← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.166

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.166 Arrest- Rolnummer: 166/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 418 - laatst gezien 2026-06-16 02:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen : - tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door Hélène Englebert, door Guy van Hoye en door Danielle Domb; - tot vernietiging van de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning », ingesteld door Guy van Hoye; - tot vernietiging van de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie », ingesteld door Philippe Galloy. Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Verwarmingspremie - Gezinnen die verwarmen met elektriciteit Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 166/2023 van 30 november 2023 Rolnummers : 7889, 7894, 7912 en 7916 In zake : de beroepen : - tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door Hélène Englebert, door Guy van Hoye en door Danielle Domb; - tot vernietiging van de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning », ingesteld door Guy van Hoye; - tot vernietiging van de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie », ingesteld door Philippe Galloy. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2022, heeft Hélène Englebert beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 42 tot 48 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2022). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 november 2022, heeft Guy van Hoye beroep ingesteld tot vernietiging van de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juni 2022) en tot gedeeltelijke vernietiging van de voormelde wet van 30 oktober

  1. 2 c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 januari 2023, heeft Danielle Domb beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 42 tot 48 van de voormelde wet van 30 oktober
  2. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 januari 2023, heeft Philippe Galloy beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 december 2022). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7889, 7894, 7912 en 7916 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist : - dat de zaken in staat van wijzen zijn, - de partijen in de zaak nr. 7912 uit te nodigen om in een aanvullende memorie, die moet worden ingediend binnen een termijn van 10 dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking, te preciseren of de verzoekende partij bij de FOD Economie een aanvraag heeft ingediend om de federale gaspremie te verkrijgen waarin is voorzien bij de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » en, in voorkomend geval, of de FOD Economie haar die premie heeft toegekend, - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaken in beraad zullen worden genomen. De Ministerraad heeft een aanvullende memorie ingediend. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 A.
  3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 zijn huishoudelijke afnemers die uitsluitend met elektriciteit verwarmen. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat zij krachtens de bestreden wetten, namelijk, in de zaken nrs. 7889 en 7894, de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022) en, in de zaak nr. 7916, de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » (hierna : de wet van 19 december 2022), enkel recht hebben op een federale elektriciteitspremie ten bedrage van 122 of 183 euro, naargelang van het geval, en dat zij worden uitgesloten van de federale gaspremie, ten bedrage van 270 of 405 euro, naargelang van het geval, zonder recht te hebben op een gelijkwaardige premie voor hun energiebehoeften inzake verwarming. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 vordert ook de vernietiging van de artikelen 1 tot 12 van de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning » (hierna : de wet van 26 juni 2022). A.
  4. De Ministerraad preciseert dat niet alle gezinnen die een leveringsovereenkomst voor gas hebben, noodzakelijkerwijs een leveringsovereenkomst voor elektriciteit hebben. De Ministerraad is van mening dat de beroepen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 niet ontvankelijk zijn, aangezien de bestreden bepalingen de belangen van de verzoekende partijen niet rechtstreeks en ongunstig kunnen raken en die partijen geen nieuwe kans zouden kunnen krijgen om hun situatie gunstiger geregeld te zien ingevolge een vernietiging. Het aangevoerde belang is niet actueel en is louter hypothetisch. De Ministerraad voert daarenboven aan dat het beroep in de zaak nr. 7894 moet worden beperkt tot de daadwerkelijk bestreden bepalingen. Ten slotte doet de verzoekende partij in die zaak niet blijken van een belang om de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie te bestrijden. A.
  5. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7894 voeren aan dat een vernietiging van de bestreden bepalingen hun een nieuwe kans kan geven om hun situatie gunstiger geregeld te zien. Zij preciseren dat vrijwel alle Belgische gezinnen een leveringsovereenkomst voor elektriciteit hebben en de bijbehorende premie dus genieten. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7916 preciseren dat een vernietiging van de bestreden bepalingen de relatieve verarming zou verhelpen die die bepalingen teweegbrengen bij de huishoudelijke afnemers die verwarmen met elektriciteit. A.
  6. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 preciseert dat de bepalingen met betrekking tot de bijzondere bijdrage energie enkel worden bestreden in zoverre zij geen bestaansreden meer zouden hebben in geval van een vernietiging van de federale gas- en elektriciteitspremies. A.
  7. De Ministerraad voert aan dat de situatie van de verzoekende partijen ongewijzigd zou blijven in geval van een vernietiging van de bestreden bepalingen. Wat betreft de zaak nr. 7912 A.
  8. De verzoekende partij in de zaak nr. 7912 bekritiseert het feit dat zij geen recht heeft op een premie voor haar verbruik van gas voor verwarming, aangezien de leveringsovereenkomst voor gas is opgesteld op naam van de eigenaar van het appartement dat zij huurt, eigenaar die een vennootschap is. A.7.
  9. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 7912 niet ontvankelijk is. Bij gebrek aan een uiteenzetting van de feiten en van de middelen is het voor hem onmogelijk te repliceren op de argumenten van de 4 verzoekende partij en kan het Hof de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging niet bepalen. Daarenboven toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht de bestreden bepalingen haar situatie en haar belangen rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen raken. Ten slotte heeft de verzoekende partij bij haar verzoekschrift geen afschrift van de bestreden wet gevoegd. A.7.
  10. Op verzoek van het Hof preciseert de Ministerraad dat de verzoekende partij in de zaak nr. 7912 een aanvraag heeft ingediend om de in de wet van 30 oktober 2022 bedoelde federale gaspremie te verkrijgen en dat de FOD Economie die aanvraag heeft ingewilligd. Ten gronde Wat betreft de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 A.
  11. In haar enige middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7889 aan dat de wet van 30 oktober 2022 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij een federale gaspremie van 270 euro toekent aan de huishoudelijke afnemer die een leveringsovereenkomst voor gas voor zijn woonplaats heeft, terwijl die premie niet wordt toegekend aan de huishoudelijke afnemer die enkel een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor zijn woonplaats heeft, maar die, in de vorm van elektriciteit, evenveel energie verbruikt om te verwarmen. Daaruit zou een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling voortvloeien tussen de gezinnen, naargelang zij verwarmen met elektriciteit of met gas. Een gezin dat verwarmt met elektriciteit, heeft enkel recht op een federale elektriciteitspremie van 122 euro, terwijl een gezin dat verwarmt met gas, niet alleen recht heeft op een federale elektriciteitspremie van 122 euro, maar ook op een federale gaspremie van 270 euro. De verzoekende partij in de zaak nr. 7889 voert aan dat doordat de wetgever bij de totstandkoming van de bestreden wet zich op de boordtabel van de CREG heeft gebaseerd, hij maar met één enkel afnemersprofiel rekening heeft gehouden, namelijk de afnemer die verwarmt met gas en die 17 000 kWh gas en 3 500 kWh elektriciteit per jaar verbruikt. De wetgever heeft geen rekening gehouden met het afnemerstype dat verwarmt met elektriciteit en dat in totaal 20 000 kWh elektriciteit per jaar verbruikt. De verzoekende partij in de zaak nr. 7889 preciseert dat de wetgever, via de bekritiseerde maatregel, niet de doelstellingen heeft verwezenlijkt die hij zich had gesteld om de impact van de energiecrisis op de energiefactuur te verlichten voor gezinnen en om de breedst mogelijke groep te bereiken in het kader van zijn bevoegdheid inzake het energieprijsbeleid. Bovendien is de prijs van een kWh elektriciteit veel hoger dan de prijs van een kWh gas, hetgeen het verschil in behandeling vergroot. In oktober 2022 bedroeg de gemiddelde prijs van een kWh elektriciteit 69,27 eurocent, terwijl de gemiddelde prijs van een kWh gas 20,97 eurocent bedroeg. De verzoekende partij in de zaak nr. 7889 merkt op dat de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, de enige zijn die geen specifieke premie hebben gekregen, aangezien de gezinnen die verwarmen met huisbrandolie en met pellets, een specifieke toelage hebben ontvangen. Volgens een studie van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG) van 14 november 2019 verwarmen, in België, 61,3 % van de gezinnen met aardgas, 24,9 % van de gezinnen met huisbrandolie, 4,5 % van de gezinnen met hout of met pellets en 6 % van de gezinnen met elektriciteit. Die laatsten zijn grotendeels huishoudens waarvan de woning gelegen is in een zone die niet wordt bevoorraad met aardgas en die in het algemeen over een elektrische accumulatieverwarming beschikken. Daarenboven is het gemakkelijk om die gezinnen te identificeren, wegens hun aansluiting op een elektriciteitsmeter voor « exclusief nachtgebruik ». A.
  12. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 leidt een enig middel af uit de schending, door de artikelen 8 tot 17 en 34 tot 62 van de wet van 30 oktober 2022 en door de artikelen 1 tot 12 van de wet van 26 juni 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de gezinnen die verwarmen met huisbrandolie, met propaan of met gas en de gezinnen die verwarmen met elektriciteit (in het bijzonder die welke verwarmen door middel van elektrische accumulatoren, elektrische vloerverwarming of enig ander elektrisch apparaat), verschillend behandelen. Die verzoekende partij zet een argumentatie uiteen die analoog is aan de argumentatie die is uiteengezet in de zaak nr.
  13. Het is niet de energiebron, maar de stijging van de energiekosten die pertinent is om te bepalen wie recht heeft op ondersteuning van de overheid en in welke mate. A.
  14. De verzoekende partij in de zaak nr. 7916 werpt een middel op dat analoog is aan het middel dat is aangevoerd in de zaak nr. 7889 tegen de wet van 19 december
  15. 5 De verzoekende partij in de zaak nr. 7916 preciseert dat het feit dat bij de premies geen rekening wordt gehouden met het concrete gebruik dat de gezinnen maken van de energie (verlichting, koken, verwarming, enz.), het niet mogelijk maakt het verschil in behandeling te verantwoorden, dat betrekking heeft op gemiddelde verbruiksprofielen die losstaan van het daadwerkelijke verbruik van de gezinnen. Volgens die verzoekende partij zijn de gegevens met betrekking tot het gemiddelde verbruik van de huishoudelijke afnemers die verwarmen met elektriciteit, redelijkerwijze beschikbaar. Daarenboven zou de inaanmerkingneming, door de wetgever, van het gemiddelde profiel van de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, geen onevenredige administratieve last met zich meebrengen. De toelage die wordt toegekend aan de gezinnen die verwarmen met pellets, houdt in dat een aanvraag wordt ingediend op een elektronisch platform. Een verificatie door de administratie is mogelijk in geval van twijfel. A.11.
  16. De Ministerraad voert aan dat de eventueel verschillende impact van de genomen maatregelen op de gezinnen niet voortvloeit uit die maatregelen, maar uit de verschillende feitelijke situaties van de gezinnen, op grond van onder meer het soort van energie dat wordt gebruikt voor de verschillende energiebehoeften en de inspanningen die zijn geleverd om het energieverbruik te verminderen. De Ministerraad preciseert dat het basispakket energie is geconcipieerd als een eenmalige en forfaitaire premie voor elektriciteit en voor gas, die beide bestaan uit een absoluut bedrag dat voortvloeit uit een gemiddelde jaarlijkse kostprijs voor het meest voorkomende verbruiksprofiel in het land. Daartoe heeft de wetgever redelijkerwijze beschikbare gegevens over het gemiddelde verbruik van de huishoudelijke afnemers gebruikt, en heeft daarbij rekening gehouden met het doel dat erin bestaat de premies zo snel mogelijk toe te kennen. De premie houdt geen verband met het verbruik, en is niet aangepast op grond van de concrete energiebehoeften per energiebron (verwarming, verlichting, koken, werking van huishoudapparaten, mobiliteit, enz.). In een premie wordt voorzien voor elk soort van energiebron (elektriciteit, gas, huisbrandolie en propaan), opdat rekening wordt gehouden met de specifieke evolutie van de prijzen van elk van die energiebronnen. De Ministerraad beklemtoont dat de federale wetgever, naast die premies, heeft voorzien in maatregelen zoals de energienorm, het sociale tarief voor de levering van elektriciteit, van warmte en van gas, de verlaging van de btw op elektriciteit en op gas voor huishoudelijke contracten, of nog de btw-verlaging voor warmtepompen. De situaties waarop de premies betrekking hebben, zijn wezenlijk verschillend, zodat de categorieën van personen die in de verschillende middelen worden vermeld, niet vergelijkbaar zijn. A.11.
  17. De Ministerraad voert vervolgens aan dat de wetgever legitieme doelstellingen nastreeft, die erin bestaan de stijging van de energiefacturen te verzachten en de energiefactuur van de gezinnen zo snel mogelijk te verlichten. De keuze om een premie voor elektriciteit en voor gas toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten, maakt het mogelijk om, binnen de perken van de federale bevoegdheden inzake energieprijzen, de breedst mogelijke groep te bereiken. Het is niet de bedoeling om de stijging van de energiefacturen volledig te compenseren, maar om ze te verlichten. De Ministerraad preciseert dat de toekenning van de premies geen verband houdt met het verbruik, maar enkel met de betrokken energiebron. Dat wordt verantwoord door de wil van de wetgever om met het pakket geen afbreuk te doen aan de btw die verschuldigd is als aandeel in de factuur of in de openstaande schuld. Vervolgens zou de inaanmerkingneming van het werkelijke verbruik de toekenning van de premies vertragen en bemoeilijken, zowel wat betreft de berekening en de uitvoering ervan als wat betreft de controle erop. Ten slotte dient de federale wetgever te handelen binnen de perken van zijn bevoegdheden inzake prijsbeleid en energietariferingsbeleid, zonder inbreuk te maken op de gewestelijke bevoegdheden met betrekking tot rationeel energieverbruik en nieuwe energiebronnen. De Ministerraad beklemtoont dat de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid inzake energie beschikt en dat het technische karakter van de aangelegenheid verantwoordt dat de wetgever de verscheidenheid aan toestanden op een vereenvoudigde en benaderende wijze opvangt. A.11.
  18. De Ministerraad voert aan dat de door de verzoekende partijen gebruikte cijfers verkeerd zijn. Allereerst is het totale energieverbruik van de twee categorieën van huishoudelijke afnemers niet gelijk. Er moet rekening worden gehouden met de respectieve doeltreffendheid van de verschillende gebruikte energiebronnen. De hoeveelheid warmte die wordt geproduceerd door middel van een kWh elektriciteit, gas of huisbrandolie, verschilt aanzienlijk volgens de installatie. Het is dus misleidend om de prijzen per kWh van de verschillende energiebronnen rechtstreeks met elkaar te vergelijken. Daarenboven zijn de gebruikte verbruiksprofielen opgesteld 6 met het oog op de statistische verwerking van de gegevens over de prijzen; die categorieën kunnen niet worden gebruikt om het bedrag te bepalen van premies die aan de betrokken personen zouden worden toegekend op grond van het verbruik. De Ministerraad preciseert dat de gezinnen worden geconfronteerd met procentuele prijsstijgingen van de energiebronnen. Vóór de energiecrisis was de elektriciteitsprijs per kWh echter reeds hoger dan de gasprijs per kWh. Bovendien werd de elektriciteitsprijs minder getroffen dan de prijs van gas en huisbrandolie. Volgens de Ministerraad heeft de verwijzing naar de statistische profielen van de CREG in verband met het verbruik van de huishoudelijke afnemers een weerslag op het uiteindelijke bedrag van de premies, maar is zij slechts één element dat moet worden geïntegreerd bij het omzetten naar een concreet bedrag van de basispakketten in termen van hoeveelheid elektriciteit en gas en van de gekozen kortingen. Ten slotte is een jaarlijks verbruik van 20 000 kWh voor een gezin dat verwarmt met elektriciteit, niet de norm. A.11.
  19. De Ministerraad voert aan dat de bestreden wetten geen onevenredige gevolgen hebben voor de betrokken gezinnen, rekening houdend met de verschillende ondersteuningsmaatregelen die zijn genomen en, met name, met de vermindering tot 6 % van de btw op elektriciteit. Alle maatregelen zullen worden gevolgd en zullen worden aangepast indien nodig. Daarbij komen nog de maatregelen die door de gewesten zijn genomen (met name de subsidies voor de plaatsing van warmtepompen). A.
  20. Wat de zaak nr. 7894 betreft, preciseert de Ministerraad dat het, aangezien de federale elektriciteitspremie geen verband houdt met het verbruik of met de concrete behoeften van de gezinnen, niet pertinent is te weten of zij al dan niet betrekking heeft op de kosten voor verwarming. De Ministerraad preciseert dat de toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk, die 21 % van de Belgische gezinnen betreft, ertoe strekt die gezinnen financieel te ondersteunen, ter aanvulling van de andere maatregelen die zijn genomen met betrekking tot gas en elektriciteit. A.13.
  21. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7916 voeren aan dat het bekritiseerde verschil in behandeling wel degelijk voortvloeit uit de bestreden bepalingen en dat de meeste gezinnen die verwarmen met elektriciteit, niet ervoor hebben gekozen om in die situatie te belanden. Die verzoekende partijen preciseren dat het feit dat de premies worden toegekend zonder dat rekening wordt gehouden met de wijze waarop de gezinnen concreet gebruikmaken van de energie, alsook het bestaan van andere ondersteuningsmaatregelen het niet mogelijk maken te besluiten dat er geen verschil in behandeling bestaat. Daarenboven heeft het verschil in behandeling geen betrekking op het werkelijke verbruik van de gezinnen; het heeft betrekking op gemiddelde verbruiksprofielen. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7916 beklemtonen dat de wetgever een bredere groep had kunnen bereiken door enkel een elektriciteitspremie toe te kennen, zoals hij heeft gedaan door een verwarmingspremie van 100 euro toe te kennen bij de wet van 28 februari
  22. Zij merken op dat de wetgever het bedrag van de premies niet heeft verbonden aan de prijsschommelingen van de verschillende energiebronnen, en dat hij, om het bedrag van de premies te verantwoorden, evenmin naar enig verschil in doeltreffendheid tussen de energiebronnen heeft verwezen. A.13.
  23. De verzoekende partijen in dezelfde zaken zien niet in in welk opzicht de verwijzing naar de door de CREG opgestelde statistische profielen niet pertinent zou zijn, aangezien de wetgever zelf zich, om de premies vast te stellen, op een door de CREG opgesteld statistisch profiel heeft gebaseerd. Het is ook pertinent om de prijzen per kWh van de verschillende energiebronnen met elkaar te vergelijken, zoals de CREG dat doet. Indien de wetgever, op basis van de cijfers van de CREG, heeft geoordeeld dat de gemiddelde afnemer die verwarmt met gas, jaarlijks 17 000 kWh gas en 3 500 kWh elektriciteit verbruikt, kan overigens niet redelijkerwijze worden aangenomen dat de cijfers van de CREG met betrekking tot het gemiddelde verbruik van een gezin dat verwarmt met elektriciteit, niet de norm zijn. A.13.
  24. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7916 preciseren dat de gezinnen die verwarmen met elektriciteit of met gas dankzij de btw-verlaging een besparing doen, die dezelfde is, in verhouding tot het bedrag van de factuur. Daarenboven zijn de meeste gezinnen die verwarmen met elektriciteit, uitgerust met een elektrische accumulatieverwarming, en niet met een warmtepomp waarvoor zij een subsidie zouden hebben 7 gekregen. Ten slotte hebben de bestreden maatregelen paradoxaal genoeg tot gevolg dat zij de gezinnen ertoe aanzetten om te verwarmen met gas in plaats van met elektriciteit, terwijl de logica erin had moeten bestaan de voorrang te geven aan lokaal geproduceerde energie. A.
  25. De verzoekende partij in de zaak nr. 7916 voert aan dat alle maatregelen met betrekking tot energie die uitsluitend bestemd is voor verwarming (gas, huisbrandolie, propaan in bulk, pellets in bulk), wijzen op het voornemen van de wetgever om een financiële ondersteuning met betrekking tot verwarming toe te kennen aan elk gezin, met uitzondering van de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. Zelfs in de veronderstelling dat de premies zouden zijn bepaald op grond van de prijsschommelingen van de verschillende energiebronnen en dat die prijsschommelingen een hogere tegemoetkoming van de federale overheid verantwoorden met betrekking tot gas, verantwoordt zulks volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 7916 niet dat de wetgever geen specifieke premie - zij het van een minder hoog bedrag - heeft toegekend aan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. Daarenboven zou de toekenning, aan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, van een premie die gelijk is aan die welke de gezinnen genieten die verwarmen met gas, geen probleem opleveren met betrekking tot de btw, aangezien zij geen verband zou houden met het verbruik. Ten slotte is de elektriciteitsprijs, tussen januari en december 2022, gestegen met 17,65 %, terwijl de gasprijs maar met 15,25 % is gestegen. Die verzoekende partij beweert dat het tegenstrijdig is om aan te voeren dat de wetgever ervoor heeft gekozen om geen rekening te houden met de energiekosten en dat hij een onderscheid heeft gemaakt tussen de steunmaatregelen teneinde rekening te houden met de onderscheiden prijsschommelingen van de verschillende energiebronnen. A.
  26. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 preciseert dat het feit dat bij de federale elektriciteitspremie geen rekening wordt gehouden met het werkelijke verbruik van elk gezin, niet wil zeggen dat de wetgever, om het bedrag van de premie te bepalen, geen rekening heeft gehouden met een bepaald « standaardverbruik » per energiebron van een type huishouden in een type woning. Anders zou de vraag moeten rijzen of het bedrag van de verschillende premies niet willekeurig is vastgesteld, hetgeen niet toelaatbaar zou zijn in een rechtsstaat. Volgens die verzoekende partij kan worden aangenomen dat een afnemerstype dat verwarmt met gas, 17 000 kWh aardgas verbruikt, waarvan 15 000 kWh voor het verwarmen van ruimtes of sanitair water, terwijl de gezinnen met een elektriciteitsaansluiting met exclusief nachttarief 12 500 kWh verbruiken voor het verwarmen van ruimtes of sanitair water. Bij die cijfers wordt rekening gehouden met de respectieve doeltreffendheid van elk van de energiebronnen. Aangezien de wetgever geen rekening heeft willen houden met de verschillende feitelijke situaties van de gezinnen wat betreft de inspanningen die zijn geleverd om hun energieverbruik te verminderen, kan volgens die verzoekende partij evenmin daarmee rekening worden gehouden om te besluiten dat de gezinnen zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 preciseert dat haar kritiek is gebaseerd op de cijfers die werden gegeven door de minister van Economie, de Vlaamse overheid, de CREG en de VREG. Vervolgens zijn de bestaande verschillen met betrekking tot de energieprijs in de verschillende gewesten, niet van dien aard dat zij haar stelling ongeldig maken, volgens welke gas bijna tweemaal zoveel zou kosten als huisbrandolie en propaan, en elektriciteit meer dan tweemaal zoveel zou kosten als gas. Ten slotte had de wetgever, indien hij rekening had willen houden met de gewestelijke subsidies voor warmtepompen, de gezinnen die de premie voor elektrische verwarming hebben genoten, moeten uitsluiten. A.16.
  27. De Ministerraad preciseert dat niet alle gezinnen die verwarmen met elektriciteit, noodzakelijkerwijs gebruikmaken van een accumulatieverwarming. De verwarming met elektriciteit kan ook berusten op een warmtepomp of op zonnepanelen. Bovendien vloeit de manier van verwarmen van de gezinnen grotendeels voort uit hun keuzes, en dus uit een feitelijke situatie. De Ministerraad voert aan dat het pertinent is om het gemiddelde verbruiksprofiel te gebruiken. De premie zou niet kunnen worden gebaseerd op het verbruiksvolume dat de verzoekende partijen als de norm voor de verwarming met elektriciteit beschouwen, anders zou een verschil in behandeling op grond van het verbruiksvolume van de gezinnen in het leven worden geroepen. 8 A.16.
  28. De Ministerraad beklemtoont dat de in de wet van 28 februari 2022 bedoelde verwarmingspremie van 100 euro op een logica berust die verschilt van die waarvoor de elektriciteits- en gaspremies berusten : het betrof een premie van een gering bedrag die niet bestemd was om mogelijkerwijs te worden hernieuwd in de tijd. Bovendien zijn de gegevens met betrekking tot de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, onzeker en is de plaatsing van de slimme meter nog niet voldoende vergevorderd om het individuele verbruik van elke huishoudelijke afnemer te kennen. De suggestie van de verzoekende partijen om het criterium van de aansluiting met exclusief nachttarief te gebruiken, zou ertoe leiden dat de gezinnen die verwarmen met elektriciteit maar die niet over een dergelijke voorziening beschikken, worden gediscrimineerd. Daarenboven kan het gebruik van een aanvraagsysteem dat soortgelijk is aan het systeem dat is ingevoerd voor huisbrandolie en pellets, enkel voor specifiekere bronnen worden overwogen. De Ministerraad voert aan dat de door de CREG gebruikte gemiddelde verbruiksprofielen te dezen niet pertinent zijn, aangezien het, op grond van het totale elektriciteitsverbruik van een gezin, niet mogelijk is te weten in welke verhouding dat verbruik verband houdt met het gebruik van de elektrische verwarming en in welke verhouding het verband houdt met andere behoeften. A.16.
  29. Volgens de Ministerraad heeft de federale wetgever de premies discretionair vastgesteld, op grond van politieke overwegingen en rekening houdend met de budgettaire impact van de maatregelen, en niet op grond van een concreet verbruik, bepaalde verbruiksprofielen of toepasselijke prijzen. Vervolgens, indien de federale wetgever premies had vastgesteld op basis van het verbruik en op basis van de hogere kostprijs van de factuur wegens een duurder soort van verwarming, zou hij het door de Vlaamse Regering gevoerde beleid dat erin bestaat elektrische accumulatie te ontraden, in het gedrang hebben gebracht. Bij de toepassing van een variabele premie op grond van een differentiëring van de verbruiksprofielen naargelang van de door het gezin gebruikte energiebronnen zou bovendien rekening moeten worden gehouden met de premies die reeds bestaan voor de andere specifieke energiebronnen. Ten slotte zou de aanpak op basis van andere verbruiksprofielen de uitvoering en de controle van de maatregel aanzienlijk complex maken, hetgeen contraproductief zou zijn gelet op het doel dat erin bestaat de impact van de energiecrisis op de energiefacturen van de gezinnen zo snel mogelijk te verlichten. A.
  30. De Ministerraad betwist de cijfers met betrekking tot het verbruik die door de verzoekende partij in de zaak nr. 7894 naar voren zijn gebracht, alsook het idee dat er een volledig vergelijkbare energiebehoefte tussen de verschillende gezinnen zou bestaan. Hij betwist ook de gegevens met betrekking tot de prijzen die worden gehanteerd door de verzoekende partij, die haar bronnen niet aanhaalt en geen rekening houdt met de concrete prijsschommelingen tijdens het betrokken jaar. De Ministerraad preciseert dat huisbrandolie en propaan in bulk aan eigen prijsevoluties zijn onderworpen en dat het Europese recht geen btw-verlaging voor die energie toestaat. Daarenboven hebben niet alle gezinnen noodzakelijkerwijs recht op een federale elektriciteitspremie. De gezinnen hebben enkel recht op die premie indien zij voldoen aan de wettelijke voorwaarden, in het bijzonder die met betrekking tot de pertinente referentieperiode en de prijszetting. Wat betreft de zaak nr. 7912 A.
  31. De verzoekende partij in de zaak nr. 7912 voert aan dat de wet van 30 oktober 2022 discriminerend is, in zoverre zij de huurders die geen leveringsovereenkomst voor gas hebben die op hun naam is afgesloten, uitsluit van de federale gaspremie. Wat betreft de handhaving van de gevolgen A.
  32. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 zijn van mening dat de bestreden bepalingen moeten worden vernietigd door daarbij tevens de gevolgen ervan te handhaven gedurende een beperkte periode, tijdens welke de wetgever de gelijkheid zou moeten herstellen door aan de huishoudelijke afnemers die verwarmen met elektriciteit, een aangepaste premie (zaak nr. 7894) of een premie die gelijkwaardig is aan die welke wordt toegekend aan de huishoudelijke afnemers die verwarmen met gas (zaken nrs. 7889 en 7916), toe te kennen. A.
  33. De Ministerraad verzoekt om, in geval van een vernietiging van de bestreden bepalingen, de gevolgen ervan definitief te handhaven. Het Hof is hoe dan ook niet bevoegd om aan de wetgever een positief bevel te geven 9 om aan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit een premie toe te kennen, zoals de verzoekende partijen het Hof vragen. A.
  34. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7916 preciseren dat, indien het Hof dat verzoek zou inwilligen, de vernietiging zou moeten worden uitgesproken onder voorbehoud van een interpretatie van die bepalingen waarbij de huishoudelijke afnemers die verwarmen met elektriciteit, ertoe worden gemachtigd de federale gaspremie op te eisen. A.
  35. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 is van mening dat het verzoek van de Ministerraad moet worden verworpen, in zoverre dat zou inhouden dat hij kan nalaten de nodige maatregelen te nemen om de ongelijkheid die de vernietiging heeft verantwoord, te verhelpen. A.
  36. De Ministerraad voert aan dat de door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889 en 7916 gesuggereerde interpretatie indruist tegen de geest van de wet. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  37. Het economische herstel na COVID-19 en de invasie van Oekraïne door Rusland hebben aanleiding gegeven tot een aanzienlijke stijging van de energieprijzen. In die context heeft de wetgever verschillende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen genomen om de gezinnen te helpen. Tot die maatregelen behoren : een verwarmingspremie van 100 euro; een toelage van 300 euro voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning; een toelage van 250 euro voor gezinnen die met pellets verwarmen; een goedkoper basispakket energie voor de gezinnen, dat bestaat in het toekennen van een premie voor elektriciteit en gas; een tijdelijke verlaging van de accijnzen op diesel en op benzine; een tijdelijke btw-verlaging op elektriciteit en op gas; en een uitbreiding van het sociaal tarief. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van verschillende wetsbepalingen met betrekking tot de federale gas- en elektriciteitspremies en de toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning. B.2.
  38. Artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning » (hierna : de wet van 26 juni 2022) bepaalt dat een toelage 10 eenmalig en forfaitair wordt toegekend als tegemoetkoming in de betaling van de levering van huisbrandolie of van propaan in bulk aan iedere rechthebbende die tussen 15 november 2021 en 31 december 2022 inbegrepen van een onderneming een levering ontving die bestemd is voor de verwarming van zijn hoofdverblijfplaats. Het bedrag van die toelage bedroeg oorspronkelijk 225 euro netto. Bij artikel 8, 1°, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022) is dat bedrag gestegen naar 300 euro netto. De toelage wordt toegekend op basis van een aanvraag die wordt ingediend door de rechthebbende (artikel 3, § 1, derde lid, van de wet van 26 juni 2022). Volgens de memorie van toelichting heeft die maatregel, die de andere voor gas en elektriciteit genomen maatregelen aanvult, als doel « een financiële steun toe te kennen aan het grootst mogelijk aantal burgers om hun te helpen het hoofd [te] bieden aan de stijgende prijzen voor de verwarming van hun woning » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2752/001, p. 4). B.2.2.
  39. Bij de voormelde wet van 30 oktober 2022 kent de wetgever een eenmalige forfaitaire premie van 122 euro toe aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 36, § 1, van de wet). Bovendien wordt een eenmalige forfaitaire premie van 270 euro toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 43, § 1, van de wet). Die premies zijn geldig voor de maanden november en december
  40. Wat de federale gaspremie betreft, hebben de eindafnemers die zijn verbonden met een collectief aansluitpunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst die voor de premie in aanmerking komt, die in hun naam en voor hun rekening werd gesloten door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars, eveneens recht 11 op de premie (artikel 43, § 1, tweede lid, van de voormelde wet). Er wordt gepreciseerd dat « de begunstigden […] ook de gas eindafnemers via een gezamenlijke stookinstallatie [omvatten] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). In beginsel worden de premies automatisch toegekend door de leverancier aan de rechthebbenden (artikelen 37 en 44 van de wet van 30 oktober 2022). Een rechthebbende die met meerdere gezinnen of huishoudens gas aankoopt via hetzelfde EAN-aansluitingspunt op het aardgasdistributienet, moet een aanvraag in die zin indienen bij de FOD Economie (artikel 45 van dezelfde wet). B.2.2.
  41. De federale elektriciteits- en gaspremie beoogt « de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten [...] voor gezinnen. Met de keuze om een federale elektriciteits- en gaspremie toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten [wenst de wetgever] de breedst mogelijke groep [te bereiken] binnen de federale bevoegdheden (energieprijzen) » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). Wat het bedrag van de premie betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « De beoogde premie bedraagt 270 euro voor gas en 122 euro voor elektriciteit. Wat de premie voor gas betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,13 euro/kWh all-in) beleverd worden en voor 12 MWh aan een commercieel tarief (0,26 euro/kWh all-in) tegenover een volledige afname (17 MWh) aan datzelfde commercieel tarief. De korting die op jaarbasis is berekend wordt als een eenmalige premie toegekend en wordt niet aangepast op basis van [het] verbruik van het huishouden. Wat de premie voor elektriciteit betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 1,5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,24 euro/kWh all-in) beleverd worden en voor 2 MWh aan een commercieel tarief (0,44 euro/kWh all-in) tegenover een volledige afname (3,5 MWh) aan datzelfde commercieel tarief. De korting die op jaarbasis is berekend wordt als een eenmalige premie toegekend en wordt niet aangepast op basis van [het] verbruik van het huishouden. In geen enkel geval doet de premie afbreuk aan de btw die verschuldigd is als aandeel in de factuur of in de openstaande schuld. Vanuit btw-perspectief moet worden opgemerkt dat deze federale elektriciteits- en gaspremie noch [kan worden gekwalificeerd] als een prijssubsidie in de zin van artikel 26, § 1, eerste lid, van het btw-wetboek, noch als een prijsvermindering in de zin van artikel 28, 2°, van voormeld wetboek. Er is immers geen noodzakelijk verband tussen de toegekende premie en de elektriciteits- en gasfactuur waarop 12 zij wordt verrekend. In de meeste gevallen houdt de premie immers verband met de elektriciteits- en gasfactuur van het gezin waaraan de premie via de elektriciteits- en gasfactuur wordt toegekend. De elektriciteitsfactuur wordt dus louter en alleen als technisch instrument gebruikt voor de toekenning van de premie. Het uitgespaarde bedrag kan vrij door het betrokken gezin [worden] gebruikt, al dan niet ter besteding aan consumentengoederen of -diensten. De termen ‘ factuur ’, ‘ creditnota ’, ‘ korting ’, etc., moeten dan ook in het kader van de specifieke voorliggende wetgeving worden geïnterpreteerd en staan los van de klassieke invulling ervan in het kader van de btw-wetgeving. De maatstaf van heffing die als heffingsbasis geldt voor de btw geheven over de levering van elektriciteit en gas, mag dus in geen enkel geval worden verminderd naar aanleiding van deze titel » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 21). B.2.2.
  42. Bij de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » (hierna : de wet van 19 december 2022) breidt de wetgever het basispakket energie uit tot de maanden januari, februari en maart 2023, door een tweede federale premie voor elektriciteit en gas in te voeren, in het verlengde van de eerste premie. De voorwaarden om de premies te genieten zijn grotendeels identiek aan de voorwaarden waarin is voorzien bij de wet van 30 oktober 2022, zij het dat de situatie van de rechthebbende wordt beoordeeld op 31 december 2022 en dat het bedrag van de premie 183 euro bedraagt voor elektriciteit en 405 euro voor gas (artikelen 4, § 1, en 11, § 1, van de wet van 19 december 2022). Ingevolge een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt het bedrag van de premies aanvullend verantwoord als volgt : « Met de ontworpen regeling wordt beoogd eenmalig in een goedkoper basispakket energie te voorzien voor gezinnen, bestaande uit twee afzonderlijke premies bestemd voor huishoudelijk verbruik van elektriciteit en gas ongeacht de omvang van het energieverbruik en ongeacht de exclusieve dan wel gecombineerde afname van elektriciteit respectievelijk van gas voor verschillende soorten huishoudelijk gebruik (verlichting, koken, verwarming, enz.). Immers, voornoemd basispakket werd opgezet als een eenmalige en forfaitaire elektriciteits- en gaspremie telkens bestaande uit een absoluut bedrag dat het resultaat is van een gemiddeld jaarlijkse kost voor een meest voorkomend verbruiksprofiel in het land. Hierbij werd gebruik gemaakt van de redelijkerwijze beschikbare gegevens inzake het gemiddelde verbruik van huishoudelijke afnemers, rekening houdende met het streven om de premies zo snel mogelijk toe te kennen. De ratio legis van dit wetsontwerp bestaat erin om de impact van de energiecrisis op de energiefactuur van gezinnen te verlichten door een goedkoper basispakket energie te voorzien en rechtvaardigt het determinerend criterium om als rechthebbende van de premie te kwalificeren, met name de hoedanigheid van huishoudelijke afnemer en gerechtigde op een recht van levering in het kader van een leveringsovereenkomst met betrekking tot elektriciteit 13 dan wel gas, die gesloten werd in een periode waarin de energieprijzen buitengewone hoogtes hebben bereikt, i.e. een leveringsovereenkomst die nog actief is op 31 december 2022 met een variabele prijs of met een vaste prijs mits gesloten of hernieuwd na 30 september 2021, en dat ongeacht of er in de periode waarvoor de premie wordt toegekend daadwerkelijk een levering werd ontvangen of niet. De toepassing van een variërende premie op basis van concreet verbruik of een differentiatie van verbruiksprofielen op basis van de ingezette energiebronnen voor het huishouden, zou een complexe en significante administratieve last creëren die niet in verhouding zou staan tot het beoogde doel en waarbij bovendien rekening zou moeten worden gehouden met reeds bestaande premies of toelagen voor de specifieke andere energiebronnen. De uitrol van de slimme meter is ook nog niet voldoende ver gevorderd om het individueel verbruik van iedere huishoudelijke afnemer te kennen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, pp. 9-10). In de Kamercommissie heeft de minister van Energie uitgelegd : « Discriminatie en Gelijkheidsbeginsel De Raad van State heeft een verduidelijking gevraagd van het onderscheid tussen het basispakket gas en het basispakket elektriciteit. In de memorie van toelichting werd dit verduidelijkt op basis van vier punten : - Het gaat om een basispakket voor twee vectoren, nl. gas en elektriciteit, waarbij er gewerkt wordt met een schijf van verbruik waarop een gereguleerd en verminderd tarief wordt toegepast, los van het globale verbruik van iemand. - De forfaitaire premies zijn berekend aan de hand van gemiddelde jaarlijkse kosten voor een meest voorkomend verbruiksprofiel, op basis van de boordtabellen van de CREG. - De digitale meter is nog niet volledig uitgerold, waardoor het verbruik van de klanten niet gekend is. - De toepassing van een variërende premie naargelang van het verbruik is administratief niet eenvoudig te realiseren en brengt een snelle beslissing om de premie bij de burgers te krijgen in gevaar. Warmtepompen en accumulatie Het basispakket gaat over een tegemoetkoming voor het huishoudelijke verbruik van elektriciteit en van gas. Warmtepompen en accumulatieverwarming kwamen reeds aan bod tijdens de bespreking van de eerste premies, alsook van de Algemene Beleidsnota. De Raad van State geeft aan dat er niet kan en mag worden gedifferentieerd in de korting voor elektriciteit : ‘ Een verhoogde premie voor een huishoudelijke afnemer die enkel een leveringsovereenkomst voor elektriciteit heeft en die zijn woning met elektriciteit verwarmt, zou op gespannen voet kunnen staan met dat opzet, los van de praktische problemen om die afnemer te onderscheiden van andere huishoudelijke afnemers die enkel een leveringsovereenkomst voor elektriciteit hebben maar andere energiebronnen gebruiken om hun woonplaats te verwarmen ’. Op basis van dit advies is het probleem van de mensen die zich verwarmen met warmtepompen of accumulatie moeilijker op te lossen dan wat op het eerste [gezicht] lijkt. 14 Meerdere stookinstallaties voor één toegangspunt De minister heeft geen kennis van de specifieke situatie die [het lid] aanhaalt. Zij gaat ervan uit dat het om een privénet of een gesloten distributienet gaat, en dus niet om een levering via de publieke netten. Daardoor valt een dergelijke situatie, op [het] eerste [gezicht], buiten het toepassingsgebied van dit wetsontwerp. De minister is bereid om specifieke situaties te bestuderen maar zij kan zich moeilijk inbeelden dat het om zeer veel situaties gaat. Zij onderstreept ook dat de regelingen omtrent dergelijke privénetten of gesloten distributienetten verschillend zijn naar gelang het gewest waar ze zich bevinden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/004, pp. 9-10). B.2.
  43. Bij artikel 4, § 1, van de programmawet (I) van 26 december 2022 kent de wetgever een eenmalige en forfaitaire toelage van 250 euro netto toe aan iedere rechthebbende die tussen 1 juni 2022 en 31 maart 2023 inbegrepen een levering ontving van pellets in bulk, als tegemoetkoming in de betaling van de levering van pellets in bulk bestemd voor de verwarming van zijn hoofdverblijfplaats. De toelage wordt voorbehouden aan de gezinnen die geen recht hebben op de toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning, noch op de federale gaspremie, en die geen sociaal gastarief genieten (artikel 3, 2°, van de programmawet). De verwarmingstoelage voor pellets in bulk wordt toegekend op basis van een aanvraag van de rechthebbende (artikel 4, § 1, derde lid, van de programmawet). Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 B.3.
  44. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 niet doen blijken van een belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen. De Ministerraad voert daarenboven aan dat het beroep in de zaak nr. 7894 zich dient te beperken tot de daadwerkelijk bestreden bepalingen en dat de verzoekende partij in die zaak niet doet blijken van een belang om de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie te bestrijden. 15 B.3.
  45. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Opdat de verzoekende partij van het vereiste belang doet blijken, is niet vereist dat een eventuele vernietiging haar een onmiddellijk voordeel zou opleveren. De omstandigheid dat zij, als gevolg van de indiening van haar beroep, opnieuw een kans zou kunnen krijgen dat haar situatie in gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om haar belang te verantwoorden. B.3.
  46. Zulks is te dezen het geval, aangezien de wetgever, in geval van een vernietiging van de bestreden bepalingen, ertoe zou kunnen worden gebracht nieuwe bepalingen aan te nemen waarbij een premie wordt toegekend aan de gezinnen die, zoals die verzoekende partijen, verwarmen met elektriciteit. Bijgevolg doen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de bepalingen van de bestreden wetten met betrekking tot de federale gaspremie en, wat de zaak nr. 7894 betreft, met betrekking tot de toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning. De verzoekende partij in de zaak nr. 7894 doet niet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie. Zij zet bovendien geen enkele bijzondere grief uiteen tegen de artikelen 49 tot 62 van de wet van 30 oktober
  47. B.3.
  48. De beroepen zijn dus ontvankelijk in zoverre zij betrekking hebben op de artikelen 8 tot 17 en 42 tot 48 van de wet van 30 oktober 2022, alsook op de artikelen 1 tot 12 van de wet van 26 juni 2022 en op de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december
  49. Het beroep in de zaak nr. 7894 is voor het overige niet ontvankelijk. 16 Wat betreft de zaak nr. 7912 B.4.
  50. De Ministerraad voert aan dat het beroep in de zaak nr. 7912 niet ontvankelijk is. Bij gebrek aan een uiteenzetting van de feiten en van de middelen meent hij dat hij niet kan antwoorden op de argumenten van de verzoekende partij en dat het Hof niet de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging kan bepalen. Vervolgens toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht de bestreden bepalingen haar situatie en haar belangen rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen raken. Ten slotte heeft de verzoekende partij bij haar verzoekschrift geen afschrift van de bestreden wet gevoegd. B.4.
  51. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
  52. De verzoekende partij in de zaak nr. 7912 bekritiseert het feit dat zij geen recht heeft op een premie voor haar verbruik van gas voor verwarming, aangezien de leveringsovereenkomst voor gas is opgesteld op naam van de eigenaar van het door haar gehuurde appartement, die een vennootschap is. B.4.
  53. Op verzoek van het Hof preciseert de Ministerraad dat de verzoekende partij in de zaak nr. 7912 een aanvraag heeft ingediend om de in de wet van 30 oktober 2022 bedoelde federale gaspremie te verkrijgen en dat de FOD Economie die aanvraag heeft ingewilligd. Zonder dat het noodzakelijk is te onderzoeken of de vereisten van de artikelen 6 en 7 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 in acht zijn genomen, volstaat het vast te stellen dat die verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de wet van 30 oktober 2022 te vorderen. Het beroep in de zaak nr. 7912 is bijgevolg niet ontvankelijk. 17 Ten gronde Wat betreft de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 B.
  54. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre zij de gezinnen die verwarmen met elektriciteit en de gezinnen die verwarmen met gas (enig middel in de zaken nrs. 7889 en 7916), en met gas, met huisbrandolie of met propaan in bulk (enig middel in de zaak nr. 7894), verschillend behandelen. De gezinnen die verwarmen met elektriciteit, zouden enkel een federale elektriciteitspremie ontvangen, terwijl de gezinnen die verwarmen met gas, met huisbrandolie of met propaan in bulk, naast die federale elektriciteitspremie, een extra premie of toelage voor gas, huisbrandolie of propaan in bulk zouden ontvangen. De gezinnen die tot beide categorieën behoren, zouden nochtans om te verwarmen vergelijkbare hoeveelheden energie verbruiken, in verschillende vormen. De verzoekende partijen zijn van mening dat de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, recht zouden moeten hebben op een premie die gelijk is aan die welke wordt toegekend aan de gezinnen die verwarmen met gas (zaken nrs. 7889 en 7916) of, minstens, op een aangepaste premie (zaak nr. 7894). B.6.
  55. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.6.
  56. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 18 B.
  57. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsmarge. Het Hof zou de maatregelen die in die aangelegenheid door hem zijn genomen, slechts kunnen afkeuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. De wetgever kan bovendien geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Hij moet gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid aan toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. B.8.
  58. De Ministerraad voert aan dat de eventueel verschillende impact van de genomen maatregelen op de gezinnen niet voortvloeit uit die maatregelen, maar uit de feitelijke situaties van de gezinnen, die verschillen op grond van onder meer het soort van energie dat wordt gebruikt voor de verschillende energiebehoeften en op grond van de inspanningen die zijn geleverd om het energieverbruik te verminderen. Volgens de Ministerraad zijn de in B.5 vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar. B.8.
  59. In zoverre zij aan de gezinnen die een leveringsovereenkomst voor gas hebben afgesloten of die verwarmen met huisbrandolie of met propaan in bulk, een premie of toelage toekennen, mits een aantal voorwaarden in acht worden genomen, naast de federale elektriciteitspremie die zij daarenboven zouden kunnen genieten, behandelen de bestreden bepalingen die gezinnen anders dan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit en die enkel recht hebben op de federale elektriciteitspremie. De omstandigheid dat die premies en toelagen een verschillende weerslag kunnen hebben op de gezinnen, rekening houdend met hun feitelijke situatie, doet daaraan geen afbreuk. B.8.
  60. Daarenboven zijn de in B.5 vermelde categorieën van personen vergelijkbaar, in zoverre het in beide gevallen gaat om gezinnen die kunnen worden geraakt door de stijging van de energieprijzen en die, in dat opzicht, aanspraak kunnen maken op diverse premies en toelagen van de overheid. B.9.
  61. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat het gezin een leveringsovereenkomst voor gas heeft afgesloten of huisbrandolie of propaan in bulk geleverd heeft gekregen van een onderneming teneinde zijn hoofdverblijfplaats te verwarmen, of niet. 19 B.9.
  62. Zoals in B.1 en in B.2 is vermeld, strekken de door de wetgever ingevoerde premies en toelagen ertoe de impact van de stijging van de energieprijzen op de facturen van de gezinnen zo snel mogelijk te verlichten. Ten aanzien van dat doel is het niet onredelijk dat de wetgever die premies en toelagen heeft toegekend op grond van de betrokken energiebron, zonder rekening te houden met het werkelijke verbruik van de gezinnen, noch met het concrete gebruik dat die kunnen maken van de verbruikte energie (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, pp. 8-10; Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 21). Die vereenvoudigende benadering van een verscheidenheid aan toestanden is des te meer verantwoord, gelet op het gegeven dat de bestreden maatregelen deel uitmaken van een geheel van punctuele crisismaatregelen waarbij de wetgever snel heeft willen antwoorden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen. Het kan de wetgever bijgevolg niet worden verweten dat hij niet heeft voorzien in een bijkomende premie voor de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, om reden van de moeilijkheden die zijn vermeld in de in B.2.2.3 geciteerde parlementaire voorbereiding. B.
  63. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden verschil in behandeling tussen de gezinnen die verwarmen met gas, met huisbrandolie of met propaan in bulk en de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, redelijk verantwoord is. B.
  64. De enige middelen in de zaken nrs. 7889, 7894 en 7916 zijn niet gegrond. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 november
  65. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.166 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.