← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.154

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.154 Arrest- Rolnummer: 154/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-04 Raadplegingen: 910 - laatst gezien 2026-06-19 03:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 41, 1° en 3°, van de wet van 30 juli 2022 en artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers », zoals ingevoegd bij artikel 41, 2°, van de wet van 30 juli 2022) - Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 40 en 41 van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II », ingesteld door de nv « Derby ». Kansspelen - Vaste kansspelinrichtingen klasse IV - Verplichtingen - Registratie van de gegevens van de spelers in het kader van de EPIS-controle (Excluded Persons Information System) - Foto die bij elk bezoek van de betrokken persoon wordt genomen - Bewaring van een kopie van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt - Persoonsgegevens - Bewaartermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 154/2023 van 23 november 2023 Rolnummer : 7891 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 40 en 41 van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II », ingesteld door de nv « Derby ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2022, heeft de nv « Derby », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 40 en 41 van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2022). Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepalingen. Bij het arrest nr. 25/2023 van 9 februari 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.025), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2023, tweede editie, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv « Fremoluc », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. L. Malluquin, advocaten bij de balie te Brussel; - de nv « Rocoluc », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. L. Malluquin; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 4 oktober 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang bij het beroep A.1.

  1. De verzoekende partij zet uiteen dat zij actief is op het gebied van spelen en weddenschappen, dat zij vergunninghouder F1 en F2 is en dat zij kansspelinrichtingen klasse IV uitbaat. Volgens haar raken de artikelen 40 en 41 van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » (hierna : de wet van 30 juli 2022), die respectievelijk de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999) wijzigen, haar situatie rechtstreeks en ongunstig, aangezien die bepalingen de uitoefening van haar activiteiten inperken en haar dwingende verplichtingen opleggen. A.1.
  2. De Ministerraad voert aan dat artikel 40 van de wet van 30 juli 2022 geen nadeel berokkent aan de verzoekende partij. Hij is van mening dat die bepaling niet het voorwerp uitmaakt van enig middel, noch van enige kritiek vanwege de verzoekende partij. Hij voegt eraan toe dat die bepaling zich ertoe beperkt het wettelijke kader inzake gegevensbescherming uit te voeren. Hij besluit hieruit dat het beroep gedeeltelijk onontvankelijk is. A.1.
  3. De verzoekende partij antwoordt dat niet wordt betwist dat het beroep ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 41 van de wet van 30 juli
  4. Zij verwijst eveneens naar het arrest van het Hof nr. 25/2023 van 9 februari 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.025), dat is gewezen in het kader van de vordering tot schorsing, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 40 van de wet van 30 juli
  5. A.1.
  6. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partij de bij het arrest van het Hof nr. 25/2023 gedane vaststelling van gedeeltelijke onontvankelijkheid niet betwist. Ten aanzien van het belang om tussen te komen A.2.
  7. De nv « Fremoluc » zet uiteen dat zij vergunninghouder C is en dat zij een kansspelinrichting klasse III uitbaat. Zij doet gelden dat zij in concurrentie treedt met de andere kansspelinrichtingen, ongeacht de klasse. Zij beklemtoont dat, aangezien de kansspelinrichtingen klasse III kansspelen aanbieden onder strikte voorwaarden, zij, in tegenstelling tot de kansspelinrichtingen klasse I, II en IV, niet aan de verplichting met 3 betrekking tot de EPIS controle (Excluded Persons Information System) en aan de verplichtingen inzake toegang worden onderworpen waarin is voorzien in de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999, die door de bestreden bepalingen worden gewijzigd. Volgens haar zou de vernietiging van de bestreden bepalingen de op de kansspelinrichtingen klasse I, II en IV van toepassing zijnde verplichtingen versoepelen en die kansspelinrichtingen bijgevolg een onverantwoord concurrentieel voordeel toekennen. Zij besluit daaruit dat zij belang erbij heeft om tussen te komen in de procedure. A.2.
  8. De nv « Rocoluc » zet uiteen dat zij vergunninghouder B en B+ is en dat zij een kansspelinrichting klasse II uitbaat en een website exploiteert waarop kansspelen van klasse II worden aangeboden. Zij doet gelden dat zij in concurrentie treedt met de andere kansspelinrichtingen, ongeacht de klasse. Zij beklemtoont dat zij is onderworpen aan de verplichting met betrekking tot de EPIS-controle en aan de verplichtingen inzake toegang waarin is voorzien in de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999, die door de bestreden bepalingen worden gewijzigd. Zij merkt op dat die verplichtingen enkel sedert de inwerkingtreding van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 7 mei 2019) op de kansspelinrichtingen klasse IV van toepassing zijn. Volgens haar zou de vernietiging van de bestreden bepalingen die verplichtingen kunnen raken en een weerslag kunnen hebben op de beroepen die de verzoekende partij heeft ingesteld bij de Raad van State en die ertoe strekken dat de kansspelinrichtingen klasse IV niet aan die verplichtingen worden onderworpen. Zij is van mening dat zulks een verschil in behandeling in haar nadeel zou teweegbrengen, aangezien zij aan die verplichtingen onderworpen zou blijven. Zij besluit daaruit dat zij belang erbij heeft om tussen te komen in de procedure. A.2.
  9. Het belang van de tussenkomende partijen wordt niet betwist door de andere partijen. Ten aanzien van het enige middel A.
  10. De verzoekende partij leidt een enig middel, dat is opgesplitst in twee onderdelen, af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 5, 6 en 9 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Wat betreft het eerste onderdeel A.4.
  11. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 22 van de Grondwet een formeel wettigheidsbeginsel bevat, dat vereist dat de wetgever zelf de essentiële elementen van een verwerking van persoonsgegevens vaststelt, die zijn opgesomd bij het arrest van het Hof nr. 33/2022 van 10 maart 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.033). Zij voegt eraan toe dat artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in het middel bedoelde verdragsbepalingen en met artikel 5, lid 1, van de AVG, een materieel wettigheidsbeginsel bevat, dat vereist dat een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven. Zij doet gelden dat de bestreden bepalingen die vereisten niet in acht nemen, in zoverre zij niet alle essentiële elementen van de verwerkingen van persoonsgegevens die zij toestaan, voldoende nauwkeurig vaststellen. Ten eerste merkt de verzoekende partij op dat de bestreden bepalingen voorzien in de verwerking van een nieuwe categorie van persoonsgegevens in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister, namelijk het nemen en bewaren van een foto van de spelers die vaste kansspelinrichtingen klasse IV binnengaan. Volgens haar worden de doeleinden die met die nieuwe verwerking worden nagestreefd, onvoldoende nauwkeurig omschreven in de bestreden bepalingen. Zij beklemtoont dat met die nieuwe verwerking een doel van bescherming van de spelers wordt nagestreefd, zoals blijkt uit

(1)de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 2022,
(2)de bewoordingen van artikel 41, 2°, van die wet, waarin wordt gepreciseerd dat het toegangsregister tot doel heeft de Kansspelcommissie in staat te stellen na te gaan of de EPIS-controle wel degelijk is uitgevoerd, en
(3)het feit dat het toegangsregister deel uitmaakt van de « maatregelen ter bescherming van spelers en gokkers », vervat in hoofdstuk VI van de wet van 7 mei
  1. Zij merkt op dat uit de commentaar bij het voorontwerp van wet evenwel blijkt dat de foto’s ook zullen kunnen worden gebruikt door de politie in het kader van onderzoeken die 4 geen verband vertonen met de naleving van de kansspelwetgeving. De verzoekende partij merkt op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State en de Gegevensbeschermingsautoriteit in hun adviezen zeer kritisch zijn geweest in dat verband. Zij beklemtoont dat het politiedoeleinde, ondanks die kritiek, werd bevestigd door de minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding. Volgens haar volgt daaruit dat met de nieuwe verwerking van persoonsgegevens een doel van bestraffing van misdrijven wordt nagestreefd, dat noch wordt verduidelijkt, noch omlijnd bij de bestreden bepalingen. Nog steeds volgens haar hebben de spelers dus geen voldoende duidelijk idee van de voorwaarden waaronder en van de doeleinden waarvoor hun foto zal kunnen worden gebruikt, zodat het wettigheidsbeginsel niet in acht wordt genomen. Zij doet eveneens gelden dat de bestreden bepalingen de artikelen 5, lid 1, b), 6, lid 4, en 9, leden 1 en 2, van de AVG schenden, die eraan in de weg staan dat foto’s - die, te dezen, als biometrische gegevens kunnen worden beschouwd - kunnen worden verwerkt voor een politiedoeleinde dat onverenigbaar is met het oorspronkelijke doeleinde van bescherming van de spelers. Ten tweede doet de verzoekende partij gelden dat de bestreden bepalingen een aantal essentiële elementen van de verwerkingen van persoonsgegevens die zij toestaan, niet vaststellen. Enerzijds, wat het EPIS-systeem betreft, stellen de bestreden bepalingen noch de categorieën van personen die toegang hebben tot de gegevens, noch de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens vast. Anderzijds, wat het toegangsregister betreft, identificeren de bestreden bepalingen noch de categorieën van personen die toegang hebben tot de gegevens, noch de verwerkingsverantwoordelijke. Volgens de verzoekende partij volgt daaruit dat de Koning wordt gemachtigd om essentiële elementen te bepalen. Zij verwijst in dat verband naar de in de artikelen 55, laatste lid, en 62, zesde en zevende lid, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde machtigingen. Zij besluit daaruit dat de bestreden bepalingen het wettigheidsbeginsel schenden. A.4.
  2. De Ministerraad verwijst allereerst naar de overwegingen B.53.3 en volgende van het arrest van het Hof nr. 177/2021 van 9 december 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177), die betrekking hadden op artikel 62 van de wet van 7 mei 1999, zoals het was gewijzigd bij de wet van 7 mei
  3. Volgens hem kunnen die overwegingen te dezen worden overgenomen. Wat betreft de doeleinden die worden nagestreefd met het nemen en bewaren van een foto van de speler, beklemtoont de Ministerraad dat de grief van de verzoekende partij is gebaseerd op commentaar die was vervat in het voorontwerp van wet maar die niet meer in het wetsontwerp voorkomt. Hij doet gelden dat de grief berust op een verkeerd postulaat, aangezien artikel 41 van de wet van 30 juli 2022 duidelijk is : de nagestreefde doeleinden zijn de bescherming van de spelers en de controle van de operatoren. Hij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 177/2021 en naar het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit over het ontwerp dat aan de oorsprong ligt van het koninklijk besluit van 20 maart 2022 « tot wijziging van twee Koninklijke Besluiten van 15 december 2004 met betrekking tot het EPIS-systeem en het toegangsregister » (hierna : het koninklijk besluit van 20 maart 2022). Volgens hem heeft de grief van de verzoekende partij betrekking op de concrete uitvoering van de verwerking van de verzamelde gegevens en niet op de grondwettigheid van artikel 41 van de wet van 30 juli
  4. Vervolgens doet de Ministerraad gelden dat de AVG hoe dan ook niet van toepassing is op de verwerking door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming en de opsporing van strafbare feiten, aangezien die aangelegenheid wordt geregeld bij de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/680). Hij voegt eraan toe dat uit de overwegingen 19 en 50 en uit de artikelen 4, 6 en 23 van de AVG blijkt dat die niet eraan in de weg staat dat informatie die is verzameld om aan specifieke doeleinden te beantwoorden, ook kan worden verwerkt met het oog op de voorkoming en de opsporing van strafbare feiten. Hij verduidelijkt dat de verzamelde gegevens enkel mogen worden doorgegeven binnen het precieze kader van het Wetboek van strafvordering. Wat betreft de grief volgens welke de bestreden bepalingen een aantal essentiële elementen van het EPIS-systeem niet vaststellen, doet de Ministerraad gelden dat de grief in werkelijkheid betrekking heeft op de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999 zoals zij luidden vóór de inwerkingtreding van de wet van 30 juli
  5. Volgens hem geldt hetzelfde voor de grieven die betrekking hebben op het toegangsregister en op de aan de Koning verleende machtigingen. Hij besluit daaruit dat die grieven losstaan van de bestreden bepalingen en dus onontvankelijk zijn. A.4.
  6. De verzoekende partij antwoordt, in de eerste plaats, dat het doeleinde met betrekking tot de bestraffing van misdrijven in de praktijk daadwerkelijk wordt nagestreefd, zoals blijkt uit een persartikel en uit een informatieverzoek dat is ingediend door een inspecteur van politie. Zij voegt eraan toe dat niet kan worden aangevoerd dat het uitsluitend een verkeerde toepassing van de wetgeving betreft, die niet aan de wetgever zou 5 kunnen worden toegeschreven, aangezien de samenwerking met de politie uitdrukkelijk is voorgesteld als een extra doeleinde in de parlementaire voorbereiding, ook in het verslag van de eerste lezing, dat dateert van na de adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State en van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Bovendien geeft zij aan dat de kortgedingrechter van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, bij een beschikking van 17 januari 2023, de toepassing heeft geschorst van de gegevensverwerkingen die in het voorliggende beroep tot vernietiging worden beoogd. Zij merkt op dat de kortgedingrechter de onwettigheid van de verwerking heeft erkend wegens het doel van bestraffing van misdrijven waarin niet uitdrukkelijk is voorzien als doeleinde. Ten slotte is zij van mening dat de richtlijn (EU) 2016/680 te dezen niet van toepassing is, aangezien de verplichting tot bewaring wordt opgelegd aan een private onderneming, en niet aan een « bevoegde autoriteit » in de zin van artikel 3, 7), van die richtlijn. In de tweede plaats merkt de verzoekende partij op dat artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 41 van de wet van 30 juli 2022, erin voorziet dat de foto moet worden genomen en bewaard « bij elk bezoek van de betrokken persoon ». Volgens haar zijn de bewoordingen « betrokken persoon » noch duidelijk, noch nauwkeurig, noch voorzienbaar. Zij merkt op dat die bewoordingen, op grond van de parlementaire voorbereiding en van het arrest van het Hof nr. 177/2021, in die zin zouden kunnen worden geïnterpreteerd dat zij enkel betrekking hebben op de spelers. Zij merkt evenwel op dat de Kansspelcommissie die bewoordingen in die zin interpreteert dat zij betrekking hebben op elke persoon die aanwezig is in het wedkantoor. Volgens de verzoekende partij volgt daaruit dat de identiteit van de personen op wie de gegevensverwerking betrekking heeft - die een essentieel element uitmaakt -, onvoldoende voorzienbaar is, zodat de in het middel bedoelde bepalingen zijn geschonden. Zij voegt eraan toe dat, aangezien de niet-naleving van artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 strafrechtelijk wordt bestraft, het door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen eveneens is geschonden. Ten slotte beklemtoont zij dat het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV », zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 maart 2022, niet meer duidelijkheid verschaft over dat punt. In de derde plaats beklemtoont de verzoekende partij dat er, bij gebrek aan nadere precisering over de technieken die voor de verwerking worden gebruikt, een risico bestaat dat de foto het voorwerp uitmaakt van een specifieke technische verwerking en dat die bijgevolg een biometrisch gegeven in de zin van artikel 4, 14), van de AVG is. Zij merkt op dat de verwerking van een dergelijk gegeven in de regel verboden is bij artikel 9, lid 1, van de AVG en dat geen van de in artikel 9, lid 2, van de AVG bedoelde uitzonderingen te dezen van toepassing is. Zij beklemtoont in dat verband dat de foto in de parlementaire voorbereiding en door de Ministerraad enkel wordt verantwoord als een vervanging voor de ondertekening van het register - ondertekening die evenwel verplicht blijft, hetgeen de nutteloosheid van de foto aantoont - of voor de identificatie via de elektronische identiteitskaart. Volgens de verzoekende partij wordt niet aangetoond dat een identificatie via de elektronische identiteitskaart misbruiken met zich mee zou kunnen brengen. Bovendien is zij van mening dat de foto het niet mogelijk maakt een afdoende antwoord te bieden op situaties waarin een persoon zijn identiteitskaart vrijwillig zou uitlenen aan een andere persoon, aangezien in dergelijke situaties beide betrokken personen meestal een fysieke gelijkenis vertonen. Ten slotte verzoekt zij om, in geval van twijfel over de kwalificatie als biometrisch gegeven, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. A.4.
  7. De Ministerraad repliceert dat de verwijzing door de verzoekende partij naar een persartikel en naar een informatieverzoek dat is ingediend door een inspecteur van politie, bevestigt dat de grief betrekking heeft op de concrete uitvoering van de verwerking en bijgevolg onontvankelijk is. Bovendien beperkt de verklaring van de minister van Justitie tijdens de bespreking in de commissie zich volgens hem tot het herinneren aan de prerogatieven van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter. Nog steeds volgens hem kan niet worden aangenomen dat met een gegevensverwerking een politiedoeleinde wordt nagestreefd, om de enkele reden dat er een mogelijkheid bestaat dat de gerechtelijke overheden toegang hebben tot die gegevens met inachtneming van het Wetboek van strafvordering. Wat de richtlijn (EU) 2016/680 betreft, is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partij het bijhouden van het register verwart met het gebruik dat ervan kan worden gemaakt door de politiediensten. Volgens hem valt dat gebruik onder het toepassingsgebied van die richtlijn. Nog steeds volgens hem wordt in de memorie van antwoord van de verzoekende partij de vraag betreffende het gebruik van de gegevens verschoven naar die over de bewaring van de gegevens. Hij doet gelden dat die grief niet tijdig is en dus onontvankelijk is. Wat betreft de grief met betrekking tot de vaagheid van de bewoordingen « betrokken persoon », merkt de Ministerraad op dat die grief voor de eerste keer wordt opgeworpen in de memorie van antwoord en dus niet tijdig is. Vervolgens voert hij aan dat uit artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 blijkt dat de « betrokken persoon » enkel een speler kan zijn. Volgens hem is die conclusie niet in tegenspraak met de interpretatie van de 6 Kansspelcommissie. Hij voegt eraan toe dat een uitgesloten speler moet worden geregistreerd, ook al mag hij niet spelen. Hij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 177/2021 en naar artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV ». Wat betreft de grief die is afgeleid uit de schending van artikel 9, leden 1 en 2, van de AVG in zoverre de foto een biometrisch gegeven vormt, doet de Ministerraad gelden dat die grief niet tijdig is. Hij merkt vervolgens op dat de Gegevensbeschermingsautoriteit niet heeft geoordeeld dat het verzamelen van de foto’s op zich in strijd was met de AVG. Hij beklemtoont dat bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV » de personen die ertoe zijn gemachtigd het toegangsregister te raadplegen, worden beperkt, hetgeen uitsluit dat de gegevens kunnen dienen voor politiedoeleinden of voor doeleinden die niets te maken hebben met die van artikel 62 van de wet van 7 mei
  8. Voor het overige verwijst hij naar zijn argumentatie met betrekking tot het tweede onderdeel. Ten slotte, verwijst de Ministerraad naar de overweging B.7 van het arrest van het Hof nr. 161/2012 van 20 december 2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.161) en naar de overweging B.50 van het voormelde arrest van het Hof nr. 177/2021 en is van mening dat er geen aanleiding bestaat om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. A.4.
  9. De tussenkomende partijen merken vooraf op dat ingevolge de voormelde beschikking van 17 januari 2023 de kansspelinrichtingen klasse IV, in het bijzonder die waarin weddenschappen worden aangeboden die worden georganiseerd door de verzoekende partij, niet meer ertoe zijn gehouden een EPIS-controle uit te voeren. Zij geven aan dat de Belgische Staat hoger beroep heeft ingesteld tegen die beschikking, maar dat de pleidooien in hoger beroep pas in september 2023 zijn gepland. Zij merken op dat de wetgever, in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure, heeft beslist om de wetgeving niet te wijzigen. Volgens hen volgt daaruit dat de verzoekende partij belang erbij heeft dat de jurisdictionele procedures zo traag mogelijk vooruitgaan. Wat de grond betreft, verwijzen de tussenkomende partijen in hoofdorde naar de argumentatie van de Ministerraad. In ondergeschikte orde doen zij gelden dat de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vragen enkel ertoe strekken de procedure langer te laten duren, dat die prejudiciële vragen niet noodzakelijk zijn en dat zij bijgevolg niet moeten worden gesteld. Wat betreft het tweede onderdeel A.5.
  10. De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepalingen een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens met zich meebrengen. Ten eerste merkt zij op dat artikel 41, 2° en 3°, van de wet van 30 juli 2022 bepaalt dat de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens en van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, tien jaar bedraagt vanaf de laatste deelneming aan een kansspel door de betrokkene. Volgens haar is die bewaringstermijn buitensporig ten aanzien van het doel van het toegangsregister, namelijk de Kansspelcommissie in staat stellen na te gaan of de EPIS-controles wel degelijk zijn uitgevoerd. Nog steeds volgens haar is de door de wetgever gemaakte vergelijking met de bewaringstermijn van tien jaar waarin is voorzien in artikel 60 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017), niet pertinent. Zij is van mening dat, hoewel een termijn van tien jaar kan worden verklaard ten aanzien van de doeleinden die met de antiwitwaswetgeving worden nagestreefd, een dergelijke termijn onredelijk is ten aanzien van het doel dat erin bestaat de goede raadpleging van het EPIS-systeem te controleren. Daarenboven beklemtoont zij dat de bewaringstermijn was teruggebracht van minstens tien jaar tot minstens vijf jaar bij de wet van 10 januari 2010 « tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen » (hierna : de wet van 10 januari 2010). Zij merkt ook op dat, aangezien de termijn van tien jaar pas ingaat vanaf de laatste deelneming aan een kansspel, de gegevens decennialang bewaard kunnen blijven voor personen die de betrokken inrichtingen geregeld bezoeken. Ten slotte doet zij gelden dat met de bewaringstermijn van tien jaar wordt aangetoond dat de registratie van de gegevens met betrekking tot het beroep en het adres irrelevant is, aangezien die gegevens in de loop van een decennium vaak kunnen wijzigen. Ten tweede doet de verzoekende partij gelden dat het nemen en bewaren van de foto van de speler noch adequaat, noch evenredig is. Allereerst is zij van mening dat die maatregel niet kan waarborgen dat enkel de spelers 7 die niet zijn uitgesloten, daadwerkelijk zullen kunnen wedden. Zij brengt in herinnering dat het doel van die maatregel erin bestaat de bewaring op te leggen van niet voor vervalsing vatbare gegevens aan de hand waarvan de spelers die de speelzalen betreden, kunnen worden geauthenticeerd, opdat de Kansspelcommissie kan nagaan of er tijdens de toegangscontrole van de speelzalen geen fout omtrent de persoon is gemaakt. De verzoekende partij betwijfelt echter of met die maatregel dat doel kan worden verwezenlijkt : enerzijds, heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit de aandacht gevestigd op het risico van een gelijkenis tussen personen en, anderzijds, zullen de exploitanten die zouden willen frauderen, de uitgesloten speler niet inschrijven in het register, zodat de fraude niet aan het licht zal komen. Vervolgens doet de verzoekende partij gelden dat het nemen en bewaren van de foto van de speler hoe dan ook onevenredig is ten aanzien van de aantastingen van het privéleven van de spelers. Volgens haar bestonden er minder inbreuk makende middelen om het nagestreefde doel te bereiken, zoals bij de toegang tot de zaal van de inrichting nagaan of er geen uitsluiting is. Zij beklemtoont dat de Gegevensbeschermingsautoriteit en de afdeling wetgeving van de Raad van State de invoering van een technologische oplossing op basis van het gebruik van de elektronische authenticatiemodule van de identiteitskaart hebben aanbevolen. Ten slotte meent zij dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zelf heeft erkend dat de bestreden maatregel onevenredig is. A.5.
  11. De Ministerraad verwijst allereerst naar de overwegingen B.53.3 en volgende van het voormelde arrest van het Hof nr. 177/2021 die, volgens hem, te dezen kunnen worden overgenomen. De Ministerraad merkt op dat noch de Gegevensbeschermingsautoriteit, noch de afdeling wetgeving van de Raad van State een opmerking over de bewaringstermijn van tien jaar hebben geformuleerd. Volgens hem is de verwijzing naar artikel 60 van de wet van 18 september 2017 niet inadequaat, aangezien het de bedoeling is zich te inspireren op een bestaand referentiesysteem, zonder evenwel te oordelen dat de bestreden bepalingen in het kader passen van de voorkoming van het witwassen van geld en van de financiering van terrorisme. Hij merkt op dat de oorspronkelijke versie van de wet van 7 mei 1999 erin voorzag dat het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, gedurende tien jaar moest worden bewaard, en zulks in het belang van de bescherming van de spelers. Hoewel het juist is dat die termijn was teruggebracht tot vijf jaar bij de wet van 10 januari 2010, was die verkorting volgens hem enkel verantwoord door het weinig praktische karakter van de termijn van tien jaar en door het feit dat de meeste in de wet van 7 mei 1999 bedoelde termijnen vijf jaar bedroegen. Daarenboven, wat betreft de registratie gedurende een periode van tien jaar van de gegevens met betrekking tot het beroep en het adres, beklemtoont de Ministerraad dat die gegevens met name die zijn welke zijn bedoeld in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 en dat het niet denkbaar is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de bewaringstermijn voor elk van de in die bepaling bedoelde gegevens. Ten slotte is hij van mening dat het aanvangspunt van de termijn van tien jaar logisch is ten aanzien van het doel van het register. Hij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 177/
  12. Hij voegt eraan toe dat een daadwerkelijke controle moet kunnen worden verricht op alle spelactiviteiten van een speler en dus ook op de laatste. Vervolgens doet de Ministerraad gelden dat het nemen en bewaren van de foto van de speler een extra doeltreffend middel is om een speler te identificeren. Hij beklemtoont dat die maatregel ertoe strekt de spelers te beschermen. Volgens hem gaat het om een evenredige maatregel. In de eerste plaats is hij van mening dat het argument met betrekking tot het risico dat personen op elkaar lijken, niet overtuigend is. In de tweede plaats merkt hij op dat een technologische oplossing op basis van het gebruik van de elektronische authenticatiemodule van de identiteitskaart thans niet bestaat in de praktijk. In de derde plaats doet hij gelden dat de foto een betere controle mogelijk maakt dan een handtekening op een aanraakscherm. Volgens hem gebeurt het dat uitgesloten personen zich aanmelden met een identiteitsbewijs dat hun vrijwillig werd uitgeleend door een andere persoon. Hij beklemtoont dat de foto de Kansspelcommissie in staat stelt a posteriori na te gaan of de op het identiteitsbewijs vermelde persoon daadwerkelijk de persoon is die zich heeft aangemeld. Volgens hem zou een maatregel van elektronische authenticatie een oneigenlijk gebruik van andermans elektronische identiteitskaart en pincode met zich mee kunnen brengen. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partij zich niet op nuttige wijze kan beroepen op het koninklijk besluit van 22 december 2010 « betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse IV en de plaatsen waar weddenschappen worden aangenomen bedoeld in artikel 43/4, § 5, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem ». Hij beklemtoont dat de registraties via het in artikel 2 van dat koninklijk besluit bedoelde videobewakingssyteem, enerzijds, moeten worden bewaard gedurende hoogstens vier weken (hetgeen een te korte duur is voor de controle a posteriori inzake de toegang tot de kansspelinrichtingen) en, anderzijds, enkel betrekking hebben op de controle van het verloop van de spelverrichtingen. A.5.
  13. De verzoekende partij antwoordt dat, wanneer een speler een wedkantoor binnengaat, de exploitant eerst nagaat of de speler niet voorkomt in de EPIS-databank, die alle uitgesloten personen bevat, en of hij niet 8 wordt uitgesloten wegens zijn leeftijd. Enkel indien de speler slaagt voor de EPIS-controle, worden diens gegevens vervolgens geregistreerd in het toegangsregister. Volgens haar is dat systeem absurd omdat enkel voor de toegelaten spelers hun gegevens worden bewaard in het toegangsregister. Zij merkt op dat in de voormelde beschikking van 17 januari 2023 ook de aandacht is gevestigd op het gebrek aan evenredigheid ten aanzien van het nagestreefde doel. Bovendien voert de verzoekende partij aan dat de bewaring van de gegevens gedurende tien jaar in het toegangsregister een overbodige maatregel vormt, aangezien daarmee hetzelfde doel wordt nagestreefd als met het « logfile »-register, bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I, klasse II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV wordt ontzegd », zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 maart
  14. Gesteld dat er twijfel bestaat over het gebrek aan noodzaak van de betrokken maatregel, vraagt zij dat het Hof twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zou stellen om te vernemen of artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 verschillende Europeesrechtelijke bepalingen schendt. Ten slotte doet zij gelden dat het onnatuurlijk is om een onderscheid te maken tussen de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens en het concrete gebruik dat ervan wordt gemaakt. Vervolgens, wat betreft de maximale bewaringstermijn van tien jaar, antwoordt de verzoekende partij in de eerste plaats dat de harmonisatie met de antiwitwaswetgeving niet redelijk verantwoord is. Zij merkt op dat het toegangsregister niet van dien aard is dat het witwassen bestrijdt, aangezien de personen die een wedkantoor binnenkomen, niet noodzakelijkerwijs wedden en aangezien het toegangsregister het niet mogelijk maakt om een transactie te verbinden met een speler. Volgens haar betreft het een nieuw doeleinde dat niet wordt beoogd in de wet van 7 mei 1999, zoals in de voormelde beschikking van 17 januari 2023 trouwens is vastgesteld. In de tweede plaats zet zij uiteen dat er reeds een register bestaat dat de gegevens bevat van de spelers die wedden voor een bedrag van meer dan 1 000 euro en waarin de gegevens gedurende vijf jaar worden bewaard (artikel 43/4, § 3, van de wet van 7 mei 1999 en koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling van het bedrag of de tegenwaarde van de inzet van weddenschappen waarvoor een registratieplicht geldt en tot vaststelling van de inhoud en de wijze van deze registratie »). Volgens haar zou het coherenter en praktischer zijn geweest om in dezelfde bewaringstermijn van vijf jaar te voorzien voor het toegangsregister, aangezien tal van essentiële elementen identiek zijn in beide registers. In de derde plaats merkt de verzoekende partij op dat de niet-inachtneming van artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 een wanbedrijf uitmaakt en dat de toepasselijke verjaringstermijn dus vijf jaar bedraagt. Volgens haar verantwoordt niets een bewaringstermijn die meer dan tweemaal langer is dan de verjaringstermijn. Ten slotte, gesteld dat er twijfel bestaat over de ongeschiktheid van de bewaringstermijn van tien jaar, verzoekt zij het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag te stellen of artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 verschillende Europeesrechtelijke bepalingen schendt. A.5.
  15. De Ministerraad repliceert dat het argument volgens hetwelk het toegangsregister en het « logfile »-register hetzelfde doeleinde nastreven, berust op het verkeerde postulaat volgens hetwelk alle personen die de betrokken inrichtingen bezoeken via het EPIS-systeem worden gecontroleerd. Hij beklemtoont evenwel dat het toegangsregister net ertoe strekt fraude met het EPIS-systeem tegen te gaan. Gelet op het doel van het toegangsregister is er volgens hem geen ongerijmdheid, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert. Vervolgens doet de Ministerraad gelden dat de informatie die moet worden verzameld krachtens de wet van 7 mei 1999, overeenstemt met die welke moet worden verzameld krachtens de wet van 18 september 2017, hetgeen op zich niet kan worden bekritiseerd. Volgens hem betekent dat echter niet dat het toegangsregister ertoe strekt het witwassen van geld te bestrijden. Nog steeds volgens hem zijn de argumenten die door de verzoekende partij zijn aangevoerd om een bewaringstermijn van vijf jaar te verantwoorden, niet pertinent. Ten slotte is de Ministerraad, net zoals in het kader van het eerste onderdeel, van mening dat er geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden gesteld. A.5.
  16. De tussenkomende partijen zetten één enkele argumentatie uiteen, die in A.4.5 is vermeld, met betrekking tot de twee onderdelen van het middel. Ten aanzien van het verzoek tot handhaving van de gevolgen A.
  17. In zeer ondergeschikte orde doen de tussenkomende partijen gelden dat de vernietiging van de bestreden bepalingen een juridisch vacuüm zou doen ontstaan. Volgens hen zouden de kansspelinrichtingen klasse IV niet meer aan de verplichting met betrekking tot de EPIS-controle worden onderworpen, terwijl de kansspelinrichtingen klasse I en II aan die verplichting onderworpen zouden blijven. Zij doen gelden dat dat 9 verschil in behandeling discriminerend zou zijn. Volgens hen zouden, om die discriminatie te voorkomen en om de kwetsbare spelers te beschermen, in geval van een vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepalingen moeten worden gehandhaafd gedurende een termijn van twaalf maanden vanaf de bekendmaking van het arrest van het Hof in het Belgisch Staatsblad. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  18. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 40 en 41 van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » (hierna : de wet van 30 juli 2022). Die bepalingen wijzigen respectievelijk de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999). B.2.
  19. De wet van 7 mei 1999 is gebaseerd op het principe dat het exploiteren van kansspelen a priori verboden is, maar er wordt in uitzonderingen voorzien door een systeem van toelatingen in de vorm van de toekenning van vergunningen door de Kansspelcommissie (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, pp. 3-4). De wetgever streeft onder meer een kanalisatiedoelstelling na die bestaat in het bestrijden van het illegale aanbod van kansspelen door een beperkt legaal aanbod van kansspelen toe te staan (ibid., p. 4). De bij de wet van 7 mei 1999 toegestane kansspelinrichtingen worden ingedeeld in vier categorieën (artikel 6, eerste lid, van die wet) : de kansspelinrichtingen klasse I of casino’s (artikel 28), de kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen (artikel 34), de kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden (artikel 39) en de kansspelinrichtingen klasse IV of « plaatsen uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen » (artikel 43/4). Luidens artikel 25 van de wet van 7 mei 1999 onderscheiden de vier categorieën van kansspelinrichtingen zich bovendien door het soort vergunning die is vereist voor de exploitatie ervan : een vergunning A is vereist om een casino te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 1), een vergunning B is vereist om een speelautomatenhal te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 2), een vergunning C is vereist om een drankgelegenheid te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 3). De 10 vergunning F1 (artikel 25, eerste lid, 6) staat de exploitatie van « de inrichting van weddenschappen » toe. De vergunning F2 (artikel 25, eerste lid, 7) staat « de aanneming van weddenschappen voor rekening van de houder van een vergunning klasse F1 » toe in een vaste of mobiele kansspelinrichting klasse IV en, buiten een dergelijke inrichting, door dagbladhandelaars en op renbanen onder de bij artikel 43/4, § 5, 1° en 2°, van de wet van 7 mei 1999 vastgestelde voorwaarden. B.2.
  20. Artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 betreft de verbodsbepalingen op toegang tot bepaalde kansspelinrichtingen en op deelname aan bepaalde kansspelen die van toepassing zijn wegens de leeftijd (artikel 54, § 1), die van toepassing zijn op magistraten, notarissen, deurwaarders en leden van de politiediensten buiten het kader van de uitoefening van hun functies (artikel 54, § 2, eerste lid) en die van toepassing zijn op personen die door de Kansspelcommissie zijn uitgesloten (artikel 54, §§ 3 en 4). Sommige van die verbodsbepalingen, met name die welke van toepassing zijn op de door de Kansspelcommissie uitgesloten personen, betreffen enkel de kansspelen « waarvoor een registratieplicht geldt ». B.2.
  21. Artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 voorziet in het instellen van een systeem van informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 van dezelfde wet. Dat verwerkingssysteem is het EPIS-systeem (« Excluded Persons Information System »), dat werd ingevoerd bij het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I en klasse II wordt ontzegd » (oorspronkelijk opschrift). Vóór de wijziging ervan bij artikel 40 van de wet van 30 juli 2022, bepaalde artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 : « Bij de federale overheidsdienst Justitie wordt een systeem van informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 ingesteld. De doelstellingen van dit systeem zijn : 1° de kansspelcommissie in staat te stellen de bij deze wet toegekende opdrachten uit te oefenen; 11 2° de exploitanten en het personeel van de kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel
  22. Voor iedere persoon maakt de volgende informatie het voorwerp uit van een verwerking : 1° de naam en voornamen; 2° de geboorteplaats en -datum; 3° de nationaliteit; 4° het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis van dit nummer, het nummer toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1991 betreffende de samenstelling en de wijze van toekenning van het identificatienummer van de natuurlijke personen die niet ingeschreven zijn in het Rijksregister van de natuurlijke personen; 5° het beroep; 6° voorzover ze bestaat, de beslissing van ontzegging bedoeld in artikel 54, § 3 en § 4 uitgesproken door de kansspelcommissie, de datum en de motivering van deze beslissing. Tegen betaling van een bijdrage, wordt een vaste on-line toegang tot alle categorieën van informatie bedoeld in het derde lid verleend aan de kansspelcommissie. Bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalt de Koning het bedrag van de in het vierde lid bedoelde bijdrage, de beheersregels van het systeem van informatieverwerking en de nadere regels inzake de informatieverwerking en de toegang tot het systeem ». B.2.
  23. Bij artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 wordt aan bepaalde kansspelinrichtingen de verplichting opgelegd om een afschrift van het identiteitsbewijs te bewaren dat de speler moet voorleggen en een register bij te houden waarin bepaalde inlichtingen over de spelers worden vermeld. Artikel 62 van de wet van 7 mei 1999, dat voordien enkel van toepassing was op de kansspelinrichtingen klasse I en II, werd ook van toepassing gemaakt op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV bij artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 7 mei 2019). 12 Door de vaste kansspelinrichtingen klasse IV te onderwerpen aan de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht, maakte artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 de verbodsbepalingen inzake toegang bedoeld in artikel 54, §§ 3 en 4, van de wet van 7 mei 1999 eveneens van toepassing op die inrichtingen. Zoals het werd gewijzigd bij artikel 31 van de wet van 7 mei 2019, bepaalde artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 : « In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de klassen I, II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV […] slechts toegestaan wanneer de betrokken persoon een identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn volledige naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en adres in een register inschrijft. De exploitant doet de betrokkene dat register ondertekenen. Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, moet gedurende ten minste vijf jaar na zijn laatste deelneming aan een kansspel worden bewaard. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd. Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot de registers. De commissie kan de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen intrekken zo dat register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de overheden wordt medegedeeld, beschadigd raakt dan wel verdwijnt. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd voor deelneming aan kansspelen via een elektronisch communicatienetwerk evenals de voorwaarden waaraan het register moet voldoen ». B.
  24. Bij zijn arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177) heeft het Hof artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 vernietigd, « enkel in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 ‘ op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ’ bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt ». B.
  25. Teneinde « de toepassingssfeer van het EPIS-systeem (Excluded Persons Information System) van de Kansspelcommissie uit te breiden naar de vaste kansspelinrichtingen klasse IV 13 (wedkantoren) » (verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 28 maart 2022, tweede editie, p. 25478), nam de Koning het koninklijk besluit van 20 maart 2022 « tot wijziging van twee Koninklijke Besluiten van 15 december 2004 met betrekking tot het EPIS-systeem en het toegangsregister » (hierna : het koninklijk besluit van 20 maart 2022), dat, krachtens artikel 16 ervan, op 1 oktober 2022 in werking is getreden. Het koninklijk besluit van 20 maart 2022 wijzigt het opschrift en verschillende bepalingen van twee koninklijke besluiten : enerzijds, het koninklijk besluit - vermeld in B.2.3 - van 15 december 2004 « betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I, klasse II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV wordt ontzegd » (nieuw opschrift) en, anderzijds, het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV » (nieuw opschrift). Er werden daarna nog enkele bijkomende wijzigingen aan die twee koninklijke besluiten aangebracht bij het koninklijk besluit van 6 september 2022 « ter verbetering van drie materiële fouten van twee koninklijke besluiten van 15 december 2004 met betrekking tot het EPIS-systeem en het toegangsregister » (hierna : het koninklijk besluit van 6 september 2022), dat ook op 1 oktober 2022 in werking is getreden. Zoals zij werden gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 maart 2022 en van 6 september 2022, bepalen de artikelen 1 en 5 van het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I, klasse II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV wordt ontzegd » : « Art.
  26. Het systeem bedoeld in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers draagt de naam EPIS, Excluded Persons Information System. De personen die opgenomen zijn in [het] EPIS-informatiesysteem, moeten de toegang tot de kansspelinrichtingen klasse I, klasse II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de deelneming aan kansspelen worden geweigerd, overeenkomstig artikel 54, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. De Kansspelcommissie gebruikt het EPIS-informatiesysteem om bij te dragen tot de controle van de naleving van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ». 14 « Art.
  27. De exploitant van een kansspelinrichting klasse I, II of van de vaste kansspelinrichting klasse IV of een door hem aangestelde persoon, dient de naam, voornaam, geboortedatum evenals het rijksregisternummer, indien beschikbaar, van de speler in te voeren in EPIS voordat de speler de speelzaal kan betreden. Indien deze persoon is opgenomen in EPIS, verschijnt er ‘ ja ’ op het scherm. In het andere geval ‘ neen ’. Met het oog op de registratie van de speler en van de consultatie van het EPIS-informatiesysteem, is de exploitant van een kansspelinrichting klasse I, II of van een vaste kansspelinrichting klasse IV, of een door hem aangestelde persoon, gemachtigd om het rijksregisternummer van de in het eerste lid bedoelde speler te vragen ». Zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 maart 2022, bepaalt artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV » : « De exploitant van een kansspelinrichting klasse I, II en van een vaste kansspelinrichting klasse IV, of een door hem aangewezen persoon, moet de identiteit controleren van iedere persoon die de speelzalen wenst te betreden. Daartoe vraagt hij aan de klant om zijn identiteitskaart te tonen, of een stuk waaruit de identiteit blijkt. Voordat de speler kan worden ingeschreven in het toegangsregister, moet de exploitant van de kansspelinrichting klasse I, II of van een vaste kansspelinrichting klasse IV, of een door hem aangewezen persoon, door middel van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, nagaan of de toegang tot die kansspelinrichting aan de speler niet is ontzegd, overeenkomstig de uitsluitingen bedoeld in artikel 54 van voornoemde wet ». B.5.
  28. Het bestreden artikel 40 van de wet van 30 juli 2022 wijzigt artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 :
(1)het voegt een nieuw lid in waarbij wordt gepreciseerd dat de Kansspelcommissie de verwerkingsverantwoordelijke is van het EPIS-systeem,
(2)het brengt verschillende formele wijzigingen aan die verband houden met de invoeging van dat nieuwe lid en
(3)het vervangt de verwijzing naar de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer door een verwijzing naar de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het bestreden artikel 40 van de wet van 30 juli 2022 bepaalt : « In artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 april 2003 en bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 15 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende : ‘ De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid. ’; 2° in het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden ‘ het derde lid ’ vervangen door de woorden ‘ het vierde lid ’; 3° in het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden ‘ de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ’ vervangen door de woorden ‘ de Gegevensbeschermingsautoriteit ’ en worden de woorden ‘ het vierde lid ’ vervangen door de woorden ‘ het vijfde lid ’ ». B.5.2. Het bestreden artikel 41 van de wet van 30 juli 2022 brengt de volgende wijzigingen aan in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 :
(1)voortaan moet bij elk bezoek van de betrokken persoon een foto worden genomen en bewaard in het register,
(2)er wordt gepreciseerd dat het register tot doel heeft de Kansspelcommissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het EPIS-systeem wel degelijk gedaan zijn en
(3)de bewaartermijn van de persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register en de maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt worden vastgesteld op tien jaar, te rekenen vanaf de laatste deelneming aan een kansspel door de betrokkene. Het bestreden artikel 41 van de wet van 30 juli 2022 bepaalt : « In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010 en bij artikel 31 van de wet van 7 mei 2019, zelf vernietigd onder bepaalde voorwaarden bij het arrest nr. 177/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin : ‘ Bij elk bezoek van de betrokken persoon wordt een foto van die persoon genomen en bewaard in het register. ’; 2° tussen het eerste en het tweede lid worden twee leden ingevoegd, luidende : ‘ De doelstelling van dit register is de commissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken. De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de laatste deelneming aan een kansspel door de betrokkene. ’; 16 3° in het vroegere derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden ‘ gedurende ten minste vijf jaar ’ vervangen door de woorden ‘ gedurende een termijn van maximum tien jaar ’ ». B.5.3. Bij ontstentenis van een andersluidende bepaling zijn de artikelen 40 en 41 van de wet van 30 juli 2022 in werking getreden tien dagen na de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2022, namelijk op 18 augustus 2022, krachtens artikel 4, tweede lid, van de wet van 31 mei 1961 « betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en in werking treden van wetten en verordeningen ». Ten aanzien van het belang bij het beroep B.6.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het vorderen van de vernietiging van artikel 40 van de wet van 30 juli 2022. B.6.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.6.3. De verzoekende partij toont niet aan in welke zin artikel 40 van de wet van 30 juli 2022, dat in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 de in B.5.1 vermelde wijzigingen aanbrengt, haar situatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen raken. B.6.4. Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk in zoverre het is gericht tegen artikel 40 van de wet van 30 juli 2022. Ten aanzien van het enige middel B.7. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 5, 6 en 9 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en 17 de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). In het eerste onderdeel doet zij gelden dat het wettigheidsbeginsel, in zijn formele en materiële dimensie, niet in acht wordt genomen. In het tweede onderdeel doet zij gelden dat het evenredigheidsbeginsel niet in acht wordt genomen. B.8.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.8.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.8.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. 18 B.8.4. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens, informatie over bezittingen en medische gegevens (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:1217JUD000533506, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD001137903, §§ 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2011:1018JUD001618807, §§ 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2012:1009JUD004281106, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0418JUD001952209, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2014:0918JUD002101010, § 31; 13 oktober 2020, Frâncu t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613, § 51). B.8.5. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. 19 B.8.6. Binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie waarborgen artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie analoge grondrechten (HvJ, grote kamer, 9 november 2010, C-92/09 en C-93/09, Volker und Markus Schecke GbR e.a., ECLI:EU:C:2010:662), terwijl artikel 8 van dat Handvest specifiek de rechtsbescherming van persoonsgegevens beoogt. De bestaanbaarheid van een wetskrachtige bepaling met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet, kan slechts door het Hof worden onderzocht in zoverre de bestreden bepaling het Unierecht ten uitvoer brengt (HvJ, grote kamer, 26 februari 2013, C-617/10, Åklagaren, ECLI:EU:C:2013:105, punten 17 e.v.). Te dezen dient rekening te worden gehouden met de AVG. Aangezien de bestreden bepaling betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens die onder het toepassingsgebied van de AVG vallen, dienen de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in samenhang te worden gelezen met artikel 22 van de Grondwet. B.8.7. De in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten hebben evenmin een absolute gelding (HvJ, grote kamer, 16 juli 2020, C-311/18, Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2020:559, punt 172). Overeenkomstig artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden, waaronder met name het door artikel 7 gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het in artikel 8 ervan neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 64). 20 B.8.8. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wetskrachtige norm zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit : (1°) de categorie van verwerkte gegevens; (2°) de categorie van betrokken personen; (3°) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; (4°) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens en (5°) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens. B.8.9. Naast het formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven toestaat. Inzake de bescherming van de persoonsgegevens impliceert dat vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2000:0504JUD002834195, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, § 99). Het vereiste dat de beperking bij wet dient te worden ingesteld, houdt met name in dat de rechtsgrond die de inmenging in die 21 rechten toestaat, zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen (HvJ, 6 oktober 2020, C-623/17, Privacy International, ECLI:EU:C:2020:790, punt 65). Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld kunnen hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde gegevensverwerking betrokken personen en de voorwaarden voor en de doeleinden van de verwerking. B.8.10. Artikel 5 van de AVG, met als opschrift « Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens », bepaalt : « 1. Persoonsgegevens moeten :
  1. a)worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‘ rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie ’);
  2. b)voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (‘ doelbinding ’);
  3. c)toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‘ minimale gegevensverwerking ’);
  4. d)juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren (‘ juistheid ’);
  5. e)worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen (‘ opslagbeperking ’);
  6. f)door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging (‘ integriteit en vertrouwelijkheid ’). 22 2. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen (‘ verantwoordingsplicht ’) ». B.8.11. Artikel 6 van de AVG heeft betrekking op het vereiste van rechtmatigheid van de verwerking. B.8.12. Artikel 9 van de AVG heeft betrekking op de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waaronder biometrische gegevens. Die laatste worden in artikel 4, 14), van de AVG gedefinieerd als « persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukgegevens ». B.9. De grieven van de verzoekende partij hebben betrekking op de volgende aspecten : - het doeleinde van het nemen van een foto van de speler en van de bewaring ervan in het toegangsregister (B.10-B.15); - de aan de Koning verleende machtigingen en het niet bepalen van verschillende elementen met betrekking tot het EPIS-systeem en het toegangsregister (B.16-B.18); - het bepalen van de personen wier foto moet worden genomen en bewaard in het toegangsregister (B.19-B.21); - de evenredigheid van het nemen van een foto van de speler en van de bewaring ervan in het toegangsregister (B.22-B.29); - de bewaringstermijn van de in het toegangsregister ingeschreven persoonsgegevens en de bewaringstermijn van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt (B.30-B.36). 23 Wat betreft het doeleinde van het nemen van een foto van de speler en van de bewaring ervan in het toegangsregister B.10. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 41 van de wet van 30 juli 2022 het wettigheidsbeginsel schendt, in zoverre de foto’s van de spelers die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister worden bewaard, door de politie kunnen worden gebruikt in het kader van onderzoeken die geen verband vertonen met de naleving van de kansspelwetgeving, zonder dat de bestreden bepaling dat politiedoeleinde verduidelijkt en omlijnt. B.11. De artikelen 54, 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999, die in onderlinge samenhang moeten worden gelezen, maken deel uit van de in hoofdstuk VI van die wet bedoelde « maatregelen ter bescherming van spelers en gokkers ». Zoals in B.2.2 is vermeld, stelt artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 de verbodsbepalingen op toegang tot bepaalde kansspelinrichtingen en op deelname aan bepaalde kansspelen vast die van toepassing zijn wegens de leeftijd (artikel 54, § 1), wegens het beroep (artikel 54, § 2, eerste lid) en ingevolge een beslissing tot uitsluiting die door de Kansspelcommissie is genomen (artikel 54, §§ 3 en 4). Artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 voorziet in het instellen van een systeem van informatieverwerking betreffende de in artikel 54 bedoelde personen, dat, zoals in B.2.3 is vermeld, het EPIS-systeem is. Volgens artikel 55, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 bestaan de doelstellingen van het EPIS-systeem erin, enerzijds, de Kansspelcommissie in staat te stellen de bij de wet van 7 mei 1999 toegekende opdrachten uit te oefenen, en, anderzijds, de exploitanten en het personeel van de kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54. Bij artikel 62 van de wet van 7 mei 1999, waarvan het eerste lid preciseert dat het gaat om een bepaling die artikel 54 aanvult, wordt aan de kansspelinrichtingen klasse I en II en aan de vaste kansspelinrichtingen klasse IV de verplichting opgelegd om een afschrift van het identiteitsbewijs te bewaren dat de speler moet voorleggen en een register bij te houden waarin bepaalde inlichtingen over de spelers, waaronder voortaan de foto van de speler, worden vermeld. 24 B.12. Bij zijn voormelde arrest nr. 177/2021 heeft het Hof geoordeeld : « B.53.4. De doeleinden van de identiteitscontrole en de doeleinden van de registratie van de desbetreffende persoonsgegevens en bewaring van een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, alsook de personen die gemachtigd zijn om toegang te hebben tot die informatie, worden voldoende bepaald door de gecombineerde lezing van de artikelen 54, 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999, gelezen in het licht van de in B.52 aangehaalde parlementaire voorbereiding. Het betreft, enerzijds, de exploitanten en het personeel van de betrokken kansspelinrichtingen teneinde de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 en, anderzijds, de Kansspelcommissie teneinde de opdrachten uit te oefenen die haar worden toegekend bij de wet van 7 mei 1999. Tot die opdrachten behoort inzonderheid, krachtens de artikelen 15/2, § 1, en 15/3 van de wet van 7 mei 1999, het toezicht op de naleving van diezelfde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan. De registratie van de persoonsgegevens en bewaring van een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, laat toe dat de Kansspelcommissie nagaat wie toegang heeft gekregen tot de desbetreffende kansspelinrichtingen en derhalve controleert of die inrichtingen de overeenkomstig artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 geldende toegangsverboden naleven. In dat verband bepaalt artikel 62, zesde lid, van de wet van 7 mei 1999 eveneens dat de Kansspelcommissie ‘ de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen [kan] intrekken zo dat register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de overheden wordt medegedeeld, beschadigd raakt dan wel verdwijnt ’ ». B.13. De doelstelling van het toegangsregister wordt voortaan uitdrukkelijk vermeld in het nieuwe tweede lid van artikel 62 van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 41, 2°, van de wet van 30 juli 2022. Het is de bedoeling de Kansspelcommissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het EPIS-systeem wel degelijk zijn gedaan met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I en II en vaste kansspelinrichtingen klasse IV bezoeken. B.14. De bestreden bepaling voorziet niet erin dat de in het toegangsregister bewaarde gegevens, waaronder de foto, kunnen worden gebruikt met het oog op de opsporing en de vervolging van misdrijven die geen verband vertonen met de naleving van de kansspelwetgeving. Zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of de raadpleging van het toegangsregister voor dergelijke doeleinden kan worden toegestaan op grond van andere bepalingen, met name die van het Wetboek van strafvordering, dient te worden vastgesteld dat de daaruit volgende inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens, zou voortvloeien uit die andere bepalingen, en niet uit de bestreden bepaling. 25 B.15. De grief is niet gegrond. Wat betreft de aan de Koning verleende machtigingen en het niet bepalen van verschillende elementen met betrekking tot het EPIS-systeem en het toegangsregister B.16. De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepaling het wettigheidsbeginsel schendt, in zoverre zij, enerzijds, met betrekking tot het EPIS-systeem, noch de categorieën van personen die toegang hebben tot de gegevens, noch de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens bepaalt, en, anderzijds, met betrekking tot het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister, noch de categorieën van personen die toegang hebben tot de gegevens, noch de verwerkingsverantwoordelijke identificeert. De verzoekende partij bekritiseert ook de machtigingen die bij de artikelen 55, laatste lid, en 62, zesde en zevende lid, van de wet van 7 mei 1999 aan de Koning zijn verleend. B.17. Zoals de Ministerraad doet gelden, zijn de grieven van de verzoekende partij in werkelijkheid gericht tegen de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999 zoals zij reeds bestonden vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling. B.18. De grieven staan los van de bestreden bepaling en zijn derhalve onontvankelijk. Wat betreft het bepalen van de personen wier foto moet worden genomen en bewaard in het toegangsregister B.19. In haar memorie van antwoord doet de verzoekende partij gelden dat de in artikel 41, 1°, van de wet van 30 juli 2022 gehanteerde bewoordingen « betrokken persoon » onvoldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de personen te bepalen wier foto moet worden genomen en bewaard in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister. Volgens haar volgt daaruit dat de bestreden bepaling het wettigheidsbeginsel, dat wordt gewaarborgd door de in het middel bedoelde bepalingen, en het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen, dat wordt gewaarborgd door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, schendt. 26 B.20. Het staat niet aan de verzoekende partij in haar memorie van antwoord het middel van het beroep, zoals door haarzelf omschreven in het verzoekschrift, te wijzigen. Een bezwaar dat, zoals te dezen, in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar dat verschilt van datgene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, is dan ook een nieuw middel en is onontvankelijk. B.21. De grief is onontvankelijk. Wat betreft de evenredigheid van het nemen van een foto van de speler en van de bewaring ervan in het toegangsregister B.22. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 41 van de wet van 30 juli 2022 een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens met zich meebrengt, in zoverre het de verplichting oplegt dat een foto van de speler moet worden genomen bij elk bezoek en moet worden bewaard in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister. B.23. Bij zijn voormelde arrest nr. 177/2021 heeft het Hof, toen het een middel heeft onderzocht dat was gericht tegen de uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, geoordeeld, dat de identiteitscontrole van de speler door de exploitant en de registratie van de volledige naam, van de voornamen, van de geboortedatum, van de geboorteplaats, van het beroep en van het adres van de speler evenredige maatregelen uitmaken : « B.55.2. Het is niet onevenredig om de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde verplichtingen inzake identiteitscontrole en bewaring van persoonsgegevens uit te breiden tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, aangezien de wetgever ook de toegang tot die inrichtingen heeft willen verbieden voor de personen die door de Kansspelcommissie zijn uitgesloten op grond van artikel 54, §§ 3 en 4, van de wet van 7 mei 1999, gelet op de in B.28.1 beschreven toename van de risico’s in verband met die inrichtingen. Bij ontstentenis van identificatie van de spelers en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid om te verifiëren of de betrokken persoon is opgenomen in het in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde en in B.47.3 vermelde EPIS-systeem, zouden het verbod en de ontzegging van toegang waarin artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 voorziet, weinig praktisch effect hebben. Zoals is vermeld in B.53.4, maakt de registratie van de desbetreffende persoonsgegevens het mogelijk voor de Kansspelcommissie om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wet van 7 mei 1999 en de uitvoeringsbesluiten ervan, in het bijzonder artikel 54 van diezelfde wet. 27 […] Ten slotte zijn de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde register moeten worden ingeschreven, pertinent en noodzakelijk ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Die persoonsgegevens laten immers toe om na te gaan of de betrokken persoon was opgenomen in het in B.47.3 vermelde EPIS-systeem en aldus de toegang tot de kansspelinrichting diende te worden ontzegd ». B.24.1. Bij artikel 41, 1°, van de wet van 30 juli 2022 wordt de foto toegevoegd aan de lijst met de gegevens over de spelers die moeten worden bewaard in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat aan de oorsprong ligt van de wet van 30 juli 2022, wordt vermeld : « Artikel 62, eerste lid, van de kansspelwet bepaalt de lijst van de persoonsgegevens die verplicht moeten worden opgenomen in het toegangsregister in de kansspelinrichtingen van de klassen I, II en in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV. De foto van de spelers wordt aan de lijst toegevoegd. De foto van de speler is immers vereist om enige identiteitsfraude te voorkomen. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State nr. 71 320/1-2-3-4, kunnen de volgende verduidelijkingen worden aangebracht : Overeenkomstig art. 62 moet de exploitant een register bijhouden, en moet de speler een identiteitsbewijs voorleggen. Nadien moet de speler het register ondertekenen. Omdat de ondertekening van dat register in het verleden als omslachtig, tijdrovend en papier verspillend werd ervaren door de exploitanten, werd [zij] destijds vervangen door een foto. Een identiteitsbewijs moet een naam, familienaam, geboortedatum, foto en handtekening bevatten om de identiteit van de persoon met zekerheid te kunnen verifiëren. Op het ogenblik dat er zich een speler aandient, moet de uitbater visueel kunnen verifiëren of de persoon die zich aandient, dezelfde persoon is als op de foto van het identiteitsbewijs. Het doel is dus fraude met identiteitsbewijzen te voorkomen, allereerst met het oog op de bescherming van de spelers. Een van de redenen waarom een speler zich met een vals identiteitsbewijs zou presenteren, is immers dat hij uitgesloten is en op die manier toegang tot kansspelen probeert te krijgen. Indien een uitgesloten speler zich zou aandienen met een vals identiteitsbewijs, dan kan de Kansspelcommissie dit nadien enkel controleren op basis van de handtekening of de foto. Deze mogelijkheid tot controle is nodig om na te gaan of de exploitanten hun wettelijke verplichtingen correct nakomen. Op vandaag bestaan mogelijkheden om digitaal te tekenen, hetgeen in het verleden niet het geval was. Een handtekening via touchscreen is echter verre 28 van betrouwbaar (dit is meestal gewoon een onleesbare krabbel). Een foto is in dat geval veel makkelijker te controleren. Er zij op gewezen dat modernisering en digitalisering van de procedures, zowel in de echte wereld als online, noodzakelijk zijn op het gebied van kansspelen, maar deze moeten worden bestudeerd en ontwikkeld met inachtneming van de bestaande regels, met name die inzake gegevensbescherming. In de tussentijd wordt het bestaande systeem gehandhaafd » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2774/001, p. 50). Tijdens de bespreking in de commissie heeft de bevoegde minister gepreciseerd : « er [wordt] al jaren een foto van de speler […] genomen. Hierdoor kan de Kansspelcommissie achteraf nagaan of de operator zijn verplichting al dan niet is nagekomen. Dat is duidelijk geen ideale oplossing, en de minister kan zich dan ook grotendeels vinden in de opmerkingen ter zake van de Raad van State en de GBA. Een dergelijke controle zou via betere en minder intrusieve technologieën moeten kunnen worden uitgevoerd. De minister heeft al beloofd zo snel mogelijk andere, evenredigere technieken, zoals de elektronische handtekening of Itsme, te willen onderzoeken. In afwachting van een betere oplossing zal de huidige gang van zaken niet worden verboden » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2774/004, p. 28). B.24.2. Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden bepaling past in het kader van het doel om de spelers te beschermen dat bij de artikelen 54, 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999 gezamenlijk wordt nagestreefd. Meer bepaald heeft de toevoeging van de foto aan de lijst met gegevens die moeten worden bewaard in het toegangsregister, waarvan de doelstelling erin bestaat de Kansspelcommissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het EPIS-systeem wel degelijk hebben plaatsgevonden, tot doel identiteitsfraude tegen te gaan waaraan bepaalde uitgesloten spelers die zouden proberen te spelen, zich schuldig zouden kunnen maken. B.25. Verschillende andere maatregelen dragen bij tot het verminderen van het risico op identiteitsfraude door een uitgesloten speler. Enerzijds dient de betrokken persoon een identiteitsbewijs voor te leggen, waarvan een afschrift moet worden bewaard in het toegangsregister (artikel 62, vijfde lid, van de wet van 7 mei 1999 en artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I, II en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV »). Er wordt bepaald dat « de exploitant of de door hem 29 aangewezen persoon […] de foto alsook [de] datum van de geldigheid van de identiteitskaart [nagaat] » (artikel 5, derde lid, van dat koninklijk besluit). Anderzijds dient de exploitant de betrokkene het toegangsregister te doen ondertekenen (artikel 62, vierde lid, van de wet van 7 mei 1999), met dien verstande dat het gebruik van een elektronische handtekening door middel van de elektronische identiteitskaart is toegestaan. B.26. Ten aanzien van het in B.24.2 vermelde doel, en rekening houdend met de andere maatregelen die bijdragen tot het verminderen van het risico op identiteitsfraude door een uitgesloten speler, is het onevenredig om de verplichting op te leggen dat van alle spelers die kansspelinrichtingen klasse I en II en vaste kansspelinrichtingen klasse IV bezoeken, dat de foto moet worden genomen bij elk bezoek en moet worden bewaard in het toegangsregister. De bestreden bepaling brengt geen billijk evenwicht tot stand tussen, enerzijds, de bescherming van de uitgesloten spelers en, anderzijds, het recht op eerbieding van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens van alle personen die niet zijn uitgesloten en die de betrokken kansspelinrichtingen bezoeken. B.27. De grief is gegrond in zoverre zij is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 5, lid 1, c), van de AVG. Artikel 41, 1°, van de wet van 30 juli 2022 dient te worden vernietigd. B.28. Aangezien zulks niet kan leiden tot een ruimere vernietiging dan die welke in B.27 is vermeld, dient noch te worden onderzocht of de foto, te dezen, een biometrisch gegeven uitmaakt, noch aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag te worden gesteld die door de verzoekende partij in dat verband is gesuggereerd. B.29. De verzoekende partij vraagt eveneens dat twee prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie over de bestaanbaarheid, met verschillende Europeesrechtelijke bepalingen, van de verplichting om het toegangsregister bij te houden, waarin in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 is voorzien. 30 Naast het feit dat het Hof van Justitie niet bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het Europese recht en dat de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vragen enkel tot de bevoegdheid van het Hof van Justitie zouden kunnen behoren op voorwaarde dat zij in die zin worden gelezen dat zij in wezen betrekking hebben op de interpretatie van het Europese recht (HvJ, 30 april 2020, C-184/19, Hecta Viticol SRL, ECLI:EU:C:2020:337, punt 30; 21 juli 2011, C-2/10, Azienda Agro-Zootecnica Franchini Sarl en Eolica di Altamura SRL, ECLI:EU:C:2011:502, punt 35), kan het antwoord op die vragen geen weerslag hebben op de uitkomst van het voorliggende beroep. Enerzijds, wat betreft de verplichting om het toegangsregister bij te houden en de verplichting om de andere gegevens dan de foto erin te registreren, dient te worden vastgesteld dat die verplichtingen voortvloeien uit bepalingen die dateren van vóór de wet van 30 juli 2022. Anderzijds, wat betreft de verplichting om de foto van de speler te nemen en te bewaren, kan het antwoord op de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vragen niet leiden tot een ruimere vernietiging dan die welke in B.27 is vermeld. De twee door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vragen dienen bijgevolg niet te worden gesteld. Wat betreft de bewaringstermijn van de in het toegangsregister ingeschreven persoonsgegevens en de bewaringstermijn van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt B.30. De verzoekende partij doet gelden dat artikel 41, 2° en 3°, van de wet van 30 juli 2022 een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van persoonsgegevens met zich meebrengt, in zoverre het bepaalt dat de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister zijn geregistreerd en van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, tien jaar bedraagt vanaf de laatste deelneming aan een kansspel door de betrokkene. B.31. Bij zijn voormelde arrest nr. 177/2021 heeft het Hof, toen het een middel heeft onderzocht dat was gericht tegen de uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 62 van 31 de wet van 7 mei 1999 tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, geoordeeld dat het niet vaststellen, door de wetgever, van de maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister zijn ingeschreven en van de maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, artikel 22 van de Grondwet schond : « B.53.5. De bestreden bepaling [artikel 31 van de wet van 7 mei 2019] voorziet evenwel niet in enige maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde register zijn ingeschreven. Bovendien voorziet zij niet in enige maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, aangezien artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 enkel voorziet in een minimumtermijn van bewaring van vijf jaar na de laatste deelneming van de speler aan een kansspel. B.54. Artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 schendt artikel 22 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt ». Het Hof heeft artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 bijgevolg vernietigd, « enkel in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 ‘ op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ’ bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt ». B.32. Ingevolge dat arrest is de wetgever opgetreden door artikel 41, 2° en 3°, van de wet van 30 juli 2022 aan te nemen. Artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 41, 2°, van de wet van 30 juli 2022, en artikel 62, vijfde lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 41, 3°, van de wet van 30 juli 2022, voorzien respectievelijk erin dat de termijn voor het bewaren van de in het toegangsregister opgenomen persoonsgegevens en de maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van het speler blijkt, tien jaar bedragen vanaf de laatste deelneming aan een kansspel door de betrokkene. Volgens de parlementaire voorbereiding is de in de bestreden bepaling bedoelde bewaringstermijn ingegeven door een bekommernis om harmonisatie met de bewaringstermijn 32 van tien jaar die is bedoeld in artikel 60 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017) : « De maximumduur inzake bewaring van de gegevens enerzijds en van de kopie van het stuk dat gediend heeft tot de identificatie van de speler anderzijds, wordt vastgesteld op 10 jaar. Zo wordt de bewaartermijn gelijk gebracht en wordt hiermee aan de wettelijke bewaartermijnen voldaan die voorzien zijn in artikel 60 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2774/001, p. 51). B.33. De evenredigheid van de bewaringstermijn moet worden beoordeeld ten aanzien van het doeleinde waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt. Te dezen, zoals in B.13 is vermeld, heeft het bewaren, in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister, van persoonsgegevens over de speler en van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van die speler blijkt, tot doel de Kansspelcommissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het EPIS-systeem wel degelijk zijn gedaan met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I en II en vaste kansspelinrichtingen klasse IV bezoeken. Het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister heeft niet tot doel witwassen te bestrijden. Het doel van de bestrijding van witwassen wordt nagestreefd met de verplichtingen - die niet identiek zijn aan die welke zijn bedoeld in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 - die aan de exploitanten van kansspelen, als « onderworpen entiteiten », worden opgelegd bij de wet van 18 september 2017 (zie met name de artikelen 21, 26, 27 en 60 van die wet). Daaruit volgt dat de harmonisatie die wordt beoogd met de in artikel 60 van de wet van 18 september 2017 bedoelde bewaringstermijn, een bewaringstermijn van tien jaar voor wat betreft het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister niet redelijk kan verantwoorden. B.34. De inbreuken op de artikelen 54 en 62 van de wet van 7 mei 1999 kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf van één maand tot drie jaar en/of met een strafrechtelijke geldboete van 26 euro tot 25 000 euro, te vermeerderen met de opdeciemen (artikel 64 van de 33 wet van 7 mei 1999). Aangezien die inbreuken ook worden bestraft met een correctionele straf en bijgevolg wanbedrijven uitmaken, bedraagt de toepasselijke verjaringstermijn vijf jaar (artikel 21, eerste lid, 4°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering). Als alternatieve sanctie kunnen de inbreuken op de artikelen 54 en 62 van de wet van 7 mei 1999 worden bestraft met een administratieve geldboete (artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999); in dat geval bedraagt de toepasselijke verjaringstermijn eveneens vijf jaar (artikel 15/3, § 5, van de wet van 7 mei 1999). Aangezien het toegangsregister tot doel heeft de Kansspelcommissie in staat te stellen de correcte toepassing van het EPIS-systeem na te gaan en aangezien de wetgever erin heeft bepaald dat de inbreuken op de artikelen 54 en 62 van de wet van 7 mei 1999 verjaren na vijf jaar, gaat de termijn van tien jaar gedurende welke de persoonsgegevens met betrekking tot de speler en het afschrift van het stuk waaruit diens identiteit blijkt, in het toegangsregister moeten worden bewaard, verder dan wat noodzakelijk is ten aanzien van het nagestreefde doel. B.35. De grief is gegrond in zoverre zij is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 5, lid 1, e), van de AVG. Artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 41, 2°, van de wet van 30 juli 2022, dient te worden vernietigd. Artikel 41, 3°, van de wet van 30 juli 2022 dient eveneens te worden vernietigd. B.36. De verzoekende partij vraagt dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid, met verschillende Europeesrechtelijke bepalingen, van de verplichting om de gegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toegangsregister zijn opgenomen, te bewaren gedurende een termijn van tien jaar. Naast het feit dat, zoals in B.29 is vermeld, het Hof van Justitie niet bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het Europese recht en aangezien de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag enkel tot de bevoegdheid van het Hof van Justitie zou kunnen behoren op 34 voorwaarde dat zij in die zin wordt gelezen dat zij in wezen betrekking heeft op de interpretatie van het Europese recht, kan het antwoord op die vraag niet leiden tot een ruimere vernietiging dan die welke in B.35 is vermeld. Bijgevolg dient die vraag niet te worden gesteld. Ten aanzien van het verzoek tot handhaving van de gevolgen B.37. De tussenkomende partijen vragen dat, in geval van een vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepalingen worden gehandhaafd gedurende een termijn van twaalf maanden vanaf de bekendmaking van het arrest van het Hof in het Belgisch Staatsblad. Zij doen gelden dat een niet-gemoduleerde vernietiging tot gevolg zou hebben dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV niet langer worden onderworpen aan de verplichting om de controles uit te voeren via het EPIS-systeem. B.38. Zoals in B.2.4 is vermeld, is het artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 ˗ gedeeltelijk vernietigd bij het voormelde arrest van het Hof nr. 177/2021 ˗ dat artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 van toepassing heeft gemaakt op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en dat aldus de verbodsbepalingen inzake toegang bedoeld in artikel 54, §§ 3 en 4, van de wet van 7 mei 1999 van toepassing heeft gemaakt op die inrichtingen. Zoals in B.4 is vermeld, is het het koninklijk besluit van 20 maart 2022 dat het toepassingsgebied van de reglementaire bepalingen betreffende het EPIS-systeem heeft uitgebreid tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV. Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partijen aanvoeren, de in B.27 en in B.35 vermelde vernietigingen niet inhouden dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV niet meer ertoe gehouden zouden zijn via het EPIS-systeem te controleren of de in artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde toepasselijke uitsluitingen worden nageleefd. Bijgevolg dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen niet te worden gehandhaafd. 35 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 41, 1° en 3°, van de wet van 30 juli 2022 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II » en artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers », zoals ingevoegd bij artikel 41, 2°, van de voormelde wet van 30 juli 2022; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 november 2023. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.154 Gerelateerde publicatie(
  7. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.161 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.033 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.025 ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881 ECLI:CE:ECHR:2000:0504JUD002834195 ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204 ECLI:CE:ECHR:2009:1217JUD000533506 ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD001137903 ECLI:CE:ECHR:2011:1018JUD001618807 ECLI:CE:ECHR:2012:1009JUD004281106 ECLI:CE:ECHR:2013:0418JUD001952209 ECLI:CE:ECHR:2014:0918JUD002101010 ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD006935613 ECLI:EU:C:2010:662 ECLI:EU:C:2011:502 ECLI:EU:C:2013:105 ECLI:EU:C:2020:337 ECLI:EU:C:2020:559 ECLI:EU:C:2020:790 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.045 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.