id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.137 Arrest- Rolnummer: 137/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-10-30 Raadplegingen: 495 - laatst gezien 2026-06-18 11:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over de artikelen 120 en 122, tweede lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » en de artikelen 50bis en 56bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik Sociale zekerheid - Waals Gewest - Kinderbijslag - Verhoogde wezenbijslag - Bedrag - Nieuwe regeling - Overgangsrecht - Wees geworden vóór 1 januari 2019 - Het opnieuw vormen van een gezin door de overlevende ouder Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 137/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer : 7898 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 120 en 122, tweede lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » en de artikelen 50bis en 56bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 november 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 december 2022, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 120 en 122, tweede lid, van het Waalse decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen en de artikelen 50bis en 56bis van de algemene kinderbijslagwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de kinderen die recht hebben op het tarief voor wezen en de bijslagtrekkende die hen opvoedt anders behandelen in geval van huwelijk van of het vormen van een huishouden door de overlevende ouder, naargelang het rechthebbende kind vóór of na 1 januari 2019 wees is geworden ? ». Memories zijn ingediend door : - C.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Corman, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. N. Picard, advocaten bij de balie te Brussel; 2 - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 september 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C.M. huisvest en zorgt voor haar kleinzoon A.M., geboren op 21 mei 2003, sinds het overlijden van diens moeder op 3 oktober
- Zij geniet in die hoedanigheid kinderbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen. Op 30 maart 2021 beveelt de vzw « Caisse d’Allocations Familiales CAMILLE » de terugvordering van de wezentoeslag voor de periode van september 2019 tot februari 2021, om reden dat de vader van A.M. een bijdrage aan C.M. stort. Die laatste is van mening dat de vader zijn kind heeft verlaten en dat A.M. wees blijft ondanks de betaling van een bijdrage, maakt de zaak aanhangig bij de Arbeidsrechtbank te Luik, het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege is allereerst van mening dat de financiële bijdrage waarvan sprake niet gering is en dat de kwalificatie van verlating van het kind dus dient te worden afgewezen. Het stelt vervolgens vast dat er, in het licht van de wetgeving inzake kinderbijslag tegen het tarief voor wezen in het Waalse Gewest, een verschil in behandeling bestaat, tussen de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 en wees geworden zijn vóór 1 januari 2019, waaronder A.M., en de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 maar wees geworden zijn na 1 januari
- Voor de kinderen uit de tweede categorie wordt hun verhoogde tarief voor wezen immers niet geschrapt als gevolg van het feit dat de overlevende ouder opnieuw een gezin vormt, in tegenstelling tot de kinderen van de eerste categorie. Bijgevolg stelt het verwijzende rechtscollege de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- C.M., verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, voert aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën vergelijkbaar zijn. Enkel de overlijdensdatum van de overleden ouder kan niet volstaan om kinderen, die eventueel dezelfde leeftijd hebben en zich in voorkomend geval in een vergelijkbare sociaal-economische situatie bevinden, op verschillende wijze te behandelen. Zij is vervolgens van mening dat het gekozen criterium niet pertinent is. Het Waalse decreet van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 8 februari 2018) wilde opnieuw meer rechtvaardigheid en gelijkheid invoeren. Welnu, het criterium van de datum van het overlijden van de ouder verplaatst die ongelijkheid alleen maar. 3 De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege erkent dat de wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft wanneer hij een overgangsregeling invoert. Een dergelijke regeling mag echter het beginsel van gewettigd vertrouwen evenwel niet op buitensporige wijze aantasten, hetgeen te dezen wel het geval is. Bijgevolg is de overgangsmaatregel niet in overeenstemming met de doelstelling om de ongelijkheid weg te nemen. Hij is ook niet evenredig met die doelstelling aangezien hij buitensporige financiële gevolgen heeft ten nadele van het kind. A.2.
- De Waalse Regering herinnert allereerst eraan dat het Waalse Gewest, na de overdracht van de bevoegdheid van de gezinsbijslagen bij de Zesde Staatshervorming, de van toepassing zijnde regeling heeft willen hervormen en moderniseren. Voorheen, onder de gelding van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW), was het verhoogde tarief voor wezen identiek naargelang in het geval van het overlijden van één of van beide ouders. Het decreet van 8 februari 2018 heeft gekozen voor een differentiatie tussen de wees van één ouder, die een verhoging van 50 % van het basisbedrag ontvangt, en de wees van beide ouders, die een dubbel basisbedrag ontvangt. Onder de gelding van de AKBW, bracht het feit dat de overlevende ouder opnieuw een gezin vormt bovendien teweeg dat de wezentoeslag verdween. Het decreet van 8 februari 2018 stapt af van die regel. Dat decreet heeft, ten slotte, een overgangsregeling ingevoerd, die in het geding is in de prejudiciële vraag. De principiële regel is dat de nieuwe regeling van toepassing is op alle kinderen die geboren zijn vanaf 1 januari
- Teneinde niet de kinderen te benadelen die zijn geboren onder de gelding van de AKBW, werden twee overgangscategorieën gecreëerd. Enerzijds zijn de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 van wie de ouder is overleden vóór 1 januari 2019 volledig onderworpen aan de AKBW. Anderzijds zijn de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 maar van wie de ouder is overleden vanaf 1 januari 2019 onderworpen aan de AKBW behalve wat betreft de regel omtrent het opnieuw vormen van een gezin, die is geschrapt. A.2.
- De Waalse Regering stelt de vergelijkbaarheid van de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën niet ter discussie. Volgens haar is het in het geding zijnde criterium, namelijk de datum van het overlijden van de ouder, objectief. Aangezien de toekenning van gezinsbijslagen tegen het tarief voor wezen voortvloeit uit het overlijden van de ouder, is het gekozen criterium ook pertinent. Het laat immers toe differentiaties tussen de kinderen van eenzelfde overleden ouder te vermijden. De Waalse Regering haalt drie doelstellingen aan bij de invoering van de betwiste overgangsregeling, die met elkaar dienden te worden verzoend. Ten eerste werd de decreetgever geconfronteerd met een budgettaire beperking. Het nieuwe model van gezinsbijslagen is onderworpen aan een houdbaarheidsverplichting op korte en lange termijn. Ten tweede heeft de decreetgever de verschillen in rang tussen de kinderen in eenzelfde gezin willen wegnemen. Ten derde komt het nieuwe model van gezinsbijslagen tegemoet aan de zorg om zich aan te passen aan de evolutie en aan de diversiteit van de gezinssamenstellingen. Die drie doelstellingen zijn legitiem. Vervolgens voert de Waalse Regering aan dat de overgangsregeling evenredig is met de nagestreefde doelstellingen. De onmiddellijke toepassing van het decreet van 8 februari 2018 op alle kinderen zonder uitzondering zou het Gewest immers bijkomend meer dan 200 miljoen euro hebben gekost. Rekening houdend met de verplichting een duurzame begroting te handhaven, zou een dergelijke maatregel een vermindering van het basistarief van alle gezinsbijslagen gevergd hebben, met inbegrip van het verhoogde tarief voor wezen. De keuze voor het criterium van de datum waarop de ouder is overleden laat dus toe de uitgaven te beperken én binnen de vastgelegde totale begrotingsenveloppe te blijven. Ten slotte is de Waalse Regering van mening dat het Hof, in zijn arresten nrs. 195/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.195) en 198/2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.198) van 5 december 2019, de overgangsregeling reeds gegrond heeft verklaard. De lering uit die arresten kan te dezen worden overgenomen, ook al is het criterium niet identiek. In beide gevallen worden immers twee kinderen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden op verschillende wijze door de overgangsregeling geraakt. A.3.
- De Vlaamse Regering, tussenkomende partij, herinnert aan de ratio legis van de bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding van het decreet van 8 februari 2018, namelijk de onder de oude kinderbijslagregeling verworven rechten vrijwaren. De overgangsregeling wordt gemotiveerd door de vrees dat de overstap van alle kinderen naar het nieuwe systeem al te grote gevolgen zou hebben voor de begroting van het Waalse Gewest. In antwoord op de verzoeken om verduidelijking van de Raad van State hieromtrent, heeft het Waalse Gewest die problematiek becijferd. Het verschil in behandeling dient dus te worden beoordeeld in het licht van de uitgewerkte regeling in haar geheel, zoals de parlementaire voorbereiding van het decreet van 8 februari 2018 daartoe uitnodigt. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat de overgangsregeling als voordeel heeft dat de 4 administratieve last wordt verkleind aangezien die toelaat geen nieuwe berekeningen te moeten maken voor de verworven situaties. Samengevat heeft de Waalse decreetgever de bescherming van de verworven rechten, de modernisering en de hervorming van het globale systeem, en de optimalisering van de aanwending van de begrotingsmiddelen met elkaar willen verzoenen. De Vlaamse Regering merkt ten slotte op dat de Raad van State, in zijn advies, geen kritiek heeft gegeven op de in het geding zijnde regeling ten aanzien van het beginsel van het gewettigd vertrouwen. A.3.
- Wat de grond van de zaak betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat het in het geding zijnde verschil in behandeling voldoende verantwoord is. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof, staat het niet aan het Hof na te gaan of het Waalse stelsel van sociale zekerheid rechtvaardig is. Het staat overigens aan de wetgever te beoordelen of een overgangsregeling al dan niet noodzakelijk is. Bovendien is een onderscheid tussen personen inherent aan elke overgangsregeling. De Waalse decreetgever heeft een aantal uiteenlopende belangen met elkaar verzoend. De regeling van de AKBW blijft van toepassing op de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 zonder achteruitgang op het vlak van de bescherming terzake, met inachtneming bijgevolg van artikel 23 van de Grondwet. Bovendien is het gunstige element, namelijk de schrapping van de regel omtrent het opnieuw vormen van een gezin uitdrukkelijk van toepassing gemaakt op bepaalde van die kinderen, namelijk diegenen van wie de ouder is overleden vanaf 1 januari
- De Vlaamse Regering is zodoende van mening dat de Waalse decreetgever rekening heeft gehouden met de inachtneming van de legitieme verwachtingen en tegelijk de modernisering van de regeling waarborgt en de budgettaire gevolgen ervan beperkt. Volgens de Vlaamse Regering is het gekozen criterium objectief, daar het gaat om de datum van het overlijden van de ouder. Het is ook pertinent aangezien het overlijden net de gebeurtenis is die aanleiding geeft tot het verhoogde tarief voor wezen. Indien het Hof zou oordelen dat alle kinderen zonder uitzondering aan het decreet van 8 februari 2018 dienen te worden onderworpen, zou de beoordelingsmarge van de wetgever inzake het overgangsrecht in het gedrang komen. Ten slotte is de maatregel niet onevenredig aangezien niets erop wijst dat de personen die aan de oude regeling van de AKBW zijn onderworpen, rechtmatig mochten verwachten dat een latere, meer gunstige regeling op hen van toepassing zou zijn. Hun situatie verslechtert niet, zij blijft onveranderd. De overheidsmiddelen zijn niet oneindig. Ten slotte kunnen de leringen uit de voormelde arresten van het Hof nrs. 195/2019 en 198/2019 te dezen perfect worden overgenomen. Bovendien merkt de Vlaamse Regering op dat in de Vlaamse wetgeving ter zake een keuze werd gemaakt die vergelijkbaar is met die van het Waalse Gewest. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.
- De artikelen 120 en 122 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 8 februari 2018) behoren tot titel X van het decreet, met als opschrift « Overgangsbepalingen ». Zij bepalen : « Art.
- De algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (AKBW) en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag worden opgeheven op de door de Regering bepaalde datum bedoeld in artikel 136, § 1, met uitzondering van de artikelen 40 tot 50septies, 52 tot 55 en 56ter tot 76bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 5 (AKBW) die na deze datum van toepassing blijven voor de kinderen geboren uiterlijk de dag voor bedoelde datum die door de Regering is bepaald. De rechten geopend krachtens de overeenkomstig het eerste lid opgeheven wetgevingen worden gehandhaafd totdat een nieuw element dat het nieuwe onderzoek van het dossier zich voordoet. In dit geval wordt het recht op de gezinsbijslagen op grond van de artikelen 40 tot 76bis van de AKBW overeenkomstig deze Titel onderzocht. Voor de toepassing van de artikelen 40 tot 76bis van de AKBW verwijst de term ‘ gerechtigde ’ vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, naar een bloedverwante in de eerste graad, een schoonouder of een persoon met wie bedoelde bloedverwant een feitelijk gezin vormt. Indien het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend, wordt de bloedverwante die geen deel uitmaakt van het gezin van het rechtgevend kind, geacht daarvan deel uit te maken. Bij gebrek aan de hierboven vermelde personen wordt de persoon die het kind werkelijk opvoedt of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, in aanmerking genomen. Wat betreft de handhaving van het recht van de kinderen die uiterlijk op de dag vóór de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, ressorteren onder de opgeheven wet van 20 juli 1971, wordt de in artikel 42bis van de AKBW bedoelde toeslag provisioneel gehandhaafd en geregulariseerd na ontvangst van de fiscale gegevens betreffende het gezin van het rechtgevend kind. Alle andere voorwaarden betreffende de handhaving van het recht worden krachtens het decreet onderzocht. De in artikel 10, § 3, van de bovenvermelde wet van 20 juli 1971 bedoelde bijzondere bijslag wordt ten gunste van het geplaatste kind provisioneel gehandhaafd en geregulariseerd na ontvangst van de fiscale gegevens waaruit blijkt dat het gezin van de persoon die bedoelde bijslag ontvangt, zonder inkomen is; in het tegenovergestelde geval wordt de bijzondere bijslag teruggevorderd en wordt het recht op de kinderbijslagen overeenkomstig deze Titel onderzocht. Wat betreft nieuwe aanvragen ingediend vanaf de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, voor kinderen geboren uiterlijk de dag voor deze datum, worden de voorwaarden m.b.t. de opening van het recht onderzocht overeenkomstig dit decreet terwijl de basisbedragen en toeslagen degene zijn die in het kader van de AKBW binnen de grenzen bedoeld in deze Titel bepaald zijn. […] Art.
- Artikel 120 doet geen afbreuk aan de toepassing, in geval van overlijden dat ten vroegste op de datum bepaald door de Regering krachtens artikel 136, eerste lid, plaatsgevonden heeft, van het prevalerend percentage bedoeld in artikel 50bis van de AKBW, op de kinderen geboren uiterlijk op de dag voor de door de Regering bepaalde datum, zonder toepassing van de beperkingen bedoeld in artikel 56bis van de AKBW ». B.1.
- Artikel 50bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW) bepaalt : 6 « De maandelijkse kinderbijslag waarop de wees bedoeld in artikel 56bis, § 1, gerechtigd is, bedraagt 262,84 EUR ». Artikel 56bis van de AKBW bepaalt : « §
- Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 50bis, de wees indien op het ogenblik van het overlijden van één van de ouders, een rechthebbende bedoeld in artikel 51, §§ 3 en 4 in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk het overlijden voorafgaan de voorwaarden heeft vervuld om krachtens deze wet aanspraak te maken op ten minste op tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen §
- De in § 1 bedoelde kinderbijslag wordt evenwel verleend tegen de schaal bepaald in artikel 40 als de overlevende ouder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad. Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin. Het voordeel van § 1 mag opnieuw ingeroepen worden wanneer de overlevende ouder niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register. Deze paragraaf is niet toepasselijk indien de wees door zijn overlevende ouder verlaten is ». B.2.
- Met toepassing van de artikelen 3 en 136 van het decreet van 8 februari 2018 evenals van het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2018 « tot uitvoering van artikel 136 van het decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen », is de nieuwe regeling van de gezinsbijslagen van toepassing op de rechtgevende kinderen die worden geboren vanaf 1 januari
- De kinderen die zijn geboren uiterlijk op de dag vóór die datum blijven onderworpen aan de regeling waarin bij de AKBW is voorzien, behoudens de overgangsbepalingen waarin de artikelen 120 en volgende van het decreet van 8 februari 2018 voorzien. B.2.
- Inzake het verhoogde tarief voor wezen, blijkt uit het geheel van de voormelde bepalingen dat er drie categorieën van weeskinderen bestaan die onderworpen zijn aan de regeling van de gezinsbijslagen in het Waalse Gewest. Ten eerste zijn de kinderen die vanaf 7 1 januari 2020 zijn geboren volledig onderworpen aan het decreet van 8 februari
- Ten tweede blijven de kinderen die vóór die datum zijn geboren en vóór 1 januari 2019 wees zijn geworden volledig onderworpen aan de AKBW. Ten derde zijn de kinderen die vóór 1 januari 2020 zijn geboren maar na 1 januari 2019 wees zijn geworden onderworpen aan de AKBW, behalve voor de regel omtrent het opnieuw vormen van een gezin door de overlevende ouder, die niet op hen van toepassing is. B.2.
- In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 8 februari 2018 wordt de overgangsregeling als volgt verantwoord : « Met betrekking tot de verschuldigde gezinsbijslagen voor weeskinderen, biedt het huidige systeem twee mogelijkheden : ofwel heeft het kind geen overlevende ouder meer of heeft zijn overlevende ouder niet opnieuw een gezin gevormd, ofwel heeft het kind een overlevende ouder die opnieuw een gezin heeft gevormd. In het eerste geval wordt het recht op het tarief voor wezen geopend, in het tweede geval gaat het verloren. Het nieuwe model heeft een onderscheid willen maken tussen de situaties op basis van het aantal overlevende ouders : bij één overlevende ouder, wordt een toeslag gelijk aan de helft van het basistarief toegekend zonder enig verband met het gevoelsleven van die ouder; zonder overlevende ouder, wordt het volledige tarief voor wezen toegekend. In het huidige systeem werd het volledige verlies van het tarief voor wezen wanneer de overlevende ouder opnieuw een gezin vormt vaak aangeklaagd. De nieuwe voorwaarden inzake rechten worden dus toegepast voor kinderen die geboren zijn vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, en die wees geworden zijn na de datum van inwerkingtreding van het decreet. Aangezien in het huidige model geen bedrag bestaat dat vergelijkbaar is met de helft van het basistarief waarin in het nieuwe model is voorzien, wordt in dergelijk geval het volledige tarief toegekend. Die overgangsbepaling waarin is voorzien in artikel 122 breidt dus ook het toepassingsgebied van de rechten uit van de kinderen die geboren zijn vóór de inwerkingtreding van het decreet » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 989/1, p. 10). « Voor de kinderen die geboren zijn vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet blijven de oude bepalingen van toepassing, behoudens uitzondering : […] – de voorwaarde dat de overlevende ouder niet opnieuw een gezin mag vormen om het tarief voor wezen te genieten, wordt geschrapt voor de overlijdens die plaatsvinden vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet. Die voorwaarde dateert uit een tijdperk waarin de situaties van eenouderschap noodzakelijkerwijs het resultaat waren van het overlijden van een van de twee ouders. Het tarief voor wezen kwam tegemoet aan het financiële verlies als gevolg van het verdwijnen van een van de twee ouders, verlies dat werd opgevangen wanneer de overlevende ouder opnieuw een gezin vormde. De logica van het nieuwe model, dat is uitgebreid voor de kinderen die ten laatste vóór de inwerkingtreding van het decreet geboren 8 zijn, wanneer het overlijden plaatsvindt vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet, bestaat erin het statuut van de wees, de specifieke situatie waarmee het kind wordt geconfronteerd, te erkennen los van het gevoelsleven van zijn overlevende ouder. Die maatregel laat toe diezelfde logica toe te passen voor de wezen van eenzelfde ouder, ongeacht hun geboortedatum (ibid., pp. 15-16) ». B.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de situatie van een kind, geboren vóór 1 januari 2020 en moederloze wees geworden vóór 1 januari 2019, te weten de tweede in B.2.2 beoogde categorie van kinderen, dat gedurende een bepaalde periode de maandelijkse kinderbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen heeft genoten. Krachtens de toepassing in de tijd van het decreet van 8 februari 2018, blijft de AKBW van toepassing op dat kind, met inbegrip van de regel met betrekking tot de gevolgen van het feit dat de overlevende ouder opnieuw een gezin vormt. Bijgevolg wordt het verhoogde tarief voor wezen te dezen betwist door de kinderbijslaginstelling wegens het feit dat de overlevende ouder, die wordt geacht zijn kind niet te hebben verlaten, opnieuw een gezin heeft gevormd. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat bestaat tussen de tweede en derde van de in B.2.2 vermelde categorieën van kinderen, in zoverre de regel omtrent het opnieuw vormen van een gezin door de overlevende ouder niet van toepassing is op kinderen die tot de derde categorie behoren. De situatie van die kinderen is gunstiger dan die van het kind voor het verwijzende rechtscollege, in die zin dat zij hun recht op het verhoogde tarief voor wezen behouden wanneer de overlevende ouder opnieuw een gezin vormt. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 9 B.
- Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.
- In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag de beleidskeuze die de wetgever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn. B.
- Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen berust op een objectief criterium, namelijk de datum van het overlijden van de ouder van het kind dat recht geeft op gezinsbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen. B.9.
- Uit de in B.2.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever een logica heeft willen nastreven die erin bestaat « het statuut van de wees, de specifieke situatie waarmee het kind wordt geconfronteerd, te erkennen los van het gevoelsleven van zijn overlevende ouder ». De keuze om de toepassing van de overgangsregeling voor te behouden voor de kinderen die wees geworden zijn vanaf 1 januari 2019 wordt verantwoord door de wil om « diezelfde logica toe te passen voor de wezen van eenzelfde ouder, ongeacht hun geboortedatum ». B.9.
- Bovendien wou de decreetgever ook een doelstelling van budgettair evenwicht nastreven, en daarbij vermijden dat de individuele bedragen van de bijslagen voor alle kinderen geboren vanaf de inwerkingtreding van het decreet zouden worden beperkt, louter ingevolge de ongedifferentieerde toepassing van een nieuwe regeling. In de parlementaire voorbereiding werd immers opgemerkt wat volgt : « Vanuit budgettair oogpunt [past] dat model binnen de krijtlijnen […] die de onderhandelaars zich hadden opgelegd. De budgettaire en financiële houdbaarheid van het nieuwe model moesten tegelijk worden gewaarborgd, tegen 2043, het jaar waarin de overgangsperiode tussen het oude en het nieuwe model eindigt. De inkomsten uit de bijzondere financieringswet waren dus bedoeld om de door de Regering vastgestelde uitgaven voor het 10 nieuwe model te dekken. Gelet op hun evolutieparameters, zullen de inkomsten in werkelijkheid sneller evolueren dan de uitgaven » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, 23 januari 2018, C.R.I.C., nr. 70, p. 4). Alsook « […] alle kinderbijslagtrekkenden opnemen, ongeacht of de rechtgevenden zijn geboren vóór of na de datum van inwerkingtreding van het decreet, waarbij de verworven rechten worden gevrijwaard door een betaling van een verschil voor de kinderen die zijn geboren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, zelfs na een overgangsperiode van enkele jaren waarin eventueel om administratieve redenen wordt voorzien, zou […] een meerkost met zich meebrengen die wordt geraamd op 200 miljoen euro naargelang van het voorgestelde model. Indien de budgetten constant worden gehouden, zou dit leiden tot een vermindering van de bedragen van het basistarief en van de verschillende bijslagen, hetgeen nadelig zou zijn voor alle gezinnen die werden gevormd vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet. In die hypothese zou het basistarief moeten worden teruggebracht tot 125 euro » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 981/1, pp. 6-7). B.9.
- De voormelde doelstellingen zijn legitiem. B.
- Bijgevolg wordt in het nieuwe systeem gezocht naar nieuwe evenwichten tussen horizontale en verticale solidariteit tussen gezinnen met kinderen en de gelijkwaardigheid van elk kind. B.
- Meer bepaald blijkt dat de decreetgever heeft willen vermijden dat gedurende de overgangsperiode kinderen minder hoge kinderbijslag krijgen dan die welke zij kregen onder de gelding van de vroegere federale wetgeving. Voor een bepaald aantal onder hen heeft de decreetgever evenwel de regel van die vroegere wetgeving die hij als het meest problematisch beschouwde, namelijk de regel omtrent het opnieuw vormen van een gezin door de overlevende ouder, onmiddellijk willen opheffen. Door dat te doen heeft de decreetgever ook rekening moeten houden met de budgettaire weerslag van de hervorming van de kinderbijslag, hetgeen hem ertoe heeft gebracht de schrapping van die regel niet uit te breiden naar alle kinderen zonder uitzondering. B.
- Het verschil in behandeling is redelijk verantwoord. De keuze van de datum van 1 januari 2019 als scharnierdatum voor de toepassing van de in het geding zijnde 11 overgangsregeling is eveneens redelijk verantwoord door het feit dat het gaat om de datum van inwerkingtreding van de nieuwe kinderbijslagregelgeving. B.
- De in het geding zijnde bepalingen zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 120 en 122, tweede lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » en de artikelen 50bis en 56bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.137 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.195 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div