id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.146 Arrest- Rolnummer: 146/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-11-20 Raadplegingen: 869 - laatst gezien 2026-06-18 21:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Gerechtelijk recht - Gebruik der talen in gerechtszaken - Principe van de eenheid van de taal van de rechtspleging - Uitzondering - Door het Belgisch Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheid - Gebruik van het Engels - Uitsluiting - Internationaal handelsgeschil Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 146/2023 van 9 november 2023 Rolnummer : 7866 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 19 september 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 september 2022, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 39bis van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij art. 45 van de Wet van 8 mei 2019 tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek, in het licht van de sanctieregeling van art. 40 van die Wet van 15 juni 1935, de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet - in zoverre die wetsbepaling een partij in een zaak die geen strafzaak is de mogelijkheid geeft het Engels te gebruiken in haar akten van de rechtspleging, en haar toelaat om in die akten, zonder toevoeging van een vertaling in de taal van de rechtspleging, aanhalingen uit in het Engels gestelde rechtsbronnen en overtuigingsstukken op te nemen, en haar toelaat Engelse vaktermen te gebruiken in plaats van de in de taal van de rechtspleging bestaande vaktermen, doch dit enkel in zoverre de zaak geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een in het Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheid, - en in zoverre de wet datzelfde recht niet toekent aan partijen in een internationaal handelsgeschil dat aan een Belgische rechter ter beoordeling is voorgelegd en dat geen 2 betrekking heeft op een door het Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheid, waarbij datzelfde gebruik van het Engels dan tot een ambtshalve uit te spreken nietigheid van de betrokken akte van de rechtspleging aanleiding kan geven ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Arpadis Benelux », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Nijboer, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De nv « Arpadis Benelux » heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 28 juni 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 juli 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 12 juli 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 20 september
- Op de openbare terechtzitting van 20 september 2023 : - zijn verschenen : . Mr. C. Nijboer, voor de nv « Arpadis Benelux »; . Mr. J. Vanpraet, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers D. Pieters en K. Jadin verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De vennootschap « Henan Harvest International co. Ltd. » en de nv « Arpadis Benelux » zijn betrokken in een geschil met betrekking tot de uitvoering van verschillende internationale verkoopsovereenkomsten. De Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, verklaarde zich bij vonnis van 11 juni 2020 bevoegd en de vorderingen van de nv « Arpadis Benelux » werden toelaatbaar en gegrond verklaard. De vennootschap « Henan Harvest International co. Ltd. » heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld, waarop de nv « Arpadis Benelux » incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Het Hof van Beroep te Antwerpen stelt vast dat de conclusies 3 van de nv « Arpadis Benelux » tal van uitvoerige Engelse citaten bevatten die deel lijken uit te maken van haar argumentatie en dat daarbij niet werd voorzien in een vertaling of in een weergave van de betekenis van die teksten in de taal van de rechtspleging, het Nederlands. De vennootschap « Henan Harvest International co. Ltd. » werpt op dat alle conclusies van de nv « Arpadis Benelux » bijgevolg nietig zijn. Deze laatste betwist de nietigheid en vraagt in ondergeschikte orde om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Het Hof van Beroep stelt daarom aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor het oplossen van het geschil. Hij leidt uit de verwijzingsbeslissing af dat de conclusies van de nv « Arpadis Benelux » in dergelijke mate Engelstalige passages bevat dat het verwijzende rechtscollege, zelfs indien het Hof een schending zou vaststellen, toch tot de nietigheid van de conclusies zou moeten besluiten. Minstens is de prejudiciële vraag gebaseerd op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. Daarnaast voert de Ministerraad aan dat indien het Hof een schending zou vaststellen, dit toch ertoe zou leiden dat artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) en dus ook de nietigheid van toepassing zijn op de betwiste conclusies. A.1.
- De nv « Arpadis Benelux » antwoordt dat de Engelstalige passages in haar conclusies wel degelijk beperkt zijn tot wat op grond van artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 is toegelaten. Zij verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Ten gronde A.2.
- De nv « Arpadis Benelux » voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij klaagt aan dat indien de zaak ten gronde ook maar gedeeltelijk betrekking zou hebben op de in het Belgisch Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheden, de passages in het Engels in haar conclusies niet tot de nietigheid ervan zouden leiden. Dat verschil in behandeling is volgens haar niet verantwoord, aangezien zowel in dergelijke zaken als in andere internationale handelsgeschillen het Engels veelvuldig wordt gebruikt. A.2.
- Volgens de Ministerraad is er geen sprake van een schending. Het verschil in behandeling is in de eerste plaats beperkter dan hetgeen de nv « Arpadis Benelux » beweert, aangezien de in het geding zijnde bepaling evenmin toelaat dat een conclusie geheel of gedeeltelijk in het Engels is opgesteld. Dat beperkte verschil is volgens hem verantwoord door de nood om, enerzijds, rekening te houden met de specifieke context van de zaken die betrekking hebben op het Belgisch Scheepvaartwetboek en, anderzijds, om slechts in een beperkte afwijking van de algemene regeling te voorzien. De beperking tot die specifieke geschillen wordt tot slot verantwoord door de vaststelling dat die geschillen volgens de Ministerraad tot de uitsluitende bevoegdheid van de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen behoren. Dit laat toe die Rechtbank zo te organiseren dat er in een kamer wordt voorzien die gespecialiseerd is in die materie en waarvan de rechters het Engels beheersen. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). B.2.
- De wet van 15 juni 1935 regelt op dwingende wijze het taalgebruik in gerechtszaken in België en hanteert daarbij als uitgangspunt de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging, onverminderd de uitzonderingen waarin de wet voorziet en de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot verwijzing of tot verandering van taal in te dienen. De eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging en het dwingend karakter van de voorschriften van de wet worden als grondbeginselen van de wet van 15 juni 1935 beschouwd. Uit de artikelen 1 tot 4 van de voormelde wet volgt dat de gehele rechtspleging in betwiste zaken volledig eentalig wordt gevoerd in hetzij het Frans, het Nederlands of het Duits, naar gelang van de plaats waar de zetel van de betrokken rechtbank is gevestigd. Alle daaropvolgende bepalingen strekken eveneens ertoe hetzij op dwingende wijze in de wet zelf, hetzij op basis van een overeenkomst tussen de partijen één enkele taal voor de procedure vast te leggen. B.2.
- Alle akten van de rechtspleging zijn onderworpen aan de vereisten die voortvloeien uit de wet van 15 juni
- Een akte van rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van die akte in die taal zijn gesteld (Cass., 2 mei 2017, P.15.0102.N, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.5) en wanneer van een aanhaling in een andere taal tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging wordt weergegeven (Cass., 24 mei 2016, P.16.0026.N, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.3). Het gebruik van aan vreemde talen ontleende woorden die behoren tot het gewone taalgebruik, tast de eentaligheid van de akte niet aan (Cass., 2 mei 2017, P.15.0102.N, voormeld). Zoals is vermeld in B.2.1, is de vrijwaring van de eenheid van taal van de rechtspleging een van de grondbeginselen van de wet van 15 juni
- 5 Uit artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 vloeit in beginsel voort dat de niet-naleving van de in die wet opgelegde verplichtingen de nietigheid tot gevolg heeft van de akte die met miskenning van de wet werd gesteld. De nietigheid dient ambtshalve door de rechter te worden vastgesteld. B.
- Bij artikel 45 van de wet van 8 mei 2019 « tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek » (hierna : de wet van 8 mei 2019), is in de wet van 15 juni 1935 een artikel 39bis ingevoegd, dat bepaalt : « In betwiste zaken die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de in het Belgisch Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheden en geen strafzaken zijn : 1° kunnen in het Engels gestelde rechtsbronnen en overtuigingstukken worden overgelegd, in welk geval de rechter, in afwijking van artikel 8, hiervan niet de vertaling in de taal der rechtspleging kan bevelen; 2° kunnen in de akten van rechtspleging aanhalingen uit in het Engels gestelde rechtsbronnen en overtuigingsstukken, alsmede Engelse vaktermen worden opgenomen ». Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking heeft op artikel 39bis, 2°, van de wet van 15 juni
- Die bepaling voert een uitzondering in op het principe van de eenheid van de taal van de rechtspleging en werd in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht : « Omdat in de sector van de scheepvaart voortdurend Engelstalige beroepstermen, overeenkomsten en briefwisseling worden gehanteerd en de sector uit zijn aard en bij uitstek wordt gekenmerkt door een internationale dimensie is voor gerechtszaken met betrekking tot scheepvaartgerelateerde aangelegenheden een soepeler taalregime nodig. De meest aangewezen wetgevende ingreep bestaat erin om in de Taalwet Gerechtszaken klaar en duidelijk te bepalen dat in scheepvaartzaken steeds gebruik kan worden gemaakt van Engelse rechtsbronnen en overtuigingsstukken, dat deze nooit behoeven te worden vertaald, en dat zij kunnen worden aangehaald in alle akten van rechtspleging. Ook het gebruik van Engelse vaktermen in akten van rechtspleging dient expliciet te worden toegelaten. Dergelijke principiële erkenning van de Engelse taal is eenduidig en rechtszeker, en biedt voor het gerezen probleem een directe en afdoende oplossing. Het alternatief van een rechterlijke beoordelingsbevoegdheid op basis van de criteria van het normdoel en de belangenschade biedt onvoldoende rechtszekerheid. 6 Door de voorgestelde bepaling wordt het Engels erkend als de in scheepvaartzaken gangbare internationale vaktaal » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3536/001, p. 452). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen nut heeft voor het geschil ten gronde, aangezien hij uit de verwijzingsbeslissing afleidt dat de conclusies van de nv « Arpadis Benelux » ook nietig zouden zijn, indien de uitzondering van artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 van toepassing zou zijn. B.4.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.4.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege heeft vastgesteld dat de conclusies van de nv « Arpadis Benelux » « uitvoerige Engelse citaten uit e-mails bevatten die deel leken uit te maken van haar argumentatie en die niet werden voorzien van een vertaling of een weergave van de betekenis van die teksten in de taal van de rechtspleging, het Nederlands », terwijl het geschil niet binnen het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling valt. Uit die beoordeling heeft het verwijzende rechtscollege niet afgeleid dat het gebruik van het Engels in de betrokken conclusies in elk geval verder gaat dan wat zou zijn toegestaan indien artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 van toepassing zou zijn. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
- Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen partijen in een zaak die geen strafzaak is en die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een door het Belgisch Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheid, enerzijds, en partijen in een internationaal handelsgeschil dat geen betrekking heeft op een door het Belgisch Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheid, anderzijds, doordat het enkel voor die eersten toegestaan is om in de akten van rechtspleging aanhalingen uit in het Engels gestelde rechtsbronnen en 7 overtuigingsstukken, alsmede Engelse vaktermen op te nemen, terwijl die mogelijkheden, zoals is vermeld in B.2.2, beperkter zijn voor de tweede categorie van partijen. B.6.
- Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen, te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. B.6.
- Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan drie eentalige taalgebieden en één tweetalig taalgebied. Artikel 4 vormt de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied. B.6.
- Wanneer de wetgever het gebruik van de talen regelt voor gerechtszaken dient hij eveneens het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het bij artikel 13 van de Grondwet en bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht van toegang tot de rechter te eerbiedigen. Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. Het recht op een eerlijk proces omvat, onder meer, het recht van procespartijen om de overwegingen die zij pertinent achten voor hun zaak, uiteen te zetten. Dat recht kan niet worden geacht effectief te zijn dan wanneer die overwegingen daadwerkelijk worden gehoord, wat betekent dat zij naar behoren worden onderzocht door het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. Het recht op een eerlijk proces omvat aldus de verplichting voor het rechtscollege om de door de partijen aangevoerde middelen, argumenten en bewijzen naar behoren te onderzoeken (EHRM, 19 april 1993, Kraska t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1993:0419JUD001394288, § 30; 19 april 1994, Van de Hurk t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:1994:0419JUD001603490, § 59; grote kamer, 12 februari 2004, Perez t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2004:0212JUD004728799, § 80). 8 B.6.
- Uit de in B.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de bedoeling had om specifiek in scheepvaartzaken in een beperkte mogelijkheid te voorzien om gebruik te maken van Engelse rechtsbronnen en overtuigingsstukken, alsook om in de akten van rechtspleging aanhalingen uit in het Engels gestelde rechtsbronnen en overtuigingsstukken, alsmede Engelse vaktermen, toe te laten. De wetgever baseerde zich daarbij op het veelvuldige gebruik van Engelstalige beroepstermen en documenten in die materie, waarbij in het gebruik van het Engels in veel gevallen expliciet wordt voorzien door de bepalingen van het Belgisch Scheepvaartwetboek. In het licht van die overwegingen is het niet onredelijk om, enerzijds, te oordelen dat voor betwiste zaken die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de in het Belgisch Scheepvaartwetboek geregelde aangelegenheden en geen strafzaken zijn, een beperkt en duidelijk afgelijnd gebruik van het Engels niet tot de nietigheid van de gerechtsakten leidt, alsook om, anderzijds, te oordelen dat die uitzondering beperkt blijft tot die specifieke geschillen en niet wordt uitgebreid tot de zeer grote en diverse categorie van zaken die onder de noemer « internationale handelsgeschillen » kunnen vallen. Overigens behoren de meeste geschillen waarop artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 van toepassing is, tot de bevoegdheid van een beperkt aantal rechtscolleges. Gelet op hetgeen is vermeld in B.6.1 tot B.6.3, moet elke uitzondering op de grondbeginselen van de wet van 15 juni 1935 immers tot het strikt noodzakelijke worden beperkt. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 39bis van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 november
- De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.146 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.5 ECLI:CE:ECHR:1993:0419JUD001394288 ECLI:CE:ECHR:1994:0419JUD001603490 ECLI:CE:ECHR:2004:0212JUD004728799 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div