← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.145

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 november 2023 ECLI n

§ 2

, 4°, 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie », ingesteld door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen. Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Verwarmingspremie - Personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben - Bewoners van woonzorgcentra Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 145/2023 van 9 november 2023 Rolnummer : 7854 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 18, § 2, 1°, 19, §

§ 2

, 4°, 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie », ingesteld door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 september 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 september 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 18, § 2, 1°, 19, §

§ 2

, 4°, 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2022) door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », Delphine Van Dijck en Jerome Beck, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Van Den Broeck en Mr. P. Delgrange, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 28 juni 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 juli 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. 2 Aangezien geen enkel ontvankelijk verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 juli 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.

  1. De eerste verzoekende partij, de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », voert aan dat zij volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt. Zij zou aldus belang hebben bij het aanvechten van de uitsluiting van de verwarmingspremie van personen die in woonzorgcentra verblijven. De tweede en de derde verzoekende partij, Delphine Van Dijck en Jerome Eduard Beck, wonen beiden in een woonzorgcentrum en hebben dienvolgens geen recht op de verwarmingspremie. Zij zouden aldus persoonlijk en direct worden geschaad door de bestreden bepalingen. A.
  2. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging van de artikelen 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie » (hierna : de wet van 28 februari 2022), nu die bepalingen geen verband houden met de uitsluiting van de bewoners van woonzorgcentra van de verwarmingspremie. A.
  3. De verzoekende partijen stellen dat het de artikelen 18, § 2, 1°, 19, §

§ 2

, 4°, van de wet van 28 februari 2022 zijn die de mensen die in een collectieve woonvorm wonen uitsluiten van de verwarmingspremie. Indien die bepalingen worden vernietigd, zullen de mensen die in een collectieve woonvorm wonen evenwel nog steeds geen recht hebben op de verwarmingspremie. Krachtens de artikelen 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de artikelen 63 en 64, 1°, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », hadden zij immers vóór 15 oktober 2022 een aanvraag moeten indienen. De laatstgenoemde bepalingen van de wet van 28 februari 2022 zijn aldus onlosmakelijk verbonden met de aangevoerde discriminatie, en dienen om die reden eveneens te worden vernietigd. Ten aanzien van het middel A.4. De verzoekende partijen voeren een schending aan, door de artikelen 18, § 2, 1°, 19, §

§ 2

, 4°, 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. A.5.

  1. Het eerste onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden artikelen 18 en 19 van de wet van 28 februari 2022 voeren een verschil in behandeling in tussen personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben en personen die dat niet hebben, in zoverre de eerste groep een verwarmingspremie van 100 euro ontvangt terwijl de tweede groep die niet ontvangt. Die bepalingen voeren eveneens een verschil in behandeling in tussen personen die in een collectieve woonvorm wonen, vaak een rust- en verzorgingstehuis of woonzorgcentrum, en anderen. Het onderscheid tussen beide categorieën is weliswaar objectief : de ene groep heeft een contract met een energieleverancier en de andere niet. Dat criterium is evenwel vreemd aan de doelstelling van de bestreden 3 bepalingen, zijnde een financiële steun toekennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen verwarmingskostprijs. De beide categorieën bevinden zich in een soortgelijke situatie ten aanzien van dat doel : zij hebben allebei te lijden onder de gestegen kosten, hetgeen de wetgever zelf ook toegeeft. Het kan objectief worden vastgesteld dat de dagprijzen, zijnde de prijs die een bewoner van een woonzorgcentrum betaalt, de voorbije maanden gestegen zijn vanwege de stijging van de energieprijzen. De dagprijs omvat immers de woonkosten, met de energiekosten als onderdeel. De stijging van de kostprijs van energie wordt bijgevolg doorgerekend aan de bewoners. Bovendien is ook de koppeling van de prijzen aan de consumptieprijsindex een koppeling aan de energieprijzen. In Vlaanderen werd bij omzendbrief beslist dat de dagprijzen vanaf 1 maart 2022 tweemaal per jaar konden worden verhoogd, in plaats van voordien slechts éénmaal per jaar, dit gelet op de stijging van de levensduurte en in het bijzonder van de energiefacturen. Tussen 1 maart 2022 en 28 april 2022 bedroeg de gemiddelde indexering voor de 367 voorzieningen die een indexatiedossier indienden 6,77 %, hetgeen een prijsstijging van gemiddeld 124 euro per maand voor die voorzieningen betekent. Sindsdien gaan de stijgingen gewoon door. In de loop van 2022 verhoogde de maandprijs van een gemiddelde eenpersoonskamer met 197,50 euro, of gemiddeld met 10,4 %. Ook de bewoners van de groep Orpea Belgique, één van de grootste private uitbaters van woonzorgcentra in Wallonië en Brussel, zagen de prijzen stijgen met 8,04 %, hetzij 150 euro per maand. De bewering dat de bewoners van collectieve woonvormen minder geconfronteerd worden met de stijgende prijzen is dan ook onjuist. Het feit dat de energiekosten niet rechtstreeks maar via de dagprijs worden doorgerekend, is irrelevant. Aangezien de gestegen energiekosten mogen en zullen worden doorgerekend in de dagprijs, zorgt dit hoogstens voor een vertraagde doorrekening, maar niet voor een verminderde. Het armoederisico van bewoners van woonzorgcentra was vóór de prijsstijgingen al zeer hoog. Dat maakt het des te problematisch dat die groep personen wordt uitgesloten van een maatregel die de impact van de stijging van de energiefacturen moet verzachten. Het feit dat het omslachtiger zou zijn om de premie toe te kennen aan personen die geen residentieel elektriciteitscontract hebben, kan niet worden beschouwd als een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. De wet voorziet in een mechanisme voor personen die de premie niet ontvangen via hun elektriciteitsleverancier. 15 % van de rechthebbende gezinnen dienden gebruik te maken van dat mechanisme. Het is dus perfect mogelijk om in een apart mechanisme te voorzien voor personen die niet over een residentieel elektriciteitscontract beschikken. Het uitsluiten van een categorie van personen omdat de administratie dan gemakkelijker haar werk kan doen, is niet redelijk. Voorts kan niet worden aangevoerd dat de toekenning van de verwarmingspremie een gemeenschapsbevoegdheid is in zoverre zij moet worden uitbetaald aan de bewoners van rusthuizen. Zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, is de toekenning van een dergelijke premie aan iedereen, met inbegrip van de bewoners van collectieve woonvormen, wel degelijk een federale bevoegdheid. Tot slot kan niet worden aangevoerd dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden maken per hoofd dan gewone gezinnen. De wetgever koos er immers uitdrukkelijk voor de premie aan iedereen uit te betalen, ongeacht de vraag of de begunstigde effectief last heeft van de gestegen energieprijzen. Bovendien kan men zich vragen stellen bij de waarachtigheid van de stelling dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden hebben. Rekening houdend met de kwetsbaarheid en de gevoeligheid van de bewoners moet de kamertemperatuur er immers minstens 22°C bedragen en moet er goed worden geventileerd. Men kan voorts bezwaarlijk argumenteren dat de verschillen in de prijs voor elektriciteit die particulieren en woonzorgcentra betalen, die in sommige gevallen onbestaande zijn of zelfs omgekeerd (goedkoper voor de residentiële gebruiker dan voor de professionele gebruiker), een redelijke verantwoording bieden voor de uitsluiting van de bewoners van de woonzorgcentra. Vermits het verschil in behandeling aldus steunt op argumenten die geen verband houden met de doelstelling van de verwarmingspremie, is het verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording. De verzoekende partijen vermelden ook nog dat de bewoners van woonzorgcentra en rust- en verzorgingstehuizen ook uitgesloten worden van het sociaal tarief, van het federale basispakket energie en aanvankelijk ook van de btw-verlaging op elektriciteit. Er is dan ook geen evenredigheid tussen de bestreden maatregel en het door de wetgever nagestreefde doel. A.5.
  2. Het tweede onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Door personen die in een woonzorgcentrum wonen van de verwarmingspremie uit te sluiten, wordt een bevolkingsgroep uitgesloten die voornamelijk samengesteld is uit personen van hogere leeftijd. Het ogenschijnlijk neutrale criterium van het hebben van een residentieel elektriciteitscontract, leidt dus tot een 4 indirecte discriminatie op grond van leeftijd. Zoals reeds aangetoond in het eerste onderdeel van het enige middel, is er voor dat onderscheid geen redelijke verantwoording. Vermits de verwarmingspremie ertoe strekt de levensstandaard te beschermen, wordt aldus afbreuk gedaan aan de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, op grond waarvan het recht op een behoorlijke levensstandaard zonder discriminatie dient te worden gewaarborgd. A.5.
  3. Het derde onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Vermits mensen die in woonzorgcentra wonen een zodanige verminderde zelfredzaamheid hebben dat zij niet langer zelfstandig kunnen wonen, ressorteren zij in beginsel onder de definitie van personen met een handicap die is neergelegd in artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Personen die in collectieve woonvormen wonen en worden uitgesloten van de verwarmingspremie, zijn vooral mensen in rusthuizen en woonzorgcentra die vanwege hun verminderde zelfredzaamheid niet (langer) zelfstandig kunnen wonen. Het gaat dan ook om een indirecte discriminatie op grond van handicap, waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Bijgevolg is artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geschonden, dat bepaalt dat de lidstaten bij het Verdrag erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet. Voorts schendt de wetgever aldus de algemene verplichtingen die op België rusten krachtens artikel 4 van het voormelde Verdrag. De bestreden bepalingen zijn tevens in strijd met artikel 12, lid 5, van hetzelfde Verdrag, dat bepaalt dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op eigendom, evenals met artikel 19 van het voormelde Verdrag, dat bepaalt dat de maatschappijdiensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar moeten zijn voor personen met een handicap. Vermits de aangevoerde discriminatie op grond van handicap een invloed heeft op de leefkwaliteit van ouderen met een verhoogde zorgnood, is ook artikel 28 van het voormelde Verdrag geschonden. A.6.1.
  4. De Ministerraad voert inzake het eerste onderdeel van het enige middel aan dat het gedeeltelijk niet ontvankelijk is. De verzoekende partijen zouden immers niet beschikken over het vereiste belang, in zoverre het middel verder reikt dan een kritiek op een onderscheid in behandeling tussen huishoudelijke afnemers met een elektriciteitsleveringscontract voor hun woonplaats, enerzijds, en personen die in een rust- en verzorgingstehuis of woonzorgcentrum wonen, anderzijds. De verzoekende partijen tonen niet aan dat zij een rechtstreekse negatieve weerslag ondervinden, in zoverre die onderscheiden behandeling zich ook uitstrekt tot andere personen dan bewoners van een rust- en verzorgingstehuis of woonzorgcentrum. A.6.1.
  5. Ten gronde stelt de Ministerraad voorafgaandelijk dat de bestreden bepalingen het begrip « collectieve woonvormen », waar de verzoekende partijen naar verwijzen, niet hanteren. Gelet op de uiteenzetting van de verzoekende partijen in hun enig middel gaat de Ministerraad ervan uit dat de verzoekende partijen het onderscheid in behandeling tussen, enerzijds, huishoudelijke afnemers met een eigen residentieel elektriciteitscontract voor hun woonplaats en, anderzijds, bewoners van collectieve woonzorgcentra aanvechten. Volgens de Ministerraad zijn die categorieën niet voldoende vergelijkbaar, zodat de onderscheiden behandeling niet kan leiden tot een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bewoners van collectieve woonzorgcentra kunnen eveneens met hogere energieprijzen worden geconfronteerd, doch niet op dezelfde wijze als de huishoudelijke afnemers met een eigen residentieel elektriciteitscontract voor hun woonplaats. De bewoners van woonzorgcentra worden in de regel immers pas met de stijgende energieprijzen geconfronteerd na de milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten waarover woonzorgcentra beschikken, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra de elektriciteits- en verwarmingskosten slechts kunnen doorrekenen aan hun bewoners via de dagprijs en in de mate waarin dit toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. A.6.1.
  6. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de bestreden maatregel een legitiem doel nastreeft, zijnde de toekenning van een premie, niet in het algemeen aan alle burgers, maar wel aan de burgers die voor hun woonplaats geconfronteerd worden met de toegenomen verwarmingskostprijs. In het licht van dat doel werd een regeling uitgewerkt die voor de toekenning van de verwarmingspremie in beginsel focust op het criterium van het beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit voor de eigen woonplaats. Het betreft een objectief en pertinent criterium. Dat criterium laat een zo breed mogelijk bereik toe van de beoogde doelgroep binnen de federale bevoegdheid inzake energieprijzen. In de regel zullen gezinnen of 5 huishoudens immers elektriciteit afnemen voor de eigen woonplaats, ongeacht de wijze waarop ze de woonplaats verwarmen. Bovendien worden residentiële elektriciteitscontracten afgesloten voor elektriciteitsleveringen via het door een EAN-code identificeerbaar toegangspunt op het elektriciteitsdistributienet per wooneenheid, ook wanneer het gaat om meerdere wooneenheden binnen éénzelfde gebouw. Door het verbod op privédistributienetten is het in beginsel uitgesloten dat meerdere wooneenheden elektriciteit afnemen via een collectief aansluitingspunt. Het gekozen criterium draagt ook bij tot het streven om de verwarmingspremie zo snel mogelijk en met redelijke inspanningen te kunnen uitkeren. Voor de toekenning van die premie kan immers in belangrijke mate worden teruggevallen op de gegevensstromen en automatisering in het kader van de toekenning van het sociaal tarief voor elektriciteit. Het is tot slot niet disproportioneel dat de bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de verwarmingspremie door het hanteren van het criterium van het beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit voor de eigen woonplaats. Personen die niet beschikken over een dergelijk residentieel elektriciteitscontract voor de eigen woonplaats, en in het bijzonder de bewoners van woonzorgcentra, zullen in de regel immers minstens op een minder acute of directe wijze worden geconfronteerd met de hogere verwarmingskostprijzen. De Ministerraad wijst er ter zake op dat de toekenning van de verwarmingspremie aan individuele bewoners van Vlaamse woonzorgcentra zou inhouden dat die federale premie in ieder geval wordt toegekend, terwijl enkel de Vlaamse Gemeenschap kan beslissen of en in welke mate zij via de dagprijs daadwerkelijk geconfronteerd worden met de stijgende verwarmingskosten. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de wetgever ernaar streefde de verwarmingspremie zo snel mogelijk toe te kennen en met oog voor de betrokken administratieve inspanningen. De administratieve inspanningen die in dat verband aanvaardbaar zijn, kunnen moeilijk los worden gezien van het bedrag van de verwarmingspremie, zijnde 100 euro. Ideeën inzake een eventuele verdere verfijning van de toekenningscriteria lijken haaks te staan op het streven naar een snelle en eenvoudige toekenning van de verwarmingspremie. Tot slot merkt de Ministerraad op dat de regeling inzake de verwarmingspremie verder kan evolueren en te analyseren is binnen een ruimer pakket aan maatregelen die de wetgever reeds genomen heeft en nog zal nemen. Indien de situatie dat vereist en de mogelijkheden zich voordoen, zal de wetgever dus niet nalaten bijkomende steun te bieden. De Ministerraad besluit dat de bestreden bepalingen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie niet schenden. A.6.
  7. Inzake het tweede onderdeel van het enige middel, voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat « ouderen » in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, vermits alle « ouderen » die huishoudelijk afnemer zijn met een elektriciteitscontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor een verwarmingspremie. Het staat in ieder geval vast dat een onderscheiden behandeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die losstaan van enige discriminatie op grond van leeftijd. De Ministerraad verwijst ter zake naar zijn uiteenzetting inzake het eerste onderdeel van het enige middel. A.6.
  8. Inzake het derde onderdeel van het enige middel, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen er geen belang bij hebben. De verzoekende partijen laten bovendien na uiteen te zetten op welke wijze artikel 19 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geschonden is, zodat het middelonderdeel in ieder geval in die mate niet ontvankelijk is. Ten gronde stelt de Ministerraad dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie van personen met een handicap. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat personen met een handicap in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, vermits alle personen met een handicap die huishoudelijk afnemer zijn met een elektriciteitscontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor een verwarmingspremie. Vermits de bestreden bepalingen geen directe of indirecte discriminatie inhouden, kan België niet ertoe gehouden zijn de bestreden wetsbepalingen af te schaffen op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Voorts maakt de uitsluiting van de verwarmingspremie van bewoners van een woonzorgcentra geen schending uit van het recht op een behoorlijke levensstandaard, nu de bestreden premie niet beoogt de levensstandaard van de Belgische bevolking te beschermen. A.6.
  9. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof om, indien het beslist de bestreden wetsbepalingen te vernietigen, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. De verzoekende partijen verzetten zich immers niet tegen de toekenning van de verwarmingspremie als dusdanig, doch enkel tegen het feit 6 dat de bewoners van woonzorgcentra geen recht hebben op die eenmalige forfaitaire premie. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zorgt er niet rechtstreeks voor dat ze een verwarmingspremie krijgen. De verwarmingspremie is ondertussen grotendeels uitbetaald aan de rechthebbenden. Een vernietiging van de rechtsgrond op basis waarvan de premie is uitbetaald, zou rechtsonzekerheid met zich meebrengen en zou geen toegevoegde waarde hebben voor de verzoekende partijen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  10. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 18, § 2, 1°, 19, §

§ 2

, 4°, 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie » (hierna : de wet van 28 februari 2022). B.1.

  1. De wet van 28 februari 2022 werd aangenomen « in reactie op de historisch hoge energieprijzen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2465/001, p. 4). De bestreden bepalingen maken deel uit van hoofdstuk 5 van de wet van 28 februari 2022, met als opschrift « Verwarmingspremie ». Het bestreden artikel 19, § 1, van de wet van 28 februari 2022 bepaalt : « Ter compensatie van algemene energie-uitgaven, wordt eenmalig en forfaitair een verwarmingspremie van 100 euro toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 31 maart 2022 voor diens woonplaats een leveringscontract heeft voor elektriciteit. Voor de betrokkenen die op hetzelfde adres wonen en die deel uitmaken van hetzelfde huishouden, wordt de verwarmingspremie slechts één keer toegekend ». De « rechthebbende » wordt in het bestreden artikel 18, § 2, 1°, van de wet van 28 februari 2022 gedefinieerd als « de huishoudelijke afnemer die op 31 maart 2022 een leveringsovereenkomst heeft voor elektriciteit voor diens woonplaats en overeenkomstig artikel 19 recht heeft op een verwarmingspremie ». Krachtens het bestreden artikel 19, § 2, 4°, van de wet van 28 februari 2022 is de verwarmingspremie niet van toepassing op « personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfskosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend ». 7 Krachtens artikel 20, § 1, van de wet van 28 februari 2022, dat niet wordt bestreden, wordt « het bedrag van de verwarmingspremie [...] toegekend aan de rechthebbende door de leverancier die voorziet in de levering van elektriciteit op 31 maart 2022 in de vorm van een toerekening in de betaling van de levering van elektriciteit ». Het niet-bestreden artikel 21, § 1, van de wet van 28 februari 2022 bepaalt dat het bedrag van de verwarmingspremie, op het moment van het versturen van een voorschot- of afrekeningsfactuur, automatisch wordt toegekend aan de rechthebbenden die zijn opgenomen in de lijst die de FOD Economie aan de leveranciers verantwoordelijk voor de uitbetaling meedeelt. Krachtens het bestreden artikel 21, § 2, van de wet van 28 februari 2022, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 63 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », kan de rechthebbende aan wie geen verwarmingspremie zou zijn toegekend op 31 juli 2022, daartoe een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie, voor zover die aanvraag wordt verstuurd vóór 15 oktober
  2. Het bestreden artikel 23, eerste lid, van de wet van 28 februari 2022, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 64, 1°, van de voormelde wet van 30 oktober 2022 , bepaalt dat « rechthebbenden die geen verwarmingspremie hebben ontvangen en nalaten de FOD Economie hierop te wijzen voor 15 oktober 2022, [...] niet langer in aanmerking [komen] voor de toekenning van de verwarmingspremie na 15 oktober 2022 ». Bij de voormelde artikelen 63 en 64, 1°, van de wet van 30 oktober 2022 werd die datum van 15 oktober 2022 vervangen door de woorden « het verstrijken van de veertiende dag na de publicatie van de wet van 30 oktober 2022 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », publicatie die plaatsvond op 3 november
  3. De aanvraag bij de FOD Economie kon uiteindelijk worden ingediend tot 17 november
  4. B.1.
  5. In de toelichting bij het amendement dat aanleiding heeft gegeven tot de bestreden bepalingen, wordt vermeld : « In het licht van de hoge algemene energie-uitgaven is het opportuun om een verwarmingspremie van 100 euro netto toe te kennen ter compensatie daarvan. Deze premie wordt toegekend aan houders van een residentieel elektriciteitscontract en wordt verrekend via de elektriciteitsfactuur. 8 De verwarmingspremie wordt per gezin met een residentieel elektriciteitscontract éénmaal toegekend en dit enkel voor de woonplaats (domicilie). Deze maatregel heeft namelijk als doel een financiële steun toe te kennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen verwarmingskostprijs van hun woning, onafhankelijk van de gebruikte verwarmingsbron (stookolie, aardgas, warmtepomp op elektriciteit, …). Met de keuze om een verwarmingspremie toe te kennen via de residentiële elektriciteitscontracten wordt de breedst mogelijke groep bereikt binnen de federale bevoegdheden (energieprijzen). Het elektriciteitscontract is het grootste gemeenschappelijk aanknopingspunt voor het geheel van de huishoudelijke afnemers. Gezinnen zonder elektriciteitscontract (achter collectieve aansluitpunten of verblijvend in woon- en zorgcentra) of gezinnen met een niet-residentieel elektriciteitscontract worden uitgesloten. Identificatie van hun hoofdverblijfplaats is op korte termijn niet mogelijk omdat het gebruikte systeem voor de automatische verwerking van sociaal tarief enkel residentiële eindafnemers meeneemt. Aangezien de toekenning verloopt via de elektriciteitsfactuur genieten gezinnen zonder elektriciteitscontract niet van de verwarmingspremie. Deze gezinnen worden daarentegen ook geconfronteerd met hogere energieprijzen. Een rusthuisbewoner ziet bijvoorbeeld de dagprijs toenemen. De toekenning van een premie aan mensen in rusthuizen is daarentegen gekoppeld aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake zorg en bijstand aan personen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2465/006, p. 16). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
  6. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van de bestreden artikelen 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022, vermits die bepalingen geen betrekking hebben op de door de verzoekende partijen bestreden uitsluiting van de bewoners van woonzorgcentra van de verwarmingspremie. B.2.
  7. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel 9 door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.2.
  8. De Ministerraad betwist niet dat de verzoekende partijen, zijnde de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », die volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt, en twee personen die in een woonzorgcentrum wonen, belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, in zoverre die de bewoners van woonzorgcentra van de verwarmingspremie uitsluiten. Zoals de verzoekende partijen aangeven, vloeit die uitsluiting voort uit de artikelen 18, § 2, 1°, en 19, §

§ 2, 4°, van de wet van 28 februari 2022.

Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot die bepalingen, en onderzoekt de bestreden artikelen 21, § 2, en 23 van de wet van 28 februari 2022 niet. Indien het Hof het middel gegrond acht, zouden de laatstgenoemde bepalingen evenwel kunnen worden vernietigd indien zou blijken dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de overige ongrondwettig bevonden bepalingen. B.3.

  1. De Ministerraad voert bovendien aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang bij het derde onderdeel van het enige middel en dat dit onderdeel hoe dan ook niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 19 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, doordat zij niet uiteenzetten in welk opzicht die bepaling is geschonden. B.3.
  2. Wanneer de verzoekende partijen een belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, moeten zij daarbovenop niet doen blijken van een belang bij elk van de middelen. Uit het derde onderdeel van het enige middel blijkt dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de bestreden bepalingen artikel 19 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap schenden in zoverre het het recht waarborgt om volledig deel uit te maken van de samenleving. B.3.
  3. De exceptie van de Ministerraad wordt verworpen. 10 Ten gronde B.
  4. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden artikelen 18, § 2, 1°, en 19, §

§ 2

, 4°, van de wet van 28 februari 2022 een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben en personen die in een collectieve woonvorm wonen, in zoverre enkel de eerstgenoemde categorie recht heeft op de verwarmingspremie. Dat verschil in behandeling zou de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden (eerste onderdeel van het enige middel). In zoverre het een indirecte discriminatie op grond van leeftijd en handicap zou vormen, zou het de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (tweede onderdeel van het enige middel) en de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (derde onderdeel van het enige middel), in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden. Het Hof onderzoekt de drie onderdelen van het enige middel samen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen in het bijzonder de uitsluiting bekritiseren van de bewoners van woonzorgcentra. Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek van de grondwettigheid van de bestreden bepalingen tot die categorie van personen. B.5.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 11 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.2. De artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepalen : « Artikel 2 1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich maatregelen te nemen, zowel zelfstandig als binnen het kader van de internationale hulp en samenwerking, met name op economisch en technisch gebied, en met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen, ten einde met alle passende middelen, inzonderheid de invoering van wettelijke maatregelen, tot een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen. 2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich te waarborgen dat de in dit Verdrag opgesomde rechten zullen worden uitgeoefend zonder discriminatie van welke aard ook, wat betreft ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. 3. De ontwikkelingslanden kunnen, daarbij behoorlijk rekening houdend met de rechten van de mens en hun nationale economie, bepalen in hoeverre zij de in dit Verdrag erkende economische rechten aan niet-onderdanen zullen waarborgen ». « Artikel 11 1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen behoorlijke voeding, kleding en huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren, daarbij het essentieel belang erkennende van vrijwillige internationale samenwerking. 2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, het fundamentele recht erkennende van een ieder gevrijwaard te zijn tegen honger, nemen zowel zelfstandig als door middel van internationale samenwerking de maatregelen, waaronder mede begrepen bijzondere programma's, die nodig zijn ten einde :

  1. a)De methoden voor de voortbrenging, verduurzaming en verdeling van voedsel te verbeteren door volledige gebruikmaking van de technische en wetenschappelijke kennis, door het geven van voorlichting omtrent de beginselen der voedingsleer en door het ontwikkelen of reorganiseren van agrarische stelsels op zodanige wijze dat de meest doelmatige ontwikkeling en benutting van natuurlijke hulpbronnen wordt verkregen; 12
  2. b)Een billijke verdeling van de wereldvoedselvoorraden in verhouding tot de behoefte te verzekeren, daarbij rekening houdende met de problemen van zowel de voedsel invoerende als de voedsel uitvoerende landen ». B.5.3. De artikelen 1, 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepalen : « Artikel 1 Doelstelling Doel van dit Verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving ». « Artikel 4 Algemene verplichtingen 1. De Staten die Partij zijn verplichten zich te waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Hiertoe verplichten de Staten die Partij zijn zich :
  3. a)tot het aannemen van alle relevante wetgevende, administratieve en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de rechten die in dit Verdrag erkend worden;
  4. b)tot het nemen van alle relevante maatregelen, met inbegrip van wetgeving, teneinde bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken aan te passen, of af te schaffen die discriminatie vormen van personen met een handicap;
  5. c)bij al hun beleid en programma's rekenschap te geven van de bescherming en bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap;
  6. d)te onthouden van elke handeling of praktijk die onverenigbaar is met dit Verdrag en te waarborgen dat de overheid en de overheidsinstellingen handelen in overeenstemming met dit Verdrag;
  7. e)tot het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie op grond van een handicap door personen, organisaties of particuliere ondernemingen uit te bannen;
  8. f)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van universeel ontworpen goederen, diensten, uitrusting en faciliteiten zoals omschreven in artikel 2 van 13 dit Verdrag, die zo min mogelijk moeten worden aangepast en dit tegen de laagste kosten, om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van personen met een handicap, het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik ervan, en het bevorderen van universele ontwerpen bij de ontwikkeling van normen en richtlijnen;
  9. g)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van, en het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap, waarbij de prioriteit uitgaat naar betaalbare technologieën;
  10. h)tot het verschaffen van toegankelijke informatie aan personen met een handicap over mobiliteitshulpmiddelen, apparaten en ondersteunende technologieën, met inbegrip van nieuwe technologieën, alsmede andere vormen van hulp, ondersteunende diensten en faciliteiten;
  11. i)de training te bevorderen van vakspecialisten en personeel die werken met personen met een handicap, op het gebied van de rechten die in dit Verdrag worden erkend, teneinde de door deze rechten gewaarborgde hulp en diensten beter te kunnen verlenen. 2. Wat betreft economische, sociale en culturele rechten, verplicht elke Staat die Partij is zich om maatregelen te nemen met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen en, waar nodig, in het kader van internationale samenwerking, om steeds dichter bij een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen, onverminderd de in dit Verdrag vervatte verplichtingen die volgens het internationale recht onverwijld van toepassing zijn. 3. Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. 4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die in sterkere mate bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap en die vervat kunnen zijn in het recht van een Staat die Partij is, of in het internationale recht dat voor die Staat van kracht is. Het is niet toegestaan enig mensenrecht dat, of fundamentele vrijheid die in een Staat die Partij is bij dit Verdrag, ingevolge wettelijke bepalingen, overeenkomsten, voorschriften of gewoonten wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder voorwendsel dat dit Verdrag die rechten of vrijheden niet of in mindere mate erkent. 5. De bepalingen van dit Verdrag strekken zich zonder beperking of uitzondering uit tot alle delen van federale Staten ». « Artikel 5 Gelijkheid en niet-discriminatie 1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder onderscheid recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet. 14 2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid daadwerkelijke wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook. 3. Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht. 4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag ». « Artikel 12 Gelijkheid voor de wet 1. De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat personen met een handicap overal als persoon erkend worden voor de wet. 2. De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen in alle aspecten van het leven rechtsbekwaam zijn. 3. De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen om personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven bij de uitoefening van hun rechtsbekwaamheid. 4. De Staten die Partij zijn waarborgen dat alle maatregelen die betrekking hebben op de uitoefening van rechtsbekwaamheid, voorzien in passende en doeltreffende waarborgen in overeenstemming met het internationale recht inzake de mensenrechten om misbruik te voorkomen. Deze waarborgen dienen te verzekeren dat maatregelen met betrekking tot de uitoefening van rechtsbekwaamheid de rechten, wil en voorkeuren van de desbetreffende persoon respecteren, vrij zijn van conflicterende belangen of onbehoorlijke beïnvloeding, proportioneel zijn en aangepast zijn aan de omstandigheden van de persoon in kwestie, van toepassing zijn gedurende een zo kort mogelijke periode en onderworpen zijn aan een regelmatige beoordeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of gerechtelijke instantie. De waarborgen dienen evenredig te zijn aan de mate waarin deze maatregelen van invloed zijn op de rechten en belangen van de persoon in kwestie. 5. Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel nemen de Staten die Partij zijn alle passende en doeltreffende maatregelen om de rechten te garanderen van personen met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen, op eigendom of het erven van vermogen en te waarborgen dat zij hun eigen financiële zaken kunnen behartigen en onder dezelfde voorwaarden als anderen toegang hebben tot bankleningen, hypotheken en andere vormen van financiële kredietverstrekking en verzekeren zij dat het vermogen van personen met een handicap hen niet willekeurig wordt ontnomen ». « Artikel 19 15 Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle uit te oefenen en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat :
  12. a)personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrij hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefstructuur;
  13. b)personen met een handicap toegang hebben tot een reeks van thuis, residentiële en andere maatschappijondersteunende diensten, waaronder persoonlijke assistentie, noodzakelijk om het wonen en de opname in de maatschappij te ondersteunen en isolatie of uitsluiting uit de maatschappij te voorkomen;
  14. c)de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden aan hun behoeften ». « Artikel 28 Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming 1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en huisvesting en op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden, en nemen passende maatregelen om de uitoefening van dit recht zonder discriminatie op grond van handicap te beschermen en te bevorderen. 2. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op sociale bescherming en op het genot van dat recht zonder discriminatie op grond van handicap, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dat recht te waarborgen en te stimuleren, met inbegrip van maatregelen om :
  15. a)de gelijke toegang voor personen met een handicap tot voorzieningen op het gebied van zuiver water te waarborgen, alsmede toegang te waarborgen tot passende en betaalbare diensten, instrumenten en andere vormen van ondersteuning voor aan de handicap gerelateerde behoeften;
  16. b)de toegang voor personen met een handicap, in het bijzonder voor vrouwen, meisjes en ouderen, tot programma's voor sociale bescherming en het terugdringen van de armoede te waarborgen;
  17. c)voor personen met een handicap en hun gezinnen die in armoede leven de toegang tot hulp van de overheid te waarborgen, voor aan de handicap gerelateerde kosten, met inbegrip van adequate training, advisering, financiële hulp en mantelzorgondersteunende zorg;
  18. d)de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot sociale huisvestingsprogramma's; 16
  19. e)de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot pensioenuitkeringen en - programma's ». B.6. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij zonder redelijke verantwoording zouden zijn. B.7. Het bestreden verschil in behandeling heeft betrekking op personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben en op bewoners van woonzorgcentra. Die bewoners zijn in de overgrote meerderheid van de gevallen ouderen of personen die, wegens een vermindering van zelfredzaamheid, niet (meer) in staat zijn om alleen te wonen. Er kan van worden uitgegaan dat een groot aantal van die personen beantwoordt aan de definitie van een persoon met een handicap, zoals die is vastgelegd bij artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen een indirect verschil in behandeling op grond van leeftijd en handicap teweegbrengen. B.8.1. Volgens de Ministerraad zijn personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben en bewoners van woonzorgcentra niet voldoende vergelijkbaar. De laatstgenoemden zouden in de regel pas met de stijgende energieprijzen worden geconfronteerd na de milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten van woonzorgcentra, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra hun bewoners de elektriciteits- en verwarmingskosten slechts kunnen doorrekenen via de dagprijs en in de mate waarin dit toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. B.8.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Het verschil waarnaar de Ministerraad verwijst, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. 17 B.9.1. Krachtens de bestreden artikelen 18, § 2, 1°, en 19, § 1, eerste lid, van de wet van 28 februari 2022 wordt de verwarmingspremie toegekend aan « de huishoudelijke afnemer die op 31 maart 2022 een leveringsovereenkomst heeft voor elektriciteit voor diens woonplaats ». Artikel 19, § 1, tweede lid, van de wet van 28 februari 2022 bepaalt dat « voor de betrokkenen die op hetzelfde adres wonen en die deel uitmaken van hetzelfde huishouden, [...] de verwarmingspremie slechts één keer [wordt] toegekend ». De verwarmingspremie wordt bijgevolg per huishouden slechts één keer toegekend. Het bestreden artikel 19, § 2, 4°, van de wet van 28 februari 2022 sluit de « personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfskosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend » uitdrukkelijk uit van de toepassing van de verwarmingspremie. B.9.2. Het bestreden verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk, voor de betrokken persoon, het al dan niet beschikken over een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit. B.10. Uit de in B.1.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de premie tot doel heeft « een financiële steun toe te kennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen verwarmingskostprijs van hun woning, onafhankelijk van de gebruikte verwarmingsbron » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2465/006, p. 16). Personen met een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en bewoners van woonzorgcentra bevinden zich objectief in verschillende situaties. Immers, ook al dekt de dagprijs die verschuldigd is door bewoners van woonzorgcentra de uitgaven verbonden aan het energieverbruik en stijgt die dagprijs gedeeltelijk door de stijgende energieprijzen, betalen die bewoners, doordat zij een globaal dienstenpakket genieten, niet zelf rechtstreeks de energie die zij verbruiken, zodat zij op een minder directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. De wetgever kon aldus redelijkerwijs ervan uitgaan dat die bewoners niet in dezelfde mate door de hogere energieprijzen worden geraakt als de personen met een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit. 18 B.11.1. Er wordt niet aangetoond dat het bestreden verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft voor de bewoners van de woonzorgcentra. Zoals immers blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 2022 die de tweede federale gas- en elektriciteitspremie in de rechtsorde heeft geïntroduceerd – die dateert van na de bestreden bepalingen -, worden die bewoners slechts met de hogere energieprijzen geconfronteerd « na de gecombineerde, milderende invloed van : 1.) de gunstigere tarieven in het kader van de niet-residentiële energiecontracten waarover zorginstellingen beschikken, 2.) de energienorm die geïntroduceerd werd door de wet van 28 februari 2022 houdende diverse bepalingen inzake energie en 3.) de regelingen voorzien door de gemeenschappen die beperkingen inhouden rond de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners, en waarmee [de federale wetgever] niet wenst te interfereren » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, p. 7). Er dient overigens rekening te worden gehouden met de steunmaatregelen van de federale overheid en van de deelentiteiten die worden toegekend aan de ondernemingen en, in voorkomend geval, aan de woonzorgcentra, om hen te helpen het hoofd te bieden aan de stijgende energiekosten. B.11.2. Het Hof moet, in zijn onderzoek van de evenredigheid van de maatregel, ook rekening ermee houden dat, zoals in B.7 is vermeld, de bestreden bepalingen tot gevolg hebben sommige ouderen of personen met een handicap ongunstig te behandelen. De betrokken personen lijden dus een specifiek nadeel dat indirect berust op hun leeftijd of op hun handicap. Daar het indirecte verschil in behandeling berust op de handicap, moet het steunen op bijzonder dwingende redenen (EHRM, 30 april 2009, Glor t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404, § 84; 10 maart 2011, Kiyutin t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010, § 63). Gelet op het gegeven dat de bestreden maatregel deel uitmaakt van een geheel van maatregelen waarbij de wetgever snel een eerste antwoord heeft willen bieden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen, kan worden aangenomen dat die maatregel op bijzondere dwingende redenen van sociaaleconomische aard berust. B.12. Gelet op het voorgaande zijn de bestreden artikelen 18, § 2, 1°, en 19, §

§ 2

, 4°, van de wet van 28 februari 2022 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in 19 samenhang gelezen met de in B.5.2 en B.5.3 vermelde normen, in zoverre zij de bewoners van de woonzorgcentra uitsluiten van de verwarmingspremie. Het enige middel is niet gegrond. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 november 2023. De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.145 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404 ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.