← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.144

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.144 Arrest- Rolnummer: 144/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-11-20 Raadplegingen: 437 - laatst gezien 2026-06-18 15:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Geen schending (artikel 23 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor een gemeenteraadslid dat tevens vertegenwoordiger is van de gemeente in de algemene vergadering van een gemeentelijke vereniging, en dat in die hoedanigheid het woord neemt om het agendapunt betreffende de algemene vergadering van de gemeentelijke vereniging in te leiden en ter stemming aan de gemeenteraad voor te leggen) - De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 23 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Gebruik van de talen in bestuurszaken - Randgemeenten - Nederlands taalgebied - Gemeenteraadszittingen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 144/2023 van 9 november 2023 Rolnummer : 7831 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 23 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 254.186 van 30 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juli 2022, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Schendt artikel 23 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor de leden van de gemeenteraad en niet uitsluitend voor de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen ? 2) Schendt artikel 23 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor het lid van de gemeenteraad, ander dan een lid van het college van burgemeester en schepenen, dat het woord neemt om een agendapunt in te leiden of toe te lichten ? 3) Schendt artikel 23 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat het een lid van de gemeenteraad toelaat in de gemeenteraad een andere taal dan het Nederlands te gebruiken, in zoverre dit in voorkomend 2 geval kan meebrengen dat andere gemeenteraadsleden en de inwoners die deze taal niet kennen, het debat in de gemeenteraad niet kunnen volgen ? ». Memories zijn ingediend door : - de gemeente Linkebeek, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. S. De Meue, advocaten bij de balie te Brussel; - het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. D’Hooghe en Mr. L. Schellekens, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de gemeente Linkebeek; - het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Regering. Bij beschikking van 17 mei 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 31 mei 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 31 mei 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 28 juni

  1. Op de openbare terechtzitting van 28 juni 2023 : - zijn verschenen : . Mr. N. Bonbled en Mr. S. De Meue, voor de gemeente Linkebeek; . Mr. B. Staelens, voor het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Regering; . Mr. D. D’Hooghe, tevens loco Mr. L. Schellekens, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers D. Pieters en E. Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil De gemeente Linkebeek heeft een beroep ingesteld bij de Raad van State op 22 juni 2017 tot nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 21 april 2017 « betreffende de vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van Linkebeek van 6 maart 2017 houdende kennisneming en beslissing over de agendapunten van de algemene vergadering van 6 april 2017 van de EVA vzw Hoeve ’t Holleken ». Ze vraagt hierbij dat de algemene vergadering van de Raad van State het verzoekschrift zou behandelen, overeenkomstig artikel 93 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  2. Op 6 maart 2017 neemt de gemeenteraad van Linkebeek kennis van de agendapunten van de algemene vergadering van 6 april 2017 van de vzw « Hoeve ’t Holleken », een extern verzelfstandigd agentschap, en draagt ze de vertegenwoordigers van de gemeente in die algemene vergadering op de voorgelegde agendapunten goed te keuren. De notulen van de gemeenteraadszitting, die het gemeenteraadsbesluit voorafgaan, vermelden dat drie gemeenteraadsleden het woord nemen in het Frans, waarbij zij met name het agendapunt inleiden, de rekeningen toelichten en hun appreciatie uitspreken over de werking van de vzw. Diezelfde dag dient een lid van de gemeenteraad van Linkebeek klacht in bij de provinciegouverneur wegens overtreding van de taalwetgeving. Op 21 april 2017 vernietigt de bevoegde minister het gemeenteraadsbesluit van Linkebeek van 6 maart 2017 op grond van artikel 23 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet), aangezien de inleiding op en de toelichting bij een agendapunt een wezenlijk onderdeel vormen van de besluitvorming en de vernietigde beslissing hebben kunnen beïnvloeden. De aard van de Franstalige interventies doen volgens de bevoegde minister op zijn minst een vermoeden rijzen dat ze een inhoudelijke bijdrage leveren tijdens de bespreking van het agendapunt, waarvan niet alleen akte wordt genomen maar waarover ook wordt gestemd, en dat ze het stemgedrag van de gemeenteraadsleden kunnen en beogen te beïnvloeden. De Raad van State, in algemene vergadering, stelt vast dat de partijen niet betwisten dat de gemeenteraad van Linkebeek een « plaatselijke dienst » is in de zin van artikel 23 van de Bestuurstaalwet. De gemeente Linkebeek, de verzoekende partij in het bodemgeschil, betwist evenwel dat haar gemeenteraadsleden, andere dan de leden van het college van burgemeester en schepenen, zich in hun interventies tijdens een gemeenteraadszitting uitsluitend in het Nederlands zouden mogen uitdrukken. Dat verschil in zienswijze tussen de gemeente Linkebeek, de verzoekende partij, en het Vlaamse Gewest, de verwerende partij, wordt nog aangescherpt wanneer een gemeenteraadslid dat geen lid is van het college van burgemeester en schepenen, niettemin zoals een lid van het college van burgemeester en schepenen een agendapunt op de gemeenteraad inleidt of toelicht, al dan niet namens dat college. In dat verband stelt de Raad van State vast dat de voorzitter van de gemeenteraad voor de toelichting van het betrokken agendapunt het woord heeft verleend aan minstens één vertegenwoordiger van de gemeente in de vzw « Hoeve ’t Holleken », een extern verzelfstandigd agentschap. Overeenkomstig het toen geldende artikel 246 van het Vlaams Gemeentedecreet van 15 juli 2005, beschikt de gemeente steeds over een meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering van de gemeentelijke vereniging en draagt de gemeente steeds een meerderheid van de leden van de raad van bestuur voor, worden de vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering door de gemeenteraad uit zijn leden gekozen en handelen die vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering overeenkomstig de instructies van de gemeenteraad. De Raad van State, in algemene vergadering, meent dat de betwisting tussen de partijen nauw samenhangt met de vraag of, in de visie dat een gemeenteraadslid een andere taal dan het Nederlands mag gebruiken, zijn collega-gemeenteraadsleden en de inwoners verplicht zijn die taal te kennen opdat zij het debat kunnen volgen. Aangezien de betwisting tussen partijen de grondwettigheid van artikel 23 van de Bestuurstaalwet aan de orde stelt, besluit de Raad van State, in algemene vergadering, tot het stellen van de voorliggende prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling A.
  3. De Ministerraad verzoekt het Hof uitspraak te doen naar recht. Voor een goed begrip van de zaak verwijst hij naar enkele bepalingen van de Bestuurstaalwet. Artikel 7 kwalificeert de gemeente Linkebeek als randgemeente waarvoor een speciale regeling geldt. In artikel 9 wordt bepaald wat onder « plaatselijke dienst » dient te worden verstaan. Vervolgens bepaalt artikel 23 dat iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in één van de randgemeenten in zijn binnendiensten uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt. Tot slot bepaalt artikel 58 dat administratieve handelingen die naar vorm of inhoud strijdig zijn met de bepalingen van de Bestuurstaalwet, nietig zijn. De wetgever heeft aan het begrip « administratieve handelingen » de ruimste betekenis gegeven. De nietigheidssanctie is dus niet alleen van toepassing op bestuurshandelingen die rechtsgevolgen hebben, maar ook op alle handelingen van openbare diensten in de zin van artikel 1, ongeacht of zij uit zichzelf rechtsgevolgen hebben. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.2.
  4. De gemeente Linkebeek, de verzoekende partij in het bodemgeschil, meent dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het Hof heeft reeds bij zijn arrest nr. 26/98 van 10 maart 1998 (ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.026) geoordeeld dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszittingen de taal van het taalgebied te gebruiken uitsluitend geldt voor de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen en dus niet voor de andere leden van de gemeenteraad. Dit vloeit voort uit de taalvrijheid vervat in artikel 30 van de Grondwet. Het begrip « regelen van het gebruik der talen » heeft volgens het Hof een ruime betekenis en omvat zowel het opleggen van het gebruik van een bepaalde taal, als het verbod van het gebruik van een bepaalde taal en het verbod van het verbieden van het gebruik van een bepaalde taal. Die taalvrijheid kan slechts worden beperkt bij wet en voor handelingen van het openbaar gezag en gerechtszaken. Bovendien moeten uitzonderingen op dat grondrecht restrictief worden geïnterpreteerd. Bij zijn arrest nr. 17/86 van 26 maart 1986 (ECLI:BE:GHCC:1986:ARR.017) heeft het Hof reeds aangegeven dat de Bestuurstaalwet niet zo mag worden uitgelegd dat zij van toepassing is op mandatarissen die geroepen worden om zitting te nemen in een collegiaal orgaan, behalve in zoverre zij zouden optreden als individuele bestuursautoriteiten. Het territorialiteitsbeginsel vervat in artikel 4 van de Grondwet mag evenmin afbreuk doen aan de individuele taalvrijheid die als uitgangspunt geldt. A.2.
  5. Een onderscheid moet gemaakt worden tussen de gemeenteraadsleden die optreden als individuele bestuursautoriteit, zoals de burgemeester, of als gemachtigd vertegenwoordiger van een collegiaal orgaan, zoals het schepencollege, en de gemeenteraadsleden die als democratisch verkozen vertegenwoordigers uit eigen naam spreken en niet uit naam van het openbaar gezag van het orgaan waarin zij zitting hebben. De interventies van individuele gemeenteraadsleden in de debatten van de gemeenteraad kunnen niet als handelingen van openbaar gezag worden gekwalificeerd. Individuele gemeenteraadsleden kunnen immers niet worden geacht te spreken namens de gemeenteraad of het college. Uit artikel 72bis van de Nieuwe Gemeentewet kan evenmin worden afgeleid dat individuele gemeenteraadsleden zich uitsluitend zouden mogen uitdrukken in de taal van het taalgebied. Dat blijkt des te meer uit het feit dat het voldoen aan de taalvereisten voor de rechtstreeks verkozen gemeenteraadsleden in de randgemeenten onweerlegbaar vermoed wordt, en in voorkomend geval beperkt kan blijven tot een juridische fictie. A.2.
  6. Bovendien dient volgens de gemeente Linkebeek ook rekening te worden gehouden met de standstill- verplichting vervat in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat een fundamenteel element vormt van het institutioneel evenwicht van de Belgische Staat. Aangezien die bepaling is aangenomen na het arrest van het Hof nr. 26/98, moet de leer ervan worden geacht deel uit te maken van de op 1 januari 2002 verworven bestaande waarborgen die de Franstaligen genieten in de randgemeenten. A.3.
  7. Het Vlaamse Gewest, de verwerende partij in het bodemgeschil, en de Vlaamse Regering zijn van oordeel dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zo heeft de Raad van State bij zijn arrest nr. 97.257 van 29 juni 2001 duidelijk geoordeeld dat de gemeenteraad als plaatselijke dienst dient te worden 5 beschouwd, zodat uit artikel 23 van de Bestuurstaalwet volgt dat bij de totstandkoming van de beslissingen binnen de gemeenteraad uitsluitend het Nederlands mag worden gebruikt, ook bij mondelinge interventies. Dat arrest werd aangehaald om de bestreden beslissing in het bodemgeschil te verantwoorden. Hieruit vloeit voort dat een individuele bestuursautoriteit geen synoniem is voor een bestuursautoriteit die optreedt op grond van een individuele wettelijke bevoegdheid. A.3.
  8. Uit de in het bodemgeschil bestreden beslissing van het Vlaamse Gewest blijkt dat de interventies van de gemeenteraadsleden in de Franse taal hebben bijgedragen, of minstens hebben kunnen bijdragen, tot de totstandkoming van de beslissing van de gemeenteraad. Volgens de rechtspraak van de Raad van State moet de nietigheidssanctie worden opgelegd wanneer de begane onwettigheid geacht moet worden het genomen besluit inhoudelijk te hebben beïnvloed of op zijn minst vermoed moet worden dit te hebben kunnen doen. Zodra het stemgedrag van de gemeenteraadsleden kan worden beïnvloed door de interventies in een andere dan de Nederlandse taal, kan worden overgegaan tot vernietiging. A.3.
  9. Volgens het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Regering beweert de gemeente Linkebeek onterecht dat de verplichting om tijdens de gemeenteraad Nederlands te gebruiken uitsluitend zou gelden voor de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen en niet voor de overige gemeenteraadsleden. De vergaderingen van de gemeenteraad zijn vergaderingen van een binnendienst in de zin van de Bestuurstaalwet. Wanneer een burgemeester of schepen het woord voert in de gemeenteraad gaat het niet om taalgebruik in een binnendienst van het college van burgemeester en schepenen maar om taalgebruik in de gemeenteraad als binnendienst. Als het taalgebruik van een burgemeester of schepen in de gemeenteraad als taalgebruik in een binnendienst gekwalificeerd wordt, dan moet het taalgebruik van een gemeenteraadslid in diezelfde gemeenteraad ook worden gekwalificeerd als taalgebruik in een binnendienst. A.3.
  10. Voorts heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij zijn arrest van 2 maart 1987 in zake Mathieu-Mohin en Clerfayt t. België (ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781) geoordeeld dat vrije, geheime en geregelde verkiezingen zich niet ertegen verzetten dat verkozen vertegenwoordigers de plicht wordt opgelegd de streektaal te gebruiken. Artikel 72bis van de Nieuwe Gemeentewet zou worden ontdaan van elk nut als artikel 23 van de Bestuurstaalwet niet van toepassing zou zijn op de gemeenteraadsleden in de gemeenteraad. Een interpretatie die ervan uitgaat dat tijdens de gemeenteraad een andere taal kan worden gebezigd dan de taal van het taalgebied is niet bestaanbaar met artikel 72bis van de Nieuwe Gemeentewet. Hieruit volgt dat de verplichting Nederlands te gebruiken wel degelijk bestaanbaar is met artikel 30 van de Grondwet. Er anders over oordelen, zou tot gevolg hebben dat gemeenteraadsleden van een eentalig gebied in een faciliteitengemeente wel degelijk kennis moeten hebben van een andere taal dan de taal van het taalgebied, terwijl dit niet het geval is voor gemeenteraadsleden in gemeenten van hetzelfde taalgebied die geen faciliteitengemeenten zijn. Indien artikel 30 van de Grondwet zonder enige wettelijke beperking zou gelden voor gemeenteraadsleden, zou dit ten slotte impliceren dat zij zouden mogen interveniëren in elke taal tijdens de gemeenteraad. Een dergelijke lezing is niet bestaanbaar met de principiële eentaligheid van het taalgebied, zoals gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
  11. De gemeente Linkebeek stelt dat de tweede prejudiciële vraag in wezen een variant vormt op de eerste prejudiciële vraag en eveneens bevestigend moet worden beantwoord. Het bijkomende gegeven dat een gemeenteraadslid het woord neemt om een agendapunt in te leiden of toe te lichten, leidt niet tot een ander besluit. Het individueel inleiden of toelichten van een agendapunt kan immers niet worden gelijkgesteld met het stellen van een handeling van openbaar gezag. Een uitzondering voor dergelijke gevallen zou voorts aanleiding geven tot constante rechtsonzekerheid over welke handelingen wel of niet door de gemeenteraadsleden in de taal van hun voorkeur mogen worden gesteld. Over de vraag of een gemeenteraadslid zich op persoonlijke titel uitdrukt, dan wel toelichting geeft over een agendapunt is immers steeds discussie mogelijk. A.
  12. Het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Regering stellen vast dat de tweede prejudiciële vraag geïnspireerd is op het auditoraatsverslag. Daarin werd aangegeven dat de agendapunten in deze zaak niet enkel werden ingeleid door de burgemeester of een ander lid van het college van burgemeester en schepenen, maar ook door andere leden van de gemeenteraad. Het auditoraatsverslag besloot dat wanneer gemeenteraadsleden tijdens de gemeenteraad toelichting geven bij de te behandelen agendapunten in de algemene vergadering van een extern verzelfstandigd agentschap, zij uiteraard optreden als een individuele bestuursautoriteit. Wanneer een gemeenteraadslid een 6 agendapunt inleidt of toelicht, dient dit te gebeuren in de taal van het taalgebied, waarvan elk gemeenteraadslid vermoed wordt de kennis te hebben overeenkomstig artikel 72bis van de Nieuwe Gemeentewet. Het gegeven dat een gemeente een faciliteitengemeente is, kan niet ertoe leiden dat een dergelijke toelichting enkel begrijpelijk is voor personen die kennis hebben van een andere taal dan de taal van het taalgebied. De tweede prejudiciële vraag moet dus ontkennend worden beantwoord. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.
  13. De gemeente Linkebeek merkt allereerst op dat de vrijheid van de individuele gemeenteraadsleden om zich in het Frans uit te drukken, niet veronderstelt dat de beraadslagingen overwegend of uitsluitend in het Frans worden gevoerd. De leden van het college van burgemeester en schepenen zijn in principe verplicht het Nederlands te gebruiken. Ook de notulen en de beslissingen worden in het Nederlands opgesteld. De voorrang van het Nederlands blijft dus onverkort gelden. Evenmin vloeit uit het recht om zich in het Frans uit te drukken, het recht voort om te worden begrepen door Nederlandstalige gemeenteraadsleden. Dat individuele gemeenteraadsleden zich in het Frans mogen uitdrukken, beoogt een billijk evenwicht tussen de grondwettelijke voorrang van het Nederlands en de waarborgen die gelden voor Franstaligen in de randgemeenten. De derde prejudiciële vraag moet ontkennend worden beantwoord. A.
  14. Het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Regering verwijzen naar hun uiteenzetting met betrekking tot de eerste en de tweede prejudiciële vraag. De derde prejudiciële vraag duidt vooral op de gevolgen die zouden voortvloeien indien de eerste en de tweede prejudiciële vraag positief zouden worden beantwoord. Wanneer de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen verplicht zijn Nederlands te spreken, impliceert dit dat de gemeenteraadsleden die die taal kennen, of minstens vermoed worden die taal te kennen overeenkomstig artikel 72bis van de Nieuwe Gemeentewet, de debatten kunnen volgen en aan de besluitvorming kunnen deelnemen. Indien gemeenteraadsleden bij het inleiden of toelichten van een agendapunt een andere taal dan de taal van het taalgebied gebruiken, impliceert dit dat een gemeenteraadslid eveneens kennis zou moeten hebben van die taal om volmondig en volledig te kunnen deelnemen aan de besluitvorming in de gemeenteraad. Een dergelijke interpretatie is niet verzoenbaar met artikel 72bis van de Nieuwe Gemeentewet, het territorialiteitsbeginsel verankerd in artikel 4 van de Grondwet en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De derde prejudiciële vraag dient dus bevestigend te worden beantwoord. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.
  15. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de regeling van het taalgebruik tijdens de gemeenteraadszittingen in de randgemeenten in het Nederlandse taalgebied. B.1.
  16. Artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet) kwalificeert verscheidene gemeenten in het Nederlandse taalgebied, waaronder de gemeente Linkebeek, als randgemeenten waarvoor een speciale regeling geldt : 7 « De gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem worden begiftigd met een eigen regeling. Met het oog op de toepassing van de volgende bepalingen en inzonderheid die van hoofdstuk IV worden deze gemeenten beschouwd als gemeenten met een speciale regeling. Zij worden hierna ‘ randgemeenten ’ genoemd ». B.1.
  17. Artikel 23 van de Bestuurstaalwet, de in het geding zijnde bepaling, bepaalt dat iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in een van die randgemeenten uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten gebruikt : « Iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, gebruikt uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad ». B.1.
  18. Artikel 58 van de Bestuurstaalwet bepaalt dat alle administratieve handelingen en verordeningen die naar vorm of naar inhoud in strijd zijn met de bepalingen van de Bestuurstaalwet, nietig zijn : « Zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten. Onverminderd de toepassing van artikel 61, § 4, lid 3, wordt de nietigheid van die handelingen en verordeningen vastgesteld op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij, door de overheid van wie de handelingen en verordeningen uitgaan, hetzij naar gelang van het geval en de rangorde van hun respectieve bevoegdheden, door de toezichthoudende overheid, de hoven en rechtbanken of de Raad van State. Wanneer aldus wordt vastgesteld dat handelingen of reglementen nietig zijn wegens hun vorm, worden zij door de overheden, waarvan zij uitgaan, vervangen door bescheiden die naar de vorm regelmatig zijn : die vervanging heeft uitwerking op de datum van het vervangen bescheid. De akten en reglementen waarvan wordt vastgesteld dat zij nietig zijn wegens hun inhoud onderbreken de verjaring zomede de termijnen die, met betrekking tot de procedure inzake geschillen en de administratieve procedure, op straf van verval opgelegd zijn. De vaststelling van de nietigheid van de bij dit artikel bedoelde handelingen en verordeningen verjaart na vijf jaar ». B.
  19. Het verwijzende rechtscollege stelt drie prejudiciële vragen aan het Hof waarin de in het geding zijnde bepaling op uiteenlopende wijze wordt geïnterpreteerd. 8 In de eerste en de tweede prejudiciële vraag wordt de in het geding zijnde bepaling voorgelegd aan het Hof in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor gemeenteraadsleden die geen lid zijn van het college van burgemeester en schepenen. De derde prejudiciële vraag gaat daarentegen uit van de interpretatie dat de in het geding zijnde bepaling de gemeenteraadsleden die geen lid zijn van het college van burgemeester en schepenen, toelaat om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting een andere taal dan de taal van het taalgebied te gebruiken. Ten aanzien van de eerste en de tweede prejudiciële vraag B.
  20. Het verwijzende rechtscollege wenst met de eerste en de tweede prejudiciële vraag van het Hof te vernemen of artikel 23 van de Bestuurstaalwet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor de leden van de gemeenteraad en niet uitsluitend voor de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen (eerste prejudiciële vraag) en meer bepaald voor een lid van de gemeenteraad dat geen lid van het college van burgemeester en schepenen is en dat het woord neemt om een agendapunt in te leiden of toe te lichten (tweede prejudiciële vraag). Gelet op de samenhang ervan, onderzoekt het Hof beide prejudiciële vragen samen. B.
  21. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op gemeenteraadsleden die tevens ertoe zijn gekozen de gemeente te vertegenwoordigen in de algemene vergadering van een gemeentelijke vereniging, overeenkomstig het toenmalige artikel 246 van het Vlaamse Gemeentedecreet van 15 juli
  22. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot een dergelijke situatie. B.5.
  23. Artikel 30 van de Grondwet bepaalt : 9 « Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ». B.5.
  24. Wanneer de wetgever, ter uitvoering van artikel 30 van de Grondwet, het gebruik van de talen regelt voor handelingen van het openbaar gezag, dient hij het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te eerbiedigen. B.6.
  25. De verplichting om het Nederlands te gebruiken in de plaatselijke diensten van de randgemeenten bedoeld in artikel 23 van de Bestuurstaalwet, geldt ongeacht of de betrokkenen als Nederlandstaligen of Franstaligen zouden kunnen worden aangemerkt. Die bepaling stelt derhalve geen verschil in behandeling in, doch past op alle betrokkenen dezelfde regels toe. B.6.
  26. De kritiek van de gemeente Linkebeek moet echter zo worden begrepen dat de betrokken bepaling ten onrechte geen verschil in behandeling voorbehoudt naargelang de betrokkenen als Nederlandstalig of Franstalig kunnen worden beschouwd, nu het om randgemeenten gaat waarin ten behoeve van Franstaligen zogenaamde faciliteiten gelden zoals bedoeld in de artikelen 24 tot 31 van de Bestuurstaalwet. B.
  27. Hoewel de Bestuurstaalwet ten behoeve van Franstalige inwoners in de randgemeenten in een bijzondere regeling voorziet die hun toestaat hun betrekkingen met de plaatselijke diensten in het Frans te voeren en die aan die diensten de verplichting oplegt om in bepaalde in de Bestuurstaalwet nader omschreven omstandigheden het Frans te gebruiken, doet die regeling geen afbreuk aan het principieel eentalige karakter van het Nederlandse taalgebied, waartoe die gemeenten behoren. Dit impliceert dat de taal die er in bestuurszaken moet worden gebruikt in beginsel het Nederlands is en dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de voorrang van het Nederlands, gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet. B.
  28. Bij zijn arrest nr. 17/86 van 26 maart 1986 (ECLI:BE:GHCC:1986:ARR.017) heeft het Hof geoordeeld : « De [Bestuurstaalwet beoogt] niet de mandatarissen die geroepen worden om zitting te nemen in een collegiaal orgaan, en [aanziet] hen niet als ‘ diensten ’ in de zin van artikel 1 10 ervan, behalve in zoverre dergelijke mandatarissen optreden als individuele bestuursautoriteiten » (overweging 3.B.4.c, vierde alinea; zie ook arrest nr. 70/88 van 14 december 1988 (ECLI:BE:GHCC:1988:ARR.070), B.5.b, vierde alinea). Bij zijn arrest nr. 26/98 van 10 maart 1998 (ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.026) heeft het Hof geoordeeld : « Allereerst zij opgemerkt dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszittingen de taal van het taalgebied te gebruiken uitsluitend geldt voor de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen en dus niet voor de andere leden van de gemeenteraad. De bezwaren van de gemeente Linkebeek missen derhalve feitelijke grondslag in zoverre zij betrekking hebben op Franstalige gemeenteraadsleden die noch burgemeester, noch schepen zijn » (overweging B.3.4). B.
  29. Zoals uiteengezet in B.4, heeft het bodemgeschil te dezen betrekking op gemeenteraadsleden die tevens ertoe zijn gekozen de gemeente te vertegenwoordigen in de algemene vergadering van een gemeentelijke vereniging, overeenkomstig het toenmalige artikel 246 van het Gemeentedecreet. Die gemeenteraadsleden zijn ertoe gehouden te « handelen overeenkomstig de instructies van de gemeenteraad » (zie het inmiddels opgeheven artikel 246, § 2, van het Gemeentedecreet en artikel 246, § 2, van het decreet van 22 december 2017 « over het lokaal bestuur »). Zij oefenen bijgevolg een decretaal omschreven opdracht uit in een door de gemeente opgerichte rechtspersoon, namens de gemeente en conform de beslissingen van de gemeenteraad. Wanneer zij in die hoedanigheid het woord nemen op de gemeenteraad, teneinde het agendapunt betreffende de algemene vergadering van de gemeentelijke vereniging in te leiden en ter stemming aan de gemeenteraad voor te leggen, is het niet onredelijk dat zij zulks, gelet op de in B.7 vermelde beginselen, dienen te doen in de taal van het eentalig taalgebied waartoe de randgemeenten behoren, namelijk het Nederlands. De toelichting die zulke gemeenteraadsleden verschaffen, als vertegenwoordigers van de gemeente, is van wezenlijk belang opdat de gemeenteraad toezicht kan uitoefenen op de werking van de gemeentelijke vereniging en hij daaromtrent de nodige instructies kan geven. B.
  30. Artikel 23 van de Bestuurstaalwet is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor een gemeenteraadslid dat tevens vertegenwoordiger is van de gemeente in de algemene vergadering 11 van een gemeentelijke vereniging, en dat in die hoedanigheid het woord neemt om het agendapunt betreffende de algemene vergadering van de gemeentelijke vereniging in te leiden en ter stemming aan de gemeenteraad voor te leggen. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
  31. Het verwijzende rechtscollege wenst met de derde prejudiciële vraag te vernemen of artikel 23 van de Bestuurstaalwet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 30 ervan, in de interpretatie dat het een lid van de gemeenteraad toelaat in de gemeenteraad een andere taal dan het Nederlands te gebruiken, in zoverre dit in voorkomend geval kan meebrengen dat andere gemeenteraadsleden en de inwoners die die taal niet kennen, het debat in de gemeenteraad niet kunnen volgen. B.
  32. Rekening houdend met het antwoord dat is gegeven op de eerste en de tweede prejudiciële vraag, behoeft de derde prejudiciële vraag geen antwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 23 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, schendt de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor een gemeenteraadslid dat tevens vertegenwoordiger is van de gemeente in de algemene vergadering van een gemeentelijke vereniging, en dat in die hoedanigheid het woord neemt om het agendapunt betreffende de algemene vergadering van de gemeentelijke vereniging in te leiden en ter stemming aan de gemeenteraad voor te leggen. - De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 november
  33. De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.144 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1986:ARR.017 ECLI:BE:GHCC:1988:ARR.070 ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.026 ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.