt. B.4.
  16. Door erin te voorzien dat de uitbetaling van het met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 toegekende wezenoverlevingspensioen wordt geschorst in geval van een huwelijk van de langstlevende ouder, heeft de wetgever een maatregel genomen die pertinent is ten aanzien van het doel dat erin bestaat een einde te maken aan het verschil in behandeling tussen het kerngezin dat bestaat uit de langstlevende echtgenoot en de wezen uit het huwelijk en het kerngezin dat bestaat uit de langstlevende ongehuwde ouder en de « natuurlijke » wezen met betrekking tot de uitbetaling van een overlevingspensioen aan dat kerngezin. De uitbetaling van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot, in het eerste geval, en de uitbetaling van het wezenoverlevingspensioen, in het tweede geval, worden voortaan immers geschorst in geval van een (nieuw) huwelijk van de langstlevende ouder. Het Hof dient evenwel te onderzoeken of de wetgever, door een einde te maken aan het voormelde verschil in behandeling, geen verschil in behandeling in het leven heeft geroepen tussen de in B.3.2 bedoelde twee categorieën van minderjarige wezen, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.5.
  17. Uit hetgeen is vermeld in B.3.2 volgt dat de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling doet ontstaan tussen minderjarige wezen naargelang hun langstlevende uit de echt gescheiden ouder al dan niet een nieuw huwelijk aangaat vóór het overlijden van hun overleden ouder. De in B.3.2 bedoelde twee categorieën van minderjarige wezen worden immers op dezelfde wijze behandeld met betrekking tot het voordeel van een wezenoverlevingspensioen : noch de minderjarige wezen van de eerste categorie, noch de minderjarige wezen van de tweede categorie ontvangen een wezenoverlevingspensioen. Het verschil in behandeling waarover aan het Hof een vraag wordt gesteld, is bijgevolg onbestaande. B.5.
  18. Artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 15bis van de wet van 15 mei 1984 « houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 oktober
  19. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.133 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.044 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.176 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.174 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.