id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.153 Arrest- Rolnummer: 153/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-04 Raadplegingen: 469 - laatst gezien 2026-06-14 19:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Vernietiging (het woorddeel « werk » in de artikelen 37/1, § 1, en 52/1, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming », zoals ingevoegd bij de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022) 2. Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de in B.27 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (invoeging van de artikelen 37/1 en 52/1 in het decreet van 18 januari 2018), ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Jeugdrecht - Franse Gemeenschap - Beschermingsmaatregelen die behoren tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank - Dringende noodzakelijkheid - Beslissing om het kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving te huisvesten - Bevoegdheid van het openbaar ministerie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 153/2023 van 23 november 2023 Rolnummer : 7846 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (invoeging van de artikelen 37/1 en 52/1 in het decreet van 18 januari 2018), ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 augustus 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 augustus 2022, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fierens, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (invoeging van de artikelen 37/1 en 52/1 in het decreet van 18 januari 2018), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2022. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 141/2022 van 27 oktober 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.141), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 maart 2023, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. 2 Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Association Syndicale des Magistrats », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fierens (tussenkomende partij); - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Mareschal, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 26 april 2023 heeft het Hof, na de rechters E. Bribosia en W. Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever D. Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak nog niet in gereedheid kan worden verklaard, - de Franse Gemeenschapsregering te verzoeken om aan het Hof en aan de andere partijen uiterlijk op 10 mei 2023 de administratieve omzendbrief betreffende de tenuitvoerlegging van de bestreden bepalingen, indien die bestaat, mee te delen, - dat, in die hypothese, de andere partijen aan het Hof hun eventuele opmerkingen in verband met die omzendbrief zullen kunnen richten, in de vorm van een aanvullende memorie, die uiterlijk op 24 mei 2023 moet worden ingediend en binnen dezelfde termijn aan de voormelde overheid moet worden meegedeeld. De Franse Gemeenschapsregering heeft de administratieve omzendbrief ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een aanvullende memorie ingediend. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel ontvankelijk verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.1.1. De verzoekende partij doet gelden dat de ordes van de balies voor het Hof in rechte kunnen treden om het collectieve belang van de rechtzoekenden te verdedigen wanneer die vordering verband houdt met de opdracht en de rol van de advocaat voor wat betreft de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. Te dezen bieden de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de mogelijkheid te besluiten tot de verwijdering van een kind uit zijn leefomgeving, hetgeen een ernstige inmenging in de fundamentele rechten van het kind en zijn gezin vormt. Zij organiseren ook een « pseudoberoep » dat het optreden van een advocaat kan impliceren. De verzoekende partij beschikt dan ook over een voldoende belang om voor het Hof in rechte te treden. A.1.2. In haar memorie van antwoord geeft de verzoekende partij aan dat het Hof haar belang om in rechte te treden heeft aanvaard in het arrest nr. 141/2022 van 27 oktober 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.141), waarbij het Hof de vordering tot schorsing heeft verworpen. Ten aanzien van het belang van de vzw « Association Syndicale des Magistrats » om tussen te komen A.1.3. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » betoogt dat haar belang om tussen te komen voortvloeit uit haar maatschappelijk doel, dat is gedefinieerd in artikel 3 van haar statuten. Ten aanzien van het eerste middel A.2. Na de context waarin de bestreden bepalingen werden aangenomen te hebben uiteengezet, leidt de verzoekende partij een eerste middel af uit de schending van artikel 13 van de Grondwet, dat het recht op toegang tot de rechter waarborgt. De bestreden bepalingen hebben tot gevolg rechtzoekenden tegen hun wil af te trekken van de rechter die de wet hen toekent. Tot de maatregel van verwijdering uit de leefomgeving, die een zeer ernstige inmenging vormt in het recht op de eerbiediging van het privéleven, kan slechts worden besloten door een rechter, in het kader van een procedure op tegenspraak. Het feit dat de rechterlijke macht de meest geschikte hoeder van inachtneming van de rechten van de verdediging blijft, is door de decreetgever steeds als een evidentie gezien. De bestreden bepalingen komen frontaal in botsing met dat beginsel, dat is opgenomen in artikel 1, 9°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het Jeugdwetboek). Hoewel het openbaar ministerie een orgaan is van de rechterlijke macht, zijn tot slot de leden ervan geen rechters en zijn hun beslissingen geen beslissingen van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.4.1. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat de bestreden bepalingen, ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter, relevant en redelijk evenredig zijn met het doel dat zij nastreven. A.4.2. Ten eerste is de nagestreefde doelstelling gewettigd. De bestreden bepalingen laten toe het beginsel van dejudicialisering toe te passen gedurende de sluitingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd (SAJ) en voor jeugdbescherming (SPJ). Het beginsel van dejudicialisering ligt ten grondslag aan het beleid inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap en strekt ertoe het optreden van de gerechtelijke sfeer zoveel als mogelijk te beperken in situaties waarin gezinnen te kampen hebben met moeilijkheden van sociale aard. Concreet strekt dat beginsel ertoe, enerzijds, te vermijden dat een dossier wordt gejudicialiseerd en, anderzijds, te proberen een dossier uit de gerechtelijke sfeer te doen halen dat zich er al bevindt. Teneinde dat principe te verwezenlijken heeft het Jeugdwetboek aan de adviseur belangrijke prerogatieven toegekend. De analyse van de verschillende maatregelen die de adviseur kan nemen, bevestigt dat het gerechtelijk optreden ondergeschikt moet blijven aan het sociaal optreden. Ook de directeur voor jeugdbescherming werkt ten gunste van de dejudicialisering door middel van verscheidene mechanismen. 4 Het is echter gebleken dat de dringende situaties waarin een jongere is blootgesteld aan een ernstig gevaar waarbij de verwijdering uit zijn leefomgeving vereist is en die zich voordoen buiten de openingsuren van de SAJ en de SPJ noodzakelijkerwijs gejudicialiseerd zijn. In dat opzicht heeft de decreetgever gemeend dat het onbillijk was dat om reden van overwegingen die losstaan van de moeilijkheden van de jongeren, het beginsel van dejudicialisering slechts van toepassing is tijdens de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming. Hij heeft bijgevolg de bestreden bepalingen aangenomen om de toepassing van het beginsel van dejudicialisering te waarborgen zelfs tijdens de sluitingsuren van de diensten. A.4.3.1. Ten tweede zijn de bestreden bepalingen relevant en redelijk evenredig. Allereerst beschikt de Franse Gemeenschap bij de uitoefening van haar bevoegdheid inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming over de volheid van bevoegdheid. De decreetgever heeft zich aldus geïnspireerd op de Duitstalige Gemeenschap om aan het openbaar ministerie een bevoegdheid toe te wijzen inzake hulpverlening aan de jeugd. Vervolgens bieden de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de mogelijkheid een zeer voorlopige maatregel tot bescherming te nemen en tegelijkertijd te verzekeren dat een opdrachtgever van de Gemeenschap vanaf de eerste uren van de eerste werkdag die volgt op de maatregel tot verwijdering van de jongere zal instaan voor de voortgangscontrole. Wat meer is, de aan het openbaar ministerie opgelegde voorwaarden zijn strikt : er moet een dringende noodzakelijkheid zijn, de lichamelijke of psychische integriteit van het kind moet rechtstreeks zijn blootgesteld aan een ernstig gevaar, en de beslissing tot verwijdering kan slechts worden genomen buiten de openingsuren van de diensten of wanneer de adviseur of de directeur niet bereikbaar zijn gedurende die uren. Die voorwaarden zijn relevant ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, aangezien het openbaar ministerie niet langer gedwongen is alle situaties systematisch te judicialiseren wegens de onbeschikbaarheid van de opdrachtgevers van de Gemeenschap. Daarbij komt dat de duur van de maatregel tot verwijdering uiterst kort is. De eerste werkdag, vóór het einde van de maatregel, zal de opdrachtgever van de Gemeenschap de jongere en zijn gezin moeten ontmoeten om na te gaan of over de opgelegde maatregel een akkoord kan worden bereikt. Zo ja zal de opdrachtgever voorts instaan voor de voortgangscontrole van het dossier en zal de judicialisering zijn vermeden. Zo niet zal hij het openbaar ministerie onmiddellijk ervan op de hoogte moeten brengen opdat het de zaak aanhangig maakt bij de jeugdrechtbank uiterlijk de eerste werkdag die volgt op de maatregel tot plaatsing van het kind. A.4.3.2. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de grondwettigheid van de bestreden maatregel heeft erkend, en tegelijkertijd heeft onderstreept dat een jurisdictionele toetsing a posteriori zou moeten worden ingesteld, waarin de decreetgever heeft voorzien. Naast dat beroep a posteriori, kan de zaak daarenboven bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt bij dringende noodzakelijkheid, op grond van de artikelen 37, § 1, en 52, tweede lid, van het Jeugdwetboek, bij gebrek aan akkoord vanwege de jongere en zijn ouders over de maatregel tot bescherming, en uiterlijk aan het eind van de eerste werkdag die volgt op de maatregel. A.4.4. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet gegrond is. A.5.1. In haar memorie van antwoord formuleert de verzoekende partij verschillende inleidende opmerkingen. Allereerst werden de bestreden bepalingen aangenomen omdat de Franse Gemeenschap onvoldoende financiële middelen heeft toegewezen voor de invoering van een echte wachtdienst voor adviseurs en voor directeurs. De decreetgever heeft dus de bedoeling budgettaire besparingen door te voeren. Vervolgens bestaan er binnen de jeugdrechtbanken die het Jeugdwetboek toepassen en binnen de Franstalige jeugdrechtbank te Brussel reeds permanenties van magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie tijdens het weekend en op feestdagen. Een spoedprocedure die haar grondslag vindt in de artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek bestaat dus reeds, en er wordt regelmatig een beroep op gedaan. Ten slotte is het onjuist te beweren dat het einde van de plaatsing van het kind uiterlijk de eerste werkdag zou waarborgen dat de opdrachtgever van de Franse Gemeenschap de situatie opnieuw in handen neemt. Indien de personen die verantwoordelijk zijn voor het kind, zich tegen de plaatsing verzetten, is het immers louter theoretisch dat de zaak opnieuw binnen de bevoegdheidssfeer van de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd 5 valt. Die kan immers enkel vrijwillige hulpverlening voorstellen. Het akkoord van de personen die verantwoordelijk zijn voor het kind, ontbreekt evenwel per definitie. A.5.2. De verzoekende partij antwoordt vervolgens dat het niet de toegang tot « een » rechter is die in het geding is, maar wel de toegang tot de bij het decreet aangewezen rechter, namelijk de jeugdrechtbank. Bovendien is het geen vorm van dejudicialisering om aan het openbaar ministerie, dat een orgaan van de rechterlijke macht is, de buitensporige bevoegdheid toe te vertrouwen om een gezin te scheiden. Wat betreft het - nagestreefde - doel dat erin bestaat de « pretoriaanse maatregelen » te legaliseren, moet worden vastgesteld dat de decreetgever probeert een praktijk te legaliseren die in het verleden onwettig was. Het is volkomen onevenredig om een kind en zijn naasten te onttrekken aan de rechter die de wet hun toekent. A.6.1. De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat het al te eenvoudig is te beweren dat de Franse Gemeenschap besparingen beoogt door te voeren. Er wordt niet betwist dat de ingevoerde bepalingen maar één stap zijn op weg naar een vollediger wachtdienstsysteem. Intussen heeft de decreetgever het systeem van hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming buiten de openingsuren van de diensten willen verbeteren, binnen de budgettaire perken van de Franse Gemeenschap. Hij heeft aldus een telefonisch wachtdienstsysteem ingevoerd dat het, met de betwiste maatregel tot plaatsing van een kind, mogelijk maakt dat het beginsel van dejudicialisering tijdens de sluitingsuren van de diensten in acht wordt genomen. Die maatregelen hebben een onmiskenbare budgettaire kostprijs. A.6.2. De Franse Gemeenschapsregering repliceert in verband met de permanenties van de jeugdmagistraten dat het doel van de decreetgever net erin bestaat te vermijden dat de dienstdoende magistraten automatisch optreden. Het doel bestaat erin het beginsel van dejudicialisering te garanderen. Concreet bieden de bestreden bepalingen een alternatief voor de automatische inwerkingtreding van het gerecht door vóór de eventuele saisine van de jeugdrechter de sociale hulpverlening een kans te geven. Daarenboven is het onjuist aan te voeren dat de waarborg van het optreden van de opdrachtgever van de Gemeenschap op de eerste werkdag die volgt op de plaatsing, theoretisch zou zijn. Integendeel, zelfs indien de personen die verantwoordelijk zijn voor het kind, het niet eens zijn met de plaatsing van het kind, zal de adviseur of de directeur het gezin ontvangen tijdens de eerste uren van de eerste werkdag die volgt op de plaatsing. Dat maatschappelijk werk zal het mogelijk kunnen maken om de nadelen van een gerechtelijk optreden te vermijden. A.6.3. De Franse Gemeenschapsregering repliceert eveneens dat het openbaar ministerie geen rechtscollege is. Aldus, indien het een voorlopige beslissing tot plaatsing neemt, is dat om de rechtstreekse en automatische saisine van de jeugdrechtbank wegens de onbeschikbaarheid van de opdrachtgever van de Gemeenschap te vermijden. A.6.4. De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat het legaliseren van een praktijk zonder wettelijke grondslag op zich niet ongrondwettig is. Ten aanzien van het tweede middel A.7.1. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.7.2. De verzoekende partij preciseert dat zij de situatie van de personen van wie het kind door het openbaar ministerie is geplaatst, vergelijkt met de situatie van de personen van wie het kind door de jeugdrechtbank is geplaatst. Daarenboven vergelijkt de verzoekende partij in beide gevallen de situatie van het betrokken kind. In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State erop gewezen dat « een afwijking van de vereiste van het voorafgaand optreden van een onafhankelijke rechter slechts uitzonderlijk kan zijn en moet worden verantwoord door redenen die eigen zijn aan de feiten die dienen te worden voorkomen ». Het door de bestreden bepalingen veroorzaakte verschil in behandeling berust echter op het loutere feit dat de beslissing tot plaatsing moet worden genomen buiten de openingsuren van de administratie of dat het onmogelijk is bepaalde ambtenaren te bereiken. Het gaat dus niet om redenen die eigen zijn aan de feiten die de plaatsing van een kind door het openbaar ministerie en niet door de jeugdrechtbank verantwoorden. Het verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. 6 A.8. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.9.1. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is de verzoekende partij ten onrechte van mening dat de bestreden bepalingen een discriminerend verschil in behandeling zouden doen ontstaan. In werkelijkheid bestaat er zelfs geen verschil in behandeling tussen, enerzijds, jongeren van wie de lichamelijke of psychische integriteit thans rechtstreeks is blootgesteld aan een ernstig gevaar en die zijn geplaatst bij een beslissing van het openbaar ministerie en, anderzijds, dezelfde jongeren die geplaatst zijn bij een beslissing van de rechter, naargelang de beslissing tot plaatsing genomen is tijdens of buiten de openingsuren van de diensten, of op een ogenblik waarop de adviseur of de directeur al dan niet bereikbaar is. Zelfs buiten de openingsuren van de SAJ of de SPJ of zelfs wanneer de adviseur of de directeur niet bereikbaar is, kan het openbaar ministerie de zaak aanhangig maken bij de jeugdrechtbank, op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek, opdat zij een voorlopige maatregel tot plaatsing beveelt. Zo blijft het openbaar ministerie, wanneer die diensten onbeschikbaar zijn, vrij om een keuze te maken tussen : (
- i)geen beslissing nemen en de jongere en zijn gezin terugsturen naar de bevoegde dienst van de Gemeenschap gedurende de openingsuren ervan; (
- ii)de zaak voorleggen aan de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek; of (iii) een voorlopige maatregel tot verwijdering nemen op grond van de bestreden bepalingen. A.9.2. De Franse Gemeenschapsregering stelt vast dat de bestreden bepalingen precies ten doel hebben een einde te maken aan een verschil in behandeling, namelijk dat tussen jongeren in gevaar die de dejudicialisering kunnen genieten en diegenen die ze niet kunnen genieten om de enkele reden dat de bevoegde administratieve diensten gesloten of onbereikbaar zijn. A.9.3. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet gegrond is. A.10. De verzoekende partij antwoordt dat de Franse Gemeenschapsregering, door te erkennen dat het openbaar ministerie, buiten de openingsuren van de SAJ en de SPJ of indien het onmogelijk is om de adviseur of de directeur te bereiken, de zaak aanhangig kan maken bij de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek, toegeeft dat de bevoegdheid van het openbaar ministerie om te beslissen over een plaatsing van een kind nutteloos is. Bovendien is het de mogelijkheid zelf van die plaatsing door het openbaar ministerie die aan de oorsprong van het bekritiseerde verschil in behandeling ligt, ook al wordt, in de feiten, niet beslist om tot die plaatsing over te gaan. A.11. De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat de bestreden maatregel niet nutteloos is omdat hij ertoe strekt de automatische saisine van de jeugdrechtbank te vermijden voor situaties die zulks niet verantwoorden. Ingevolge het gesprek met de opdrachtgever van de Gemeenschap met wachtdienst zal het openbaar ministerie de keuze hebben tussen drie opties. Het kan geen beslissing nemen en het gezin terugsturen naar de SAJ of de SPJ tijdens de openingsuren, het kan de zaak rechtstreeks aanhangig kunnen maken bij de rechtbank of mag een maatregel tot voorlopige plaatsing van het kind nemen. Het openbaar ministerie geniet een beoordelingsmarge in dat verband. In het gesprek tussen de opdrachtgever van de Gemeenschap en het openbaar ministerie wordt voorzien bij het uitvoeringsbesluit van de Franse Gemeenschapsregering van 25 augustus 2022 en het zal het openbaar ministerie moeten helpen bij het nemen van zijn beslissing. Ten slotte kan de nieuwe bevoegdheid die aan het openbaar ministerie is toegewezen, niet worden beschouwd als een buitensporige bevoegdheid, aangezien de plaatsingsmaatregel voorlopig is en van zeer korte duur, en de zaak uiterlijk de eerste werkdag die volgt op de beslissing aanhangig zal kunnen worden gemaakt bij de jeugdrechtbank. Ten aanzien van het derde middel A.12.1. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 9, lid 2, en 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak en de rechten van de verdediging, en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.12.2. In een eerste onderdeel wijst de verzoekende partij erop dat artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet en artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind aan elk kind het recht waarborgen zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de 7 Rechten van de Mens omvat een « eerlijk proces » het fundamentele recht op het contradictoire karakter van de procedure, dat in België het statuut van een algemeen rechtsbeginsel heeft. Het doel om de procedure te bespoedigen kan niet verantwoorden dat het fundamentele recht op een procedure op tegenspraak wordt geschonden. Daarenboven waarborgen de bestreden bepalingen niet dat het beginsel van de tegenspraak op zijn minst zal worden verzekerd door het horen van het kind indien het de leeftijd en de vereiste maturiteit heeft. De bij de maatregel betrokken meerderjarige personen worden evenmin gehoord. A.12.3. De verzoekende partij doet gelden dat de ontstentenis van een tegensprekelijk debat eveneens tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd ingeval beroep wordt ingesteld tegen de beslissing tot plaatsing. In dat geval staat het immers aan diegenen die het beroep instellen om aan te tonen dat de maatregel niet geboden was. Het staat echter in beginsel aan het openbaar ministerie om aan te tonen dat de omstandigheden de plaatsing van het kind vereisen. De bij de maatregel betrokken personen stuiten dus op het voldongen feit, los van het feit dat de zaak later bij de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd of bij de jeugdrechter terugkomt. A.12.4. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat bij de bestreden bepalingen geen enkele andere waarborg met betrekking tot een eerlijk proces in acht wordt genomen. Zo wordt in geen enkele toegang tot het dossier voorzien. Het optreden van een advocaat is niet geregeld. Er bestaat geen enkele verplichting tot motivering van de beslissing, noch enig recht van de partijen om conclusie te nemen. Er is geen nadere regel voor de kennisgeving van de beslissing bepaald. Het bestaan van een beroep, de termijn en de nadere regels ervan worden niet aan de betrokkenen medegedeeld. A.13. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.14.1. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept dat de wetgever, die zich wilde conformeren aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, een beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen van het openbaar ministerie die zijn genomen op grond van de bestreden bepalingen. Daarenboven, hoewel de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming volheid van bevoegdheid geniet, is zij niet ertoe gemachtigd inbreuk te maken op de residuaire bevoegdheden van de federale overheid. De aangelegenheid justitie is een dergelijke residuaire bevoegdheid en de organisatie van het openbaar ministerie en de daarvoor geldende regels maken deel uit van die aangelegenheid. Zo is de Franse Gemeenschap ertoe gerechtigd een bevoegdheid toe te wijzen aan het openbaar ministerie, maar zij kan niet de voor die autoriteit ingestelde procedure regelen. De procedureregels voor de rechterlijke instanties in jeugdaangelegenheden worden geregeld bij de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de wet van 8 april 1965). A.14.2. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat beide onderdelen van het middel niet gegrond zijn. A.15. De verzoekende partij antwoordt dat het feit dat de Franse Gemeenschap niet bevoegd is om de beroepsprocedure voor de bevoegde rechtscolleges te bepalen, niet verhindert dat de referentienormen worden geschonden. Voor het overige corrigeert het louter theoretische en onwerkbare beroep tegen de buitensporige beslissing om een kind te plaatsen, dat is ingevoerd om gevolg te geven aan een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State, de ongrondwettigheid van de bestreden bepalingen niet. A.16. In haar memorie van wederantwoord verzoekt de Franse Gemeenschapsregering in ondergeschikte orde om de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven, in het geval waarin het Hof zou oordelen dat de Franse Gemeenschap bevoegd is om de essentiële elementen vast te stellen van de procedure waarbij het openbaar ministerie beslissingen neemt op grond van de bestreden bepalingen en dat de bestreden bepalingen niet volstaan om de inachtneming van de grondrechten te waarborgen. Ten aanzien van het vierde middel A.17. De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 144 van de Grondwet, luidens hetwelk geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren. De geschillen bedoeld in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet betreffen « rechtsgedingen ». Indien een kind of de persoon die het onder zijn hoede heeft 8 niet heeft ingestemd met de maatregel van plaatsing van het kind, is er echter een « rechtsgeding » en een « geschil over de burgerlijke rechten ». Een dergelijk geschil moet worden beslecht door een rechtbank. In geval van toepassing van de bestreden bepalingen zal zulks echter niet het geval zijn. Het is overigens discriminerend dat voor de geschillen van sommigen het openbaar ministerie en niet een rechtbank bevoegd is. A.18. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.19.1. De Franse Gemeenschapsregering zet uiteen dat de bestreden bepalingen de betrokken gezinnen niet het recht ontzeggen om een zaak aanhangig te maken bij de rechtbanken. Enerzijds, bij gebrek aan akkoord van de jongere en zijn ouders over de maatregel tot bescherming na de ontmoeting met de opdrachtgever van de Gemeenschap op de eerste werkdag die volgt op de beslissing tot verwijdering, zal de opdrachtgever het dossier kunnen doorverwijzen naar het openbaar ministerie met het oog op een saisine van de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek. De situatie zal dan met spoed door de rechtbank worden onderzocht en de jurisdictionele toetsing a posteriori zal dan kunnen worden uitgeoefend. Anderzijds, wijzen de bestreden bepalingen aan de jeugdrechtbank de bevoegdheid toe om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen die door het openbaar ministerie zijn genomen op grond van de bestreden bepalingen. Bijgevolg ontzeggen de bestreden bepalingen de jongeren en hun ouders niet het recht om hun geschillen aan de gewone rechter voor te leggen. Het verschil in behandeling bestaat niet. A.19.2. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat het middel niet gegrond is. A.20. De verzoekende partij antwoordt dat de Franse Gemeenschapsregering een buitensporig restrictieve interpretatie geeft van artikel 144 van de Grondwet. Het zijn immers alle huidige geschillen van burgerrechtelijke aard die aan een rechtbank moeten worden voorgelegd. Voor het overige voldoet het theoretische en formele beroep tegen de door het openbaar ministerie genomen beslissing om een kind te plaatsen niet aan de vereisten van artikel 144 van de Grondwet. A.21. De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat het spoedeisende karakter van de situatie en het belang om proberen een akkoord met het gezin te bereiken verantwoorden dat het openbaar ministerie een maatregel tot voorlopige plaatsing kan nemen. Het gezin zal ofwel onmiddellijk een beroep kunnen instellen, ofwel, op de eerste werkdag, zijn verzet kenbaar kunnen maken bij de opdrachtgever van de Gemeenschap, die het dossier zal doorverwijzen naar het openbaar ministerie met het oog op een saisine van de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek. Het geschil zal dus in fine door de jeugdrechtbank worden beslecht. Ten aanzien van het vijfde middel A.22.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het plaatsen van een kind via een dwingende beslissing vormt een ernstige inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven. Artikel 13 van het voormelde Verdrag verankert het recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie. A.22.2. Hoewel de jeugdrechtbank kennisneemt van de geschillen met betrekking tot de door het openbaar ministerie getroffen maatregel tot verwijdering uit de leefomgeving, is dat beroep niet doeltreffend. Niet alleen is geen enkele nadere regel voor de kennisgeving van de beslissing bepaald en worden noch het bestaan van dat beroep, noch de termijn, noch de nadere regels ervan aan de betrokkenen medegedeeld, maar ook wordt het kind niet verplicht bijgestaan door een advocaat op het ogenblik dat het openbaar ministerie de beslissing neemt. Hoewel het Jeugdwetboek voorziet in de mogelijkheid om een beroep in te stellen voor het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een van ambtswege toegekende advocaat, in voorkomend geval, « op aanvraag van de adviseur », is te dezen bovendien net tot de plaatsing van het kind beslist omdat de adviseur niet bereikbaar is. Het beroep van het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, is dus niet doeltreffend. Bovendien is de aanwijzing van een voogd ad hoc vóór het uitoefenen van het beroep niet denkbaar, gelet op de in de tijd beperkte gevolgen van de beslissing van het openbaar ministerie. 9 De meerderjarige personen op wie de maatregel betrekking heeft, kunnen evenmin het beroep in werking stellen, vooral indien de dag van de beslissing geen werkdag is. In de veronderstelling dat een beroep ondanks alles wordt ingesteld, zou de jeugdrechtbank noodzakelijkerwijs, gelet op de termijnen van de burgerlijke rechtspleging, uitspraak doen op een ogenblik waarop het beroep zonder voorwerp zou zijn geworden. Tot slot, zoals hieronder vermeld, stuiten de personen op wie de maatregel tot plaatsing betrekking heeft op het voldongen feit en heeft de ontstentenis van een tegensprekelijk debat tot gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd. A.23. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » verwijst naar de argumentatie van de verzoekende partij. A.24.1. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij, afgezien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, geen enkele grondwets- of verdragsbepaling aanvoert in combinatie met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het voormelde artikel 13 heeft echter geen autonome werking en de schending van dat artikel kan slechts worden aangevoerd wanneer blijkt dat een van de bij het Verdrag gewaarborgde rechten is geschonden. A.24.2. De Franse Gemeenschapsregering doet in ondergeschikte orde gelden dat de Franse Gemeenschap niet de bevoegdheid heeft om de procedure te organiseren die van toepassing is op het beroep tegen de beslissing van het openbaar ministerie. De grondslag van de aangelegenheid bevindt zich in de wet van 8 april 1965. Daarenboven toont de verzoekende partij niet aan dat de bestreden bepalingen ongrondwettig zijn, maar wijst zij veeleer op een lacune in de wetgeving die de schorsing en de vernietiging van de bestreden bepalingen echter niet kan verantwoorden. Zij zou de federale wetgever veeleer bevelen die aangelegenheid te regelen. A.24.3. Volgens de Franse Gemeenschapsregering is het middel niet gegrond. A.25. De verzoekende partij antwoordt dat het middel niet onontvankelijk is. Het is vaste rechtspraak dat de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bedoelde rechten en vrijheden onder meer die inhouden welke worden beoogd in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bovendien is het middel gegrond, aangezien de Franse Gemeenschapsregering zich niet kan verschuilen achter de grenzen van de bevoegdheid van de gemeenschappen om niet in een daadwerkelijk rechtsmiddel te voorzien. Bij de bestreden bepalingen wordt een beroep ingevoerd waarvan de nadere regels niet een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgen. A.26. In haar memorie van wederantwoord verzoekt de Franse Gemeenschapsregering in ondergeschikte orde om de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven, in het geval waarin het Hof zou oordelen dat de Franse Gemeenschap bevoegd is om de essentiële elementen van de beroepsprocedure vast te stellen en dat de bestreden bepalingen niet volstaan om de inachtneming van de grondrechten te waarborgen. Ten aanzien van het zesde middel A.27.1. De verzoekende partij leidt een zesde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, alsook uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, voor een ouder en zijn kind, het feit samen te zijn een fundamenteel element van het gezinsleven vormt. Het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de kinderen kan echter het voorwerp uitmaken van inmengingen vanwege de overheid, indien bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. Bovendien moeten de rechtscolleges op gedetailleerde wijze de redenen uiteenzetten waarom er teneinde het kind te beschermen geen oplossingen bestonden die minder afbreuk doen aan de rechten van het gezin. De ouders moeten hun argumenten kunnen doen gelden. A.27.2. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de plaatsing van een kind door het openbaar ministerie en niet door de jeugdrechter, zonder motivering en zonder het horen van de betrokken personen, om de enige reden dat de beslissing wordt genomen buiten de kantooruren, een onevenredige inmenging in het recht op de eerbiediging van het gezinsleven vormt. 10 A.27.3. In een tweede onderdeel onderstreept de verzoekende partij dat de decreetgever, door de bestreden bepalingen aan te nemen, gepoogd heeft een einde te maken aan een bestaande discriminatie die erin bestond de personen die de hulpverlening aan de jeugd genieten verschillend te behandelen naar gelang van de openingsuren van de administratie. Hun situatie wordt enkel door gerechtelijke instanties geregeld buiten de openingsuren van de administratie, terwijl de personen die gedurende die openingsuren het voordeel van de hulpverlening aan de jeugd genieten, een dejudicialisering kunnen genieten. Het openbaar ministerie is echter een gerechtelijke instantie zodat de bestreden bepalingen de vermeende discriminatie niet corrigeren. Ze zijn dan ook onevenredig. A.27.4. In een derde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de bestreden bepalingen nutteloos zijn omdat de zaak dringend, op om het even welk ogenblik, kan worden voorgelegd aan een jeugdrechter die dienst heeft. Die rechter kan meteen een beslissing tot plaatsing nemen. Het gaat bovendien om een gespecialiseerde magistraat, hetgeen niet noodzakelijk het geval is voor het lid van het parket dat dienst heeft. In geval van absolute noodzakelijkheid zou het openbaar ministerie de zaak, zowel overdag als ’s nachts, ook kunnen voorleggen aan de voorzitter van de familierechtbank. A.27.5. In een vierde onderdeel erkent de verzoekende partij dat de « pretoriaanse maatregelen », dat wil zeggen de door het openbaar ministerie genomen maatregelen tot plaatsing van een kind, in de feiten bestaan, zonder wettelijke grondslag. Die maatregelen leiden in bepaalde gevallen ertoe dat kinderen in goede gezondheid in een ziekenhuis worden geplaatst, soms gedurende weken. Die praktijk is echter onwettig, vaak ondoeltreffend, en zelfs in strijd met het belang van het kind. Afgezien daarvan is zij onverantwoord omdat het openbaar ministerie de procedures van dringende saisine van een rechtbank kan aanwenden. De inmenging in de in het middel beoogde rechten is onevenredig. A.27.6.1. In een vijfde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de door de decreetgever aangevoerde verantwoording, namelijk « de dejudicialisering », niet relevant is. Integendeel, de bestreden bepalingen zijn in tegenspraak met het beginsel van dejudicialisering en het beginsel van subsidiariteit van de gedwongen hulpverlening ten opzichte van de vrijwillige hulpverlening, omdat zij precies het beroep op dwang impliceren en omdat niet om de toestemming van de betrokkenen wordt verzocht. Zodra er dwang is, kan de beslissing echter enkel van de rechtbanken afhangen. De procedure waarin is voorzien bij de bestreden bepalingen maakt het niet mogelijk een beroep te doen op sociale maatregelen en een gerechtelijke procedure te vermijden, maar geeft buitensporige bevoegdheden aan het openbaar ministerie, dat, zonder een rechtbank te vormen, een orgaan van de rechterlijke macht is. De vergelijking die door de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt gemaakt tussen, enerzijds, de bevoegdheden die aan de procureur des Konings zijn gegeven inzake tijdelijk huisverbod en, anderzijds, die welke hem bij de bestreden bepalingen zijn gegeven, is slechts gedeeltelijk relevant. In geval van huisverbod raakt de bevoegdheid van de procureur des Konings uitsluitend aan de rechten van meerderjarige personen en is zij niet alleen afhankelijk van de sluitingsuren van de administratie. Bovendien was aanvankelijk geen enkele rechtbank bevoegd om het huisverbod uit te spreken. A.27.6.2. De verzoekende partij betoogt dat de dejudicialisering niet mag betekenen dat de bescherming van de fundamentele vrijheden enkel nog zou afhangen van de administratie. De dejudicialisering verantwoordt evenmin dat de waarborg van de fundamentele rechten wat betreft de hulpverlening en de jeugdbescherming geleidelijk aan verloren gaat. A.27.7. In een zesde onderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de mogelijkheid bieden een kind uit zijn leefomgeving te verwijderen zonder vooraf te hebben vastgesteld dat de betrokken personen weigeren of nalaten de vrijwillige hulpverlening in werking te stellen of zonder dat de in artikel 23 van het Jeugdwetboek beoogde personen hun toestemming voor de maatregel geven. Het gaat echter om een voorwaarde voor de plaatsing van een kind waartoe door de rechtbank wordt besloten. A.28. De vzw « Association Syndicale des Magistrats » doet, met betrekking tot het derde onderdeel van het zesde middel, gelden dat de bestreden bepalingen nutteloos en onevenredig zijn want, met toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Jeugdwetboek, kan, in spoedeisende gevallen, een onderzoeksrechter voorlopige maatregelen treffen overeenkomstig de artikelen 101 tot 105 van hetzelfde Wetboek. A.29.1. De Franse Gemeenschapsregering gaat, na de rechtspraak van het Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in herinnering te hebben gebracht, ervan uit dat de bestreden bepalingen een beperking 11 omvatten die verantwoord en evenredig is met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, in zoverre zij een procedure instellen die, in haar geheel, een billijk evenwicht tot stand brengt tussen de verschillende in het geding zijnde belangen. A.29.2. Meer precies is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het eerste onderdeel van het middel op een slecht begrip van de bestreden bepalingen berust. Immers, de keuze van het openbaar ministerie om een beslissing te nemen tot voorlopige plaatsing van een jongere op grond van de bestreden bepalingen of de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek hangt niet af van de vraag of de beslissing genomen wordt buiten de openingsuren van de diensten dan wel of de opdrachtgevers van de Gemeenschap onbereikbaar zijn. De keuze waarvoor het openbaar ministerie staat, is verschillend in beide gevallen maar het openbaar ministerie beschikt steeds over de mogelijkheid de zaak dringend aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank. Immers, zelfs indien de opdrachtgevers van de Gemeenschap niet kunnen worden bereikt, kan het openbaar ministerie ofwel zelf een maatregel nemen tot voorlopige plaatsing ofwel de zaak dringend aanhangig maken bij de jeugdrechtbank. Die beslissing van het openbaar ministerie wordt genomen rekening houdend met verschillende elementen, waaronder de ernst van het gevaar waaraan de jongere is blootgesteld en of er al dan niet medewerking van de ouders is. Tijdens de openingsuren van de diensten of wanneer de opdrachtgevers van de Gemeenschap bereikbaar zijn, mag het openbaar ministerie geen maatregel tot voorlopige plaatsing nemen. Het heeft dan twee opties : ofwel verwijst het het gezin naar de bevoegde dienst van de Gemeenschap, ofwel maakt het de zaak aanhangig bij de jeugdrechtbank met inachtneming van de artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek. Bijgevolg is het eerste onderdeel niet gegrond. A.29.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat een dejudicialisering niet betekent dat er geen enkel optreden is van de gerechtelijke sfeer maar veeleer dat het optreden van de rechterlijke macht beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het ruimst mogelijke optreden van de sociale overheden van de Gemeenschap mogelijk te maken. Het belang van de in het geding gebrachte plaatsingsmaatregel is gelegen in de uiterst korte duur ervan en in de noodzakelijke voortgangscontrole door de opdrachtgevers van de Gemeenschap vanaf de eerste werkdag die volgt op de plaatsingsmaatregel. De ingestelde regeling is dus relevant en evenredig met het nagestreefde wettige doel, zodat het tweede onderdeel niet gegrond is. A.29.4. In verband met het derde onderdeel antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat de bestreden bepalingen niet nutteloos zijn. Immers, het doel van de maatregel bestaat erin de gespecialiseerde sociale hulpverlening de mogelijkheid te bieden haar rol te spelen zelfs in dringende situaties. De zaak moet slechts aan de rechter worden voorgelegd in geval van mislukking van de genoemde sociale hulpverlening. De bestreden bepalingen strekken ertoe de systematische saisine van de jeugdrechtbank in geval van onbeschikbaarheid van de opdrachtgevers van de Gemeenschap te vermijden. Het onderdeel is dus niet gegrond. A.29.5. De Franse Gemeenschapsregering repliceert, ten aanzien van het vierde onderdeel, dat de bestreden bepalingen een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven inhouden die niet onevenredig is. De plaatsing van kinderen in het ziekenhuis is weliswaar problematisch, maar ze staan los van de in het geding zijnde pretoriaanse maatregelen, omdat die plaatsingen worden bevolen door een rechter en bij gebrek aan plaatsen in een andere instelling. Vervolgens hebben de bestreden bepalingen ten doel een einde te maken aan een bestaande onwettigheid. Thans hebben de jongeren en hun gezinnen geen enkel recht. Er kan de bestreden bepalingen dus niet worden verweten dat zij de aangelegenheid regelen. Derhalve is het vierde onderdeel niet gegrond. A.29.6.1. Ten aanzien van het vijfde onderdeel antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat niets de decreetgever verbiedt een dwingende beslissingsbevoegdheid toe te wijzen aan een andere actor dan de rechter, te dezen het openbaar ministerie. De bevoegdheid die aan dat laatste is toegekend is niet buitensporig, aangezien (
- i)zij beperkt is door strikte voorwaarden, (
- ii)het openbaar ministerie een gesprek moet hebben gehad met de opdrachtgever van de Gemeenschap met wachtdienst, (iii) de duur van de maatregelen uiterst kort is, (
- iv)de opdrachtgever van de Gemeenschap het dossier overneemt vanaf de eerste werkdag, (
- v)de dringende saisine van de jeugdrechter mogelijk blijft vóór het einde van de maatregel wanneer geen enkel akkoord is kunnen worden bereikt met het gezin van de jongere, en (
- vi)een beroep a posteriori openstaat bij de jeugdrechtbank. A.29.6.2. De Franse Gemeenschapsregering preciseert bovendien dat de verzoekende partij ten onrechte stelt dat de bestreden bepalingen het niet zouden mogelijk maken een beroep te doen op sociale maatregelen en een gerechtelijke procedure te vermijden. Integendeel, de nieuwe regeling heeft ten doel de opdrachtgever van de Gemeenschap de mogelijkheid te bieden met het openbaar ministerie te spreken in het kader van de wachtdienst en het gezin te ontmoeten vanaf de eerste werkdag die volgt op de beslissing van het openbaar ministerie. Het onderdeel is dus niet gegrond. 12 A.30. Ten aanzien van het zesde onderdeel van het middel wijst de Franse Gemeenschapsregering erop dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt, het subsidiariteitsbeginsel wordt versterkt. Enerzijds is het optreden van de adviseurs en directeurs met wachtdienst dat van een sociale gemeenschapsoverheid, zelfs vóór het openbaar ministerie een beslissing tot plaatsing neemt of het overweegt de zaak voor te leggen aan de rechtbank. Anderzijds kan dankzij het optreden van de opdrachtgever van de Gemeenschap vanaf de eerste werkdag in sommige situaties een optreden van de jeugdrechtbank worden vermeden. Het onderdeel is niet gegrond. A.31.1. De verzoekende partij antwoordt dat zij, in het eerste onderdeel, de mogelijkheid bekritiseert dat het openbaar ministerie een kind met spoed kan plaatsen en dat die mogelijkheid enkel afhangt van omstandigheden die verband houden met de werking van de administratie, met andere woorden omstandigheden die niets te maken hebben met de situatie van het kind. A.31.2. De verzoekende partij antwoordt, wat het tweede onderdeel betreft, dat de bestreden bepalingen de rechterlijke macht doen toenemen, zodat niet over dejudicialisering kan worden gesproken. A.31.3. Wat het derde onderdeel betreft, antwoordt de verzoekende partij dat een onderzoeksrechter, met toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Jeugdwetboek, eveneens voorlopige maatregelen kan nemen, indien zulks dringend is. De onderzoeksrechter heeft de bevoegdheid om dringende maatregelen te nemen met betrekking tot de minderjarige in gevaar. De bestreden bepalingen zijn dus nutteloos. Daarenboven worden de beginselen van dejudicialisering en subsidiariteit van de gerechtelijke hulpverlening die de Franse Gemeenschapsregering wil veiligstellen, niet sterker geraakt door een door een rechter genomen beslissing om een kind te plaatsen dan door een door het openbaar ministerie genomen beslissing om een kind te plaatsen. De directeur bij de hulpverlening aan de jeugd krijgt immers de bevoegdheid toegewezen om te beslissen over de nadere regels voor de uitvoering van de door de rechtbank genomen maatregelen, de bevoegdheid om een andere maatregel overeen te komen dan die welke door de rechtbank werd opgelegd indien de betrokken personen het eens zijn met die maatregel, en de bevoegdheid om een einde te maken aan de opgelegde maatregelen indien de gezondheid en de veiligheid van het kind niet meer ernstig in gevaar zijn. A.32.1. De Franse Gemeenschapsregering repliceert, wat het eerste onderdeel betreft, dat de verzoekende partij, door aan te voeren dat zij de mogelijkheid van plaatsing van het kind door het openbaar ministerie bekritiseert, dezelfde argumentatie formuleert als die welke in haar tweede middel voorkomt. Er wordt daarnaar verwezen. A.32.2. De Franse Gemeenschapsregering repliceert, wat het derde onderdeel betreft, dat de stelselmatige saisine van de jeugdrechtbank in geval van onbeschikbaarheid van de opdrachtgevers van de Gemeenschap datgene is wat de in het geding zijnde maatregel probeert te vermijden. Het optreden van de onderzoeksrechter beperkt zich tot de situaties met betrekking tot minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit. Het optreden van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is evenmin mogelijk, aangezien de plaatsing van minderjarigen in gevaar tot de bijzondere en exclusieve bevoegdheid van de jeugdrechtbanken behoort. Hoe dan ook blijven die alternatieve procedurele wegen alle binnen de gerechtelijke sfeer en maken zij het niet mogelijk om buiten de openingsuren van de SAJ en de SPJ of in geval van onbeschikbaarheid van de opdrachtgevers van de Gemeenschap het doel van dejudicialisering te bereiken. In de feiten « keren » erg weinig gejudicialiseerde situaties « terug » naar de vrijwillige hulpverlening. A.32.3. In haar memorie van wederantwoord sluit de vzw « Association Syndicale des Magistrats » zich aan bij de argumentatie die door de verzoekende partij is uiteengezet in haar memorie van wederantwoord. A.33. Bij een beschikking van 26 april 2023 heeft het Hof de Franse Gemeenschapsregering verzocht om aan het Hof en aan de andere partijen de administratieve rondzendbrief met betrekking tot de uitvoering van de bestreden bepalingen te bezorgen, indien hij bestaat. Het heeft de andere partijen eveneens verzocht om, in dat geval, hun eventuele opmerkingen met betrekking tot die rondzendbrief aan het Hof toe te zenden, in de vorm van een aanvullende memorie. A.34.1. In hun gezamenlijke aanvullende memorie betreuren de verzoekende partij en de vzw « Association Syndicale des Magistrats » dat de Franse Gemeenschapsregering niet aan het Hof de rondzendbrief van 1 december 13 2022 heeft voorgelegd, namelijk de rondzendbrief die is vervangen bij de rondzendbrief van 8 mei 2023, die, zijnerzijds, door de Franse Gemeenschapsregering is voorgelegd ter uitvoering van de beschikking van 26 april 2023. Zij betreuren eveneens dat de Franse Gemeenschapsregering aan het Hof niet de evaluaties meedeelt die het toezichtscomité reeds heeft verricht. A.34.2. De verzoekende partij en de vzw « Association Syndicale des Magistrats » merken op dat in de rondzendbrief van 8 mei 2023 wordt vermeld dat de adviseurs en directeurs met wachtdienst telefonisch bereikbaar zijn, hetgeen bevestigt dat de bestreden bepalingen werden aangenomen zonder dat de Franse Gemeenschap voldoende financiële middelen toewijst voor de invoering van een echte wachtdienst. A.34.3. De verzoekende partij en de vzw « Association Syndicale des Magistrats » zijn van mening dat de rondzendbrief van 8 mei 2023 bevestigt dat de maatregel waarbij een kind wordt geplaatst door het parket kan worden genomen zonder dat het kind, zijn ouders of diegenen die het onder hun hoede hebben, werden gehoord. Bovendien dient die beslissing noch met redenen te worden omkleed, noch dient kennis ervan te worden gegeven. Zij wordt genomen buiten elk debat op tegenspraak. A.34.4. De verzoekende partij en de vzw « Association Syndicale des Magistrats » stellen vast dat het mogelijk is dat de adviseur of de directeur met wachtdienst helemaal niet op de hoogte zijn van de situatie die ter beoordeling aan het openbaar ministerie wordt voorgelegd. De beslissing van het openbaar ministerie om een kind te plaatsen kan dus worden genomen op basis van een gesprek met een persoon die de situatie niet kent. In de rondzendbrief wordt eveneens eraan herinnerd dat het openbaar ministerie de zaak dringend aanhangig kan maken bij de jeugdrechter. De spoedprocedures waarin reeds is voorzien in de wet of in het decreet, maken de bestreden bepalingen, die een onevenredige inmenging in de grondrechten van de kinderen en van hun ouders uitmaken, nutteloos. A.34.5. De verzoekende partij en de vzw « Association Syndicale des Magistrats » merken op dat in de rondzendbrief van 8 mei 2023 instellingen worden vermeld waarin plaatsen voor dringende huisvesting ter beschikking worden gesteld van het openbaar ministerie. De plaatsen in die instellingen zijn in werkelijkheid echter enkel beschikbaar tijdens de periode van de wachtdienst van de adviseurs en de directeurs en op voorwaarde dat het openbaar ministerie vraagt om een plaats te verkrijgen via de adviseurs en directeurs met wachtdienst. Buiten de uren van de wachtdienst wordt niet in enige opvangplaats voorzien. Daarenboven zijn die niet-aangevraagde plaatsen niet beschikbaar voor dringende plaatsingen waartoe door de jeugdgerechten wordt beslist. Doordat de decreetgever niet voorziet in bepalingen die zouden waarborgen dat een dringend geplaatst kind onmiddellijk een adequate huisvesting kan genieten, schendt hij de in het zesde middel bedoelde bepalingen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. De verzoekende partij, daarin ondersteund door de tussenkomende partij, vordert de vernietiging van de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het decreet van 23 juni 2022). B.2. Het decreet van 23 juni 2022 heeft een dubbel doel : - enerzijds, voert het een wachtdienst in voor adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en voor directeurs voor jeugdbescherming (artikelen 1 en 5 van het decreet van 23 juni 2022); 14 - anderzijds, verschaft het een wettelijke basis aan de beslissingen van het openbaar ministerie die ertoe strekken bij dringende noodzakelijkheid een kind buiten zijn leefomgeving te doen huisvesten, wanneer een ernstig gevaar de lichamelijke en psychische integriteit van het kind onmiddellijk en rechtstreeks bedreigt, werkelijk en zulks buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming, of indien de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd of de directeur voor jeugdbescherming niet kunnen worden bereikt tijdens die uren (bestreden artikelen 3 en 6 van het decreet van 23 juni 2022). B.3.1. Het bestreden artikel 3 van het decreet van 23 juni 2022 voegt in het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het Jeugdwetboek) een artikel 37/1 in. Artikel 37/1 van het Jeugdwetboek bepaalt : « § 1. Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer een ernstig gevaar thans de lichamelijke en psychische integriteit van het kind rechtstreeks en buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd [bedreigt] of als de adviseur niet kan worden bereikt tijdens de betrokken uren, kan het Openbaar Ministerie de maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° nemen. De maatregel eindigt uiterlijk aan het einde van de eerste werkdag volgend op het ogenblik waarop de maatregel genomen is. § 2. De jeugdrechtbank neemt kennis van de betwistingen met betrekking tot de maatregel bedoeld in paragraaf 1 genomen door het Openbaar Ministerie en die hem voorgelegd werden door de personen bedoeld in artikel 36, eerste lid ». B.3.2. Het bestreden artikel 6 van het decreet van 23 juni 2022 voegt in het Jeugdwetboek een artikel 52/1 in. Artikel 52/1 van het Jeugdwetboek bepaalt : « § 1. Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer een ernstig gevaar thans de lichamelijke en psychische integriteit van het kind rechtsreeks en buiten de openingsuren van de diensten voor jeugdbescherming bedreigt of als de directeur niet kan worden bereikt tijdens de betrokken uren, kan het Openbaar Ministerie de maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° nemen. De maatregel eindigt uiterlijk aan het einde van de eerste werkdag volgend op het ogenblik waarop de maatregel genomen is. 15 § 2. De jeugdrechtbank neemt kennis van de betwistingen met betrekking tot de maatregel bedoeld in paragraaf 1 genomen door het Openbaar Ministerie en die hem voorgelegd werden door de personen bedoeld in artikel 54, eerste lid ». B.3.3.1. Bij de « maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° » van het Jeugdwetboek, waarnaar de bij de bestreden bepalingen ingevoegde artikelen 37/1 en 52/1 van het Wetboek verwijzen, wordt de beslissing beoogd « in uitzonderlijke omstandigheden [...] dat het kind [tijdelijk] buiten zijn leefomgeving zal worden gehuisvest met het oog op zijn opvoeding of [...] zijn behandeling ». B.3.3.2. Dankzij de artikelen 37/1 en 52/1 van het Jeugdwetboek, zoals zij werden ingevoegd bij de bestreden bepalingen, kan het openbaar ministerie bijgevolg een kind laten huisvesten buiten zijn leefomgeving, wanneer drie voorwaarden zijn vervuld. Er dient sprake te zijn van (
- i)een dringende noodzakelijkheid; (
- ii)de lichamelijke en psychische integriteit van het kind moet rechtstreeks en op het ogenblik zelf worden blootgesteld aan een ernstig gevaar, en (iii) de situatie moet zich voordoen buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming, of wanneer de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd of de directeur voor jeugdbescherming niet bereikbaar is. B.3.4. Een beroep tegen die maatregel kan bij de jeugdrechtbank worden ingesteld door de « personen bedoeld in artikel 36, eerste lid » en door de « personen bedoeld in artikel 54, eerste lid » van het Jeugdwetboek. Het gaat om
(1)de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen,
(2)de personen die het kind in rechte of in feite huisvesten,
(3)de personen die het recht hebben persoonlijk contact met het kind te onderhouden,
(4)het kind dat ten minste veertien jaar oud is,
(5)het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een advocaat die, in voorkomend geval, van ambtswege wordt aangesteld op aanvraag van de adviseur, en
(6)het kind dat minder dan twaalf jaar oud is of zijn ad hoc-voogd indien de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen, de personen die het kind in rechte of in feite huisvesten of de personen die het recht hebben persoonlijk contact met het kind te onderhouden, de zaak niet aan de rechtbank voorleggen. 16 B.3.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Een nieuw artikel 37/1 wordt ingevoegd teneinde de pretoriaanse maatregel te legaliseren. Een terugkerende praktijk van het openbaar ministerie inzake hulpverlening aan de jeugd bestaat erin in bepaalde omstandigheden een maatregel te nemen van huisvesting buiten de leefomgeving voor een periode van zeer korte duur, wanneer verondersteld wordt dat het kind onmiddellijk en rechtstreeks is blootgesteld aan een ernstig gevaar, en dat in afwachting van het optreden van de adviseur. Die praktijk is zeer frequent in sommige gerechtelijke arrondissementen, ’s avonds, op feestdagen en in weekends, waarbij de adviseur over het algemeen het beheer van de situatie opnieuw opneemt vanaf de eerstvolgende werkdag. Daardoor kan in bepaalde situaties verschijning voor de jeugdrechtbank worden vermeden en kunnen die situaties beheerd blijven in het kader van de vrijwillige hulpverlening. Het legaliseren van de pretoriaanse maatregel krijgt zijn volle betekenis in het kader van de wachtdienst van de adviseurs en directeurs. De aan het openbaar ministerie officieel geboden mogelijkheid om voor een kind een verwijderingsmaatregel te nemen voor een zeer beperkte periode die zich uitstrekt over het weekend en de eerstvolgende werkdag, laat de adviseur immers de gelegenheid om de situatie op de voet te volgen binnen de grenzen van de vrijwillige hulpverlening » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, p. 8). B.4.
- De wachtdienst van de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeurs voor jeugdbescherming wordt gecoördineerd per zone en wordt georganiseerd volgens de door de Regering vastgelegde nadere regels. B.4.
- De adviseur voor hulpverlening aan de jeugd is een administratieve overheid die onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar van de bevoegde administratie van de Franse Gemeenschap staat. Hij of zij leidt de dienst voor hulpverlening aan de jeugd en moet zijn of haar bevoegdheden inzake individuele hulpverlening in volle onafhankelijkheid uitoefenen. Er is een adviseur in elke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg of in elk gerechtelijk arrondissement dat niet uit afdelingen bestaat (artikelen 2, 5°, 8°, 12° en 17°, 16 en 17 van het Jeugdwetboek). De directeur voor jeugdbescherming is een administratieve overheid, die onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar van de bevoegde administratie van de Franse Gemeenschap staat. Er is een directeur in elke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg of in elk gerechtelijk arrondissement dat niet uit afdelingen is samengesteld, om de dienst voor jeugdbescherming te leiden. Hij of zij dient zijn of haar bevoegdheden inzake individuele 17 bescherming in volle onafhankelijkheid uit te oefenen (artikelen 2, 5°, 10°, 12° en 17°, 18 en 19 van het Jeugdwetboek). B.4.
- Tijdens de wachtdienst bestaat de opdracht van de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeur voor jeugdbescherming erin het openbaar ministerie te informeren over het feit of het al dan niet opportuun is om met spoed over te gaan tot verwijdering van het betrokken kind uit de leefomgeving, - wanneer het openbaar ministerie overweegt de artikelen 37 of 37/1 van het Jeugdwetboek toe te passen in het kader van de hulpverlening aan de jeugd (artikel 35, § 5, van het Jeugdwetboek, zoals het is aangevuld bij artikel 1 van het decreet van 23 juni 2022); of - wanneer het openbaar ministerie van plan is de artikelen 52 en 52/1 van hetzelfde Wetboek toe te passen in het kader van de jeugdbescherming (artikel 53, § 6, van het Jeugdwetboek, zoals het is ingevoegd bij artikel 5 van het decreet van 23 juni 2022). B.4.4.
- Zoals het is gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 23 juni 2022, bepaalt artikel 37 van het Jeugdwetboek, waarnaar wordt verwezen : « §
- Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer een ernstig gevaar thans de lichamelijke en psychische integriteit van het kind rechtsreeks bedreigt, kan de jeugdrechtbank, zonder de toestemming van de bij artikel 23 bedoelde personen, voorlopig, voor een periode die niet langer dan dertig dagen mag zijn, de in artikel 51, eerste lid, 2° bedoelde maatregel nemen. Wanneer een zaak niet gevraagd wordt door de adviseur, vergewist het openbaar ministerie zich vooraf bij deze van het gebrek aan toestemming van de in artikel 23 bedoelde personen of van de onmogelijkheid om die toestemming te verkrijgen. De beslissing van de rechtbank wordt onmiddellijk aan de directeur meegedeeld, om overeenkomstig artikel 53 te worden uitgevoerd. De beslissing van de rechtbank bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de voorlopige maatregel die van toepassing zijn totdat de directeur, in voorkomend geval, andere nadere uitvoeringsregels neemt of in samenspraak met de in artikel 23 bedoelde personen een andere maatregel neemt, overeenkomstig artikel 53, §
- §
- Het openbaar ministerie kan de zaak bij de rechtbank uitzonderlijk rechtstreeks aanhangig maken wanneer het aantoont dat de adviseur niet kon worden bereikt en dat het in het belang van het kind niet mogelijk is om de organisatie en de uitvoering van de vrijwillige hulpverlening af te wachten. 18 In de gevallen bedoeld in het eerste lid waarin de adviseur niet kon worden bereikt en in de gevallen waarin de adviseur die voor de wachtdienst bedoeld in artikel 35, § 5, tweede lid, zorgt, niet op de hoogte is van de situatie, wordt de beslissing van de rechtbank onmiddellijk meegedeeld aan de adviseur die in deze gevallen de opdrachten uitoefent die verband houden met de uitvoering van een voorlopige maatregel bedoeld in artikel 53, §§ 1, 2, 3 en 5, en probeert de toestemming van de personen bedoeld in artikel 23 te verkrijgen wat betreft de maatregel of maatregelen die door de rechtbank worden genomen en betreffende hun wijziging. §
- Overeenkomstig artikel 53, § 5, derde lid, kan de voorlopige maatregel één keer worden verlengd met een periode van hoogstens vijfenveertig dagen ». B.4.4.
- Zoals het is gewijzigd bij artikel 4 van het decreet van 23 juni 2022, bepaalt artikel 52 van het Jeugdwetboek : « Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer de lichamelijke of geestelijke gezondheid van het kind thans rechtstreeks wordt bedreigd door een ernstig gevaar, en als er geen toestemming is van de in artikel 23 bedoelde personen, kan de jeugdrechtbank tijdelijk, voor niet meer dan dertig dagen, de maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2° nemen. Wanneer een zaak die bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt niet door de directeur wordt gevraagd, vergewist het openbaar ministerie zich bij deze ervan dat de in artikel 23 bedoelde personen hun toestemming niet hebben verleend of dat het onmogelijk was om die toestemming te krijgen. Het openbaar ministerie kan een zaak uitzonderlijk bij de rechtbank aanhangig maken, wanneer het aantoont dat de directeur niet kon worden bereikt en dat het in het belang van het kind niet mogelijk was om het optreden van de directeur af te wachten. De beslissing van de jeugdrechtbank wordt onmiddellijk aan de directeur overgezonden om overeenkomstig artikel 53 te worden uitgevoerd. De beslissing van de rechtbank bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de voorlopige maatregel die van toepassing zijn totdat de directeur, in voorkomend geval, andere uitvoeringsregels vaststelt of samen met de in artikel 23 bedoelde personen een andere maatregel neemt, overeenkomstig artikel 53, §
- Overeenkomstig artikel 53, § 5, derde lid, kan de voorlopige maatregel één keer worden verlengd met een periode van hoogstens vijfenveertig dagen ». B.4.4.
- De in artikel 23 van het Jeugdwetboek bedoelde personen, naar wie wordt verwezen, zijn het kind dat ten minste veertien jaar oud is, het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een van ambtswege aangestelde advocaat, in voorkomend geval, op aanvraag van de adviseur, en de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen. 19 B.4.
- In verband met de wachtdienst wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « Een proefproject van wachtdienst van de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeurs voor jeugdbescherming is van 4 oktober 2019 tot 31 mei 2020 in de gerechtelijke arrondissementen Luik en Luxemburg uitgeprobeerd. Het toen toegepaste mechanisme wordt beschreven in de omzendbrief van 1 augustus 2019 over het experimenteren met een systeem van wachtdienst van de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en van de directeurs voor jeugdbescherming, geüpdatet op 23 september
- Dat proefproject heeft bevestigd dat het opportuun was een systeem van wachtdienst uit te breiden tot alle gerechtelijke arrondissementen, waarbij eenieder de meerwaarde ervan kon erkennen, zowel in de rangen van de opdrachtgevers van de hulpverlening aan de jeugd en van de jeugdbescherming, als in die van het openbaar ministerie. Dat project heeft het immers mogelijk gemaakt de aflossingen tussen de adviseurs en directeurs en de leden van het parket te versterken, en tegelijkertijd de erkenning van de wederzijdse bevoegdheden te bevorderen. Insgelijks heeft het ingevoerde systeem in bepaalde gevallen het mogelijk gemaakt de noodsituaties te zien aankomen, waarbij de verschillende opdrachtgevers de adviseur of de directeur met wachtdienst verwittigen welke dossiers een verhoogd risico op verslechtering tijdens het weekend vertonen. Dankzij een dergelijke anticipatie kan de opdrachtgever met wachtdienst over de nuttige elementen beschikken wanneer de noodsituatie zich voordoet. Het proefproject heeft aangetoond dat het optreden van de opdrachtgevers van de Gemeenschap en dat van het openbaar ministerie beter op elkaar dienden te worden afgestemd. Aangezien dat laatste de eerste interveniënt is bij een crisissituatie en een situatie van gevaar, is de pretoriaanse maatregel immers een essentieel element van de wachtdienstregeling gebleken. [...] [...] voor de langere periodes van de weekends of de feestdagen tijdens welke de opdrachtgever van de Gemeenschap niet kan worden bereikt, is het verstandig gebleken dat het openbaar ministerie kan steunen op de psychosociale expertise en de bijzondere competenties die aan de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en aan de directeurs voor jeugdbescherming worden toegekend. Bijgevolg voorziet het wachtdienstsysteem zoals het is uitgedacht in een nauwe samenwerking tussen het openbaar ministerie en de opdrachtgevers van de hulpverlening aan de jeugd en van de jeugdbescherming opdat de beste oplossing kan worden gevonden bij een noodgeval. […] Bij het wachtdienstsysteem zoals het is uitgedacht wordt aldus gezocht naar een evenwicht : het systeem consolideert gedurende de periodes van sluiting van de diensten van de Franse Gemeenschap het in het decreet van 18 januari 2018 verankerde beginsel van dejudicialisering, en tegelijkertijd waarborgt het het openbaar ministerie een substantiële hulp bij de besluitvorming via het doorgeven van informatie, beoordelingselementen en richtsnoeren. Daarenboven heeft het proefproject inzake wachtdienst getoond dat het systeem het mogelijk maakt saisines van de jeugdrechter te vermijden, hetgeen op middellange of 20 langere termijn een vermindering mogelijk maakt van het aantal procedures die door het openbaar ministerie moeten worden gevolgd » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, pp. 3-5). In de commissie heeft de minister gepreciseerd : « Het model van wachtdienst stelt tijdens de weekends en de feestdagen alsook op vrijdagavond telefonische permanenties van de opdrachtgevers van de Gemeenschap in. De opdrachtgevers kunnen worden gecontacteerd door de procureurs. Meer dan eenvoudige uitwisselingsmomenten gaat het werkelijk erom het vervolg te organiseren van de tenlasteneming van de betrokken situatie. Dat model biedt de onderhandelde hulpverlening de mogelijkheid haar rol ten volle te vervullen en de gerechtigden de competenties te bieden van de opdrachtgevers, die gewend zijn om met jongeren in gevaar te werken. Het opzetten van een snelle overname door de opdrachtgevers waarborgt ook dat de jongeren en de gezinnen het voordeel van een onmiddellijke tenlasteneming genieten. De invoering van dat model van wachtdiensten is een essentiële etappe in de inwerkingstelling van een vollediger systeem van wachtdiensten dat idealiter de organisatie van een fysiek model van opdrachtgevers, vergezeld van leden van de sociale en administratieve afdelingen, zou moeten beogen. Een dergelijk model vereist evenwel aanzienlijke budgettaire en menselijke middelen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/2, pp. 4-5). Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 13 van de Grondwet doordat de bestreden bepalingen het openbaar ministerie de bevoegdheid geven om een kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving te plaatsen wanneer de toepassingsvoorwaarden van die bepalingen zijn vervuld. Volgens de verzoekende partij en de tussenkomende partij vormt een maatregel tot plaatsing van een kind een ernstige inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van het kind en van zijn gezin, waartoe slechts kan worden besloten door een rechter, in het kader van een procedure die minstens het verhoor van de betrokkenen waarborgt. De bestreden bepalingen zouden tot gevolg hebben rechtzoekenden tegen hun wil te onttrekken aan de rechter die de wet hun toekent. 21 B.6.
- Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter, dat in een rechtsstaat een fundamenteel recht is. Het recht op toegang tot een rechter vormt een element dat inherent is aan het recht op een eerlijk proces dat is vastgelegd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170, § 36; grote kamer, 15 maart 2022, Grzęda t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD004357218, § 342). De draagwijdte van die verdragsbepaling is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de in die beide bepalingen geboden waarborgen een onlosmakelijk geheel vormen. B.6.
- De verwezenlijking van het recht op toegang tot een rechter impliceert een daadwerkelijke rechterlijke tussenkomst (EHRM, grote kamer, 15 maart 2018, Naït-Liman t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2018:0315JUD005135707, §§ 112 en 113). B.6.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij en de tussenkomende partij aanvoeren, impliceert het recht op toegang tot een rechter echter niet dat elke zelfs aanzienlijke maatregel die het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven beperkt, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter dient te worden genomen. Ook al kan het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter om een dergelijke maatregel aan te nemen een waarborg vormen voor de naleving van andere grondrechten, zoals het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven of het recht op eerbiediging van de woning, toch vloeit zulks niet voort uit het recht op toegang tot een rechter. B.
- In zoverre het eerste middel, dat in essentie is afgeleid uit de schending van artikel 13 van de Grondwet, uitsluitend steunt op de kritiek dat de bestreden bepalingen, bij dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid om een kind dat ernstig gevaar loopt tijdelijk buiten zijn leefomgeving te plaatsen toevertrouwen aan het openbaar ministerie, en niet aan de jeugdrechtbank, is het niet gegrond. 22 Wat betreft het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde middel B.
- De grieven die door de verzoekende partij en de tussenkomende partij worden opgeworpen in het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde middel, zijn nauw met elkaar verbonden, zodat het Hof ze samen onderzoekt. B.9.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partij en de tussenkomende partij voeren aan dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de kinderen die door het openbaar ministerie buiten hun leefomgeving worden geplaatst op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek en de gezinnen van die kinderen en, anderzijds, de kinderen die door een rechter, te dezen de jeugdrechtbank, worden geplaatst en de gezinnen van die kinderen, niet redelijk verantwoord is omdat het louter voortkomt uit de werking van de administratie op het ogenblik dat de beslissing om het kind te plaatsen wordt genomen. B.9.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 9, lid 2, en 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met het algemeen rechtsbeginsel van tegenspraak en van de rechten van de verdediging, en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij en de tussenkomende partij voeren aan dat het algemeen rechtsbeginsel van tegenspraak niet gewaarborgd is doordat er geen hoorzitting is voor het kind dat op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek door het openbaar ministerie wordt geplaatst, wanneer het kind de vereiste leeftijd en maturiteit heeft (eerste onderdeel), en doordat geen enkele andere waarborg van een eerlijk proces in acht wordt genomen (tweede onderdeel). B.9.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 144 van de Grondwet. 23 De verzoekende partij en de tussenkomende partij doen gelden dat er, bij plaatsing van een kind op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek zonder het akkoord van het kind of van zijn gezin, een geschil is betreffende burgerlijke rechten waarover een rechtbank een beslissing moet nemen. B.9.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het beroep dat kan worden uitgeoefend tegen de maatregel tot plaatsing van een kind die op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek door het openbaar ministerie is genomen, niet doeltreffend is. B.9.
- Het zesde middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partij en de tussenkomende partij voeren aan dat de beslissing van het openbaar ministerie om een kind te plaatsen op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek een onverantwoorde en onevenredige inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. B.10.
- Om te beginnen bevat het verzoekschrift, in het tweede middel, geen uiteenzetting waaruit zou blijken in welk opzicht artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, afzonderlijk gelezen, geschonden zou zijn. Het middel is bijgevolg, in zoverre het uit de schending van die verdragsbepaling is afgeleid, niet ontvankelijk. B.10.2.
- Vervolgens voeren de verzoekende partij en de tussenkomende partij in het derde middel aan dat de waarborgen die zijn voorgeschreven bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet in acht zijn genomen. De bestreden bepalingen zouden in het bijzonder het algemeen rechtsbeginsel van tegenspraak, de toegang tot het 24 dossier, het optreden van een advocaat, de verplichting om de beslissing te motiveren, het recht van de partijen of van het kind om te concluderen, en de kennisgeving van de beslissing tot plaatsing en van de rechtsmiddelen niet waarborgen. B.10.2.
- De waarborgen vervat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn echter niet van toepassing op het openbaar ministerie wanneer het beslist om een kind te plaatsen op grond van de bestreden bepalingen, omdat het, doordat het niet beschikt over een jurisdictionele bevoegdheid, geen « rechterlijke instantie » in de zin van die bepaling vormt (EHRM, 1 december 2020, Guðmundur andri Ástráðsson t. Ijsland, grote kamer, ECLI:CE:ECHR:2020:1201JUD002637418, § 219). B.10.2.
- Het derde middel is bijgevolg niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.10.2.
- Het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging, waarvan het beginsel van tegenspraak en het recht van verdediging deel uitmaken, geldt voor alle rechtscolleges en voor een administratieve overheid wanneer zij sancties of straffen wil opleggen. Het openbaar ministerie is noch een rechtscollege, noch een administratieve overheid die sancties of straffen wil opleggen. Het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging geldt dus niet voor het openbaar ministerie wanneer het een maatregel tot plaatsing van een kind neemt op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek. Het derde middel is dus niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel van tegenspraak en van de rechten van de verdediging. B.10.2.
- Het derde middel dient wel te worden onderzocht in zoverre het is afgeleid uit de schending van de grondwets- en verdragsbepalingen die het recht van het kind om te worden gehoord gezien zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen, vastleggen. B.10.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 25 Uit de uiteenzetting van het in het verzoekschrift vervatte middel kan worden afgeleid dat de verzoekende partij kritiek uitoefent op het ontbreken van een daadwerkelijk rechtsmiddel waarmee men zich kan beroepen op een schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, dat met name wordt gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aangezien de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt aangevoerd in het zesde middel, en rekening houdend met het feit dat het Hof het vijfde en het zesde middel samen onderzoekt, is het vijfde middel ontvankelijk. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12.
- Volgens artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet heeft elk kind het recht zijn mening te uiten « in alle aangelegenheden die het aangaan », en « [wordt] met die mening […] rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen ». Volgens artikel 12, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind dienen de Staten die partij zijn bij dat Verdrag het kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen het recht te verzekeren die mening vrijelijk te uiten « in alle aangelegenheden die het kind betreffen ». Volgens lid 2 van die bepaling moet het kind in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord « in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft ». B.12.
- In zoverre artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind aan kinderen het recht verleent hun eigen mening te uiten in alle hen betreffende aangelegenheden, heeft het 26 een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet, zodat die twee bepalingen een onlosmakelijk geheel vormen. B.12.
- Artikel 9 van hetzelfde Verdrag bepaalt : «
- De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijk recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
- In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.
- De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind. […] ». B.12.
- In zoverre artikel 9, lid 2, van hetzelfde Verdrag moet worden begrepen in die zin dat het de kinderen, indien zij de vereiste leeftijd en maturiteit hebben, onder meer de gelegenheid biedt aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen wanneer zij tegen de wil van hun ouders van hen worden gescheiden, heeft die bepaling eveneens een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet, waarmee zij een onlosmakelijk geheel vormt. B.
- Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het bestaan van een internrechtelijk rechtsmiddel waarmee men zich kan beroepen op de rechten en vrijheden die in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn vastgelegd. Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft dus geen onafhankelijk bestaan (EHRM, 7 juli 2009, Zavoloka t. Letland, ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD005844700, § 35). Om doeltreffend te zijn, moet een rechtsmiddel rechtstreeks een oplossing kunnen bieden voor de bekritiseerde situatie (Commm. Eur. D.H., beslissing, Pine Valley Developments Ltd 27 en anderen t. Ierland, 1989). De draagwijdte van de toetsing moet dus ruim genoeg zijn en de bevoegde autoriteiten moeten de grief die is afgeleid uit de schending van een grondrecht dat is gewaarborgd bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ten gronde onderzoeken (EHRM, 8 juli 2003, Hatton en anderen t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2003:0708JUD003602297, § 141). Om doeltreffend te zijn, moeten rechtsmiddelen passend zijn en toegankelijk voor de betrokkene (EHRM, 11 juni 2009, Petkov en anderen t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2009:0611JUD007756801, § 82; EHRM, beslissing, 27 maart 2003 en 22 mei 2003, Paulino Tomás t. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2003:0327DEC005869800). B.14.
- Artikel 144 van de Grondwet bepaalt : « Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. De wet kan echter, volgens de door haar bepaalde nadere regels, de Raad van State of de federale administratieve rechtscolleges machtigen om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van hun beslissingen ». Bij die grondwetsbepaling wordt de bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen over een burgerlijk recht exclusief toevertrouwd aan de gewone rechtscolleges, onder voorbehoud dat de wet aan de Raad van State of de federale administratieve rechtscolleges de bevoegdheid kan toewijzen om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van hun beslissingen. B.14.
- Een categorie van personen die waarborg ontzeggen, zou erop neerkomen dat een verschil in behandeling wordt ingevoerd dat niet bestaanbaar is met artikel 144 van de Grondwet en dat bijgevolg niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.15.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». 28 B.15.
- De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.15.
- Artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : «
- Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.
- Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ». B.15.
- Volgens artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind heeft een kind, onder meer, « voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd ». B.15.
- Voor een ouder en zijn kind vormt het samenzijn een fundamenteel element van het gezinsleven en vormen de maatregelen die dat samenzijn belemmeren een inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven (EHRM, grote kamer, 10 september 2019, Strand Lobben en anderen t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313, § 202). Het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven dat bij de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen wordt gewaarborgd, sluit een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven niet uit, maar vereist dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. In de zaken over de plaatsing van een kind door een overheidsinstantie, moet het belang van het kind de voorrang krijgen boven alle andere overwegingen. Het hogere belang van het kind kan primeren op dat van de ouders (EHRM, grote kamer, 10 september 2019, Strand 29 Lobben en anderen t. Noorwegen (ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313, §§ 206 en 207). Tegelijkertijd vormt het streven naar de eenheid van een gezin en naar gezinshereniging in geval van scheiding een overweging die inherent is aan het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Bijgevolg
(1)kunnen alleen zeer uitzonderlijke omstandigheden in principe leiden tot een verbreking van de gezinsband (EHRM, grote kamer, 10 september 2019, Strand Lobben en anderen t. Noorwegen);
(2)mag een kind niet worden gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, beslissen dat die scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Het komt de lidstaten toe praktische en effectieve procedurele waarborgen in te voeren zodat kan worden toegezien op de bescherming en de tenuitvoerlegging van het hoger belang van het kind (ibid., § 207);
(3)impliceert artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ten laste van elke overheid die een tenlasteneming van het kind zou bevelen waardoor het gezinsleven wordt beperkt, een positieve verplichting om maatregelen te nemen teneinde de gezinshereniging te vergemakkelijken zodra dat echt mogelijk zal zijn (ibid., § 205). Die positieve verplichting wordt aan de bevoegde autoriteiten opgelegd vanaf het begin van de periode van tenlasteneming en met steeds meer aandrang, maar moet steeds worden afgewogen tegen de plicht om het hoger belang van het kind in overweging te nemen (ibid., § 208). B.
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering is het in het tweede middel aangeklaagde verschil in behandeling, namelijk het verschil tussen de kinderen die door het openbaar ministerie worden geplaatst op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek en de kinderen die door de jeugdrechtbank worden geplaatst op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek, onbestaande omdat het openbaar ministerie, zelfs buiten de openingsuren van de diensten voor hulpverlening en jeugdbescherming, steeds kan beslissen de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek, opdat die laatste zou overgaan tot plaatsing van het kind. 30 Het feit dat het openbaar ministerie de mogelijkheid behoudt om de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek opdat die laatste zou beslissen over de plaatsing van het kind, doet echter geen afbreuk aan de bij de bestreden bepalingen aan het openbaar ministerie verleende bevoegdheid om een kind te plaatsen op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek, zodat het aangeklaagde verschil in behandeling wel degelijk bestaat. B.17.
- Het Hof dient na te gaan of dat verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord is. B.17.
- Elke maatregel tot plaatsing van een kind buiten zijn leefomgeving vormt een ernstige inbreuk op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van het kind en zijn gezin. Hoewel hij geacht wordt van korte duur te zijn, vormt de maatregel tot plaatsing van een kind waartoe het openbaar ministerie beslist op grond van de artikelen 37/1 en 52/1 van het Jeugdwetboek, eveneens een ernstige inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de personen op wie de maatregel betrekking heeft, maatregel die de in B.15.5 vermelde waarborgen in acht moet nemen. B.18.
- Met het decreet van 23 juni 2022 streeft de decreetgever in de eerste plaats naar een dejudicialisering van de hulpverlening en jeugdbescherming buiten de openingsuren van de bevoegde administratieve diensten of wanneer die niet toegankelijk zijn (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, pp. 1, 3, 5 en 6). Het beginsel van dejudicialisering, dat het beleid inzake hulpverlening en jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap beheerst, is verankerd in artikel 1, 7°, van het Jeugdwetboek, dat bepaalt dat « hulpverlening en bescherming worden georganiseerd in het kader van dejudicialisering en subsidiariteit van verplichte hulpverlening tegenover vrijwillige hulpverlening ». Zoals de Franse Gemeenschap het voorstaat, dient het beginsel van dejudicialisering van de hulpverlening en jeugdbescherming, in combinatie met een beginsel van subsidiariteit van verplichte hulpverlening tegenover vrijwillige hulpverlening, te worden begrepen als de wil 31 om, indien en voor zover dat mogelijk is, te vermijden dat een zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt om een situatie te behandelen waarin een kind in moeilijkheden of in gevaar verkeert. Het beginsel van dejudicialisering kan echter niet worden begrepen, zoals de verzoekende partij aanvoert, als de wil om het optreden van het openbaar ministerie, dat een gerechtelijke instantie is, te vermijden. B.18.
- Ten tweede wil de decreetgever de inachtneming van het beginsel van een gelijke behandeling en niet-discriminatie van kinderen waarborgen naargelang de noodsituatie waarin zij zich bevinden zich binnen of buiten de openingsuren (of toegankelijkheidsuren) van de diensten voor hulpverlening en jeugdbescherming voordoet (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, pp. 5-6; Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/2, pp. 5-6). B.18.
- De voormelde doelstellingen zijn legitiem. Voor het overige staat het niet aan het Hof te oordelen of de door de decreetgever gemaakte keuzes bij het uitwerken van zijn beleid inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming opportuun en concreet realiseerbaar zijn. B.19.
- Om die doelstellingen te bereiken, heeft de decreetgever twee maatregelen genomen, zoals in B.2 is vermeld. Ten eerste heeft hij een wachtdienst opgericht, voor de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd en voor de directeurs voor jeugdbescherming, buiten de openingsuren van de administratieve diensten. Ten tweede heeft de decreetgever met de bestreden bepalingen een wettelijke basis verschaft aan de bestaande praktijk om een kind buiten zijn leefomgeving te plaatsen op grond van een « pretoriaanse beslissing » die door het openbaar ministerie wordt genomen bij dringende noodzakelijkheid en ernstig gevaar voor het kind. B.19.
- Het aldus door de decreetgever ontworpen systeem strekt ertoe het mogelijk te maken dat een kind dat in gevaar is buiten zijn leefomgeving wordt geplaatst zonder in dat stadium de zaak voor te leggen aan de jeugdrechtbank, in afwachting van de bereikbaarheid 32 van de diensten voor hulpverlening en jeugdbescherming, opdat die het beheer van het dossier zo snel mogelijk kunnen overnemen om te vermijden dat de zaak in een later stadium aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank. In het licht van de beoogde dejudicialisering is het dus coherent dat de decreetgever een automatische saisine van de jeugdrechtbank wenst te vermijden wanneer de diensten voor hulpverlening of jeugdbescherming gesloten of niet bereikbaar zijn, aangezien het openbaar ministerie voortaan, in dat geval, zelf kan beslissen tot plaatsing van een kind dat in ernstig gevaar verkeert, bij dringende noodzakelijkheid, en het daartoe de zaak niet langer moet voorleggen aan de jeugdrechter op grond van de artikelen 37 en 52 van het Jeugdwetboek. Doordat is bepaald dat de door het openbaar ministerie genomen maatregel tot plaatsing van het kind tot aan het einde van de eerstvolgende werkdag duurt, beschikt de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd of de directeur voor jeugdbescherming in principe over de mogelijkheid om de situatie van het kind te behandelen vanaf de ochtend van de eerste werkdag, teneinde een akkoord te proberen te bereiken met het gezin. Indien zulk een akkoord met het gezin wordt bereikt, wordt ook in dat stadium een saisine van de jeugdrechtbank vermeden. B.19.
- De decreetgever wil aldus waarborgen dat alle kinderen die in gevaar verkeren op dezelfde manier worden behandeld, ongeacht of de noodsituatie zich binnen of buiten de openingsuren van de diensten voordoet of wanneer die diensten niet bereikbaar zijn, namelijk door in alle gevallen voorrang te geven aan een dejudicialisering van de noodsituatie. B.
- De bestreden bepalingen verlenen het openbaar ministerie, dat wil zeggen magistraten zonder rechtsprekende bevoegdheid maar van wie de onafhankelijkheid is gewaarborgd bij artikel 151, § 1, van de Grondwet, een bevoegdheid om onmiddellijk te reageren ten aanzien van een dringende noodsituatie waarin een kind in ernstig gevaar is, teneinde het hoger belang van dat kind te vrijwaren. Rekening houdend met de behoefte van de overheid om onverwijld te reageren ten aanzien van een dringende noodsituatie waarin een kind in ernstig gevaar is, is de uitdrukkelijke toekenning aan het openbaar ministerie van de bevoegdheid om, in die situatie, een kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving te plaatsen een maatregel die als zodanig verantwoord kan zijn. 33 B.
- De verzoekende partij en de tussenkomende partij voeren aan dat het openbaar ministerie regelmatig beslist om een kind buiten zijn leefomgeving te plaatsen, zonder dat er sprake is van dringende noodzakelijkheid. Een « dringende noodzakelijkheid » is evenwel een voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van de bevoegdheid van het openbaar ministerie, die bij de bestreden bepalingen is vastgesteld. Indien een kind door het openbaar ministerie wordt geplaatst zonder dat er sprake is van « dringende noodzakelijkheid », gaat het om een bevoegdheidsoverschrijding die voortvloeit uit de uitvoering van de bestreden bepalingen en die aan de toetsing door het Hof ontsnapt. B.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij en de tussenkomende partij aanvoeren, kan de decreetgever van oordeel zijn dat, ondanks de wachtdiensten die door de jeugdrechtbanken worden georganiseerd, de bestreden bepalingen niet nutteloos zijn. De gemeenschappen hebben immers, krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de volheid van bevoegdheid tot het regelen van de jeugdbescherming in de ruimste zin van het woord, behalve voor de uitdrukkelijk erin vermelde uitzonderingen. Bij de uitoefening van die bevoegdheid kan de decreetgever voorrang geven aan de dejudicialisering van een situatie waarin een kind in gevaar is, en kan hij, indien mogelijk, een saisine van de jeugdrechter, dus met inbegrip van de rechter « van wacht », vermijden. Zo is het, bij de uitoefening van diezelfde bevoegdheid, een beleidskeuze om, bij dringende noodzakelijkheid, aan het openbaar ministerie de bevoegdheid te verlenen om een kind dat in ernstig gevaar verkeert buiten zijn leefomgeving te plaatsen, in afwachting van de heropening van de diensten voor hulpverlening en jeugdbescherming, teneinde na te gaan of het mogelijk is vrijwillige hulpverlening te bieden aan dat kind en zijn gezin. Bij die beleidskeuze is de decreetgever evenwel verplicht om de bevoegdheidverdelende regels en de grondrechten in acht te nemen, hetgeen het Hof dient na te gaan. B.23.
- Zoals in B.15.5 is vermeld, verplichten de grondwets- en verdragsbepalingen die België binden en die het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgen, de bevoegde autoriteiten om een einde te maken aan een maatregel tot plaatsing van een kind « zodra dit echt mogelijk zal zijn ». 34 Bovendien mag de plaatsing van een kind buiten zijn gezin, ook al is zij van korte duur, slechts een uitzonderlijke maatregel zijn die van zo kort mogelijke duur moet zijn. Dat is des te meer het geval wanneer het kind, zoals te dezen, wordt geplaatst zonder beslissing van een rechter. In de parlementaire voorbereiding wordt trouwens aangegeven dat de maatregel tot plaatsing van een kind die wordt genomen op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek, « aangezien hij kan worden genomen zonder de instemming van de betrokkenen en zonder de waarborgen die door een rechtbank worden geboden, moet worden begrepen als een voorlopige maatregel waarvan het uitgangspunt is dat hij van zo kort mogelijke duur moet zijn » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/1, pp. 4 en 5). B.23.
- Artikel 35, § 5, van het Jeugdwetboek, zoals het werd aangevuld bij artikel 1 van het decreet van 23 juni 2022, en artikel 53, § 6, van hetzelfde Wetboek, zoals het werd ingevoegd bij artikel 5 van het decreet van 23 juni 2022, bepalen dat een wachtdienst voor adviseurs en een wachtdienst voor directeurs, gecoördineerd per zone, worden « georganiseerd volgens de door de Regering [vastgestelde] nadere regels ». Die bepalingen omschrijven de opdracht van de adviseur en van de directeur van wacht overigens als het informeren van het openbaar ministerie over de geschiktheid om met spoed over te gaan tot verwijdering van het betrokken kind uit de leefomgeving wanneer het openbaar ministerie van plan is de artikelen 37 of 37/1 dan wel de artikelen 52 of 52/1 toe te passen. Zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 397/2, pp. 4-5), is die wachtdienst echter beperkt tot een telefonische wachtdienst die operationeel is op vrijdagavond, op feestdagen en tijdens het weekend, doordat de Franse Gemeenschap geen aanzienlijkere budgettaire middelen ervoor kan uittrekken. Het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 25 augustus 2022 « tot uitvoering van de artikelen 35, § 5, tweede lid, en 53, § 6, van het decreet van 18 januari 2018 houdende het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het besluit van 25 augustus 2022) bekrachtigt het beperkte karakter van de « aanwezigheidsdienst » door hem te definiëren als « de verplichting voor de adviseur, de adjunct-adviseur voor hulpverlening aan de jeugd en de directeur, de adjunct-directeur voor 35 jeugdbescherming, om telefonisch bereikbaar en beschikbaar te zijn op vrijdag van 17 tot 22 uur en op zaterdag en zondag van 9 tot 17 uur, alsook op feestdagen van 9 tot 17 uur ». Het besluit van 25 augustus 2022 legt artikel 35, § 5, en artikel 53, § 6, van het Jeugdwetboek ten uitvoer, door een wachtdienst in te voeren, die niet de hele periode omvat waarin het openbaar ministerie een kind kan plaatsen op grond van de artikelen 37/1 en 52/1 van het Jeugdwetboek. B.23.
- De grondwettigheidstoets van het Hof betreft enkel wetskrachtige normen. In dat verband stelt het Hof vast dat, los van de uitvoering ervan door de Franse Gemeenschapsregering, artikel 35, § 5, van het Jeugdwetboek, zoals aangevuld bij artikel 1 van het decreet van 23 juni 2022 en artikel 53, § 6, van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 5 van het decreet van 23 juni 2022, die niet de bestreden bepalingen zijn, de Regering de mogelijkheid bieden om een operationele wachtdienst te organiseren gedurende de hele periode waarin de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en voor jeugdbescherming gesloten of niet bereikbaar zijn. B.24.
- De omstandigheid dat door de decreetgever in het optreden van de opdrachtgevers van de Gemeenschap wordt voorzien voordat de zaak eventueel wordt voorgelegd aan de jeugdrechtbank, om aldus de dejudicialisering van de jeugdbescherming te bevorderen, maar, tegelijk, dat de diensten voor hulpverlening en jeugdbescherming volgens het gebruikelijke uurrooster van de administratie werken en dat de wachtdienst van de opdrachtgevers van de Gemeenschap om budgettaire redenen is beperkt tot een telefonische wachtdienst die enkel op bepaalde tijdstippen operationeel is, verantwoordt bijgevolg niet dat de maatregel tot plaatsing van een kind die door het openbaar ministerie wordt genomen op grond van de artikelen 37/1 of 52/1 van het Jeugdwetboek, duurt tot het einde van de eerste werkdag volgend op het ogenblik waarop de maatregel is genomen. B.24.
- Rekening houdend met (i) de ernst van de aantasting van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven die hij impliceert, (ii) het feit dat hij niet wordt genomen door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank aan het einde van een procedure waarbij de eerbiediging van de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de 36 mens wordt gewaarborgd, hetgeen een uitzondering vormt op het beginsel uitgedrukt in artikel 1, 9°, van het Jeugdwetboek, volgens hetwelk « elke beschermingsmaatregel ten aanzien van een kind in gevaar [...] door de Franse Gemeenschap in het kader van een gerechtelijke beslissing [wordt] uitgevoerd », (iii) het feit dat hij kan worden opgelegd zonder dat wordt gewaarborgd dat de zaak op een later tijdstip aan een rechtbank wordt voorgelegd, (iv) en, vooral, met het feit dat hij is opgevat als een zeer voorlopige maatregel die een onmiddellijke reactie van de autoriteiten mogelijk maakt ten aanzien van een situatie van dringende noodzakelijkheid, om het hogere belang van het kind te vrijwaren, heeft een maatregel tot plaatsing van een kind die door het openbaar ministerie wordt genomen op grond van de artikelen 37/1 en 52/1 van het Jeugdwetboek onevenredige gevolgen voor de situatie van de geplaatste kinderen en hun gezinnen wanneer hij langer duurt dan tot het einde van de eerste dag volgend op die waarop de maatregel is genomen. B.24.
- Het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde middel zijn in die mate gegrond. B.24.
- In de artikelen 37/1, § 1 en 52/1, § 1, van het Jeugdwetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepalingen, dient telkens het woorddeel « werk » te worden vernietigd, zodat de door het openbaar ministerie genomen plaatsingsmaatregel ten laatste afloopt op het einde van de dag die volgt op die waarop de maatregel werd genomen. B.25.
- Indien de decreetgever beslist om het beoogde systeem te behouden, dient hij zich bijgevolg ervan te vergewissen dat de beschikking tot verwijdering van een kind uit zijn leefomgeving niet langer uitwerking heeft dan tot het einde van de eerste dag volgend op die waarop de maatregel is genomen. Uiterlijk na afloop van die termijn moeten, naar gelang van het geval, de diensten voor hulpverlening aan de jeugd of de diensten voor jeugdbescherming gecontacteerd zijn en in staat gesteld zijn om hun opdracht uit te oefenen, hetzij in het kader van hulpverlening met instemming, hetzij in het kader van verplichte hulpverlening. Wanneer die diensten, om welke reden ook, niet binnen die termijn kunnen optreden en tot een oplossing komen waarmee wordt ingestemd, komt het aan het openbaar ministerie toe, wanneer het oordeelt dat de verwijderingsmaatregel moet worden verlengd, de zaak aan de jeugdrechtbank voor te leggen op grond van de artikelen 37 of 52 van het Jeugdwetboek. B.25.
- Daaruit volgt dat de door het openbaar ministerie genomen maatregel tot verwijdering van een kind uit zijn leefomgeving, op het einde van de eerste dag volgend op die 37 waarop de maatregel is genomen, hetzij zal zijn opgeheven, hetzij instemming zal hebben verkregen van de in B.4.4.3 vermelde personen, hetzij zal zijn besproken en eventueel bekrachtigd bij een door de jeugdrechtbank genomen beslissing, die zelf vatbaar is voor beroep. Op die manier hebben de personen die betrokken zijn bij de maatregel tot verwijdering uit de leefomgeving de waarborg dat zij binnen een redelijke termijn een beoordeling kunnen verkrijgen, door een onafhankelijke en onpartijdige rechtsinstantie, wanneer zij zich verzetten tegen de plaatsingsmaatregel. B.
- In die omstandigheden kunnen de grieven van onwerkzaamheid en ondoeltreffendheid die door de verzoekende en de tussenkomende partij zijn geformuleerd in verband met het beroep dat bij de jeugdrechtbank openstaat tegen de door het openbaar ministerie genomen maatregel - zelfs indien zij gegrond zijn - niet leiden tot een vernietiging van de bestreden bepalingen. Rekening houdend met het feit dat die maatregel wordt gemotiveerd door een dringende noodzakelijkheid wanneer een ernstig gevaar dreigt voor de lichamelijke of psychische integriteit van een kind, waarborgt de regeling dat snel gevolg moet worden gegeven aan de maatregel - gezien de vernietiging van het woorddeel « werk » zoals aangegeven in B.24.4 – dat de veroorzaakte aantasting van de grondrechten van het kind en van zijn ouders niet onevenredig is. B.
- Ten slotte, ook al is het juist dat de bestreden bepalingen niet erin voorzien dat het kind, wanneer het er de leeftijd en het onderscheidingsvermogen voor heeft, wordt gehoord door het openbaar ministerie opdat het zijn mening zou kunnen geven over de plaatsingsmaatregel die wordt overwogen, noch dat zijn mening in aanmerking wordt genomen, kunnen zij niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij afwijken van artikel 22bis, tweede lid, van de Grondwet en van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, die vereisen dat een kind, wanneer het er de leeftijd en het onderscheidingsvermogen voor heeft, het recht heeft om zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan. De plaatsingsmaatregel waartoe het openbaar ministerie beslist, is duidelijk een aangelegenheid die het kind aangaat, zodat, wanneer het er de leeftijd en het onderscheidingsvermogen voor heeft, zijn mening moet worden ingewonnen door het openbaar ministerie ˗ eventueel via de politiediensten die ter plaatse optreden ˗ en op passende wijze in aanmerking moet worden genomen. De omstandigheid dat die maatregel wordt genomen in een situatie van dringende noodzakelijkheid, laat niet toe zich te onttrekken aan de naleving van die grondwettelijke en verdragsrechtelijke waarborg. 38 B.
- Onder voorbehoud van de in B.27 vermelde interpretatie zijn de voormelde middelen wat dat betreft niet gegrond. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.
- De Franse Gemeenschapsregering verzoekt het Hof om de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven indien « het Hof zou oordelen dat de Franse Gemeenschap bevoegd was om de essentiële elementen vast te stellen van de procedure inzake de beslissing van het openbaar ministerie op grond van de artikelen 37/1 en 52/1 van het Jeugdwetboek, en dat de in het geding zijnde bepalingen niet toereikend waren om de aangevoerde grondrechten te waarborgen ». B.
- Nu de gedeeltelijke vernietiging vermeld in B.24.4 geen betrekking heeft op dat punt, is er geen aanleiding om in te gaan op dat verzoek. 39 Om die redenen, het Hof
- vernietigt het woorddeel « werk » in de artikelen 37/1, § 1, en 52/1, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming », zoals ingevoegd bij de artikelen 3 en 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming »;
- onder voorbehoud van de in B.27 vermelde interpretatie, verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 november
- De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.153 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.141 ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170 ECLI:CE:ECHR:2003:0327DEC005869800 ECLI:CE:ECHR:2003:0708JUD003602297 ECLI:CE:ECHR:2009:0611JUD007756801 ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD005844700 ECLI:CE:ECHR:2018:0315JUD005135707 ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 ECLI:CE:ECHR:2020:1201JUD002637418 ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD004357218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div