id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.151 Arrest- Rolnummer: 151/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-11-20 Raadplegingen: 365 - laatst gezien 2026-06-18 13:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het verzoekschrift ingediend door Anita Bergling. Voorafgaande rechtspleging - Beroep tot vernietiging - Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid - Verzoekschrift Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 151/2023 van 9 november 2023 Rolnummer : 8009 In zake : het verzoekschrift ingediend door Anita Bergling. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter P. Nihoul en de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier N. Dupont, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij op 6 juni 2023 ter post aangetekende brief, ingekomen ter griffie op 9 juni 2023, heeft Anita Bergling een verzoekschrift ingediend. Op 27 juni 2023 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk onontvankelijk is. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. In rechte -A- A.
- In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn de rechters-verslaggevers van oordeel dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen een arrest op voorafgaande rechtspleging te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het verzoekschrift klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. A.
- De verzoekende partij antwoordt niet op de bezwaren die zijn opgeworpen door de rechters-verslaggevers. -B- B.
- Uit de uiteenzettingen van het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij het Hof verzoekt verschillende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partij vraagt het Hof eveneens om « de uitspraak over het beroep tot vernietiging aan te houden gedurende zes maanden na de bekendmaking van de ‘ geconsolideerde ’ wet […] ‘ tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders [ ’] in het Belgisch Staatsblad van 27/1/2023, omdat er geen regel is [voor] gerechtsdeurwaarders noch hun Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, die nooit onder de Kamer van Notarissen vallen […], en evenwel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt […] ‘ in zoverre die bepaling geen regel bevat krachtens welke belanghebbenden die geen partij waren in de procedure voor de geschillenkamer van de enige tuchtraad voor het notariaat een beroep kunnen instellen bij het Marktenhof... ’ Cf. het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 5/2023 van 12/1/2023 ». B.
- Artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « Het verzoekschrift vermeldt het onderwerp van het beroep en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen ». Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het 3 Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereisten zijn ingegeven, enerzijds, door de noodzaak voor het Hof om vanaf het indienen van het verzoekschrift in staat te zijn de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging te bepalen en, anderzijds, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partijen te repliceren, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. B.
- In zoverre het verzoekschrift verwijst naar de « geconsolideerde » wet van 16 maart 1803 « op het notarisambt » zonder de wijzigingswet nauwkeurig te identificeren, maakt het het niet mogelijk om met zekerheid de regels vast te stellen waarvan de verzoekende partij de vernietiging vordert. In elk geval is het verzoekschrift, in de veronderstelling dat het moet worden begrepen als zijnde gericht tegen de wet van 16 maart 1803, zoals gewijzigd bij de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen », op incoherente en onduidelijke wijze opgesteld, waardoor het niet mogelijk is om duidelijk vast te stellen in welke situatie de verzoekende partij zich bevindt, noch welke grieven de verzoekende partij tegen de bestreden bepalingen zou formuleren. Het Hof is dus niet in staat om met de vereiste nauwkeurigheid en zonder risico op een vergissing de relevante grieven te onderscheiden. Het toelaten van een dermate onduidelijk verzoekschrift zou bovendien ertoe leiden dat het contradictoire karakter van de rechtspleging in het gedrang komt, doordat de partij die opkomt voor de verdediging van de bestreden bepalingen niet in de gelegenheid wordt gesteld om een dienstig verweer te voeren. B.
- Voor het overige is het Hof niet bevoegd om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer de zaak niet op geldige wijze bij het Hof aanhangig is gemaakt. B.
- Het beroep is klaarblijkelijk onontvankelijk. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 november
- De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div